vrijdag 27 maart 2015

Politiek

Ik fiets met V. door de regen. Hij wil weten waarom ik op de PvdA heb gestemd. Ik leg hem uit dat ik graag op een linkse partij wil stemmen en dat er nog wel andere mogelijkheden zijn, maar dat ik daar weinig in zie. Dat ik de SP wantrouw, nadat ik er een blauwe maandag lid van ben geweest. ‘Ze organiseerden ooit een demonstratie tegen de Amerikaanse inval in Irak. Ik ging erheen en voelde me al snel heel ongemakkelijk tussen tientallen jongelui met Palestijnse vlaggen en spandoeken die leuzen tegen Israël scandeerden: het ging toch om de inval in Irak?’ Ik zeg dat ik de SP verdenk van verkapt anti-semitisme, en ze sowieso erg dogmatisch vind en ook betwijfel of ze wel genoeg expertise in huis hebben om regeringsverantwoordelijkheid te kunnen dragen. Het lijken me bovendien geen prettige lui om mee samen te moeten werken.
    ‘Hoe weet je dat nou, papa? En ze moeten toch ook ervaring op kunnen doen?’ Ik geef toe dat ik vooral mijn intuïtie volg, en weinig feitelijke kennis van zaken heb.
    ‘Groen Links leek altijd een mooi alternatief, maar je hoor nooit meer iets van ze. Misschien doen ze heel goed werk, maar dan wel in het geheim.’
    ‘Daar stemde mama toch op?’
    ‘Ja. Ze was er lid van.’
    ‘Dan toch maar die vermaledijde PvdA, de partij van mijn ouders. Wat mij betreft zijn er twee opties: óf ze hebben al hun idealen verkwanseld door met de VVD in zee te gaan, óf ze hebben wel degenlijk een lange termijn visie, en steunen nu allerlei heel vervelende maatregelen omdat ze menen te weten dat het ons straks iets op gaat leveren en we daar allemaal de vruchten van gaan plukken. Ik kan het me eerlijk gezegd nauwelijks voorstellen, als ik die arrogante rotkoppen zie.’
    Ik vertel hem dat ik het gevoel heb dat de landelijke politiek minder en minder belangrijk wordt. Dat achter de schermen een paar grote bedrijven de werkelijke macht hebben, en dat die de politiek dicteren wat wel en wat niet wenselijk is. Dat daardoor de verschillen tussen de partijen steeds minder belangrijk worden en beginnen te vervagen.
    ‘Dat lijkt me onwaarschijnlijk, papa.’
    ‘Vroeger had je één grote linkse partij, één grote rechtse partij en nog een grote christelijke partij. Die sloten dan steeds wisselende coalities: Links met christelijk gaf een wat socialer kabinet, rechts met christelijk een liberaal kabinet. Christenen hebben nu eenmaal geen visie, maar willen wel heel graag regeren.’
    V. moet lachen. Hij weet wel hoe zijn vader over het geloof denkt.
    ‘Het ging mis met het eerste paarse kabinet. PvdA moet niet met de VVD samen regeren, dat hoort gewoon niet, als dat gebeurt weet je dat er iets heel erg mis is met de democratie.’
    Het is harder gaan regenen.
    ‘En nu zijn er dus alleen nog maar kleine partijen en weet geen mens meer waar hij op moet stemmen. Dogmatici en populisten grijpen hun kans. Ik denk dat ik daarom toch maar op die kut-PvdA heb gestemd.’ 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen