zaterdag 3 augustus 2019







Wessel te Gussinklo, De hoogstapelaar



Te Gussinklo is een bijzondere schrijver binnen de Nederlandse literatuur. Hij heeft een duidelijke eigen stijl, die hij consequent van begin tot eind volhoudt. Sommige schrijvers hebben zo’n eigen stem, schijnbaar zonder dat ze daar veel moeite voor hoeven te doen, die stem of stijl is er gewoon, is deel van hun artistieke persoonlijkheid, maar bij Te Gussinklo voel je dat hij er hard aan heeft gewerkt. Zijn stijl is niet natuurlijk, maar eerder bedacht. Zijn stijl is een keuze en overduidelijk geconstrueerd en bestudeerd. Wat mij betreft is daar niets mis mee.
    We bezien de wereld vanuit hoofdpersoon Ewout Meyster (zijn achternaam wordt pas helemaal aan het eind van het boek genoemd, maar waarschijnlijk als bekend verondersteld omdat De Hoogstapelaar als het derde deel uit een cyclus - die zo langzamerhand een Proustiaanse omvang begint aan te nemen - over hoofdpersoon Ewout kan worden gelezen) die zijn eigen handelen (en dat van anderen) voortdurend becommentarieert en bekritiseert en daarmee de lezer, of in elk geval een denkbeeldige toehoorder en ook zichzelf aanspreekt. Deze commentaren staan vaak tussen haakjes of zelfs dubbele haakjes en bestaan uit uitroepen van verbazing of verontwaardiging en onafgemaakte ‘veelzeggende’ opmerkingen. (Maar hij…? Niet! Nooit!) Te Gussinklo hanteert herhaling als een opvallend stijlmiddel, waarmee zijn schrijven wel iets van minimal heeft, een in de vroege jaren zestig in Amerika ontstane stroming van repetitieve muziek. Die herhaling zit vooral in het hoofd van Ewout, vermoedelijk om zijn manische kant te illustreren. Deze Amerikaanse invloed komt niet helemaal uit de lucht vallen, omdat Ewout Amerikaanse sigaretten rookt, coca cola drinkt die hij coke noemt, naar Jazz en Rock & Roll luistert en af en toe Amerikaans filmsterrenidioom gebruikt.
    We volgen Ewout enige tijd als hij zeventien jaar is, ergens aan het eind van de jaren vijftig in een niet bij naam genoemde stad, waar hij aan een gracht in het centrum bij zijn door hem gehate en geminachte moeder woont die een winkeltje drijft. Zijn vader is overleden. Ewout gaat niet naar school - hij is diverse malen wegens wangedrag van school gestuurd -, werkt niet en zit voornamelijk thuis waar hij zich oefent in krachtig en dwingend overkomen; hij wil een leider zijn, een belangrijk schrijver of filosoof worden. Zijn held is Sartre, die op dat moment in de mode is en die hij veel citeert ook al heeft hij hem eigenlijk nauwelijks gelezen. Hij spiegelt zich aan politici als Roosevelt, Churchill en Hitler, vraagt zich af wat die in bepaalde (vaak heel banale) situaties gedaan zouden hebben. Voor de spiegel oefent hij zich in hoe hij moet kijken, bewegen, roken, etc. Zijn grote frustratie is zijn weke uiterlijk en zijn krachteloze uitstraling die hij koste wat kost wil veranderen. Binnen zijn kleine groep van trouwe vrienden en - dat is voor Ewout essentieel - bewonderaars, neemt hij een leidersrol in. Ewout bepaalt wat ze gaan doen en adviseert en becommentarieert zijn vrienden voortdurend in hoe ze zich moeten kleden, hoe ze moeten staan, lopen, praten etc. Hij is daarin behoorlijk direct en schoolmeesterachtig. Sommige van zijn vrienden wordt dat teveel, zo ook Meindert, de vriend die hij het meest kleineert, gebruikt en belachelijk maakt. Toch is het juist Meindert die hem uiteindelijk ontzet wanneer hij in moeilijkheden raakt.
    Andere jongens noemt hij mietjes, homo’s en dit blijkt al snel een obsessie. Het wordt duidelijk dat het zelfs meer dan een obsessie is: Ewout worstelt met zijn eigen identiteit. Wanneer hij zeker weet dat hij onbespied is masturbeert hij gekleed in vrouwenkleren, waarvan hij zich vervolgens zo snel mogelijk ontdoet in doodsangst dat zijn moeder of de werkster hem zullen betrappen. Ondertussen lijdt Ewout aan gruwelijke depressies waarbij hij dagenlang binnen moet blijven en het daglicht niet kan verdragen.
    De hoogstapelaar (dat overigens bargoens is voor oplichter, zwendelaar, het woord zelf komt in het boek niet voor) biedt ons een intiem drama, het is kamermuziek, geen symfonie. Er is een scene in een jazzclub, een espressobar, Ewout ontvangt zijn vrienden bij hem thuis op zijn kamer, maar het gaat steeds en vooral om Ewouts manische kijk op de wereld. Op het eind valt hij ook voor zijn vrienden en bewonderaars van zijn voetstuk, wanneer hij in elkaar wordt geslagen door twee jongens die hij eerder in de jazzclub voor mietjes heeft uitgemaakt. Hij verdedigt zich niet; verlamd van angst ondergaat hij alle vernederingen lijdzaam en zonder verzet. ‘Het komt vanwege mijn depressie,’ verklaart hij zijn slappe optreden aan zijn vrienden, maar zijn geloofwaardigheid is hij nu definitief verloren.
    We leven mee met Ewout, maar sympathie kunnen we moeilijk voor hem opbrengen, daarvoor is hij te manisch, en ook te navelstaarderig. De hoogstapelaar doet hier en daar wel wat aan De Avonden denken, maar hoewel er zeker af en toe wat te lachen valt, is Reve grappiger en toch ook indringender, beklemmender.
    Het boek vergt wel enig doorzettingsvermogen, Te Gussinklo maakt het zichzelf en de lezer niet gemakkelijk, maar het is zeer zeker de moeite waard. Fijn dat er nog schrijvers zijn die het experiment aandurven en zich niet alleen om de buitenkant van de literatuur bekommeren. Een aanrader!

Klaas ten Holt 2019


 

woensdag 17 juli 2019

DEUS van Cornelis de Bondt

Ik luister naar DEUS van de sympathieke hystericus Cornelis de Bondt, een stuk voor vier grote orgels, twee vleugels en vijf wat kleinere toetsinstrumenten, en probeer mijn gedachten te ordenen. Wat vind ik hiervan? is de vraag die ik mij stel.
    Ik denk zo op het eerste gehoor dat er in de complete muziekgeschiedenis niet veel dramatischer muziek is gecomponeerd dan dit stuk, al heb ik natuurlijk niet alles gehoord. De orgels spelen een steeds herhaald ta ta taaa in een ‘alle registers uit’ registratie, een soort Beethoven’s vijfde tot in het absurde uitvergroot, met daar overheen een passacaglia van de piano’s in een laag register als mokerslagen. Naar het einde toe lijkt er hier en daar iets meer ruimte voor het orgel te komen tussen de mokerslagen door, maar van een echte ontwikkeling of een climax is geen sprake. Het is muziek die buiten de tijd lijkt te staan, zoals muziek van Messiaen dat ook kan doen; muziek die 'is' in plaats van muziek die 'wordt'. Het is alsof we even door een open raam mogen meeluisteren naar een eeuwig doorgaand concert. Zoals in het beroemde citaat van Bede ‘Like the swift flight of a sparrow through the mead-hall where you sit at supper in winter. The sparrow, flying in at one door and immediately out at another, whilst he is within, is safe from the wintry tempest, but after a short space of fair weather, he immediately vanishes out of your sight, passing from winter to winter again. So this life of man appears for a little while, but of what is to follow or what went before we know nothing at all.’
    Het is muziek die in zijn overweldigende kracht tegelijk wel degelijk balanceert op de rand van de kitsch. Wordt er hier nog wel iets aan de fantasie van de luisteraar overgelaten? Hier spreekt een schoolmeester, een dominee, dit is Kuifje en de geheimzinnige ster.
    Dit is muziek voor de jongste dag, hier wordt groot alarm geslagen; muziek die, als ze werkelijk een ondermijnende kracht zou bezitten zoals Plato dacht, en de massa’s zou kunnen mobiliseren, onmiddellijk verboden zou moeten worden. Dit gaat wat mij betreft veel verder dan De Staat van Louis Andriessen, dat deze ondermijnende kracht van muziek als onderwerp heeft.
DEUS is op een bepaalde manier ook wel een soort antimuziek: drammerig, vrijwel louter fortissimo, horkerig, lelijk, repetitief. Het is een woedend stuk, de verklanking van een woede.
Maar daarin is het zo ongelofelijk goed geslaagd, dat de tranen me er letterlijk van in de ogen springen. Ik krijg er kippenvel van, en niet ‘bij wijze van spreken’.
    Ik geloof niet dat ik een ander muzikaal voorbeeld ken van een componist die er zo waanzinnig goed in is geslaagd zijn woede tot uitdrukking te brengen. Dit gaat over alles wat er mis is met de muziek, de kunst, het door marktdenken en ondernemerschap kapotgemaakte bloeiende Nederlandse culturele klimaat, waar nu zelfs op de conservatoria - waar De Bondt na een lange staat van dienst als docent nu afscheid van gaat nemen - de studenten in worden geschoold: gij zult ondernemen, het gaat niet om de kwaliteit maar om de marktwaarde, gij zult uzelf ‘branden’, vermarkten. Muziek voor bij de vernietigende paringsdans van Rick van der Ploeg en Halbe Zijlstra. Dit is muziek zoals die - vermoed ik - zal klinken in de wereld van de
Demogorgons uit Stranger Things. Muziek uit de hel van Dante.
    Ik vind het werkelijk godallejezus mooi, Cornelis, louterende muziek. Je zou er eigenlijk voor onthoofd moeten worden, of anders met een standbeeld vereerd. Ik ga voor het laatste.
  

dinsdag 14 mei 2019




Rob van Essen - De goede zoon

Met De goede zoon won Rob van Essen De Libris Literatuurprijs 2019. Het boek speelt in een nabije toekomst waar het basisinkomen is ingevoerd, robots het werk doen en intelligente computers over ironie beschikken. Volgens de jury is De goede zoon in de eerste plaats een analyse van wat het betekent te leven in deze toekomstige tijd met een overdaad aan vrije tijd en luxe, met computers en robots, een analyse ook van het voorbijgaan van de tijd en het vasthouden ervan. Is dat zo?
    Een dystopie is het boek niet echt te noemen, omdat de wereld die we voorgeschoteld krijgen daarvoor te weinig is uitgewerkt. Er lijkt geen sprake te zijn van een totalitair regime en het leven lijkt beter noch slechter dan het onze. Er wordt wat gemopperd over overvolle musea en een teveel aan vrije tijd, en aan het slot is sprake van een eindeloze stoet pelgrims, maar waar die heen gaan en waarom, wordt behalve dan vanwege het teveel aan vrije tijd dat de pelgrimage mogelijk maakt, niet uitgelegd. De goede zoon lijkt ook geen waarschuwing te willen zijn zoals 1984, Brave New World of misschien Grand Hotel Europa dat wèl pretenderen te zijn.
    Een melige hotelrobot met een wasmachinedeurtje, aaibare zorgrobots en een zelfrijdende, sprekende auto met magnetron en zelfreinigende massagestoel met happy ending (gereformeerden moeten niet over seks willen schrijven, laat dat aan joden en katholieken) zijn weinig serieus te nemen en lijken eerder uit een Suske en Wiske of Kuifje voor volwassenen te komen. Van Essen realiseert zich dat en refereert er ook aan. Het stripachtige wordt nog versterkt door het voortdurend in kapitalen opvoeren van de geluiden van mechanisch verstelbare stoelen en rolstoelen: BZZT BZZZZZT BZT of de ruitenwisser van de zelfrijdende auto: Tik tik tik tik tik tik tik.

De naamloze hoofdpersoon is gelukkig noch ongelukkig en leeft zijn min of meer solitaire leven als matig succesvol schrijver van plotloze thrillers en soapscenario’s. De handeling wordt voortgestuwd door een geheimzinnige Dienst die zijn hulp inroept om voor een ex-criminele informant een nieuw verleden te verzinnen. Later blijkt deze Dienst hem de rest van zijn leven te blijven volgen en daarbij ook sturend in te grijpen, een beetje zoals in The Truman Show met Jim Carrey het geval is, om tenslotte dit verleden ook weer te willen wissen. De zin hiervan ligt ongetwijfeld in de paralel met het falende geheugen van de dementerende moeder van de hoofdpersoon.
    Bij de Dienst werken zijn oud collega’s van een baantje bij Het Archief, Lennox en Guido. Ook de informant, De meester, ook wel Bonzo genoemd, die als crimineel aan een soort Heineken ontvoering leiding gaf en later zijn medeontvoerders verlinkte en er met de buit - diamanten! - vandoor ging, werkte in dat Archief.
    Het boek bestaat voor de helft uit een aantal half uitgewerkte stripachtige of filmische plots en anekdoten, zoals die over de ‘Heineken’ ontvoering en de verdwenen diamanten (die later mogelijk in de met diamanten bezette schedel van Damien Hirst For the Love of God terecht zijn gekomen), het nogal ongeloofwaardige en kinderachtige verhaal van het uitzicht vanaf het Archiefgebouw op een studentenflat met zich voor het raam aan- en uitkledende studentes en de onuitgewerkte relatie met de psychiater Colenbrander, en voor de andere helft uit meer persoonlijke herinneringen, zoals aan een romantische jeugdliefde met de Engelse Emmy waarop weemoedig wordt teruggeblikt, weinig opzienbarende reflecties op ouder worden (je voelt je van binnen nog altijd dertig), aan het streng gereformeerde milieu waar de hoofdpersoon in opgroeide en vooral aan zijn moeder en haar aftakeling en dood.
    Het maakt van het geheel een nogal hybride, gekunstelde mix van een persoonlijk en fel realistisch in memoriam met een weinig overtuigende Sci-Fi roadmovie. Het lijkt een beetje of Van Essen een en ander aan elkaar heeft willen knopen door de hoofdpersoon het verhaal over zijn moeder aan een futuristische batmobiel te laten vertellen en de verzorgingsflat op te pimpen met zorgrobo’s. Omgekeerd zal hij zich hebben gerealiseerd dat hij er met de melige Sci-Fi-plotjes alleen niet uitkwam. Het lijkt wel of Van Essen het persoonlijke, intieme of emotionele schuwt (niet vreemd overigens, gezien zijn gereformeerde opvoeding) en er daarom alles aan doet het ontroerende - en overigens zeer goed geschreven en vertelde - verhaal over zijn dementerende moeder in te bedden in een soort ontnuchterende en relativerende stripachtige context.  
    Jammer is dat de zin van deze mix uiteindelijk niet helder wordt. Er ontbreekt een dwingende visie, zowel op de dystopische of niet dystopische toekomst als op de hier en daar aangestipte sombere toekomst van de literatuur. Het ter discussie stellen van het plot is al eerder op veel prikkelender en overtuigender wijze gedaan door Tonnus Oosterhoff in Op de rok van het Universum. Wat bij mij blijft hangen is het fraaie moederthema, nogal vertroebeld door een hoop ornamentele flauwekul eromheen. Opvallend, hoewel niet uniek is dat Van Essen geen aanhalingstekens gebruikt bij dialogen, wat een soort metastandpunt lijkt te suggereren, wat dan wel weer goed past bij het Truman Show element van het verhaal.
    Het mooist en ook werkelijk ontroerend zijn wat mij betreft de aan de intelligente en als side-kick figurerende batmobiel vertelde herinneringen aan de dementerende moeder in het verzorgingstehuis. Deze episode staat echter nogal los van de rest van het boek.
    Fraai omslag van Nanja Toebak!

Klaas ten Holt


      

zondag 17 maart 2019

Girls of the golden west




Zo was ik vanmiddag met mijn lief naar Girls of the golden west, de nieuwe opera van John Adams in de regie van Peter Sellars. Adams was ooit een uurtje te gast in de compositieklas van het Sweelinck conservatorium in Amsterdam. Ik herinner me zijn bruine leren colbert, en hoe hij op de grond tegen de muur zat, losjes vertellend over zijn carrière die in zijn eigen woorden van toeval en geluk aan elkaar hing. Aardige man, sympathieke gast.
Nixon in China heb ik niet gezien, maar ken ik wel van de cd. The death of Klinghoffer ook. Het was toen nieuw en spectaculair om zulke actuele thema’s te gebruiken voor een opera. Tegelijk riskant, want mogelijk snel gedateerd. Het zou mij dan ook verbazen als deze opera’s nu gereanimeerd zouden worden, kan me daar weinig bij voorstellen. Van Doctor Atomic, die ik in de Stopera zag kan ik me niet heel veel herinneren, behalve dat ik er weinig aan vond.
Ik moet zeggen dat ik moeite heb met minimal of repetitieve muziek als idioom voor verhalend muziektheater. Het herhalende in de muziek werkt de dramatische voortgang tegen, al is het natuurlijk voor een componist wel zo gemakkelijk om lengte te maken.
Maar goed, nu dan Girls of the golden west.

Ik begreep de noodzaak van het thema van te voren al niet helemaal, het is niet dat Sellars en Adams ons als klokkenluiders komen vertellen dat er in het California van de goudkoorts veel wetteloosheid en flagrant racisme was, dat vrouwen straffeloos werden misbruikt en verkracht, zwarten en latino’s uitgebuit en naar believen gelyncht. De opera is gebaseerd op een briefwisseling uit de 19e eeuw die er een soort historische legitimiteit aan zou moeten verlenen, maar die tegelijk nergens tot drama leidt. Het levert een warrig en brokkelig libretto op met bordkartonnen personages voor wie ik nergens empathie kon voelen of zelfs maar belangstelling.
Een en ander speelde zich af in een werkelijk spuuglelijk decor met hangende boomelementen die soms ook een huis moesten verbeelden en een afgezaagde multifunctionele boomstam die me deed denken aan de plastic Schleichdieren waar mijn kinderen vroeger mee speelden.
De muziek van Adams was - op een paar incidenten na - onbezield en futloos en hing aan elkaar van operacliches; ik heb werkelijk geen noot gehoord die ik niet al eerder elders had gehoord. Adams putte veel uit eigen werk en verrassend veel uit dat van Stravinsky. Verder een hoop 2e hands West side story, maar dan zonder de ijzersterke melodieën. Er werd veel gedanst op het podium, maar swingend werd het nooit. Er was een gitaar in het orkest en ook een accordeon, maar die hadden er net zo goed niet kunnen zijn. Ik vond het al met al zeer matig georkestreerd, op een paar rake momenten na; ik vermoed dat het een haastklus was, geen enkele sturm und drang. Veel lange strijkorkestpassages met weinig kleurwisseling en krachteloos staccato koper, een te luide koebel en hier en daar uit het niets opduikende quasi atonale klarinetsolo’s. Aan het fantastisch spelende orkest en de ijzersterke solisten en het mannenkoor heeft het trouwens niet gelegen.
Na afloop - god wat duurde het lang - was er vanzelfsprekend stormachtig applaus. Peter Sellars (volgens het programmaboekje bekend van zijn transformatieve interpretaties, waarom moet ik daar toch zo om lachen?) met zijn van Johnny Rotten geleende kapsel en artistieke blouse werd uitbundig gefêteerd door het hoogbejaarde publiek. Bravo! klonk het dapper. Ik vermoed dat als er in plaats van deze opera een bingoavond was georganiseerd, de meesten het niet hadden gemerkt en net zo tevreden thuis waren gekomen.
Gelukkig ben ik vorige week naar het magistrale Fin de partie van Kurtág geweest (eveneens in de Stopera) en weet ik dat er ook nog mooie dingen worden gemaakt, en dat er dus nog altijd hoop is.           

zondag 21 oktober 2018





Montyn, Dirk Ayelt Kooiman

In een opwelling na het bericht van de dood van Dirk Ayelt Kooiman las ik Montyn dat al sinds 1995 in mijn boekenkast naast Een Romance staat. Ik las het halverwege de jaren zeventig, maar behalve de titel, het omslag en de foto van de hevig loensende auteur, kon ik me er niets meer van herinneren.
Montyn was een meesterwerk, er werd mee gedweept toen het uitkwam. Mijn toenmalige vriendin B., die in café Schiller werkte dat door de ‘echte’ Montijn werd gefrequenteerd was idolaat van zowel het boek als de titelheld. Ik vermoed dat dit een rol speelde bij mijn aanvankelijke weigering het boek te lezen. Maar goed, Kooiman is dood en dat leek me een mooie aanleiding Montyn maar eens uit de kast te trekken.
   
‘Er viel een stilte. Ik nam een slok, liet de Whisky over mijn tong spoelen, tuurde naar het silhouet van de heuvels aan de overkant.’, begint het verhaal. Oké, geen fraaie stijl, stoeremannenproza, kitsch en cliché, maar daar zal een schrijver van het kaliber van Kooiman wel zijn redenen voor hebben. Kooiman was oprichter van De Revisor, literair tijdschrift van grote pretentie waar ik in de jaren zeventig op geabonneerd was. (ik herinner me vooral de geïllustreerde poëzie van Vroman en de nogal vage strip Het bruidspaar van de Eiffeltoren)
    We openen in Thailand, de ‘ik’ heeft een ontmoeting met een soortgenoot, type Hemingway/Haddock, ruwe bolster blanke pit, te veel van de wereld en de mensheid gezien, de eeuwige ‘misfit’, rusteloos, beschadigd, alcoholisch gedisponeerd. ‘Hij heette Ted, onnodig te zeggen dat hij een Amerikaan was,’ schrijft Kooiman. Deze Ted heeft een bruinverbrande schedel omkranst door bruin, gemillimeterd haar. Er wordt hier een sfeertje geschept, zoveel is duidelijk. Beetje Lowry meets Conrad meets Slauerhoff, maar dan in lelijk proza. Slecht geredigeerd ook: ‘sommigen van hen leiden een onopvallend bestaan’, staat er op pagina 10, en zes regels verder: ‘sommigen van leiden een onopvallend of zelfs achtenswaardig bestaan.’ Dat wisten we dus al.
    Montyn beleeft een hoop spannende avonturen, daar kom ik nog op terug, maar ligt tussendoor ook in hoog wuivend gras, bezaaid met pinksterbloemen, waarbij hij knippert tegen het zonlicht, de lucht doorzichtig blauw is en er stralende witte wolken voorbijzweven en het riet naast de sloot ritselt in de voorjaarswind. Je raadt het al: er kwaken ook nog kikkers en er gonzen bijen. Zou het soms de eerste dag van de lente zijn? Jazeker!
    Fraai is ook de beschrijving van een mislukte zelfmoordpoging: met wild kloppend hart legt de hoofdpersoon zijn gloeiende voorhoofd op het koele, gepolijste loopvlak van de rail. 'Twee koplampen komen naderbij, met honderdtwintig kilometer per uur…’ Jongen toch! Knap gevonden ook, het contrast tussen dat gloeiende voorhoofd en die koele rail.
    Montyn biedt een opeenvolging van avonturen met als pikant detail dat de hoofdpersoon fout is in de oorlog en in Duitse krijgsdienst treedt. Dat geeft helemaal niets, want hij deed dat alleen maar om het ouderlijk huis en het verstikkende gereformeerde milieu waarin hij opgroeide te ontvluchten. Van politiek wist hij niets - pas veel later legt men hem het verschil uit tussen socialisme en nationaal-socialisme - en van de concentratiekampen wist hij ook niets - wir haben es nicht gewusst, laat hij niet na de lezer vele malen te verzekeren. Het boek verscheen bovendien in de tijd dat het in Nederland bon ton begon te worden wat genuanceerder (gemakkelijker) te denken over ‘goed en fout’ in de oorlog.
    Het stuk over Montyns ervaringen in de Duitse krijgsdienst is wat mij betreft het beste en het interessantste. Wanneer de oorlog is afgelopen gaat het boek helaas gewoon verder met nieuwe ongelofelijke avonturen en wordt het een opsomming van meer van hetzelfde. Dat is overigens vaak het probleem van biografieën: de schrijver kan of wil geen keuze maken en vertelt iemands complete leven, ook waar het nauwelijks nog boeiend of relevant is. Ik denk dat Montyn enorm aan kracht had kunnen winnen als Kooiman zich tot de tweede wereldoorlog had beperkt en er in was geslaagd zich als schrijver boven zijn onderwerp te plaatsen. Kooiman stelt geen kritische vragen, geeft de lezer nergens het gevoel dat hij ‘er iets van vindt’, of dat de lezer er iets van zou moeten vinden. Hij deelt alleen - op de achterflap - mee dat het hier faction betreft, een uit Amerika overgewaaid genre waarin werkelijke gebeurtenissen literair verklankt worden. Hierbij moeten we denken aan Truman Capote. Helaas heeft Montyn nergens de literaire kwaliteit, de vaart en de beklemming van In cold blood, dat de lezer vertwijfeld achterlaat met de vraag ‘waarom?’, een beetje zoals A Short Film About Killing uit de Dekalog van Kieślowski.
    Hoofdpersoon Montyn is een karikatuur, zo plat als een stripfiguur en komt nergens tot leven. Zijn ouders en de rest van zijn familie worden niet uitgewerkt, van zijn maten in het Duitse leger komen we nauwelijks meer te weten dan hun voornamen, vriendinnetjes komen en gaan maar voegen niets toe.
    Waarom dan toch dit boek? En waarom was het zo succesvol? Zou dat komen omdat Kooiman zich inmiddels een reputatie had verworven als literair zwaargewicht en omdat het onderwerp ook nog eens in de mode en tegelijk lekker controversieel was? Dat werd in elk geval breed uitgemeten in de geslaagde marketingcampagne van uitgever De Harmonie destijds.
    Kooiman zegt zich te baseren op vraaggesprekken met Jan Montijn (zijn echte naam) en op historische feiten. Dat kan ik niet anders lezen dan als een verklaring dat Montijn de waarheid vertelt, dat alles wat hij zegt te hebben meegemaakt ook werkelijk zo gebeurd is. En dat is niet zo. Ik kan het natuurlijk niet bewijzen, maar ik weet heel zeker dat Montijn (of Kooiman) een fantast en een leugenaar is. Iedere kritische lezer zal dit met mij eens moeten zijn: het is gewoon te ongeloofwaardig allemaal.
    Neem het verhaal van de aanslag op een goederentrein met de mysterieuze Monika en Montyns vriend Hein. Alsof een verzetsvrouw zich in oorlogstijd in een klein dorpje als de adelijke eigenares van een leegstaande villa zou kunnen voordoen zonder dat het daar ter plekke iemand opvalt. Na de aanslag verdwijnt Monika, sterft Hein en komt niemand op het idee Montyn eens te ondervragen. Dat gebeurt overigens met alle getuigen van Montyns avonturen: ze sneuvelen, terwijl hijzelf steeds weer op wonderbaarlijke wijze overleeft.
    Onze held wordt uit een getorpedeerde boot gered, arriveert precies op het goede moment in Dresden om daar vanaf de eerste rang het volledige bombardement van de stad mee te maken, helpt dan natuurlijk puinruimen en naar overlevenden graven. Kooiman schrijft: ‘Ik wist het, godverdomme, ik wist het, godverdomme, godverdomme’, stamelde bootsman Heyne. En hij nam iets in zijn armen. Iets dat heel klein was en bewoog. Iets dat huilde.’ Überkitsch.
    Weer later stort onze held meters van de rotsen, reist hij onopgemerkt door de Duitse bezetter als deserteur door Nederland, ontsnapt hij uit het vreemdelingenlegioen, rijdt hij bij herhaling met zijn Harley Davidson tegen bomen, slaat hij met hoge snelheid met een auto over de kop, overleeft hij in Vietnam een napalmbombardement in een ondergrondse tunnel, trekt hij alleen door het oerwoud met de Pathet Lao, een Laotiaanse verzetsbeweging, pikt hij en passant nog even wat moordpartijen mee in Griekenland ten tijde van de strijd tussen de partizanen en de soldaten van het fascistische kolonelsregime.
    En dat alles whiskey drinkend en leuke meiden en jongens verschalkend; want onze Jan leeft het volledige leven. In Azië komt hij uiteindelijk in aanraking met het Boeddhisme en krijgt zijn romantische en getormenteerde ziel wat rust. Je kon er op wachten.
   
Tegenwoordig prijst uitgeverij De Harmonie Montyn op haar website aan als jongensboek: Genres 12 - 15 jaar, Kinderboeken. Een Romance blijkt bij herlezing topzwaar van pretentie, niet minder lachwekkend, gekunsteld en gedateerd als het kapsel van Robert Smith.     
   

maandag 23 juli 2018



Winter in Amerika, Rob van Essen

In Winter in Amerika moet Katja Ouwehand, redacteur bij de kleine grachtengordel uitgeverij Vreugdenhil erop toezien dat de hoogbejaarde, gevierde schrijver Benjamin Winter - een van de grote vier van de vaderlandse letteren, ook wel het blonde biseksuele beest van de Nederlandse literatuur genoemd - zijn langverwachte autobiografie voltooit die de noodlijdende uitgeverij van de ondergang moet redden. Katja, door Winter plagerig ‘mijn strenge redacteur Catootje’ genoemd, zoekt hem op in zijn schrijfhutje in het oosten van het land, in het fictieve dorp Hankerveen, waar ze hem ontredderd en vervuild aantreft. Ze regelt hulp en zorg via de plaatselijke huisarts Janssen ‘met dubbel s’, die haar motieven wantrouwt (commercieel gewin bij een voltooide autobiografie), maar zelf ook niet wars van publiciteit lijkt.
    Het verhaal begint en eindigt fraai rondgecomponeerd met de afscheidsrede die Katja uitspreekt bij Winters begrafenis. We beleven de gebeurtenissen vanuit haar perspectief, in de ik-vorm verteld, maar wel - op de eerste en laatste alinea's na - in de verleden tijd, wat enige afstand creëert.
   
Naast Winter maken we kennis met Melchior, een oude studiegenoot filosofie van Katja en één van de leden van een reeds lang uit elkaar gevallen vriendengroep, waarvan ook Katja’s ex-man Jan-Maarten deel uitmaakte. Om onduidelijke redenen gaat ze Melchior opzoeken in het eveneens fictieve stadje Rijshorst, op weg terug naar Amsterdam na een bezoek aan Winter. Daar is ze in een soort boerenschuur getuige van een seance waarbij Melchiors Amerikaanse vriendin Megan tijdens schijngevechten de aanwezigen tijdelijk verdooft met een vreemde stoot of kneep aan de hals. Deze worden vervolgens door andere deelnemers naar een bank gedragen waar ze na enige tijd gelouterd bijkomen uit hun roes of trip, na tot essentiele inzichten te zijn gekomen, die zich na elk nieuw consult nog heten te verdiepen.
    Een knappe jonge Chinese vrouw (Lindy-2 genoemd) die in het locale Chinese restaurant werkt en die als twee druppels water op een jeugdvriendin van Katja lijkt, (knipoog naar Dorbeck/Osewoudt van W. F. Hermans?) is hierbij ook aanwezig. Bij een tweede seance, waaraan Katja nu ook zelf deelneemt, en waarbij aan haar eveneens een diepe waarheid wordt onthult, volgt Lindy-2 haar naar het station van de trein terug naar Amsterdam. Ze zwaait haar uit vanaf het perron, tot een ontmoeting komt het niet.
    Het voor Katja verwarrende revolutionaire inzicht is dat dingen ‘tegelijk waar en niet waar’ kunnen zijn, en dat dit voor de verlichte geest te bevatten en zelfs acceptabel is. In een wat halfslachtige poging dit aannemelijk te maken wordt gerefereerd aan de kwantummechanica en de kat van Schrödinger (knipoog naar de pseudo-wetenschap in het werk van Mulisch?) die immers tegelijk leeft en dood is.
   
Na Katja’s spirituele loutering wordt het verhaal geleidelijk surrealistischer. Haar ambitieuze stagiaire Irmgard lijkt plotseling haar gedachten te kunnen lezen, de oude vriendengroep komt terug in haar leven en een van hen blijkt zelf een eveneens louterende ervaring te hebben gehad in de vorm van een droom van ultieme liefde waarin Katja figureerde. Na deze emotionele bekentenis druipt hij af en verdwijnt uit het verhaal.
   
