zondag 21 oktober 2018





Montyn, Dirk Ayelt Kooiman

In een opwelling na het bericht van de dood van Dirk Ayelt Kooiman las ik Montyn dat al sinds 1995 in mijn boekenkast naast Een Romance staat. Ik las het halverwege de jaren zeventig, maar behalve de titel, het omslag en de foto van de hevig loensende auteur, kon ik me er niets meer van herinneren.
Montyn was een meesterwerk, er werd mee gedweept toen het uitkwam. Mijn toenmalige vriendin B., die in café Schiller werkte dat door de ‘echte’ Montijn werd gefrequenteerd was idolaat van zowel het boek als de titelheld. Ik vermoed dat dit een rol speelde bij mijn aanvankelijke weigering het boek te lezen. Maar goed, Kooiman is dood en dat leek me een mooie aanleiding Montyn maar eens uit de kast te trekken.
   
‘Er viel een stilte. Ik nam een slok, liet de Whisky over mijn tong spoelen, tuurde naar het silhouet van de heuvels aan de overkant.’, begint het verhaal. Oké, geen fraaie stijl, stoeremannenproza, kitsch en cliché, maar daar zal een schrijver van het kaliber van Kooiman wel zijn redenen voor hebben. Kooiman was oprichter van De Revisor, literair tijdschrift van grote pretentie waar ik in de jaren zeventig op geabonneerd was. (ik herinner me vooral de geïllustreerde poëzie van Vroman en de nogal vage strip Het bruidspaar van de Eiffeltoren)
    We openen in Thailand, de ‘ik’ heeft een ontmoeting met een soortgenoot, type Hemingway/Haddock, ruwe bolster blanke pit, te veel van de wereld en de mensheid gezien, de eeuwige ‘misfit’, rusteloos, beschadigd, alcoholisch gedisponeerd. ‘Hij heette Ted, onnodig te zeggen dat hij een Amerikaan was,’ schrijft Kooiman. Deze Ted heeft een bruinverbrande schedel omkranst door bruin, gemillimeterd haar. Er wordt hier een sfeertje geschept, zoveel is duidelijk. Beetje Lowry meets Conrad meets Slauerhoff, maar dan in lelijk proza. Slecht geredigeerd ook: ‘sommigen van hen leiden een onopvallend bestaan’, staat er op pagina 10, en zes regels verder: ‘sommigen van leiden een onopvallend of zelfs achtenswaardig bestaan.’ Dat wisten we dus al.
    Montyn beleeft een hoop spannende avonturen, daar kom ik nog op terug, maar ligt tussendoor ook in hoog wuivend gras, bezaaid met pinksterbloemen, waarbij hij knippert tegen het zonlicht, de lucht doorzichtig blauw is en er stralende witte wolken voorbijzweven en het riet naast de sloot ritselt in de voorjaarswind. Je raadt het al: er kwaken ook nog kikkers en er gonzen bijen. Zou het soms de eerste dag van de lente zijn? Jazeker!
    Fraai is ook de beschrijving van een mislukte zelfmoordpoging: met wild kloppend hart legt de hoofdpersoon zijn gloeiende voorhoofd op het koele, gepolijste loopvlak van de rail. 'Twee koplampen komen naderbij, met honderdtwintig kilometer per uur…’ Jongen toch! Knap gevonden ook, het contrast tussen dat gloeiende voorhoofd en die koele rail.
    Montyn biedt een opeenvolging van avonturen met als pikant detail dat de hoofdpersoon fout is in de oorlog en in Duitse krijgsdienst treedt. Dat geeft helemaal niets, want hij deed dat alleen maar om het ouderlijk huis en het verstikkende gereformeerde milieu waarin hij opgroeide te ontvluchten. Van politiek wist hij niets - pas veel later legt men hem het verschil uit tussen socialisme en nationaal-socialisme - en van de concentratiekampen wist hij ook niets - wir haben es nicht gewusst, laat hij niet na de lezer vele malen te verzekeren. Het boek verscheen bovendien in de tijd dat het in Nederland bon ton begon te worden wat genuanceerder (gemakkelijker) te denken over ‘goed en fout’ in de oorlog.
    Het stuk over Montyns ervaringen in de Duitse krijgsdienst is wat mij betreft het beste en het interessantste. Wanneer de oorlog is afgelopen gaat het boek helaas gewoon verder met nieuwe ongelofelijke avonturen en wordt het een opsomming van meer van hetzelfde. Dat is overigens vaak het probleem van biografieën: de schrijver kan of wil geen keuze maken en vertelt iemands complete leven, ook waar het nauwelijks nog boeiend of relevant is. Ik denk dat Montyn enorm aan kracht had kunnen winnen als Kooiman zich tot de tweede wereldoorlog had beperkt en er in was geslaagd zich als schrijver boven zijn onderwerp te plaatsen. Kooiman stelt geen kritische vragen, geeft de lezer nergens het gevoel dat hij ‘er iets van vindt’, of dat de lezer er iets van zou moeten vinden. Hij deelt alleen - op de achterflap - mee dat het hier faction betreft, een uit Amerika overgewaaid genre waarin werkelijke gebeurtenissen literair verklankt worden. Hierbij moeten we denken aan Truman Capote. Helaas heeft Montyn nergens de literaire kwaliteit, de vaart en de beklemming van In cold blood, dat de lezer vertwijfeld achterlaat met de vraag ‘waarom?’, een beetje zoals A Short Film About Killing uit de Dekalog van Kieślowski.
    Hoofdpersoon Montyn is een karikatuur, zo plat als een stripfiguur en komt nergens tot leven. Zijn ouders en de rest van zijn familie worden niet uitgewerkt, van zijn maten in het Duitse leger komen we nauwelijks meer te weten dan hun voornamen, vriendinnetjes komen en gaan maar voegen niets toe.
    Waarom dan toch dit boek? En waarom was het zo succesvol? Zou dat komen omdat Kooiman zich inmiddels een reputatie had verworven als literair zwaargewicht en omdat het onderwerp ook nog eens in de mode en tegelijk lekker controversieel was? Dat werd in elk geval breed uitgemeten in de geslaagde marketingcampagne van uitgever De Harmonie destijds.
    Kooiman zegt zich te baseren op vraaggesprekken met Jan Montijn (zijn echte naam) en op historische feiten. Dat kan ik niet anders lezen dan als een verklaring dat Montijn de waarheid vertelt, dat alles wat hij zegt te hebben meegemaakt ook werkelijk zo gebeurd is. En dat is niet zo. Ik kan het natuurlijk niet bewijzen, maar ik weet heel zeker dat Montijn (of Kooiman) een fantast en een leugenaar is. Iedere kritische lezer zal dit met mij eens moeten zijn: het is gewoon te ongeloofwaardig allemaal.
    Neem het verhaal van de aanslag op een goederentrein met de mysterieuze Monika en Montyns vriend Hein. Alsof een verzetsvrouw zich in oorlogstijd in een klein dorpje als de adelijke eigenares van een leegstaande villa zou kunnen voordoen zonder dat het daar ter plekke iemand opvalt. Na de aanslag verdwijnt Monika, sterft Hein en komt niemand op het idee Montyn eens te ondervragen. Dat gebeurt overigens met alle getuigen van Montyns avonturen: ze sneuvelen, terwijl hijzelf steeds weer op wonderbaarlijke wijze overleeft.
    Onze held wordt uit een getorpedeerde boot gered, arriveert precies op het goede moment in Dresden om daar vanaf de eerste rang het volledige bombardement van de stad mee te maken, helpt dan natuurlijk puinruimen en naar overlevenden graven. Kooiman schrijft: ‘Ik wist het, godverdomme, ik wist het, godverdomme, godverdomme’, stamelde bootsman Heyne. En hij nam iets in zijn armen. Iets dat heel klein was en bewoog. Iets dat huilde.’ Überkitsch.
    Weer later stort onze held meters van de rotsen, reist hij onopgemerkt door de Duitse bezetter als deserteur door Nederland, ontsnapt hij uit het vreemdelingenlegioen, rijdt hij bij herhaling met zijn Harley Davidson tegen bomen, slaat hij met hoge snelheid met een auto over de kop, overleeft hij in Vietnam een napalmbombardement in een ondergrondse tunnel, trekt hij alleen door het oerwoud met de Pathet Lao, een Laotiaanse verzetsbeweging, pikt hij en passant nog even wat moordpartijen mee in Griekenland ten tijde van de strijd tussen de partizanen en de soldaten van het fascistische kolonelsregime.
    En dat alles whiskey drinkend en leuke meiden en jongens verschalkend; want onze Jan leeft het volledige leven. In Azië komt hij uiteindelijk in aanraking met het Boeddhisme en krijgt zijn romantische en getormenteerde ziel wat rust. Je kon er op wachten.
   
Tegenwoordig prijst uitgeverij De Harmonie Montyn op haar website aan als jongensboek: Genres 12 - 15 jaar, Kinderboeken. Een Romance blijkt bij herlezing topzwaar van pretentie, niet minder lachwekkend, gekunsteld en gedateerd als het kapsel van Robert Smith.     
   

maandag 23 juli 2018



Winter in Amerika, Rob van Essen

In Winter in Amerika moet Katja Ouwehand, redacteur bij de kleine grachtengordel uitgeverij Vreugdenhil erop toezien dat de hoogbejaarde, gevierde schrijver Benjamin Winter - een van de grote vier van de vaderlandse letteren, ook wel het blonde biseksuele beest van de Nederlandse literatuur genoemd - zijn langverwachte autobiografie voltooit die de noodlijdende uitgeverij van de ondergang moet redden. Katja, door Winter plagerig ‘mijn strenge redacteur Catootje’ genoemd, zoekt hem op in zijn schrijfhutje in het oosten van het land, in het fictieve dorp Hankerveen, waar ze hem ontredderd en vervuild aantreft. Ze regelt hulp en zorg via de plaatselijke huisarts Janssen ‘met dubbel s’, die haar motieven wantrouwt (commercieel gewin bij een voltooide autobiografie), maar zelf ook niet wars van publiciteit lijkt.
    Het verhaal begint en eindigt fraai rondgecomponeerd met de afscheidsrede die Katja uitspreekt bij Winters begrafenis. We beleven de gebeurtenissen vanuit haar perspectief, in de ik-vorm verteld, maar wel - op de eerste en laatste alinea's na - in de verleden tijd, wat enige afstand creëert.
   
Naast Winter maken we kennis met Melchior, een oude studiegenoot filosofie van Katja en één van de leden van een reeds lang uit elkaar gevallen vriendengroep, waarvan ook Katja’s ex-man Jan-Maarten deel uitmaakte. Om onduidelijke redenen gaat ze Melchior opzoeken in het eveneens fictieve stadje Rijshorst, op weg terug naar Amsterdam na een bezoek aan Winter. Daar is ze in een soort boerenschuur getuige van een seance waarbij Melchiors Amerikaanse vriendin Megan tijdens schijngevechten de aanwezigen tijdelijk verdooft met een vreemde stoot of kneep aan de hals. Deze worden vervolgens door andere deelnemers naar een bank gedragen waar ze na enige tijd gelouterd bijkomen uit hun roes of trip, na tot essentiele inzichten te zijn gekomen, die zich na elk nieuw consult nog heten te verdiepen.
    Een knappe jonge Chinese vrouw (Lindy-2 genoemd) die in het locale Chinese restaurant werkt en die als twee druppels water op een jeugdvriendin van Katja lijkt, (knipoog naar Dorbeck/Osewoudt van W. F. Hermans?) is hierbij ook aanwezig. Bij een tweede seance, waaraan Katja nu ook zelf deelneemt, en waarbij aan haar eveneens een diepe waarheid wordt onthult, volgt Lindy-2 haar naar het station van de trein terug naar Amsterdam. Ze zwaait haar uit vanaf het perron, tot een ontmoeting komt het niet.
    Het voor Katja verwarrende revolutionaire inzicht is dat dingen ‘tegelijk waar en niet waar’ kunnen zijn, en dat dit voor de verlichte geest te bevatten en zelfs acceptabel is. In een wat halfslachtige poging dit aannemelijk te maken wordt gerefereerd aan de kwantummechanica en de kat van Schrödinger (knipoog naar de pseudo-wetenschap in het werk van Mulisch?) die immers tegelijk leeft en dood is.
   
Na Katja’s spirituele loutering wordt het verhaal geleidelijk surrealistischer. Haar ambitieuze stagiaire Irmgard lijkt plotseling haar gedachten te kunnen lezen, de oude vriendengroep komt terug in haar leven en een van hen blijkt zelf een eveneens louterende ervaring te hebben gehad in de vorm van een droom van ultieme liefde waarin Katja figureerde. Na deze emotionele bekentenis druipt hij af en verdwijnt uit het verhaal.
   
Winter sterft zonder zijn autobiografie te voltooien, maar Katja redt de uitgeverij door een contract te tekenen met de flamboyante acteur Bertold Koning - die dokter Davidoff speelt in de door Katja als guilty pleasure bekeken televisieserie over de gelijknamige plattelandsdokter, toevallig ook nog opgenomen in Hankerveen - voor diens memoires.
    Over Winter vernemen we dat hij witte manen heeft, sprekend lijkt op Rutger Hauer, dat hij bi-seksueel is, zich miskend voelt door de andere drie van de grote vier, dat hij het zowel met Reve als met Wolkers heeft gedaan en dat hij mogelijk heeft verzonnen dat hij in Amerika heeft gewoond. De titels van zijn romans klinken eerder als parodieën of pastiches (knipogen naar titels van Reve) dan als echte titels: De verliezers, Circusleven, Ook in Friesland is veel leed, De troost van morgen, De schuld van gisteren, Herfst in Japan, Het jaar zonder paarden, Dunne lijntjes. ‘Titels waren nooit Winters sterkste kant geweest, lezen we ergens. Maar tot leven komt hij niet, de Winter uit de titel. We moeten het doen met de verzekering dat hij een kleurrijke en markante figuur moet zijn (geweest).        
En dat geldt eigenlijk voor alle personen die Van Essens roman bevolken, waardoor we uiteindelijk achterblijven met de niet ingeloste suggestie of belofte van een verhaal. Ze lijken allen uitsluitend te bestaan om Katja in beweging te laten komen, en om de lezer de verwachting van méér te geven: de lesbische stagiaire Irmgard die avances lijkt te maken, Melchior met zijn vreemde Amerikaanse vriendin en zijn anachronistische behuizing, De knappe Chinese Lindy-2, Katja’s onsympathieke uitgever Egbert, haar ex-man en de psychiater Doodeheever die ze na jaren opnieuw bezoekt vanwege haar verwarrende ervaring met Melchior en Megan, ze worden geen van alle uitgewerkt of verder aangekleed, waardoor de vraag zich aandient of ze misschien alleen in de fantasie van Katja bestaan. Maar ook daar biedt de tekst geen aanleiding toe.
    Rest de vraag waar de roman dan wél over gaat. Is Winter in Amerika eigenlijk een filosofisch discours over het bestaansrecht van de roman, waarin de dingen immers ook tegelijk waar en niet waar kunnen zijn, verpakt in een behoorlijk goed geschreven, bij vlagen geestig, surrealistisch verhaal? Ik vermoed dit laatste, maar dat is dan meteen ook het zwakke punt. Het tegelijk wel en niet waar kunnen zijn van de dingen wordt, hoewel interessant als axioma, op zichzelf niet urgent en overtuigend genoeg uitgewerkt om tenminste een gevoel van intellectuele bevrediging te kunnen geven. Het verwart Katja, maar gelukkig krabbelt ze net op tijd overeind om met een commerciële meesterzet haar uitgeverij te redden. Het zou het plot van een van de (nu eens niet verzonnen) Irmgard Smits romans kunnen zijn die Katja als meisje verslond: Irmgards grote kleine wereld.
    En datzelfde geldt voor al Van Essens romanpersonages: ze komen nergens echt overtuigend uit de verf. Dat Winter een van de grote vier was, is grappig bedacht en past in het idee van een alternatieve realiteit. Het blijft helaas bij een leuk, maar vrijblijvend idee. En dat is jammer, want daardoor beklijft het boek uiteindelijk ook niet.

woensdag 18 juli 2018



Michael Chabon, Telegraph Avenue.

Telegraph Avenue is het vijfde boek dat ik van van de Amerikaanse schrijver Michael Chabon las. Mijn eerste kennismaking met Chabon was The Yiddish Policemen's Union, een bizarre detective over een alternatieve realiteit waarin de staat Israël kort na de oprichting wordt vernietigd en de joden een veilig thuisland wordt geboden in Alaska. Het is een surrealistisch verhaal waar het schrijfplezier van afspat; hier is een ambitieuze schrijver met een eigen stem aan het woord, jong maar klaarblijkelijk al zeer belezen, die als een literaire Tarantino zijn enthousiasme voor Raymond Chandler en Peter Cheney met ons wil delen, hierbij het stijlcitaat niet schuwend, maar die tegelijk duidelijk grote literaire ambities heeft die hij tot op zekere hoogte ook waarmaakt.
    Heren van de weg, dat ik daarna las, is een grappige picaresque over zelfbewuste en strijdbare joden in de tiende eeuw tegen de achtergrond van het mythische joodse koninkrijk Khazar. Een beetje over de top karikaturaal, redelijk onderhoudend maar uiteindelijk ook oppervlakkig en niet beklijvend.
    Aan het Handboek man wil ik niet veel woorden vuil maken. Een kei-geestig salontafelboek, het ideale kerstcadeau voor de aanstaande vader.
    The Amazing Adventures of Kavalier & Clay (Pulitzer prijs 2001) is een wervelende en overrompelende roman over twee joodse jongens die het maken in New York in de wereld van de comics tegen de achtergrond van de tweede wereldoorlog. De roman is zo’n suikertaart van briljante plotwendingen en intriges, verwijzingen naar historische gebeurtenissen en personen, leuke weetjes over striphelden en persoonlijke dramatische gebeurtenissen, dat je je wel een ontzettende zuurpruim moet voelen als je na lezing de vraag durft te stellen: waar ging dit boek in godsnaam over?
    En dat is misschien ook wel de kern van het probleem dat ik heb met het werk van Michael Chabon. Hij is een fantastische schrijver, althans, hij weet je, als je niet goed oplet, zo geraffineerd af te leiden met zijn cavalcades van buitenissige beeldspraak, maffe details, eindeloze slimmigheden en verwijzingen dat je dat bijna zou gaan geloven. Bij Telegraph Avenue werd me dit voor het eerst zonneklaar.
    Telegraph Avenue speelt in North Oakland en Berkeley, California en vertelt het verhaal van een sympathieke kleine platenzaak voor vintage vinyl, Brokeland records geheten, die al twaalf jaar wordt gerund door de zwarte Archy Stallings en de joodse Nat Jaffe. De winkel dreigt van de kaart te worden geveegd door de komst van een megastore. Ondertussen hebben hun beider partners Gwen Shanks en Aviva Roth-Jaffe een kraamkliniek die in aanvaring komt met een racistische gynaecoloog van een groot ziekenhuis. De spanning wordt nog opgevoerd wanneer de hoogzwangere Gwen ontdekt dat Archy haar bedriegt.
    Dan zijn er verwikkelingen rond Luther Stallings, een aan lager wal geraakte voormalige Blaxploitation filmster en tevens Archy’s vader met wie hij niets meer te maken wil hebben, maar die een politicus/begrafenisondernemer blijkt te chanteren, die weer gelieerd is aan de eigenaar van de megastore, met wie hij in een grijs verleden in een smerig zaakje was verwikkeld.
    Ook is er nog Julius, de homoseksuele puberzoon van Nat en Aviva die verliefd is op Titus, die - je gelooft het niet - een zoon van Archy blijkt te zijn.
    Het verhaal heeft een ogenschijnlijk zeer filmisch plot - het lijkt wel geschreven met een mogelijke verfilming in het achterhoofd - complex, maar goed doordacht met verassende wendingen en een slimme balans tussen dramatische- en feelgood momenten. Er zijn buitenissige gebeurtenissen zoals het doorsnijden van het anker van de zeppelin van de eigenaar van de megastore, de dood van organist Cochise Jones die onder zijn eigen Hammond B3 orgel wordt verpletterd en er is een hoofdstuk over de papegaai van Cochise Jones dat uit één lange zin bestaat en een centrale plaats in het boek inneemt.
    Het boek wordt bevolkt door karakters die wel uit een column uit de bijlage van een willekeurige krant lijken te komen (herkenbaar, geestig geportretteerd, geen enkele diepgang) en de lezer wordt op elke pagina overstelpt met leuke weetjes uit de wereld van het vintage vinyl en vroege funk en orgeljazz, Blaxploitation vechtfilms, junkfood, Hammond orgels en Leslie-kabinetten. In het universum van Chabon spelen surrealisme en toeval een vanzelfsprekende rol; niets is immers gek genoeg. Hierin is Chabon duidelijk schatplichtig aan zijn grote en zeer succesvolle voorganger John Irving. (Garp, The Hotel New Hampshire)
    In Telegraph Avenue lijkt Chabon ieder gevoel voor proportie uit het oog verloren te hebben, het is één mateloze zwelgpartij van grappige invallen, zijlijnen, details, couleur locale en topzwaar proza met zinnen als: De woonkamer was ingericht met als middelpunt de tv, zo’n ouderwets beeldbuisapparaat waarvan het door de zon vervaagde scherm slag leverde met het kleurenpalet van The Fresh Prince of Bel-Air, of: De zachte stem, bedachtzaam, een bibliothecaresse van pijn die met haar vinger door een oneindige kaartenbak van brandende intensiteit bladerde. Geen idee waar Chabon hier op doelt.
    De eindeloze über-literaire zin in het middelste hoofdstuk van het boek over de vlucht van de papegaai van Jones was ongetwijfeld bedoeld als proeve van meesterschap à la Proust en Joyce, maar slaat hier als kut op Dirk en laat de lezer (mij) ontgoocheld achter.
   
Ik weet eigenlijk niet waarom ik me hierover opwind en überhaupt de moeite neem dit stukje te schrijven. Misschien omdat ik méér had verwacht van Chabon, die ik aanvankelijk als veelbelovend zag, en omdat ik denk dat Telegraph Avenue in handen van een integerder schrijver, zonder verborgen agenda (lucratieve boekverfilming) en met meer zelfkritiek en een betere redacteur, alles in zich had om een behoorlijk goede roman te worden.
    Aan de positieve kant van de balans staan Chabon’s duidelijke enthousiasme voor zijn onderwerp, zijn werklust en zijn vindingrijke verbeelding. Ik hou zelf ook van vroege funk en orgeljazz, en zag in de zeventiger jaren als tiener menig Blaxploitation film (ik loog aan de kassa overtuigend over mijn leeftijd). Aan de borreltafel of in het café mag ik, net als veel van mijn leeftijdsgenoten (voila: de doelgroep van Telegraph Avenue), graag met mijn kennis van obscure b-kantjes van singletjes uit de vroege jaren zestig mijn ongelofelijke eruditie etaleren, maar een borreltafelmonoloog is natuurlijk niet hetzelfde als een roman van enige literaire pretentie. Ik vrees dat ik het dan ook wat Chabon betreft voorlopig bij Telegraph Avenue laat.

Klaas ten Holt




(Ik las
Telegraph Avenue in de uitstekende vertaling van Gerda Baardman, Tjadine Stheeman en Wim Scherpenisse.)
         
        

        

dinsdag 12 juni 2018




Pleidooi voor een herwaardering

De kamerling (Querido 2001) van Sasja Janssen is een ongemakkelijk boek. Het is geschreven in een vreemde maar consequent tot aan de laatste pagina volgehouden archaïsche en hallucinerende stijl die wel wat doet denken aan Tobias en de dood (J. van Oudshoorn) of Aantekeningen uit het ondergrondse (F.M. Dostojevski). De roman wordt bevolkt door weerzinwekkende types die in een permanente staat van nerveuze opwinding verkeren. Plaats van handeling is de stad D. Het boek is geschreven in het personaal perspectief, de hij-vorm als een verkapte ik-vorm. 

    Hoofdpersoon Alexander wordt door zijn alcoholische en voortdurend in comateuze toestand verkerende moeder – die na het overlijden van zijn vader niet in staat is voor hem te zorgen – aan zijn leraar Nederlands Starke (meestal aangeduid als De man) uitbesteed, om tot aan de uitreiking van zijn havodiploma bij hem te gaan wonen, in ruil voor enig licht huishoudelijk werk.
    In plaats van voor hem te zorgen, probeert Starke hem voor zijn karretje te spannen, hem geld af te persen en confronteert hij Alexander met zijn eigen liederlijke en immorele gedrag. Alexander wordt door Starke benoemd tot oprichter van een stichting voor het uitvoeren van barokmuziek en het aanschaffen van de daarvoor benodigde instrumenten, wat een dekmantel blijkt voor een poging geld te vergaren om Starkes financiële problemen op te lossen. Ook wordt Alexander belast met het zoeken naar een taxateur voor Starkes bibliotheek, waartoe hij lukraak een antiquair uit de stad benadert. Hoewel het hem verbaast dat er geen boeken in de winkel zijn, vraagt hij de antiquair of hij de taxatie kan verrichten. Niet alleen valt deze veel te laag uit, maar omdat Alexander de antiquair verkeerd verstaat, betaalt hij hem als honorarium (uit eigen zak) één procent van de taxatie in plaats van het verschuldigde promille. Later neemt Alexander ook nog de schuld op zich wanneer zijn nichtje Maria, die een verhouding heeft met Starke, een waardevolle barokfluit laat vallen, waardoor hij niet alleen geld kwijtraakt, maar zichzelf in de schulden steekt. Hij stelt echter tevreden vast dat hij hierdoor gelijkwaardig aan Starke is geworden.
    Alle grenzen van fatsoen en respect worden door Starke, maar ook door diens vriendin Regina en zijn hysterische en pedofiele vriend de boekhouder Georg (die hem waarschuwt voor Starke terwijl hij hem ondertussen probeert te zoenen en in zijn kruis grijpt) met voeten getreden. In feite is Alexander in een nachtmerrie beland, maar heeft hij dit vanwege zijn eigen wereldvreemde naïviteit niet door. Hij is een volstrekt verwaarloosd kind zonder enig besef van normale familiaire of vriendschappelijke betrekkingen en zonder enig benul van hoe het in de volwassen wereld toegaat of zou moeten toegaan. Bovendien lijdt hij aan dwangneurosen, waarbij hij getallenreeksen moet opzeggen, snelwandelt en de urn met de as van zijn vader overal met zich meezeult. Zoals wel vaker met slachtoffers van misbruik, voelt Alexander zich verantwoordelijk voor zijn aanranders en heeft hij er alles voor over om het hen naar de zin te maken. Daarbij verspeelt hij zijn kapitaal, zijn gemoedsrust en zijn gezondheid. Alexander vertoont ondertussen, zonder dat het Starke opvalt of interesseert, een aan anorexia grenzend eetpatroon terwijl hij tegelijk bovenmatig drinkt en rookt. Om gezien en gehoord te worden gilt hij hysterisch tegen zijn antagonisten, spuugt hij naar ze of gooit hij zijn wijn in hun gezicht.
    Als een briljant dramaturge houdt Sasja Janssen tot het eind toe met ijzeren discipline vast aan de bizarre vervreemdende wereld die zij heeft geschapen met het buiten de tijd geplaatste sprookjeshuis van Starke en het oer-Hollandse café restaurant Het Wapen als voornaamste plaatsen van handeling. Alles werkt mee: het trage tempo dikt de tijd in, mededelingen over geld en de prijzen van goederen klinken anachronistisch en er zijn weinig tot geen referenties aan het nu (Alexander masturbeert op een vijftiende-eeuwse naaktstudie van Dürer, er klinkt vooral barokmuziek), bovenmatige alcoholconsumptie wordt afgewisseld met hartstochtelijk braken, lichamelijk ongemak wordt uitvergroot maar tegelijk onmenselijk veronachtzaamd. Pijnlijk onsmakelijke fysieke details worden eindeloos uitgerekt, handelingen herhaald en herhaald; in De kamerling krijg je niets cadeau, behalve dan het gevoel een buitengewone roman in handen te hebben, zowel in thematiek als in taalgebruik, in een schijnbaar knullige maar in feite uiterst geraffineerde en volkomen eigen stijl, die soms wel iets van een ouderwets kinderboek à la Kees de Jongen wegheeft. Zo wordt er geschokschouderd, beent men kamers uit, doet men zijn gevoeg en is het valavond als het schemert.
    Alexanders ontmaagding door Regina, een cadeau van Starke die haar aan hem uitleent op de dag van zijn achttiende verjaardag (waar hij haar overigens voor laat betalen in de hoop zo aan geld voor de stichting te komen) is schrijnend afstandelijk beschreven, maar wel vol Bijbelse symboliek met brood en wijn, vermengd met braaksel, sperma en urine en Mariavisioenen. Ook de veertig dagen die Alexander in het huis doorbrengt zijn een verwijzing naar de tocht door de woestijn (een helse tocht) van het joodse volk uit Exodus. De wel zeer plastisch en vanuit kikkerperspectief beschreven seks van Starke met zijn minnares Maria (Alexanders nichtje, waarop hij verliefd is) op Starkes waterbed waarbij Alexander aanwezig is, geeft de lezer uiteindelijk het gevoel dat er meer verteld wil worden dan de schrijfster haarzelf toestaat.    
    De kamerling is dan ook Sasja’s literaire verklanking van een fysieke en mentale verkrachting zoals ze die in haar eigen vroege adolescentie heeft ervaren met haar leraar Nederlands op het Athenaeum aan het Peellandcollege in Deurne, onopgemerkt door haar omgeving en wel gezien maar vergoelijkt en vervolgens in de doofpot gestopt door de schoolleiding. (zij had het kunnen weten, in de schoolgangen gonsde het al: wat is een maagd? Een meisje dat sneller kan lopen dan Ferry V.) Toen Sasja eindelijk aangifte deed, was de zaak verjaard en ging de inmiddels gepensioneerde docent vrijuit.
    Het is niet gemakkelijk sympathie of compassie op te brengen voor hoofdpersoon Alexander; dat kan eigenlijk alleen als je je realiseert dat hij (en de andere personages die het boek bevolken) een karikatuur is, een embleem, en dat hij model staat voor een emotie die in hem is uitvergroot ad absurdum. Als je daar de humor van inziet, is De kamerling een zeer onderhoudend, grappig en indringend boek.
    De kamerling is bij verschijnen hier en daar op waarde geschat, maar in De Volkskrant (Arjan Peters, 21 september 2001) voor een debuut opmerkelijk vijandig besproken. De vraag ‘hoe te leven?’ - nog altijd het centrale thema in Sasja’s werk - is al levensgroot aanwezig, evenals haar oog voor vreemde details, haar soms stakerige maar zeer muzikale ritmiek en haar voorliefde voor buitenissige en vervreemdende taal. De roman is voor een debuut zo bizar doorgecomponeerd en uitgesproken, dat je je haast geen opvolger kan voorstellen. Die is er wel: het goed geschreven maar veel minder uitgesproken Teresa zegt verscheen eveneens bij Querido. Daarna verschenen vier bundels steeds krachtiger en zeer oorspronkelijke poëzie, waarbij in de laatste twee bundels via langere cycli het proza langzaam terug lijkt te komen.
    Ik breek - niet geheel belangeloos - graag een lans voor een herwaardering van De kamerling, dat wat mij betreft veel meer is dan een jeugdzonde van een net aan de schrijversvakschool afgestudeerde debutante. Het is een bizar meesterwerk waarin verwaarlozing en verloedering zeer indringend en hartverscheurend, maar zonder oordeel als in een grimmig sprookje onder de aandacht worden gebracht.

