dinsdag 1 oktober 2019


Charles-Ferdinand Ramuz - De grote angst in de bergen


En plotseling was daar Ramuz, De grote angst in de bergen, vergeten meesterwerk van een vergeten meester. Ik kende Ramuz (1878 - 1947) al als de schrijver van het libretto van Stravinsky’s Verhaal van de soldaat en als iemand waarover gefluisterd werd dat zijn schrijfsels - net als die van Schuberts Willhelm Müller -, alleen nog voortleefden vanwege het gebruik ervan door een veel briljantere componist. Aangezien De grote angst in de bergen met veel bombarie werd aangekondigd als ‘een epos van bijbelse proporties’ (Wineke de Boer, Volkskrant,12 april 2019), leek enig wantrouwen me wel op zijn plek.
        Plaats van handeling is een gehucht in de Zwitserse Alpen waar de dorpsraad besluit die zomer de koeien te laten grazen op de hooggelegen sappige weide van Sasseneire, vlak onder de gletsjer, waar twintig jaar eerder vreemde dingen zijn gebeurd die tot de dood van de veestapel en de meeste herders hadden geleid. Niet iedereen is vóór, maar ondanks waarschuwingen van overlevende herder Barthélémy, wordt onder druk van de dorpsvoorzitter positief besloten. Beneden is de grond schraal, en een royale
zuivelopbrengst is hard nodig. Een groepje mannen wordt ingehuurd om een paar maanden met de koeien op Sasseneire te verblijven.
        Het groepje bestaat uit Barthélémy, die er eigenlijk op tegen is, maar omdat hij zich beschermd weet door een geheimzinnig amulet in de vorm van een stuk papier om zijn hals, tóch mee wil, Clou, een mismaakte vagebond waar niemand blij mee is, De meester, die de herders aanvoert, zijn kleine neefje Ernest en tot slot Joseph, een wat sullige goeierd die vooral meegaat omdat hij dan genoeg geld zal verdienen om eindelijk met zijn geliefde Victorine te kunnen trouwen. De vertelling is zo opgezet dat van meet af aan duidelijk is: dit gaat niet goed aflopen.
        Eenmaal op Sasseneire gaat het meteen mis als de herders ’s nachts in hun Alpenhut geheimzinnige voetstappen op het dak horen en er iemand naar binnen lijkt te willen. Verstijfd van angst liggen ze op hun bedbanken. Dat is Hij, dat is De Boze, weet Barthélémy. Alleen Clou lijkt zich weinig zorgen te maken en lacht de bange herders uit. Hij heeft zijn eigen verborgen agenda: goud zoeken en voorgoed wegtrekken uit het dorp.
        Afin, de koeien vallen ten prooi aan een geheimzinnige ziekte, ik heb er geen verstand van, maar ik vermoed mond en klauwzeer, en het ene na het andere beest bezwijkt, moet worden afgemaakt en door de radeloze mannen vanwege het besmettingsgevaar in de harde rotsgrond begraven.
        Omdat ze beneden in het dorp lucht krijgen van de problemen op Sasseneire, moeten de herders in quarantaine en worden er bij het dorp wachtposten uitgezet. Victorine probeert ’s nachts haar Joseph te bereiken maar verdrinkt in de bergstroom. Joseph weet na een barre tocht door de bergen de wachtpost te omzeilen en het dorp te bereiken om zijn lief dood en opgebaard aan te treffen. Hij keert half waanzinnig van verdriet terug naar Sasseneire.
        Op de begrafenis van Victorine breekt in het dorp de pleuris uit, de voorzitter en zijn neef worden gelyncht. Dan stort de gletsjer in en wordt het halve dorp verzwolgen door het gletsjerwater.
   
Waar gaat De grote angst in de bergen over, is de vraag die ik mij stel, wat wil Ramuz ons vertellen? Aangezien er geen hoofdpersoon is in de traditionele zin, is er ook niemand om je mee te identificeren of tenminste mee mee te leven. Geen van de herders krijgt veel contour, er wordt vooral van alles gesuggereerd. Joseph is de simpele, verliefde, arme sloeber, weet je wel? Je kent het type toch? Ernest is het bange, huilerige, kleine neefje. Iedereen heeft er wel zo een. Clou is de mismaakte boef. Hij is gewetenloos en alleen uit op eigen gewin en heeft een eng lachje: ho, ho, ho! Alleen met de mooie Victorine (dat ze mooi is, verzin ik zelf maar even, wat is immers de zin van een lelijke Victorine?) kunnen we nog enigszins meevoelen. Zij probeert Joseph thuis te houden, heeft angstige voorgevoelens (present fears are less than horrible imaginings weten we al van Mac Beth), toont moed en opofferingsgezindheid die zij helaas met de dood moet bekopen.
        Je zou kunnen zeggen dat het hele dorp de hoofdpersoon is, de dorpsgemeenschap in haar strijd met de elementen. Dorpje heeft ambitie, wil die verwezenlijken, komt in conflict met een grotere macht en gaat ten onder. Een bildungsroman over een dorp, waarom ook niet?
        Een alternatieve hoofdpersoon is misschien de gletsjer, die dan weer symbool staat voor de natuur, de wereld waarop wij leven en waarvan wij het ook moeten hebben. Ramuz’ (overigens uitstekende!) vertaler Rokus Hofstede wil De grote angst in de bergen in zijn nawoord graag oppimpen tot een ecologische roman avant la lettre. Kijk eens hoe urgent, hoe actueel! En dan toch al zolang geleden geschreven! Ramuz als visionair en zijn vertaler als slimme ondernemer. ja, ja.
        Blijft over de taal.
        Slecht geschreven is het namelijk niet. In de taal zit de meeste beweging, zou ik zeggen. Er wordt voortdurend en virtuoos van perspectief gewisseld, ingezoomd en uitgefocust, tussen werkwoordstijden gemoduleerd en dat in fraaie, lange en meanderende zinnen. Het mooist en origineelst zijn de beschrijvingen van de gletsjer, de rotsen, de lucht, het water. Ramuz beschrijft die als een levend en alomvattend organisme, wat prachtig, hallucinerend (psychedelisch) proza oplevert. Vooral de eenzame tocht van Joseph over de bergpas is werkelijk magnifiek. Hier is Ramuz ook niet voorspelbaar of clichématig. Je zou willen dat hij méér was dan een knappe landschapsschilder of een begenadigd Bob Ross’er. Die tocht van Joseph door de bergen had het hoogtepunt, of liever nog één van de hoogtepunten moeten zijn van een epische roman van werkelijk bijbelse proporties. Nu blijf ik achter met een vervelend gevoel, een beetje zoals indertijd met Stoner, ook zo’n zogenaamd onterecht vergeten meesterwerk dat ons met veel superlatieven door de strot werd geduwd.

Klaas ten Holt 2019

        

maandag 2 september 2019


Willem Jan Otten, Specht en zoon (Libris literatuurprijs 2005)

Specht en zoon wordt verteld vanuit het perspectief van een ‘Zeer Dicht Geweven Vier Maal Universeel Geprepareerd’ schildersdoek op het moment dat het als portret door zijn schilder in het vuur geworpen gaat worden. Eerst hangt het nog bij Van Schendel op een rol in de winkel, totdat het gekocht wordt door Felix Vincent, die portretschilder is, en door het doek zelf Schepper wordt genoemd. Het stuk doek dat Schepper van de rol laat snijden en opspannen is van groter formaat dan waarop hij gewoonlijk zijn portretten schildert, waarmee duidelijk wordt dat hij iets bijzonders van plan is. Hierna volgt een ingewikkeld plot met onverwachte wendingen in de beste B-filmtraditie, dat ik hieronder kort samenvat. (In feite overbodig, immers, wie het boek gelezen heeft kan dit overslaan en wie het niet heeft gelezen ook. Ik vermeld het plot om mijn punt te maken dat dit plot meteen ook het boek behelst; er ís alleen maar plot.)
   
Schilder weet niet goed wat hij met het doek zal aanvangen, hij vertelt Minke - een kunstjournaliste met wie hij ooit iets heeft gehad en die hem komt interviewen - dat hij van plan is er een Piëta op te schilderen, hij krijgt een portretopdracht van de bekende baggerkoning en kunstverzamelaar Valéry Specht, die hem veel meer betaalt dan zijn gebruikelijke honorarium, hij moet diens overleden zoon Singer schilderen om daarmee - volgens Specht - een leven te redden, Schepper zal dus van videotapes en foto’s moeten werken, er kan niet worden geposeerd, Singer blijkt een zwart jongetje te zijn, een adoptiezoon, Schepper stelt voor Singer naakt af te beelden, Specht eist geheimhouding, niemand mag van de opdracht weten en er mogen ook geen foto’s van het voltooide portret worden gemaakt, Schepper schildert het portret in afwezigheid van zijn vrouw, Lidewij, die een paar weken op wintersport gaat, wanneer zij terugkomt toont hij haar het portret, ze vrijen, waarbij, zoals later blijkt, hun eerste kind wordt verwekt, Lidewij verbaast zich over het portret en vraagt Schepper aan wie hij heeft gedacht bij het schilderen, hij antwoordt geïrriteerd dat je toch ook niet vraagt aan wie iemand dacht bij het verwekken van zijn kind, de volgende dag vertelt hij haar over zijn jeugdvriend Tijn, zijn allerbeste vriend, die tijdens een rustpauze bij een fietstocht plotseling zijn broek liet zakken om te laten zien dat hij bij wijze van geslacht alleen een heel klein knopje had, een soort baby-eikeltje, waarna Schepper meteen de vriendschap had verbroken, er wordt gesuggereerd dat Schepper Singer met hetzelfde minuscule geslacht als dat van Tijn heeft geschilderd, dan wordt er gebeld dat Specht het schilderij niet op de afgesproken dag zal komen halen, Schepper pakt het schilderij in, waardoor het doek - de verteller van het verhaal - enige maanden op zichzelf is aangewezen, als het ware ‘on hold’ staat, verpakt in luchtkussenfolie, aan het eind van de zomer is Lidewij hoogzwanger en moet ze wegens complicaties een tijdje naar het ziekenhuis, maar voor ze vertrekt vraagt ze of ze het portret van Singer nog eenmaal mag zien, waarop het weer wordt uitgepakt en het verhaal weer opgepakt wordt, zodra Schepper Lidewij naar het ziekenhuis heeft gebracht, belt Minke of ze hem nogmaals mag interviewen, Schepper blijkt porno te kijken op dvd’s die hij in anonieme zwarte verpakking koopt, Doek hoort hem in het belendende vertrek masturberen, al begrijpt hij natuurlijk niet wat er daar precies gebeurt, Minke is bezig met een artikel over Specht, Schepper vertelt Minke dat Lidewij er niet is, maar verzuimt te vertellen dat ze in het ziekenhuis is om hun kind te baren, ondanks het verbod van Specht, laat hij haar het portret van Singer zien, daarna vrijt hij in zijn atelier met Minke terwijl Doek toekijkt, Minke vertelt Schepper dat Specht dodelijk ziek is, en dat zij heeft ontdekt dat hij het met heel jonge jongetjes deed die hij voor veel geld uit het buitenland importeerde en die hij vermoedelijk door steeds andere portretschilders liet vereeuwigen, ze waarschuwt Schepper dat niemand zal geloven dat Singer al dood was toen hij zijn naaktportret schilderde omdat hij immers altijd naar levende modellen werkt, de volgende dag gooit Minke haar artikel over Specht bij Schepper in de brievenbus, Schepper is ten einde raad en kijkt nogmaals naar de video van Singer die hij projecteert op de achterkant van een grote spiegel in zijn atelier, hij realiseert zich dat Singer op de video niet slaapt maar dood is, Lidewij belt hem vanuit het ziekenhuis dat zij ingeleid gaat worden omdat de weeën zijn begonnen, hij moet zo snel mogelijk komen, vóór hij vertrekt maakt hij een brandstapel in de tuin en verbrandt de videobanden van Singer, de pornobanden en de cheque van € 50.000 die Specht hem heeft gegeven als voorschot op het portret, tenslotte gooit hij ook het portret in het vuur, nu rest alleen de polaroid die Schepper van het portret maakte, Doeks bewustzijn gaat hierna op miraculeuze wijze over op de polaroid van Singers portret, die ook nog eens door Schepper in tweeën is gescheurd, in het ziekenhuis vertelt Schepper aan Lidewij (dit weten wij omdat Doek, die nu Polaroid is in zijn borstzak zit en alles kan horen) dat het portret door de opdrachtgever is opgehaald, Lidewij krijgt hevige weeën waarbij complicaties optreden, zij moet naar de Intensive Care, de bevalling loopt goed af, Schepper wordt vader van een zoon die hij Stijn noemt (Singer plus Tijn = Stijn!), dan komt Specht onverwacht alsnog het portret ophalen, hij zegt dat het verhaal van Minke op leugens is gebaseerd en dat Singer nog leeft, dat hij juist goed voor zijn zoon heeft willen zorgen, maar dat die een junk en een dief was, Singer had zelfmoord willen plegen met een overdosis, maar Specht had hem net op tijd gevonden en kunnen redden, hij had hem het portret willen geven bij wijze van therapie, om Singer te tonen dat er van hem gehouden werd, Schilder toont hem daarop de polaroid, Specht vraagt Schepper tenslotte om het portret nogmaals te schilderen.

Tot zover de plot van Specht en zoon, volgens de tekst op de achterflap ‘een rijke roman over de wens iemand op de wereld te zetten’. Vraag is wat Otten bezield heeft dit verhaal te schrijven en wat hij ons ermee wil vertellen. Is het uiterst opzichtig geconstrueerde plot een vehikel voor een diepzinnig psychologisch drama, of ís er alleen maar plot en wil Otten ons laten zien dat hij hele ingenieuze plots kan verzinnen?
    Het is natuurlijk aardig bedacht om het verhaal door een schildersdoek te laten vertellen, alleen komt Otten er technisch zelf ook niet helemaal uit. Doek heeft al een bewustzijn als hij nog onderdeel van een rol is, onderdeel van een groter geheel, maar klaarblijkelijk heeft de rest van de rol dit bewustzijn niet zodra Doek er vanaf is gesneden. Het was misschien geloofwaardiger geweest Doek te introduceren als reeds opgespannen. Ook problematisch is de wijze waarop het bewustzijn van Doek op metafysische wijze op een polaroid wordt geïncarneerd. ‘Kunnen jullie door een sleutelgat? Ja, wij kunnen door een sleutelgat!’
    Dan die vermeende wens om iemand op de wereld te zetten, hoe zit het daar eigenlijk mee? Van kinderwens lijkt bij Schepper geen sprake te zijn, daar wordt in elk geval nergens in het boek gewag van gemaakt; Lidewij blijkt in verwachting, en dat is dat. Wordt dan de wens van Specht bedoeld, om zijn dode zoon Singer getransformeerd in Scheppers portret te (laten) herscheppen? Maar Singer is niet dood, leren wij aan het eind. Gaat het dan om Scheppers eigen kunstenaarschap? Dat blijkt nergens uit, Schepper is een portretschilder, met als grootste ambitie zijn huis te kunnen afbetalen, een weinig artistieke of creatieve ambitie. Is het dan allemaal een evangeliserende metafoor voor ‘het door God, de schepper, geschapen leven op aarde’? Specht en zoon zit vol met nogal kitscherige verwijzingen naar het Christusverhaal en het vader en zoon motief, maar de zin of noodzaak daarvan weet Otten nergens duidelijk te maken. Waar die andere Nederlandse bekeerling, Gerard Reve in Zelf schrijver worden parallellen trekt tussen het kunstenaarschap en de religieuze vervoering die volgens hem beide gestileerde emoties zijn en als thema de dood hebben, of waar - wat verder weg - Dostojevski in De Grootinquisiteur uit De Broers Karamazov het thema van de vrijheid en de vraag of de mens daar mee om kan gaan, aansnijdt, blijft Otten hangen in vage toespelingen die willen suggereren dat er méér is aan dit boek dan alleen een onderhoudend plot, maar die het niveau van de knipoog nergens overstijgen.
    Ronduit irritant zijn wat mij betreft de namen die Otten zijn personages meegeeft. Valéry Specht, Singer, Lidewij Langebeen, huize Nimmerdor, Fok Duivemelk, Procter Poldermol. Dat klinkt naar kinderboek. Wat is eigenlijk de doelgroep van Specht en zoon? Ik vermoed dat het Ottens ambitie was om middelbare scholieren aan het lezen te krijgen met een grappig plot en in godsnaam geen psychologische diepgang; literatuur, maar tóch leuk.           Otten dient ons louter flat characters op, het doek dat het verhaal vertelt is vanzelfsprekend plat en opgespannen, Schepper komt over als een weinig ambitieuze, weinig empathische, ontrouwe echtgenoot, maar verder komen we nauwelijks iets over hem of zijn zielenleven te weten. Lidewij krijgt nog minder (geen enkel) contour, Specht is een enigma en Singer een anekdote. Dit hoeft allemaal geen probleem te zijn als er een masterplan is waarin alles op zijn plek valt, de schepping als de perfecte misdaad, maar helaas geeft
Otten geen enkele aanleiding dit te veronderstellen. Het blijft daardoor allemaal zo plat als een dubbeltje. In die zin deed Specht en zoon mij denken aan De passievrucht van de pretentieloze Karel Glastra van Loon, voor de verfilming waarvan ik in een ander leven de muziek componeerde. De plot van Specht en zoon zou niet misstaan in de meesterlijke roman Op de rok van het universum van Tonnus Oosterhoff die vrijwel uitsluitend uit bestaande en zelfverzonnen plots bestaat, en waarin het plot van De passievrucht ook een cameo heeft. Oosterhoff stelt in zijn roman het plot als fenomeen ter discussie, dat kun je helaas van Otten niet zeggen.
    Aan de andere kant: "50,000,000 Elvis Fans Can't Be Wrong”. Specht en zoon beleefde tien drukken en kreeg de Libris literatuurprijs 2005. ‘Meesterlijk stilist raakt een zenuw,’ schreef Trouw destijds. En Arjan Peters in de Volkskrant: ‘wie bereidt is Otten te volgen, kómt ook ergens.’ Daar lijkt me geen speld tussen te krijgen.

Klaas ten Holt 2019

   

donderdag 22 augustus 2019


Nachoem M. Wijnberg - DE JODEN

Roman, staat er op het bloedrode omslag, dat met zijn gouden letters wel wat aan het rode boekje van Mao Tse Tung doet denken, een bonte verzameling uitspraken van de grote roerbakker waarin qua spanwijdte van aangesneden onderwerpen naar volledigheid lijkt te zijn gestreefd, waarmee er ook inhoudelijk een overeenkomst met DE JODEN is, ik kom daar op terug.
    DE JODEN is allesbehalve een roman, althans zeker geen roman in haar traditionele verschijningsvorm. Het is eerder een soort kluchtig toneelstuk met de lay-out van een roman in de vorm van een talmoedische picaresque. Hoofdpersonen zijn de Russische jood Maimon en de Duitse filosoof en cultuurcriticus Walter Benjamin. Plaats van handeling is eerst Moskou, dan Berlijn en daarna een vlakte nabij Jeruzalem.
    Stalin - die vrijwel uitsluitend in zinnen van één woord spreekt -, maakt zich volgens zijn woordvoerder Beria zorgen over berichten dat Hitler, met wie hij in oorlog is, zou zijn afgetreden ten gunste van Martin Heidegger op advies van de joden. Hij is bang dat hém misschien hetzelfde zou kunnen overkomen. De studenten van de Moskouse theaterschool Salomon Maimon en Natalia Gontsjarova worden uitgezonden om in Berlijn te gaan uitzoeken hoe het zit. Daar ontmoeten ze Heidegger, die (behalve wanneer hij zijn moeder voorleest uit het dodenboek) helemáál niet spreekt, Heideggers moeder en Walter Benjamin. Dan zijn er commissieleden, leden van het publiek van een toneelstuk dat opgevoerd wordt, de oude joden 1 & 2, een voorzitter en een rabijn. Er is dus sprake van een toneelstuk in een roman die eigenlijk een toneelstuk is, met ex-toneelspelers die de voor en nadelen van hun toneelopleiding aan de Moskouse theaterschool van Meyerhold bespreken.
    De sfeer is surrealistisch en hilarisch. De vorm waarin Wijnberg zijn roman heeft gegoten, is zeker origineel te noemen, in die zin dat hij put uit bronnen en gebruik maakt van vormen die je normaal niet in een roman zou verwachten. Hitler - en in iets mindere mate Stalin - die binnen het jodendom wel als reïncarnaties van de archetypische jodenhater Haman uit het oudtestamentische Estherverhaal wordt gezien, worden bij Wijnberg tot zwakke, bijna sneue persoonlijkheden die nauwelijks een bedreiging vormen.
    Een groot gedeelte van de roman beslaat een vraaggesprek tussen Benjamin en Maimon, waarbij voornamelijk Benjamin het woord voert. Dit gesprek is te lezen als een karikatuur van de Talmoed en de Mishna, de eeuwenoude commentaren op het oude testament die nog altijd de basis van de praktijk van het jodendom vormen. Waar het oude testament, de Tora, naar volledigheid streeft, in die zin dat de schepping van het heelal, de aarde en de mens, de geschiedenis van het ontstaan van het verbond tussen God en de joden en alle wetten en regels die daarbij horen uitputtend beschreven worden, vaak in een vraag-en-antwoord vorm, zijn de gesprekken tussen Maimon en Benjamin hier een afspiegeling van, waarbij schijnbaar - maar dan hilarisch en karikaturaal - eveneens naar volledigheid lijkt te worden gestreefd.
    In het laatste deel van de in drie delen uiteenvallende roman wordt op een vlakte in de buurt van Jeruzalem vrij associërend gesproken over de schepping, het uit klei maken van de eerste man, ontstaan en dood van engelen, Kaïn en Abel, de aartsvaders, de zondvloed, maar ook over de concentratiekampen (zonder ze letterlijk te noemen), de treinen die de joden naar de kampen vervoerden en worden thema’s als rein en onrein en het verbond tussen man en vrouw uitputtend van alle kanten tegen het licht gehouden. Daarnaast is er op meerdere niveaus sprake van een nieuwe wereld die aanstaande is of zou zijn. Zo is er sprake van oude en nieuwe joden, oude en nieuwe godinnen. Toneelregisseur Meyerhold wilde overigens ook al met zijn theater een nieuwe mens laten ontstaan om de (communistische) heilstaat op te bouwen. In DE JODEN heeft alles met alles te maken.
    DE JODEN werd bij verschijnen door Jacq Vogelaar in De Groene Amsterdammer (nogal flauwe scènes en veel gezeur) en Tom van Deel in Trouw (een merkwaardig, niet geslaagd boek) weinig positief besproken, men vond onduidelijk wat Wijnberg met DE JODEN beoogde. Wijnberg is overduidelijk in taal en de mogelijkheden en onmogelijkheden van de taal als uitdrukkingsmiddel en het beschrijven van onze wereld door middel van taal geïnteresseerd en is daarin beïnvloed door de talmoedische traditie waarin het woord en het gesprek normatief is. Niet de uitkomst van het gesprek (denk aan de plot van een roman), maar het gesprek zélf is waar het om gaat. De schepping gebeurde immers ook door middel van het woord, en is in die zin dan ook nooit voltooid. (opvallend in DE JODEN is trouwens het veelvuldig voorkomen van zinnen in de verleden tijd, waarbij alleen het eerste werkwoord in de verleden tijd staat en de rest in de tegenwoordige tijd, en de veel voorkomende aantonende zinnen met een vraagteken op het eind) Los van zijn opvatting over taal denk ik dat dichter en schrijver Nachoem M. Wijnberg met DE JODEN een abstracte, literaire (en karikaturale) geschiedenis van het joodse volk heeft willen schrijven.
    Wat een genot om deze op het manische af eigenzinnige en experimentele roman te ontdekken tussen tussen al het brave mediagetrainde boekentoptienproza dat het zicht op wat werkelijk relevant is al veel te lang vertroebelt. DE JODEN is niet voor het grote publiek, en gelukkig maar! Je moet er toch niet aan denken dat je deze magistrale roman zou moeten delen met de lezers van Wieringa en Pfeijffer?

Klaas ten Holt 2019

    

zaterdag 3 augustus 2019







Wessel te Gussinklo, De hoogstapelaar



Te Gussinklo is een bijzondere schrijver binnen de Nederlandse literatuur. Hij heeft een duidelijke eigen stijl, die hij consequent van begin tot eind volhoudt. Sommige schrijvers hebben zo’n eigen stem, schijnbaar zonder dat ze daar veel moeite voor hoeven te doen, die stem of stijl is er gewoon, is deel van hun artistieke persoonlijkheid, maar bij Te Gussinklo voel je dat hij er hard aan heeft gewerkt. Zijn stijl is niet natuurlijk, maar eerder bedacht. Zijn stijl is een keuze en overduidelijk geconstrueerd en bestudeerd. Wat mij betreft is daar niets mis mee.
    We bezien de wereld vanuit hoofdpersoon Ewout Meyster (zijn achternaam wordt pas helemaal aan het eind van het boek genoemd, maar waarschijnlijk als bekend verondersteld omdat De Hoogstapelaar als het derde deel uit een cyclus - die zo langzamerhand een Proustiaanse omvang begint aan te nemen - over hoofdpersoon Ewout kan worden gelezen) die zijn eigen handelen (en dat van anderen) voortdurend becommentarieert en bekritiseert en daarmee de lezer, of in elk geval een denkbeeldige toehoorder en ook zichzelf aanspreekt. Deze commentaren staan vaak tussen haakjes of zelfs dubbele haakjes en bestaan uit uitroepen van verbazing of verontwaardiging en onafgemaakte ‘veelzeggende’ opmerkingen. (Maar hij…? Niet! Nooit!) Te Gussinklo hanteert herhaling als een opvallend stijlmiddel, waarmee zijn schrijven wel iets van minimal heeft, een in de vroege jaren zestig in Amerika ontstane stroming van repetitieve muziek. Die herhaling zit vooral in het hoofd van Ewout, vermoedelijk om zijn manische kant te illustreren. Deze Amerikaanse invloed komt niet helemaal uit de lucht vallen, omdat Ewout Amerikaanse sigaretten rookt, coca cola drinkt die hij coke noemt, naar Jazz en Rock & Roll luistert en af en toe Amerikaans filmsterrenidioom gebruikt.
    We volgen Ewout enige tijd als hij zeventien jaar is, ergens aan het eind van de jaren vijftig in een niet bij naam genoemde stad, waar hij aan een gracht in het centrum bij zijn door hem gehate en geminachte moeder woont die een winkeltje drijft. Zijn vader is overleden. Ewout gaat niet naar school - hij is diverse malen wegens wangedrag van school gestuurd -, werkt niet en zit voornamelijk thuis waar hij zich oefent in krachtig en dwingend overkomen; hij wil een leider zijn, een belangrijk schrijver of filosoof worden. Zijn held is Sartre, die op dat moment in de mode is en die hij veel citeert ook al heeft hij hem eigenlijk nauwelijks gelezen. Hij spiegelt zich aan politici als Roosevelt, Churchill en Hitler, vraagt zich af wat die in bepaalde (vaak heel banale) situaties gedaan zouden hebben. Voor de spiegel oefent hij zich in hoe hij moet kijken, bewegen, roken, etc. Zijn grote frustratie is zijn weke uiterlijk en zijn krachteloze uitstraling die hij koste wat kost wil veranderen. Binnen zijn kleine groep van trouwe vrienden en - dat is voor Ewout essentieel - bewonderaars, neemt hij een leidersrol in. Ewout bepaalt wat ze gaan doen en adviseert en becommentarieert zijn vrienden voortdurend in hoe ze zich moeten kleden, hoe ze moeten staan, lopen, praten etc. Hij is daarin behoorlijk direct en schoolmeesterachtig. Sommige van zijn vrienden wordt dat teveel, zo ook Meindert, de vriend die hij het meest kleineert, gebruikt en belachelijk maakt. Toch is het juist Meindert die hem uiteindelijk ontzet wanneer hij in moeilijkheden raakt.
    Andere jongens noemt hij mietjes, homo’s en dit blijkt al snel een obsessie. Het wordt duidelijk dat het zelfs meer dan een obsessie is: Ewout worstelt met zijn eigen identiteit. Wanneer hij zeker weet dat hij onbespied is masturbeert hij gekleed in vrouwenkleren, waarvan hij zich vervolgens zo snel mogelijk ontdoet in doodsangst dat zijn moeder of de werkster hem zullen betrappen. Ondertussen lijdt Ewout aan gruwelijke depressies waarbij hij dagenlang binnen moet blijven en het daglicht niet kan verdragen.
    De hoogstapelaar (dat overigens bargoens is voor oplichter, zwendelaar, het woord zelf komt in het boek niet voor) biedt ons een intiem drama, het is kamermuziek, geen symfonie. Er is een scene in een jazzclub, een espressobar, Ewout ontvangt zijn vrienden bij hem thuis op zijn kamer, maar het gaat steeds en vooral om Ewouts manische kijk op de wereld. Op het eind valt hij ook voor zijn vrienden en bewonderaars van zijn voetstuk, wanneer hij in elkaar wordt geslagen door twee jongens die hij eerder in de jazzclub voor mietjes heeft uitgemaakt. Hij verdedigt zich niet; verlamd van angst ondergaat hij alle vernederingen lijdzaam en zonder verzet. ‘Het komt vanwege mijn depressie,’ verklaart hij zijn slappe optreden aan zijn vrienden, maar zijn geloofwaardigheid is hij nu definitief verloren.
    We leven mee met Ewout, maar sympathie kunnen we moeilijk voor hem opbrengen, daarvoor is hij te manisch, en ook te navelstaarderig. De hoogstapelaar doet hier en daar wel wat aan De Avonden denken, maar hoewel er zeker af en toe wat te lachen valt, is Reve grappiger en toch ook indringender, beklemmender.
    Het boek vergt wel enig doorzettingsvermogen, Te Gussinklo maakt het zichzelf en de lezer niet gemakkelijk, maar het is zeer zeker de moeite waard. Fijn dat er nog schrijvers zijn die het experiment aandurven en zich niet alleen om de buitenkant van de literatuur bekommeren. Een aanrader!