Winter sterft zonder zijn autobiografie te voltooien, maar Katja redt de uitgeverij door een contract te tekenen met de flamboyante acteur Bertold Koning - die dokter Davidoff speelt in de door Katja als guilty pleasure bekeken televisieserie over de gelijknamige plattelandsdokter, toevallig ook nog opgenomen in Hankerveen - voor diens memoires.
    Over Winter vernemen we dat hij witte manen heeft, sprekend lijkt op Rutger Hauer, dat hij bi-seksueel is, zich miskend voelt door de andere drie van de grote vier, dat hij het zowel met Reve als met Wolkers heeft gedaan en dat hij mogelijk heeft verzonnen dat hij in Amerika heeft gewoond. De titels van zijn romans klinken eerder als parodieën of pastiches (knipogen naar titels van Reve) dan als echte titels: De verliezers, Circusleven, Ook in Friesland is veel leed, De troost van morgen, De schuld van gisteren, Herfst in Japan, Het jaar zonder paarden, Dunne lijntjes. ‘Titels waren nooit Winters sterkste kant geweest, lezen we ergens. Maar tot leven komt hij niet, de Winter uit de titel. We moeten het doen met de verzekering dat hij een kleurrijke en markante figuur moet zijn (geweest).        
En dat geldt eigenlijk voor alle personen die Van Essens roman bevolken, waardoor we uiteindelijk achterblijven met de niet ingeloste suggestie of belofte van een verhaal. Ze lijken allen uitsluitend te bestaan om Katja in beweging te laten komen, en om de lezer de verwachting van méér te geven: de lesbische stagiaire Irmgard die avances lijkt te maken, Melchior met zijn vreemde Amerikaanse vriendin en zijn anachronistische behuizing, De knappe Chinese Lindy-2, Katja’s onsympathieke uitgever Egbert, haar ex-man en de psychiater Doodeheever die ze na jaren opnieuw bezoekt vanwege haar verwarrende ervaring met Melchior en Megan, ze worden geen van alle uitgewerkt of verder aangekleed, waardoor de vraag zich aandient of ze misschien alleen in de fantasie van Katja bestaan. Maar ook daar biedt de tekst geen aanleiding toe.
    Rest de vraag waar de roman dan wél over gaat. Is Winter in Amerika eigenlijk een filosofisch discours over het bestaansrecht van de roman, waarin de dingen immers ook tegelijk waar en niet waar kunnen zijn, verpakt in een behoorlijk goed geschreven, bij vlagen geestig, surrealistisch verhaal? Ik vermoed dit laatste, maar dat is dan meteen ook het zwakke punt. Het tegelijk wel en niet waar kunnen zijn van de dingen wordt, hoewel interessant als axioma, op zichzelf niet urgent en overtuigend genoeg uitgewerkt om tenminste een gevoel van intellectuele bevrediging te kunnen geven. Het verwart Katja, maar gelukkig krabbelt ze net op tijd overeind om met een commerciële meesterzet haar uitgeverij te redden. Het zou het plot van een van de (nu eens niet verzonnen) Irmgard Smits romans kunnen zijn die Katja als meisje verslond: Irmgards grote kleine wereld.
    En datzelfde geldt voor al Van Essens romanpersonages: ze komen nergens echt overtuigend uit de verf. Dat Winter een van de grote vier was, is grappig bedacht en past in het idee van een alternatieve realiteit. Het blijft helaas bij een leuk, maar vrijblijvend idee. En dat is jammer, want daardoor beklijft het boek uiteindelijk ook niet.

woensdag 18 juli 2018



Michael Chabon, Telegraph Avenue.

Telegraph Avenue is het vijfde boek dat ik van van de Amerikaanse schrijver Michael Chabon las. Mijn eerste kennismaking met Chabon was The Yiddish Policemen's Union, een bizarre detective over een alternatieve realiteit waarin de staat Israël kort na de oprichting wordt vernietigd en de joden een veilig thuisland wordt geboden in Alaska. Het is een surrealistisch verhaal waar het schrijfplezier van afspat; hier is een ambitieuze schrijver met een eigen stem aan het woord, jong maar klaarblijkelijk al zeer belezen, die als een literaire Tarantino zijn enthousiasme voor Raymond Chandler en Peter Cheney met ons wil delen, hierbij het stijlcitaat niet schuwend, maar die tegelijk duidelijk grote literaire ambities heeft die hij tot op zekere hoogte ook waarmaakt.
    Heren van de weg, dat ik daarna las, is een grappige picaresque over zelfbewuste en strijdbare joden in de tiende eeuw tegen de achtergrond van het mythische joodse koninkrijk Khazar. Een beetje over de top karikaturaal, redelijk onderhoudend maar uiteindelijk ook oppervlakkig en niet beklijvend.
    Aan het Handboek man wil ik niet veel woorden vuil maken. Een kei-geestig salontafelboek, het ideale kerstcadeau voor de aanstaande vader.
    The Amazing Adventures of Kavalier & Clay (Pulitzer prijs 2001) is een wervelende en overrompelende roman over twee joodse jongens die het maken in New York in de wereld van de comics tegen de achtergrond van de tweede wereldoorlog. De roman is zo’n suikertaart van briljante plotwendingen en intriges, verwijzingen naar historische gebeurtenissen en personen, leuke weetjes over striphelden en persoonlijke dramatische gebeurtenissen, dat je je wel een ontzettende zuurpruim moet voelen als je na lezing de vraag durft te stellen: waar ging dit boek in godsnaam over?
    En dat is misschien ook wel de kern van het probleem dat ik heb met het werk van Michael Chabon. Hij is een fantastische schrijver, althans, hij weet je, als je niet goed oplet, zo geraffineerd af te leiden met zijn cavalcades van buitenissige beeldspraak, maffe details, eindeloze slimmigheden en verwijzingen dat je dat bijna zou gaan geloven. Bij Telegraph Avenue werd me dit voor het eerst zonneklaar.
    Telegraph Avenue speelt in North Oakland en Berkeley, California en vertelt het verhaal van een sympathieke kleine platenzaak voor vintage vinyl, Brokeland records geheten, die al twaalf jaar wordt gerund door de zwarte Archy Stallings en de joodse Nat Jaffe. De winkel dreigt van de kaart te worden geveegd door de komst van een megastore. Ondertussen hebben hun beider partners Gwen Shanks en Aviva Roth-Jaffe een kraamkliniek die in aanvaring komt met een racistische gynaecoloog van een groot ziekenhuis. De spanning wordt nog opgevoerd wanneer de hoogzwangere Gwen ontdekt dat Archy haar bedriegt.
    Dan zijn er verwikkelingen rond Luther Stallings, een aan lager wal geraakte voormalige Blaxploitation filmster en tevens Archy’s vader met wie hij niets meer te maken wil hebben, maar die een politicus/begrafenisondernemer blijkt te chanteren, die weer gelieerd is aan de eigenaar van de megastore, met wie hij in een grijs verleden in een smerig zaakje was verwikkeld.
    Ook is er nog Julius, de homoseksuele puberzoon van Nat en Aviva die verliefd is op Titus, die - je gelooft het niet - een zoon van Archy blijkt te zijn.
    Het verhaal heeft een ogenschijnlijk zeer filmisch plot - het lijkt wel geschreven met een mogelijke verfilming in het achterhoofd - complex, maar goed doordacht met verassende wendingen en een slimme balans tussen dramatische- en feelgood momenten. Er zijn buitenissige gebeurtenissen zoals het doorsnijden van het anker van de zeppelin van de eigenaar van de megastore, de dood van organist Cochise Jones die onder zijn eigen Hammond B3 orgel wordt verpletterd en er is een hoofdstuk over de papegaai van Cochise Jones dat uit één lange zin bestaat en een centrale plaats in het boek inneemt.
    Het boek wordt bevolkt door karakters die wel uit een column uit de bijlage van een willekeurige krant lijken te komen (herkenbaar, geestig geportretteerd, geen enkele diepgang) en de lezer wordt op elke pagina overstelpt met leuke weetjes uit de wereld van het vintage vinyl en vroege funk en orgeljazz, Blaxploitation vechtfilms, junkfood, Hammond orgels en Leslie-kabinetten. In het universum van Chabon spelen surrealisme en toeval een vanzelfsprekende rol; niets is immers gek genoeg. Hierin is Chabon duidelijk schatplichtig aan zijn grote en zeer succesvolle voorganger John Irving. (Garp, The Hotel New Hampshire)
    In Telegraph Avenue lijkt Chabon ieder gevoel voor proportie uit het oog verloren te hebben, het is één mateloze zwelgpartij van grappige invallen, zijlijnen, details, couleur locale en topzwaar proza met zinnen als: De woonkamer was ingericht met als middelpunt de tv, zo’n ouderwets beeldbuisapparaat waarvan het door de zon vervaagde scherm slag leverde met het kleurenpalet van The Fresh Prince of Bel-Air, of: De zachte stem, bedachtzaam, een bibliothecaresse van pijn die met haar vinger door een oneindige kaartenbak van brandende intensiteit bladerde. Geen idee waar Chabon hier op doelt.
    De eindeloze über-literaire zin in het middelste hoofdstuk van het boek over de vlucht van de papegaai van Jones was ongetwijfeld bedoeld als proeve van meesterschap à la Proust en Joyce, maar slaat hier als kut op Dirk en laat de lezer (mij) ontgoocheld achter.
   
Ik weet eigenlijk niet waarom ik me hierover opwind en überhaupt de moeite neem dit stukje te schrijven. Misschien omdat ik méér had verwacht van Chabon, die ik aanvankelijk als veelbelovend zag, en omdat ik denk dat Telegraph Avenue in handen van een integerder schrijver, zonder verborgen agenda (lucratieve boekverfilming) en met meer zelfkritiek en een betere redacteur, alles in zich had om een behoorlijk goede roman te worden.
    Aan de positieve kant van de balans staan Chabon’s duidelijke enthousiasme voor zijn onderwerp, zijn werklust en zijn vindingrijke verbeelding. Ik hou zelf ook van vroege funk en orgeljazz, en zag in de zeventiger jaren als tiener menig Blaxploitation film (ik loog aan de kassa overtuigend over mijn leeftijd). Aan de borreltafel of in het café mag ik, net als veel van mijn leeftijdsgenoten (voila: de doelgroep van Telegraph Avenue), graag met mijn kennis van obscure b-kantjes van singletjes uit de vroege jaren zestig mijn ongelofelijke eruditie etaleren, maar een borreltafelmonoloog is natuurlijk niet hetzelfde als een roman van enige literaire pretentie. Ik vrees dat ik het dan ook wat Chabon betreft voorlopig bij Telegraph Avenue laat.

Klaas ten Holt




(Ik las
Telegraph Avenue in de uitstekende vertaling van Gerda Baardman, Tjadine Stheeman en Wim Scherpenisse.)