Klaas ten Holt 2018     
      
 

zaterdag 27 januari 2018

zaterdag 4 juli 2015

Graf

Graf

Mijn lief, mijn hart, ze was morgen jarig
ik zal er zijn, al zwijgt ze tegen mij.
En met een beitel, het is voorbarig,
kras ik mijn naam, die past er nog wel bij,

onder de hare: uiterlijk vertoon.
De eeuwigheid zet ik zo naar mijn hand,
‘k laat me niet kisten, woel wat door het zand.
Hier ergens onder woont zij, dood gewoon.

Ik zal wel koken, al eet zij niet mee,
en dan herkauwen wat zij met mij deed.
Mijn hart is groot, ik was haar al ontrouw,
(ik denk niet dat je dat verbazen zou)
steeds trekt mijn hart me naar haar zwoele steen,
ze is er wel en niet, ik ben alleen. 

dinsdag 5 mei 2015

Lulu and the Lampshades

L. kan er geen genoeg van krijgen. Het is onze laatste dag alweer, morgen vliegen we terug naar Amsterdam. Op één rode en één zwarte All Star - ze is er van overtuigd dat ze een trend gaat zetten - klautert ze over de rotsen in Central Park. Het begint al te schemeren, de lucht kleurt donkerblauw. Ik moet haar filmen terwijl ze “you’re gonna miss me when I’m gone” zingt.
    ‘Ik ken alleen niet alle woorden, papa.’
    ‘Dat maakt toch niet uit? Wat je niet weet, bluf je gewoon.’
    ‘Maar dan is het geen echte videoclip.’
    Ze legt haar iPad op de grond en springt er overheen. Het resultaat speelt ze af in slow motion, wat een prachtig shot van haar oplevert tegen de lucht en de wolken.
    ‘Dat monteer ik er straks dan tussen.’
    ‘Zullen we afspreken dat we ooit samen nog een keer gaan?’
    ‘Ik wil nog niet terug, papa. We moeten nog even naar onze geheime plek.’
    Ik volg haar naar een heuveltje aan de westkant van het park recht tegenover het Dakota Building dat helemaal in de steigers staat. We gaan zitten op een paar grote stenen.
    ‘Deze plek heet “La Bibian”, papa.’
    Ik vind het een prachtige naam voor onze geheime plek.
    ‘We zijn dodenherdenking vergeten,’ zegt L. geschrokken. ‘Zullen we dan nu maar twee minuten stil zijn?’
    ‘Dat lijkt me een heel goed idee.’ We zwijgen een tijdje. Na krap één minuut houdt L. het niet meer vol. ‘You're gonna miss me by my walk, you'll miss me by my talk, you're gonna miss me when I'm gone.’
    We kijken naar de hardlopers in het park. Ik word er verdrietig van, Bibian en ik hebben samen heel wat rondjes in het Vondelpark gedaan.
    ‘Waar heb jij aan gedacht, papa?’
    ‘Aan mama.’
    L. kijkt ongelovig. Ze had zich niet gerealiseerd dat je bij dodenherdenking niet verplicht aan de tweede wereldoorlog hoeft te denken.
    ‘Ik denk dat ik Central Park het leukste vind.’
    Ik misschien ook wel. Al die highlights zijn natuurlijk indrukwekkend, maar ik ben eigenlijk het gelukkigst als ik ergens in het gras kan zitten. We kijken naar een ratje dat naast ons heen en weer scharrelt. Het is al bijna helemaal donker geworden.
    ‘Zullen we maar eens teruggaan? Het is nog zeker een uur met de metro.’
    L. is ook moe. Haar rugzakje is zwaar van de EOS lipbalsem, babylips, T-shirts, All Stars en allerlei Amerikaans snoep: ze heeft enorm geshopt. We steken over en nemen de B lijn ter hoogte van 72nd Street.
    ‘You’re gonna miss me when I’m gone.’