donderdag 19 maart 2015

Apocalyps

De telefoon gaat. Ik zit in de auto, maar omdat ik zie dat het ‘thuis’ is, neem ik toch op.
    ‘Hoe laat ben je thuis, papa?’ Het is S.
    ‘Waarom vraag je dat? Is er iets? Gaat het goed thuis?’ Ik ben altijd ongeveer om de zelfde tijd thuis, dat weet hij.
    ‘Ja hoor. Maar hoe laat dan?’
    ‘Ik denk over een uurtje.’
    ‘OK papa.’ Hij verbreekt de verbinding. Ik nader knooppunt Joure. Het land is hier erg vlak en er is nauwelijks verkeer. Recht voor mij hangt de zon dreigend als een enorm oranje organisme boven de weg te trillen. Het begint een klein beetje te schemeren waardoor de lucht net iets dieper blauw is, wat de zon nog beter doet uitkomen. Links en rechts doorkruisen vliegtuigen het zwerk in opwaartse richting als een soort hemelse spermatozoïden. Ik ben alleen in mijn busje en luister naar Wilco: niet de vrolijkste muziek. ‘You’re so misunderstood,’ zingt Jeff Tweedy. Het heeft iets apocalyptisch: die diepblauwe lucht met al die opwaartse strepen, alsof de mensheid eindelijk heeft besloten de planeet te verlaten. Kennelijk zijn ze mij vergeten.
    Ik besluit dat ik het niet zo erg vind en neem bij de rotonde de A6 richting Amsterdam. Waarom zou S. hebben gebeld? Dat doet hij anders nooit.
    Op de radio maken ze melding van meer dan honderd kilometer file vanwege diverse ongelukken. Ik moet denken aan de film Weekend van Jean-Luc Godard uit 1967. Zou er toch iets buitengewoons aan de hand zijn?
    Met mijn studenten in Groningen luisterde ik naar het Quatuor pour la fin du temps van Olivier Messiaen. Ik vertelde ze over de ontstaansgeschiedenis en we analyseerden het eerste deel. Ooit was ik bij een uitvoering ervan in het concertgebouw in Amsterdam met Vera Beths en Reinbert de Leeuw. George Bush was net Irak binnengevallen, waardoor het stuk het collectieve onheilsgevoel van het moment perfect leek te verklanken. Toen de laatste noten waren weggestorven, bleef het lang stil in de zaal, waarop een staande ovatie volgde die als een bevrijding voelde.
    Half bezorgd parkeer ik mijn busje in de Frans van Mierisstraat en kijk omhoog naar de ramen van mijn etage. Er brand licht, niets bijzonders te zien.
    Binnen is het rustig. L. ligt in bed, V. zit op zijn kamer aan zijn huiswerk en de oppas zit in de kamer te lezen. Als ik mijn tas heb uitgepakt komt S. naar beneden.
    ‘Gaat het goed, S.?
    ‘Ja hoor.’
    ‘Wat ben je aan het doen?’
    ‘Wiskunde, papa. Weet je dat er morgen een zonsverduistering is? Mag ik even bij je liggen?’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen