zondag 6 april 2014

Sterfdag

(voor de dichteres S. J.)
Op de eerste sterfdag van mijn moeder, 19 april, vree ik voor het eerst met B. Ik studeerde Engels maar voerde weinig uit. In de lift van het Amsterdamse Bungehuis waar de faculteit Engels destijds gevestigd
was, stond B., die ik nog kende van de kleuterschool. ‘Hé jij bent Klaas,’ riep ze door de overvolle lift, ‘ik was vroeger altijd zó verliefd op jou.’ Ik bleek een makkelijke prooi. We spraken af om op haar kamer samen een tentamen te leren en later die avond poetste ik mijn tanden met een borstel die niet van mij was. In de wastafelspiegel keek ik naar B., die heel wat zelfverzekerder leek dan ik. Haar kamer was op de eerste etage van een prachtige villa aan het Vondelpark, die ze huurde, naar later bleek, bij de ooit veelbelovende dirigent O., die weer een goede vriend van mijn ouders was. Maar dat wist ik toen nog niet.
Nadat we gevreeën hadden - B. maakte veel lawaai, waardoor ik nog stiller werd dan ik toch al ben - realiseerde ik me dat het de eerste sterfdag van mijn moeder was. Dat leek me een slecht voorteken.
Of dit terecht was of niet, valt moeilijk te zeggen, maar tussen B. en mij is het nooit wat geworden. Ze maakte het al snel uit om weer terug te gaan naar haar vorige liefde, waarna ik nog drie jaar wanhopig verliefd op haar bleef.
Mijn vader stierf op 23 december; rare datum: de dag vóór de avond vóór. Meestal denk ik er wel aan, maar behalve de kinderen zijn er niet veel mensen in mijn omgeving die het wat zou zeggen.
‘Vandaag is het de sterfdag van mijn vader,’ zeg ik dan bijvoorbeeld tijdens het avondeten, en dan monsteren ze me zo’n beetje. Maakt hij een grap? Is dit heel zielig? Ik laat het er verder maar bij.
Mijn kinderen hebben mijn ouders nooit gekend, en ik vermoed dat ze zich sowieso geen voorstelling kunnen maken van mij, hun vader, als kind met ouders van vlees en bloed, nog onwetend van zijn eigen - in de sterren geschreven - vaderschap en weduwnaarschap en alles waar ik nu voor hen voor sta.
Nu is 25 juli erbij gekomen als datum om nooit te vergeten voor mij als achterblijvend echtgenoot, en voor de kinderen als datum om ‘er even bij stil te staan’ en soms per ongeluk te vergeten in de hectiek van het toekomstige bestaan.
En onvermijdelijk zal daar straks nog een datum bijkomen.

zondag 30 maart 2014

Scheltema

Ik loop met Lulu op de Herengracht in de richting van boekhandel Scheltema. Lulu mag een boek uitzoeken en dan kunnen we meteen kijken of mijn boek er wel ligt. De zon schijnt. In de schaduw is het nog wat frisjes, maar we bevinden ons aan de goeie kant van de gracht.
Ik denk aan Bibian met wie ik hier ontelbare keren gelopen heb. ‘Ik ben blij dat de zon schijnt,’ zeg ik tegen Lulu, ‘ik vind het zo’n naar idee dat mama daar dood ligt te zijn in haar kist als het regent of sneeuwt.’
    ‘Mama is niet dood,’ zegt Lulu boos.
    ‘Hoezo niet?’ zeg ik geïrriteerd. ‘Natuurlijk is ze dood.’
    ‘Niet waar, ze is in een kasteel. Ik heb het zelf gezien.’
    ‘Bedoel je dat kasteel waar alleen maar meisjes wonen?’ Daar had ze over gedroomd. Ik zie dat ze zelf ook moet lachen.
    ‘Ja papa.’
    Ik ben een beetje aan het bijkomen van een flinke griep en een golf van pijn en verdriet die plotseling op kwam zetten en me totaal overspoelde. Het is een egocentrische pijn, die meer over mij dan over Bibian gaat. Verontwaardiging over het leed dat mij is aangedaan, het geluk dat mij is afgenomen. Ik geloof niet dat ik hier te lang bij stil wil blijven staan; dat lijkt me niet gezond en ook weinig constructief, maar nu het me zo overspoelt laat ik me meevoeren en merk ik dat het me op een rare manier manier ook wel goed doet: lekker hangen in mijn verdriet.
    Lulu zegt dat ze weer een keer naar mama’s graf wil. Ik vind het wonderbaarlijk hoe goed ze in staat is met haar verdriet om te gaan. Als ze Bibian erg mist komt ze bij me zitten en praten we erover, maar als ik er over begin op een moment dat ze er geen zin in heeft zegt ze dat ook.
    ‘Nu niet, papa, want nu mis ik mama niet.’ Hoewel het me soms wat rauw op mijn dak valt, kan ik er eigenlijk alleen maar bewondering voor hebben. Lulu is absoluut niet sentimenteel, haar gevoelens zijn volkomen oprecht, en ze schaamt zich er ook niet voor.
    In Scheltema kijken we bij de H. Bibians boek staat er al lang niet meer, maar van mijn boek hebben ze nog één exemplaar op voorraad. Ik ben een beetje teleurgesteld, maar volgens Lulu komt het omdat ze er al heel veel verkocht hebben.

dinsdag 18 februari 2014

De complete weduwnaar

‘Het voelt vreemd genoeg ook een beetje alsof ik een kans heb gekregen. De kans om een totaal ander leven te beginnen. Mezelf opnieuw uit te vinden, nieuwe kleren te dragen, opnieuw een beginner te zijn, een amateur.’

Klaas ten Holt woont met Bibian Harmsen en hun drie kinderen in Amsterdam. Samen treden ze op met hun band Emma Peel en zijn ze ‘simpelweg’ gelukkig. Tot Bibian te horen krijgt dat ze ongeneeslijk ziek is. In een roes beleven ze de intense maanden die volgen, waarin Bibian een boek schrijft, Paniekspinnen, en ze samen liedjes schrijven en cd’s opnemen.
Op 25 juli 2012 sterft Bibian thuis, in het bijzijn van Klaas en de kinderen. Moegestreden.
Na de begrafenis, wanneer Klaas met zijn kinderen voor een tijdje naar België vertrekt, is er pas ruimte om na te denken over hoe nu verder, als weduwnaar en als vader van drie opgroeiende kinderen van zeven, elf en twaalf. Klaas begint over zijn nieuwe leven te bloggen en wordt door vele lezers in het hart gesloten.
De complete weduwnaar is het tragikomische verslag van het eerste jaar zonder Bibian, waarin hij er alles aan doet om er met zijn kinderen iets moois van te maken. Tegelijkertijd beschrijft hij het gemis, dat telkens van kleur verandert, blikt hij terug op zijn eigen familiegeschiedenis, en is er ten slotte een nieuwe liefde.

Klaas ten Holt is componist, gitarist, en geeft les aan het conservatorium in Groningen. Hij schreef een veelgelezen column in Het Parool.

