zaterdag 4 juli 2015

Graf

Graf

Mijn lief, mijn hart, ze was morgen jarig
ik zal er zijn, al zwijgt ze tegen mij.
En met een beitel, het is voorbarig,
kras ik mijn naam, die past er nog wel bij,

onder de hare: uiterlijk vertoon.
De eeuwigheid zet ik zo naar mijn hand,
‘k laat me niet kisten, woel wat door het zand.
Hier ergens onder woont zij, dood gewoon.

Ik zal wel koken, al eet zij niet mee,
en dan herkauwen wat zij met mij deed.
Mijn hart is groot, ik was haar al ontrouw,
(ik denk niet dat je dat verbazen zou)
steeds trekt mijn hart me naar haar zwoele steen,
ze is er wel en niet, ik ben alleen. 

dinsdag 5 mei 2015

Lulu and the Lampshades

L. kan er geen genoeg van krijgen. Het is onze laatste dag alweer, morgen vliegen we terug naar Amsterdam. Op één rode en één zwarte All Star - ze is er van overtuigd dat ze een trend gaat zetten - klautert ze over de rotsen in Central Park. Het begint al te schemeren, de lucht kleurt donkerblauw. Ik moet haar filmen terwijl ze “you’re gonna miss me when I’m gone” zingt.
    ‘Ik ken alleen niet alle woorden, papa.’
    ‘Dat maakt toch niet uit? Wat je niet weet, bluf je gewoon.’
    ‘Maar dan is het geen echte videoclip.’
    Ze legt haar iPad op de grond en springt er overheen. Het resultaat speelt ze af in slow motion, wat een prachtig shot van haar oplevert tegen de lucht en de wolken.
    ‘Dat monteer ik er straks dan tussen.’
    ‘Zullen we afspreken dat we ooit samen nog een keer gaan?’
    ‘Ik wil nog niet terug, papa. We moeten nog even naar onze geheime plek.’
    Ik volg haar naar een heuveltje aan de westkant van het park recht tegenover het Dakota Building dat helemaal in de steigers staat. We gaan zitten op een paar grote stenen.
    ‘Deze plek heet “La Bibian”, papa.’
    Ik vind het een prachtige naam voor onze geheime plek.
    ‘We zijn dodenherdenking vergeten,’ zegt L. geschrokken. ‘Zullen we dan nu maar twee minuten stil zijn?’
    ‘Dat lijkt me een heel goed idee.’ We zwijgen een tijdje. Na krap één minuut houdt L. het niet meer vol. ‘You're gonna miss me by my walk, you'll miss me by my talk, you're gonna miss me when I'm gone.’
    We kijken naar de hardlopers in het park. Ik word er verdrietig van, Bibian en ik hebben samen heel wat rondjes in het Vondelpark gedaan.
    ‘Waar heb jij aan gedacht, papa?’
    ‘Aan mama.’
    L. kijkt ongelovig. Ze had zich niet gerealiseerd dat je bij dodenherdenking niet verplicht aan de tweede wereldoorlog hoeft te denken.
    ‘Ik denk dat ik Central Park het leukste vind.’
    Ik misschien ook wel. Al die highlights zijn natuurlijk indrukwekkend, maar ik ben eigenlijk het gelukkigst als ik ergens in het gras kan zitten. We kijken naar een ratje dat naast ons heen en weer scharrelt. Het is al bijna helemaal donker geworden.
    ‘Zullen we maar eens teruggaan? Het is nog zeker een uur met de metro.’
    L. is ook moe. Haar rugzakje is zwaar van de EOS lipbalsem, babylips, T-shirts, All Stars en allerlei Amerikaans snoep: ze heeft enorm geshopt. We steken over en nemen de B lijn ter hoogte van 72nd Street.
    ‘You’re gonna miss me when I’m gone.’
    

maandag 4 mei 2015

Uptown Funk

L. houdt me op een strak programma. We nemen de Q lijn naar Coney Island waar we ontbijten met Frankfurters en cola bij Nathan’s Famous Original sinds 1916. Het is rustig aan het strand en op de planken boulevard: het is maandagmorgen, een werkdag. We liggen samen in het zand naar de classic rock uit de radio van onze getatoeëerde buurman te luisteren.
    L. vraagt of ik hier zou willen wonen.
    ‘Ja, ik denk het wel. Maar het zou niet kunnen.’
    ‘Waarom dan niet?’
    ‘Omdat je hier alleen kunt wonen als je geld hebt, of als je werk hebt.’
    We klauteren over de rotsen aan het strand. Overal zitten stelletjes: Pakistanen, Latinos, Zwarten. Het is warm, zevenentwintig graden. We kijken naar het pretpark met de werkloze draaimolen en de achtbaan, slenteren wat langs de kraampjes waar weinig te doen is.
    ‘Kom,’ zegt L., ‘nu wil ik naar Central Park. En ik wil Skittles kopen en naar de Target.’
    We zitten lang in de metro. Bij Times Square hebben we er genoeg van, we lopen de rest wel.
    ‘Ik weet niet of ik hier zou willen wonen, papa.’
    ‘Hoezo?’
    ‘Nou… Heb je die mensen met die kartonnen bordjes gezien die overal zitten?’
    ‘Bedoel je de daklozen en de bedelaars?’
    ‘Ja.’
    ‘New York is een harde stad,’ zeg ik alsof ik weet waar ik het over heb. ‘Als je hier je huur niet kunt betalen, sta je op straat en dan is er niemand die voor je zorgt.’
    ‘Het zijn er hier wel veel meer dan bij ons.’
    Nóg wel, denk ik bezorgd.
    L. koopt een T-shirt met een vrijheidsbeeld print. ‘Ik wil er ook nog een met I love NY, papa.’
    In Central Park gaan we op zoek naar eekhoorntjes. We zitten in het gras tegen een boom die L. heeft uitgezocht. Recht tegenover de boom waar ik ooit met Bibian zat. In mijn herinnering zagen we toen overal eekhoorntjes.
    We drinken koffie met heerlijke chocolade koekjes op een terras aan de westkant van het park.
    ‘Als ik later filmster ben, ga ik hier wonen en in Spanje, papa. En als het geld dan op is, ga ik even naar huis om in een film te spelen zodat ik weer geld heb.’
    ‘Dat lijkt me een heel goed idee, L. Nodig je mij dan wel af en toe uit?’
    ‘Natuurlijk! Je bent toch mijn papaatje?’
    We lopen terug over Fifth Avenue langs het Empire State Building. Bij het Flatiron Building nemen we de metro naar China Town. Het begint al te schemeren. In Little Italy eten we een pizza. L. kan intussen bijna niet meer uit haar ogen kijken.
    ‘Uptown funk you up, uptown funk you up,’ zingt L. in de metro terug naar Brooklyn, maar erg overtuigend klinkt het niet meer.
   

zondag 3 mei 2015

Let it go

Hoewel L. haast niet meer op haar benen kan staan van vermoeidheid, wil ze ’s avonds toch nog per se naar Times Square. Het is een beetje afgekoeld, maar echt koud is het niet. Met de Q metro rijden we over Brooklyn bridge naar Manhattan. Op veel station spelen bandjes, vaak van een behoorlijk niveau hun treurige covers.
    We lopen hand in hand door de eindeloze ondergrondse betegelde gangen trap op trap af, langs hekken en door poortjes tot we ineens buiten staan in de vroege avonddrukte. De energie is overweldigend.
    ‘Ik ben niet moe meer, papa.’
    Ik probeer me te realiseren waar ik ben.
    ‘Kijk, ze hebben hier zelfs een H&M. Zullen we even iets gaan kopen?’
    ‘Laten we eerst ergens wat gaan eten, ok?’
     ‘The snow glows white on the mountain tonight, not a footprint to be seen, a kingdom of isolation, and it looks like I'm the queen,’ zingt L. uit volle borst. We lopen over Times Square waar het spitsuur lijkt. ’Vind je dat ik mooi zing, papa?’
    ‘Ik vind dat je geweldig zingt.’ Ik haat dit nummer, maar ik ben in de minderheid.
    ‘Gaan we naar de McDonalds?’
    ‘Zullen we niet liever ergens anders gaan eten?’
    ‘MacDonald is echt heilig, papa.’
    Hier liep ik vijftien jaar geleden ook met Bibian, toen was de Virgin Megastore er nog.
    ‘The wind is howling like this swirling storm inside. Couldn't keep it in, heaven knows I tried!’ L. zingt nu als Louis Armstrong, ze is goed in stemmetjes.
    ‘Moeten we echt naar de McDonalds?’
    ‘Don't let them in, don't let them see, be the good girl you always have to be.’
    ‘Maar die heb je ook in Amsterdam. Is het niet leuker om…’
    ‘Papa! Het is míjn verjaardagscadeau, weet je nog?’
    ‘Jawel, maar…’
    ‘Dit is echt de coolste stad waar ik ooit geweest ben!’ L. kijkt met grote ogen om zich heen en neemt bestudeerde filmsterrenposes aan.
    ‘Ben je niet moe meer dan?’
    ‘Hoe kan je hier nou moe zijn, papa.’
    Ik sta te tollen op mijn benen, maar ik voel me ook weer euforisch als de eerste keer dat ik hier was. Ik leg me er maar bij neer: het wordt de McDonalds.
    ‘En ik wil straks ook nog even naar de Forever 21!’
    ‘Laten we nou eerst wat gaan eten, L.’
    ‘Let it go, let it go, can't hold it back anymore. Let it go, let it go, turn away and slam the door!’

zaterdag 2 mei 2015

Jellybeans

We vliegen boven de Atlantische Oceaan. L. kijkt een film. Ik heb het ook geprobeerd, maar ik ben te opgewonden om me op het scherm te kunnen concentreren. Ik kan niet geloven dat ik deze reis met mijn dochter maak, dat we echt samen naar New York gaan. Ik vond het dagelijkse aftellen al zo onwerkelijk.
    L. maakt korte filmpjes op haar iPad die straks een vlog moeten worden. Er wordt veel geknipoogd en met duimen in de lucht gestoken zoals haar grote voorbeelden dat ook doen.
    L. zorgt goed voor me, ik krijg regelmatig mierzoete jellybeans uit de grote zak van de Etos die ik gedachteloos in mijn mond stop. ‘Als je je verveelt, moet je het zeggen, papa.’
    ‘Ik verveel me helemaal niet.’
    ‘Waarom kijk je dan zo ernstig?’
    ‘Kijk ik ernstig? Ik was me er niet van bewust.’ Ik geloof dat ik me vreselijk opgelucht zal voelen als we onze B&B hebben gevonden. Mensen als ik moeten niet zonder reisleider op pad.
    ‘Als ik straks in slaap val, maak je dan een filmpje van me, papa?’
    ‘Zal ik doen.’
    L. heeft al vaker gevlogen, maar ze zegt dat ze het zich niet kan herinneren. Het inchecken vindt ze het engste, het gedoe bij de douane en het fouilleren. ‘Ik heb claustrofobie,’ zegt ze tegen een mevrouw van het luchthaven personeel die haar vriendelijk toeknikt. ‘Toch papa?’
    Het is waar: L. laat altijd de WC deur op een kier, en wil dan dat ik buiten blijf wachten.
    ‘Ik hoop dat ik er in het vliegtuig geen last van krijg.’
    ‘Vast niet,’ zeg ik. Omdat ik denk dat ik mijn eigen angstzweet ruik, heb ik de stoel aan het gangpad genomen. L., die naast een vriendelijke zwarte mevrouw zit, overhandigt me discreet haar deospray.
    ‘Heb jij vliegangst, papa?’
    ‘Een beetje,’ lieg ik. ‘De kunst is om niet te denken aan alle vreselijke dingen die er zouden kunnen gebeuren.’
    ‘Wat voor dingen dan?’
    ‘O, van alles. Zullen we het daar nu niet over hebben?’
    ‘En je hebt toch ook hoogtevrees, papa?’
    ‘Dat heb je goed onthouden.’
    ‘Waarom ben jij eigenlijk altijd zo bang?’
    Omdat ik weet wat er in de wereld te koop is, wat voor vreselijks mensen elkaar kunnen aandoen, hoe het plotseling zomaar afgelopen kan zijn, boem, pats, klaar. ‘Dat valt toch wel mee?’
    ‘Je kijkt vaak zo angstig.’
    ‘Dat komt door mijn wenkbrauwen. Maar met jou erbij, durf ik alles hoor!’
    ‘Ik ook papa. Wil je nog een jellybean?’
    

vrijdag 1 mei 2015

Inchecken

Ik probeer me te concentreren op het inpakken van mijn koffer.
    ‘We zitten toch wel naast elkaar in het vliegtuig, papa?’
    ‘Vast wel, lieverdje.’
    ‘Heb je al ingecheckt?’
    ‘O nee, kut! vergeten. Ik ga het meteen doen.’ Ik pak mijn laptop en log in.
    ‘Ik ga bij J. chillen, papa.’
    ‘Heb je je tas al ingepakt?’
    ‘Waarvoor dan?’
    ‘Waarvoor dan! Je gaat uit logeren, L. en ik gaan morgen naar New York!’
    ‘O ja, helemaal vergeten. Ik zal het doen, papa. Doei!’
    ‘Nee, ho, terug! Je gaat niet naar J. voor je je tas hebt ingepakt.’
    ‘Dat doe ik morgenochtend wel, papa.’
    ‘Geen sprake van. En je komt ook thuis slapen, anders zit ik hier morgenochtend op je te wachten als ik weg moet. Ik wil niet door jou mijn vliegtuig missen.’
    ‘Ik sta wel vroeg op, papa.’
    ‘Echt niet. Je komt thuis slapen, en je gaat nú je tas inpakken.’
    ‘Ok, papa.’
    Ik open de wasmachine en vind V.’s pinpasje voor het venster. Ik had net wat geld op zijn rekening gezet voor als L. en ik in New York zijn. Ziet er niet goed uit.
    ‘Heb je al ingecheckt, papa?’
    ‘Ik ben ermee bezig, L. Kun jij V. even wakker maken?’
    Ik vul mijn boekingscode in en daarna het vluchtnummer. Bij het derde venster verschijnen er rode letters met de mededeling dat ik niet geautoriseerd ben online in te checken.’
    ‘Ik ben klaar, papa, ik ga naar J.’
    ‘Heb je je tas nu al ingepakt?’ Ik draai het nummer van de klantenservice van de KLM.
    ‘Ja, papa.’
    ‘Welke tas heb je genomen?’
    ‘Nou, ik kon geen tas vinden…’
    ‘Dus je hebt je tas helemaal niet ingepakt?’ Ik worstel me door de keuzemenu’s tot ik iemand aan de lijn heb.
    ‘U kunt niet inchecken, meneer Ten Holt?’
    ‘Waarom heb je me zo lang laten slapen, papa, je zou me toch vroeg wekken?’
    ‘Nee, ik ben niet geautoriseerd. Kunt u me misschien helpen?’
    ‘Ik kijk even met u mee, meneer.’
    Ondertussen roep ik naar V. dat hij zijn pinpasje moet gaan uitproberen.
    ‘Waarom dan, papa?’
    ‘Omdat het in de wasmachine zat.’
    ‘Ik pak mijn tas morgen wel in, papa. Ik moet nu echt weg.’
    ‘Je pakt godverdomme eerst je tas in - pardon mevrouw - je doet wat ik zeg.’
    ‘Volgens mij heeft u alles goed ingevuld, meneer. U heeft stoelen 27 E en F.’
    ‘Mijn dochter wil graag aan een raampje zitten.’
    ‘Waarom heb je mijn pinpasje niet uit mijn broek gehaald? Nou is hij helemaal krom!’
    ‘Daar kun je toch ook zélf op letten als je je broek in de was doet! Ga even proberen of hij nog werkt!’
    ‘Maar er staat niets op, papa.’
    Wel! Ik heb er wat geld voor je opgezet.’
    ‘Zitten we naast elkaar, papa?’
    ‘Nee, u zit niet aan een raampje meneer. Uw dochter en u zitten elk aan een kant van het gangpad.’
    ‘Is daar nog wat aan te doen?’
    L. kijkt erg geschrokken. ‘Dat wil ik niet, papa.’
    ‘Ik kan geen tas vinden, papa.’
    ‘In de kast! Heb je al in de kast gekeken?’
    ‘Ok, papa.’
    ‘Mag ik eerst een ei bakken? Ik ga straks wel pinnen.’
    ‘Nee, je gaat verdomme eerst pinnen.’
    ‘U kunt het morgen aan de incheckbalie proberen om te zetten. Kan ik verder nog iets voor u doen, meneer?’
    ‘Ik heb een tas gevonden, papa. Doei.’
    ‘Maar ik heb honger.’
    ‘Ik wil naast jou zitten, papa.’
    ‘Dan wens ik u een hele goeie vlucht.’
   
 

donderdag 30 april 2015

Reisefieber

L. en ik gaan bijna naar New York. Ik ken genoeg mensen die daar hun hand niet voor om zouden draaien, maar ik word met de dag nerveuzer, mijn benen voelen haast van rubber. Ik heb wel meer verre reizen gemaakt, en ben ook al veel langer van huis geweest, toch is er iets dat deze reis anders dan andere maakt.
    Misschien is het gewoon de opwinding van L. die al weken over vrijwel niets anders meer praat, die zich langzaam ook van mij meester heeft gemaakt.
    Of zou het mijn vliegangst zijn? Ik vind vliegen - net zoals elk weldenkend mens - doodeng, maar toch geloof ik niet dat ik me er erg druk om maak. Ik heb al zo vaak gevlogen, als je eenmaal vastgegespt in je stoel zit, kun je je er maar het beste aan overgeven. De kans is vrij groot dat je veilig op je bestemming aankomt.
    Ik heb inmiddels al een paar keer als enige volwassene reizen gemaakt met mijn kinderen, daar zag ik toen ook wel tegenop - ik heb een groot talent voor het zien van beren op de weg - maar ik heb er niet van wakker gelegen.
    Ik voel ditmaal een grote verantwoordelijkheid naar V. en S. die achterblijven. Er wordt goed voor ze gezorgd, dat is het niet, maar ik ben me er maar al te zeer van bewust dat als er iets met mij zou gebeuren, zij dan helemaal niemand meer hebben. Dan zijn ze overgeleverd aan de goede wil van vrienden, familie is er nu eenmaal niet.
    Maar hoe meer ik erover nadenk, hoe meer ik tot de conclusie kom dat het iets anders is dat me dwarszit. Het is iets veel basalers, het heeft met Bibian te maken. Vijftien jaar geleden maakte ik met haar dezelfde reis. Toen was het onze huwelijksreis. Ik geloof dat het me gewoon heel erg raakt nu met L. deze reis te maken, over dezelfde straten te lopen, dezelfde highlights te bezoeken. L. tettert maar door over alle dingen die ze wil gaan zien en wil gaan doen, maar bij alles wat ze zegt zie ik Bibian voor me, zie ik ons daar rondlopen met V., die net drie maanden was in zijn draagdoek op mijn buik: een jong stel, een wereld te veroveren.
    L. heeft het allang in de gaten. ‘Je gaat toch niet op elke straathoek een potje staan janken, papa? Dat vind ik niet leuk hoor!’
    ‘Ik zal mijn best doen, lieverdje. Maar ik kan het je niet beloven. Mag ik wel af en toe volschieten?’
    ‘Dat mag, papa. Maar je bent wel met mij nu hè!’
    ‘Ik weet het, L.’
    ‘Ik mis mama ook, maar het is wel mijn verjaardagscadeau.’