Klaas ten Holt 2019


 

woensdag 17 juli 2019

DEUS van Cornelis de Bondt

Ik luister naar DEUS van de sympathieke hystericus Cornelis de Bondt, een stuk voor vier grote orgels, twee vleugels en vijf wat kleinere toetsinstrumenten, en probeer mijn gedachten te ordenen. Wat vind ik hiervan? is de vraag die ik mij stel.
    Ik denk zo op het eerste gehoor dat er in de complete muziekgeschiedenis niet veel dramatischer muziek is gecomponeerd dan dit stuk, al heb ik natuurlijk niet alles gehoord. De orgels spelen een steeds herhaald ta ta taaa in een ‘alle registers uit’ registratie, een soort Beethoven’s vijfde tot in het absurde uitvergroot, met daar overheen een passacaglia van de piano’s in een laag register als mokerslagen. Naar het einde toe lijkt er hier en daar iets meer ruimte voor het orgel te komen tussen de mokerslagen door, maar van een echte ontwikkeling of een climax is geen sprake. Het is muziek die buiten de tijd lijkt te staan, zoals muziek van Messiaen dat ook kan doen; muziek die 'is' in plaats van muziek die 'wordt'. Het is alsof we even door een open raam mogen meeluisteren naar een eeuwig doorgaand concert. Zoals in het beroemde citaat van Bede ‘Like the swift flight of a sparrow through the mead-hall where you sit at supper in winter. The sparrow, flying in at one door and immediately out at another, whilst he is within, is safe from the wintry tempest, but after a short space of fair weather, he immediately vanishes out of your sight, passing from winter to winter again. So this life of man appears for a little while, but of what is to follow or what went before we know nothing at all.’
    Het is muziek die in zijn overweldigende kracht tegelijk wel degelijk balanceert op de rand van de kitsch. Wordt er hier nog wel iets aan de fantasie van de luisteraar overgelaten? Hier spreekt een schoolmeester, een dominee, dit is Kuifje en de geheimzinnige ster.
    Dit is muziek voor de jongste dag, hier wordt groot alarm geslagen; muziek die, als ze werkelijk een ondermijnende kracht zou bezitten zoals Plato dacht, en de massa’s zou kunnen mobiliseren, onmiddellijk verboden zou moeten worden. Dit gaat wat mij betreft veel verder dan De Staat van Louis Andriessen, dat deze ondermijnende kracht van muziek als onderwerp heeft.
DEUS is op een bepaalde manier ook wel een soort antimuziek: drammerig, vrijwel louter fortissimo, horkerig, lelijk, repetitief. Het is een woedend stuk, de verklanking van een woede.
Maar daarin is het zo ongelofelijk goed geslaagd, dat de tranen me er letterlijk van in de ogen springen. Ik krijg er kippenvel van, en niet ‘bij wijze van spreken’.
    Ik geloof niet dat ik een ander muzikaal voorbeeld ken van een componist die er zo waanzinnig goed in is geslaagd zijn woede tot uitdrukking te brengen. Dit gaat over alles wat er mis is met de muziek, de kunst, het door marktdenken en ondernemerschap kapotgemaakte bloeiende Nederlandse culturele klimaat, waar nu zelfs op de conservatoria - waar De Bondt na een lange staat van dienst als docent nu afscheid van gaat nemen - de studenten in worden geschoold: gij zult ondernemen, het gaat niet om de kwaliteit maar om de marktwaarde, gij zult uzelf ‘branden’, vermarkten. Muziek voor bij de vernietigende paringsdans van Rick van der Ploeg en Halbe Zijlstra. Dit is muziek zoals die - vermoed ik - zal klinken in de wereld van de
Demogorgons uit Stranger Things. Muziek uit de hel van Dante.
    Ik vind het werkelijk godallejezus mooi, Cornelis, louterende muziek. Je zou er eigenlijk voor onthoofd moeten worden, of anders met een standbeeld vereerd. Ik ga voor het laatste.
  

dinsdag 14 mei 2019




Rob van Essen - De goede zoon

Met De goede zoon won Rob van Essen De Libris Literatuurprijs 2019. Het boek speelt in een nabije toekomst waar het basisinkomen is ingevoerd, robots het werk doen en intelligente computers over ironie beschikken. Volgens de jury is De goede zoon in de eerste plaats een analyse van wat het betekent te leven in deze toekomstige tijd met een overdaad aan vrije tijd en luxe, met computers en robots, een analyse ook van het voorbijgaan van de tijd en het vasthouden ervan. Is dat zo?
    Een dystopie is het boek niet echt te noemen, omdat de wereld die we voorgeschoteld krijgen daarvoor te weinig is uitgewerkt. Er lijkt geen sprake te zijn van een totalitair regime en het leven lijkt beter noch slechter dan het onze. Er wordt wat gemopperd over overvolle musea en een teveel aan vrije tijd, en aan het slot is sprake van een eindeloze stoet pelgrims, maar waar die heen gaan en waarom, wordt behalve dan vanwege het teveel aan vrije tijd dat de pelgrimage mogelijk maakt, niet uitgelegd. De goede zoon lijkt ook geen waarschuwing te willen zijn zoals 1984, Brave New World of misschien Grand Hotel Europa dat wèl pretenderen te zijn.
    Een melige hotelrobot met een wasmachinedeurtje, aaibare zorgrobots en een zelfrijdende, sprekende auto met magnetron en zelfreinigende massagestoel met happy ending (gereformeerden moeten niet over seks willen schrijven, laat dat aan joden en katholieken) zijn weinig serieus te nemen en lijken eerder uit een Suske en Wiske of Kuifje voor volwassenen te komen. Van Essen realiseert zich dat en refereert er ook aan. Het stripachtige wordt nog versterkt door het voortdurend in kapitalen opvoeren van de geluiden van mechanisch verstelbare stoelen en rolstoelen: BZZT BZZZZZT BZT of de ruitenwisser van de zelfrijdende auto: Tik tik tik tik tik tik tik.

De naamloze hoofdpersoon is gelukkig noch ongelukkig en leeft zijn min of meer solitaire leven als matig succesvol schrijver van plotloze thrillers en soapscenario’s. De handeling wordt voortgestuwd door een geheimzinnige Dienst die zijn hulp inroept om voor een ex-criminele informant een nieuw verleden te verzinnen. Later blijkt deze Dienst hem de rest van zijn leven te blijven volgen en daarbij ook sturend in te grijpen, een beetje zoals in The Truman Show met Jim Carrey het geval is, om tenslotte dit verleden ook weer te willen wissen. De zin hiervan ligt ongetwijfeld in de paralel met het falende geheugen van de dementerende moeder van de hoofdpersoon.
    Bij de Dienst werken zijn oud collega’s van een baantje bij Het Archief, Lennox en Guido. Ook de informant, De meester, ook wel Bonzo genoemd, die als crimineel aan een soort Heineken ontvoering leiding gaf en later zijn medeontvoerders verlinkte en er met de buit - diamanten! - vandoor ging, werkte in dat Archief.
    Het boek bestaat voor de helft uit een aantal half uitgewerkte stripachtige of filmische plots en anekdoten, zoals die over de ‘Heineken’ ontvoering en de verdwenen diamanten (die later mogelijk in de met diamanten bezette schedel van Damien Hirst For the Love of God terecht zijn gekomen), het nogal ongeloofwaardige en kinderachtige verhaal van het uitzicht vanaf het Archiefgebouw op een studentenflat met zich voor het raam aan- en uitkledende studentes en de onuitgewerkte relatie met de psychiater Colenbrander, en voor de andere helft uit meer persoonlijke herinneringen, zoals aan een romantische jeugdliefde met de Engelse Emmy waarop weemoedig wordt teruggeblikt, weinig opzienbarende reflecties op ouder worden (je voelt je van binnen nog altijd dertig), aan het streng gereformeerde milieu waar de hoofdpersoon in opgroeide en vooral aan zijn moeder en haar aftakeling en dood.
    Het maakt van het geheel een nogal hybride, gekunstelde mix van een persoonlijk en fel realistisch in memoriam met een weinig overtuigende Sci-Fi roadmovie. Het lijkt een beetje of Van Essen een en ander aan elkaar heeft willen knopen door de hoofdpersoon het verhaal over zijn moeder aan een futuristische batmobiel te laten vertellen en de verzorgingsflat op te pimpen met zorgrobo’s. Omgekeerd zal hij zich hebben gerealiseerd dat hij er met de melige Sci-Fi-plotjes alleen niet uitkwam. Het lijkt wel of Van Essen het persoonlijke, intieme of emotionele schuwt (niet vreemd overigens, gezien zijn gereformeerde opvoeding) en er daarom alles aan doet het ontroerende - en overigens zeer goed geschreven en vertelde - verhaal over zijn dementerende moeder in te bedden in een soort ontnuchterende en relativerende stripachtige context.  
    Jammer is dat de zin van deze mix uiteindelijk niet helder wordt. Er ontbreekt een dwingende visie, zowel op de dystopische of niet dystopische toekomst als op de hier en daar aangestipte sombere toekomst van de literatuur. Het ter discussie stellen van het plot is al eerder op veel prikkelender en overtuigender wijze gedaan door Tonnus Oosterhoff in Op de rok van het Universum. Wat bij mij blijft hangen is het fraaie moederthema, nogal vertroebeld door een hoop ornamentele flauwekul eromheen. Opvallend, hoewel niet uniek is dat Van Essen geen aanhalingstekens gebruikt bij dialogen, wat een soort metastandpunt lijkt te suggereren, wat dan wel weer goed past bij het Truman Show element van het verhaal.
    Het mooist en ook werkelijk ontroerend zijn wat mij betreft de aan de intelligente en als side-kick figurerende batmobiel vertelde herinneringen aan de dementerende moeder in het verzorgingstehuis. Deze episode staat echter nogal los van de rest van het boek.
    Fraai omslag van Nanja Toebak!

Klaas ten Holt


      

zondag 17 maart 2019

Girls of the golden west




Zo was ik vanmiddag met mijn lief naar Girls of the golden west, de nieuwe opera van John Adams in de regie van Peter Sellars. Adams was ooit een uurtje te gast in de compositieklas van het Sweelinck conservatorium in Amsterdam. Ik herinner me zijn bruine leren colbert, en hoe hij op de grond tegen de muur zat, losjes vertellend over zijn carrière die in zijn eigen woorden van toeval en geluk aan elkaar hing. Aardige man, sympathieke gast.
Nixon in China heb ik niet gezien, maar ken ik wel van de cd. The death of Klinghoffer ook. Het was toen nieuw en spectaculair om zulke actuele thema’s te gebruiken voor een opera. Tegelijk riskant, want mogelijk snel gedateerd. Het zou mij dan ook verbazen als deze opera’s nu gereanimeerd zouden worden, kan me daar weinig bij voorstellen. Van Doctor Atomic, die ik in de Stopera zag kan ik me niet heel veel herinneren, behalve dat ik er weinig aan vond.
Ik moet zeggen dat ik moeite heb met minimal of repetitieve muziek als idioom voor verhalend muziektheater. Het herhalende in de muziek werkt de dramatische voortgang tegen, al is het natuurlijk voor een componist wel zo gemakkelijk om lengte te maken.
Maar goed, nu dan Girls of the golden west.

Ik begreep de noodzaak van het thema van te voren al niet helemaal, het is niet dat Sellars en Adams ons als klokkenluiders komen vertellen dat er in het California van de goudkoorts veel wetteloosheid en flagrant racisme was, dat vrouwen straffeloos werden misbruikt en verkracht, zwarten en latino’s uitgebuit en naar believen gelyncht. De opera is gebaseerd op een briefwisseling uit de 19e eeuw die er een soort historische legitimiteit aan zou moeten verlenen, maar die tegelijk nergens tot drama leidt. Het levert een warrig en brokkelig libretto op met bordkartonnen personages voor wie ik nergens empathie kon voelen of zelfs maar belangstelling.
Een en ander speelde zich af in een werkelijk spuuglelijk decor met hangende boomelementen die soms ook een huis moesten verbeelden en een afgezaagde multifunctionele boomstam die me deed denken aan de plastic Schleichdieren waar mijn kinderen vroeger mee speelden.
De muziek van Adams was - op een paar incidenten na - onbezield en futloos en hing aan elkaar van operacliches; ik heb werkelijk geen noot gehoord die ik niet al eerder elders had gehoord. Adams putte veel uit eigen werk en verrassend veel uit dat van Stravinsky. Verder een hoop 2e hands West side story, maar dan zonder de ijzersterke melodieën. Er werd veel gedanst op het podium, maar swingend werd het nooit. Er was een gitaar in het orkest en ook een accordeon, maar die hadden er net zo goed niet kunnen zijn. Ik vond het al met al zeer matig georkestreerd, op een paar rake momenten na; ik vermoed dat het een haastklus was, geen enkele sturm und drang. Veel lange strijkorkestpassages met weinig kleurwisseling en krachteloos staccato koper, een te luide koebel en hier en daar uit het niets opduikende quasi atonale klarinetsolo’s. Aan het fantastisch spelende orkest en de ijzersterke solisten en het mannenkoor heeft het trouwens niet gelegen.
Na afloop - god wat duurde het lang - was er vanzelfsprekend stormachtig applaus. Peter Sellars (volgens het programmaboekje bekend van zijn transformatieve interpretaties, waarom moet ik daar toch zo om lachen?) met zijn van Johnny Rotten geleende kapsel en artistieke blouse werd uitbundig gefêteerd door het hoogbejaarde publiek. Bravo! klonk het dapper. Ik vermoed dat als er in plaats van deze opera een bingoavond was georganiseerd, de meesten het niet hadden gemerkt en net zo tevreden thuis waren gekomen.
Gelukkig ben ik vorige week naar het magistrale Fin de partie van Kurtág geweest (eveneens in de Stopera) en weet ik dat er ook nog mooie dingen worden gemaakt, en dat er dus nog altijd hoop is.