‘Dit boek raakt je diep.’
Jeroen Krabbé

donderdag 30 januari 2014

Fatoe

‘Kom snel kijken, Lulu,’ roept Swip vanuit z’n kamer.
    ‘Nee!’ roept Lulu, die net afscheid van een vriendinnetje aan het nemen is.
    ‘Papa, kom jij dan kijken?’ roept Swip op een toon die geen tegenspraak duldt.
    Ik loop zijn kamer binnen waar hij in het donker achter zijn computer zit. ‘Ik speel Grand Theft Auto IV, een super vette game die ik net heb gedownload,’ zegt hij enthousiast. Het is een beetje vormgegeven als de cover van de vijftigerjaren detectives die mijn ouders lazen. ‘Kijk papa, dat zijn hoeren,’ zegt Swip, ‘die heb ik allemaal doodgereden. Fatoe!’ Nu zie ik dat er langs het trottoir inderdaad een aantal schaars geklede dames badend in hun eigen bloed liggen.
    ‘Gatverdamme, Swip, wat is dat voor een belachelijk spel,’ zeg ik boos, ‘en dat laat je toch niet aan je zusje zien. Lulu is pas acht!’
    ‘Waarom niet?’ roept Swip verontwaardigd, ‘bij ons in de straat heb je toch ook van dat soort vrouwen?’
    ‘Pardon?’ reageer ik geschrokken. ‘Bij ons in de straat? Waar dan?’
    Hij wijst uit het raam in de richting van de Ruysdaelkade, waar inderdaad vrouwen achter de ramen zitten.
    ‘Zijn dat hele chique hoeren?’ wil Swip weten.
    ‘Hoezo? Wat bedoel je?’
    ‘Nou,’ zegt Swip, ‘op weg naar school fiets ik altijd over de walletjes, en daar zitten ook van die vrouwen, maar dat is het centrum. Dit is Amsterdam-Zuid.’
    Ik begrijp het nog steeds niet helemaal.
    ‘Hier wonen toch alleen rijke mensen, papa?’
    Ik kijk naar mijn zoon van twaalf met zijn eeuwige rood met witte baseball sweater, zijn zwarte Ray-Ban bril en gel in zijn kortgeknipte haar. Ik vind dat hij vreselijke spelletjes speelt, naar de grofste cartoons kijkt, een niet geheel leeftijdseigen belangstelling voor cartoons met grappen over hoeren, transseksuelen, pijpen, beffen en kontneuken heeft, maar er tegelijk ontzettend lief en aandoenlijk uitziet. Ik ben blij dat hij zo open is, en me vertelt wat hem zoal bezighoudt. Ik vermoed dat ik op zijn leeftijd minstens zo geïnteresseerd was in de wereld om mij heen, maar dat ik zelf heel wat minder open was naar mijn eigen ouders. Swip lijkt zich niet te schamen voor zijn gevoelens, en eigenlijk kan ik daar alleen maar jaloers op zijn.
    Ik denk dat het geen enkele zin heeft hem te verbieden Grand Theft Auto IV te spelen, of naar South Park te kijken, en ik denk ook niet dat het hem emotioneel zal beschadigen of afstompen. Daar is hij veel te slim, te lief en te grappig voor.
    ‘Wat wilde je me dan laten zien, Swip?’ vraagt Lulu.
    ‘O Niets.’



dinsdag 28 januari 2014

Mythes

Lulu wordt groot; langzaam komen er scheurtjes in haar geloof in de mythes en verhalen die ze altijd voor waar hield. Dat lijkt me goed en niet meer dan normaal, maar van sommige zou ik liever willen dat ze er nog wat langer aan vasthield. Ze zijn me te dierbaar, en inmiddels een deel van onze familiegeschiedenis geworden.
    Dat Lulu niet meer in Sinterklaas gelooft, vind ik bijvoorbeeld geen probleem. Het werd ook wel een beetje ongemakkelijk met twee oudere broers die voortdurend flauwe insinuerende grappen maken, hun schoenen niet meer willen zetten, en in plaats van loyaal met hun zusje Sinterklaasliedjes te zingen, alleen nog hilarische obscene rijmpjes brullen.
    De tandenfee heeft Lulu nooit serieus genomen, het kwam haar gewoon wel goed uit dat er, toen ze aan het wisselen was, ’s morgens wat kleingeld in de plaats van een bloederige, te vroeg losgetrokken tand of kies onder haar hoofdkussen lag.
    Een andere mythe is die van Konijn. Konijn is er al sinds Lulu’s geboorte, en is inmiddels een volwaardig lid van het gezin. Konijn kan praten, heeft een verjaardag, een leeftijd, een garderobe, en is zelfs aan stemmingen onderhevig - die overigens opvallend synchroon lopen met die van Lulu - en eet regelmatig mee aan tafel. Maar Lulu is een oplettend meisje, en het is haar niet ontgaan dat het Konijn met wie ze op baby,- en peuterfoto’s staat, een maatje kleiner is dan haar ‘huidige’ Konijn.
    De waarheid is dat ze Konijn als peuter een keer heeft laten vallen toen ze bij Bibian voorop de fiets in haar kinderzitje in slaap was gevallen. Bibian en ik hebben tevergeefs vele malen - in de stromende regen - dezelfde route gereden en de volgende dag briefjes met een foto van het vermiste Konijn in brievenbussen gestopt. Korte tijd later vond ik een vrijwel identiek exemplaar - alleen dus een maatje groter - in een kinderboetiek in de Van Baerlestraat. Als ik daar wel eens - voorzichtig - iets over zei, werd Lulu woedend en sprongen de tranen haar in de ogen, maar tegenwoordig vraagt ze er zelf wel eens naar.
    De laatste mythe, en wat mij betreft de mooiste, is het verhaal over hoe Bibian en ik elkaar leerden kennen.
    Bibian kon redelijk goed jongleren met drie en vier sinaasappels, kon op haar handen lopen, en praten als een buikspreker. Toen Lulu op een keer vroeg waar ze dat geleerd had, zei ze dat ze vroeger in het circus had gewerkt. ‘Ja,’ zei ik toen, ‘daar heb ik mama ook voor het eerst gezien. Ze was clown en acrobaat en ik werd meteen verliefd op haar. Ik wilde met haar trouwen, maar dat mocht niet van de circusdirecteur. Hij wilde haar wel aan me verkopen, maar vroeg veel meer dan ik kon betalen. Toen heb ik eerst zeven jaar borden moeten wassen in een restaurant om het bedrag bij elkaar te sparen, voordat mama en ik eindelijk konden trouwen.’
    Maar nu ben ik dus de enige in huis die het nog wil geloven.

 

zaterdag 4 januari 2014

Luizen

Omdat er op woensdagmorgen in Lulu’s klas geluisd wordt, ga ik elke dinsdagavond met haar onder de douche, gewapend met een fles shampoo, cremespoeling, een borstel, een luizenkam, een washandje dat Lulu voor haar ogen houdt zodat er geen shampoo inkomt, en een handdoek om tussen de sessies door haar gezicht af te drogen. Het is tegenwoordig minder een gevecht dan vroeger, ze ziet er nu zelf ook wel de noodzaak van in.
Ik heb een godsvermogen uitgegeven aan diverse merken luizenshampoo, van ingedikt rattengif tot mild verdovend, maar daarmee ben ik opgehouden. Had ik net de kinderen luizenvrij, zaten ze een week later toch weer onder, omdat een van de klasgenootjes niet behandeld was.
Volgens S. werkt glijmiddel van de condomerie ook heel goed, maar ik heb het nog niet uitgeprobeerd.
De eerste keer dat wij met het verschijnsel werden geconfronteerd, hebben we alle kleren, ook die netjes opgevouwen in de kast lagen, grondig gewassen, de tapijten gezogen en vervolgens met tapijtreiniger behandeld, de gordijnen naar de stomerij gebracht en alle knuffels – okay, op konijn na, die na lang onderhandelen, met een brilletje op meemocht in de wasmachine – in vuilniszakken geknoopt, die wij om de beurt een nacht in de vriezer legden. Toen er nog geen week later opnieuw luizen bij de kinderen werden geconstateerd, waren wij wanhopig: we konden dit toch niet elke week zo herhalen?
Ik kan me overigens niet herinneren ooit zelf luizen te hebben gehad op de lagere school; dat kwam gewoon niet voor. En als het al voor kwam, dan waren het altijd hele vieze kinderen uit armlastige kunstenaarsgezinnen waarvan iedereen ‘het toch al gedacht had’.
‘Doe je je oorbellen uit, Lulu?’
‘Ja, papa.’
Ik ben een keer pijnlijk met de kam in een van haar bellen blijven haken.
‘Mag ik zelf wassen?’
Dat mag, hoewel ik het heerlijk vind haar prachtige lange dikke haar te wassen. Lulu’s puberende broers willen het inmiddels echt niet meer.
Cremespoelen mag ik wel doen, maar daarna wil ze eerst zelf met de borstel de ergste klitten er uit halen. Als ze klaar is, mag ik met de luizenkam.
‘Heb ik luizen, papa?’
Lulu wil altijd precies weten hoeveel luizen ze heeft; het tellen is een belangrijk onderdeel van het ritueel.
Soms zijn het er een heleboel, soms helemaal geen, maar sinds we dit elke dinsdagavond doen, krijg ik nooit meer vernederende telefoontjes van de luizenmoeder dat er bij Lulu ‘lopende’ luizen zijn geconstateerd. Bovendien: hoe zouden die beesten zich anders moeten voortbewegen?
Soms hoor ik van Lulu dat ze ‘neetjes’ had (luizeeieren), maar meestal hoor ik niets, en zolang Lulu het nog toelaat, blijf ik haar trouw kammen.

zondag 29 december 2013

Moe

Ik ben zo oneindig moe dat ik alleen nog op de bank wil liggen. Swip ratelt maar door over een aflevering van South Park en over legaal en illegaal vuurwerk. Ik probeer naar hem te luisteren, maar het gaat gewoon niet. Ik neem de woorden niet op, kan me niet op zijn stemmetje concentreren. Ik knik af en toe van ja of mompel ‘aha’. Ik wil dat hij ophoudt, stil is, me met rust laat, maar dat zeg ik niet tegen hem.
    ‘Is er een toetje?’
    Altijd weer die vraag.
    ‘Nee, er is geen toetje.’
    De wijn is op en ik heb ontzettende zin om een paar flinke glazen wijn te drinken om mezelf een beetje te verdoven. Ik weet dat ik er zwaar voor gestraft zal worden, maar ik wil het. Ik voel me zo godskolereallejezus eenzaam en verdrietig. Ik weet niet eens meer of het zelfmedelijden is, of dat het komt omdat ik Bibian zo mis. Het zal wel een combinatie zijn.
    ‘Zal ik even een toetje gaan halen, jongens?’ zeg ik dus. Dan kan ik namelijk meteen voor mezelf een fles rosé scoren.
    ‘Tiramisu!’ juicht Lulu.
    ‘Neen je ook cola mee?’ vraagt Swip.
    Ik vind alles goed, als ik maar even weg kan. De deur uit, even alleen in de koude avondlucht. Niemand die tegen me praat.
    ‘Jullie hoeven niet af te wassen,’ zeg ik nog, ‘maar ik wil wel dat jullie de tafel afruimen.’
    ‘Okay.’ zegt Swip gelaten.
    Omdat iets in zijn toon me irriteert voeg ik er aan toe dat hij ook de vuilniszak beneden moet zetten.
    ‘Hoezo ik?’ zegt hij beledigd.
    ‘Omdat je broer er niet is en omdat Lulu nog te klein is.’
    ‘Lulu is helemaal niet te klein!’ zegt Swip boos.
    ‘Wel!’ zegt Lulu.
    ‘Het kan me niet schelen,’ zeg ik streng, ‘maar ik wil dat die zak beneden staat als ik terug kom. Denk erom hoor! Anders gaan we geen…’
    Ze kijken me afwachtend aan maar ik weet niets te verzinnen.
    Doe niet zo stom, vent, denk ik bij mezelf. Niet straffen: belonen.
    ‘Als jullie alles doen wat ik gevraagd heb, gaan we misschien straks nog iets leuks doen.’ zeg ik halfhartig.
    ‘Doolhofje?’ zegt Lulu.
    ‘Een film kijken?’ zegt Swip.
    Ik geef geen antwoord en trek de deur achter me dicht. Ik wil geen film kijken en ook geen spelletje doen. Ik wil dat ze naar bed gaan en er niet meer uit komen, en ik wil op de bank liggen met een glas rosé en nergens aan denken. Ik wil dat Bibian terugkomt.
    Als ik thuiskom hebben ze alles gedaan wat ik gevraagd had.
    ‘Gaan we nu doolhofje spelen?’ zegt Lulu. Het spel ligt al klaar op tafel.
    ‘Eén spelletje, jongens. Daarna moeten jullie meteen naar bed.’
    Ik worstel me door het spel, sus een ruzie die dreigt te ontstaan omdat Lulu slecht tegen haar verlies kan, laat ze hun tandjes poetsen en weet ze ook nog toe te dekken.
Daarna sleep ik me naar de bank. Nu wil ik helemaal niets meer.
    Die rosé komt wel een andere keer.