zondag 26 april 2015

Waterballon

We fietsen in het Amsterdamse bos, hoewel het druilerig weer is, zijn we er toch maar op uit gegaan. S. wilde niet mee.
    ‘Vind je het erg, papa?’
    ‘Nee hoor.’ Het is vakantie, hij heeft een vriendje op bezoek. Ik kan me best voorstellen dat hij liever thuis blijft.

    'Ik hoef me toch geen zorgen te maken?'
    ‘Nee, papa, we gaan alleen wat dingen uitzoeken om op Koningsdag te verkopen.’
    Wanneer we langs de bosbaan fietsen, gaat mijn telefoon: een onbekend nummer. ‘Ja hallo, met Folkert. Woon u in de …straat?’
    Daar woon ik inderdaad. ‘Met wie spreek ik?’
    ‘Uw zoon heeft van drie hoog uit het raam
een waterballon op mijn auto gegooid en nu zit er een barst in de voorruit.’
    S. gooit wel vaker waterballonnen en rauwe eieren uit het raam. Ik heb het hem al heel vaak verboden, maar kennelijk niet overtuigend genoeg.
    ‘Wat ontzettend vervelend,’ zeg ik. ‘Maar hoe komt u aan mijn nummer?’
    ‘Van de mevrouw op de begane grond. Ik heb ook al aangifte gedaan. Hoe gaan we dit oplossen?’
    ‘Als uw verhaal klopt, neem ik natuurlijk de verantwoordelijkheid,’ zeg ik. ‘Kunt u mij misschien later terugbellen?’ Het begint zachtjes te regenen.
    Ik bel naar huis. S. bevestigt het verhaal. Volgens hem was het niet hij, maar zijn vriend die  het had gedaan. Ik hoop en bid dat het waar is. We fietsen terug naar huis, opnieuw gaat mijn telefoon, ditmaal is het de politie.
    ‘Bent u meneer ten Holt?’
    ‘Dat ben ik. U belt zeker vanwege die waterballon?’
    ‘Inderdaad meneer. We zijn nu in uw huis. Maar maakt u zich geen zorgen, uw zoon heeft het niet gedaan, het was zijn vriend. Slim jongetje trouwens, die zoon van u. Hij had al op het internet opgezocht of zoiets strafbaar is.’
    Ik ben blij dat S. het niet gedaan heeft, maar voel me toch verantwoordelijk. ‘Ik hoop dat u hem wel streng heeft toegesproken?’ zegt ik tegen de agent.
    ‘Ach meneer, ik ben zelf ook jong geweest. Dat heb ik natuurlijk niet tegen uw zoon gezegd, maar ik moest eerlijk gezegd heel erg om hem lachen.’
    Ik bedank de agent, maar ik weet niet of ik hier nou blij mee moet zijn. Als we thuis komen is de politie alweer vertrokken. Folkert zit bij ons voor de deur in zijn auto met gebarsten voorruit, en S. en zijn vriend komen naar buiten om hem hun excuses maken.
    ‘Het was gewoon kattenkwaad,’ verklaart S.’ vriend beteuterd. ‘Mijn moeder zal de schade wel vergoeden.’
    Folkert is de kwaadste niet. Hij zal geen aangifte doen en het zo voordelig mogelijk laten repareren, maar het zal toch wel vierhonderdvijftig euro gaan kosten.
    S. en zijn vriend moeten morgen maar extra hun best doen met de Koningsdag verkoop.
   
       
     
   

zaterdag 25 april 2015

Euthyfron

   Niet zo hard.
Sorry.
   Je moet het lief doen.
Beter zo?
   Vooral m’n linkerschouder.
Doet het daar pijn?
   Doe maar ietsje harder.
Je huid voelt zo lekker zacht.
   Dat komt door al die crèmetjes.

Toch niet alleen?
   Au.
Te hard?
   Die spier voelt heel naar.
Hier?
   Au. Ja, daar.
Zo lekker?
   Au. Ja, beter.
Ook de andere kant?
   Doe maar liever m’n rug.
Lig je wel lekker?
   Ja.
Het voelt ontspannen.
   Je kietelt een beetje.
Zo niet meer?
   Hm. Moet ik m’n haar opzij doen?
Nee hoor. Wat is het lang geworden.
   Ik moet het laten knippen.
Waarom? Ik vind het juist mooi.
   Het is droog. Vol dooie punten.
Doe niet zo raar.
   Ik haat mijn haar.
Het is prachtig.
   Het is net touw, en ik word grijs ook.
Staat je juist goed.
   Ik ga het verven.
Je bent gek. Het is toch geen schande om ouder te worden.
   Ik zie er niet uit.
Ik vind het chique, die grijze haartjes.
   Ik wil nog niet grijs worden.
Mij maakt het niet uit.
   Dat is mijn kont.
Niet lekker?
   Jawel… maar…
Ik zal er niet met mijn vinger ingaan.
   Echt niet doen hoor.
Je hebt heerlijke billen.
   Veel te dik.
Ik geef niets om billen waar niets aan zit.
   Dat zeg je altijd.
Ik hou van jouw billen.
   Vind je me dan niet dik geworden?
Welnee.
   Ik kan geen broek meer aan.
Dat zeg je altijd.
   Het is echt waar.
Nou goed, maar je bent ook geen twintig meer.
   Dus je vindt me wél dik geworden.
Dat zeg ik toch niet.
   Nee, maar ik zie er kennelijk niet meer als twintig uit.
Zou je dat willen dan?
   Zeg dan gewoon dat je me te dik vindt.
Maar dat vind ik helemaal niet.
   Echt niet?
Doe je benen eens iets uit elkaar…
   Ik ben niet zo in de stemming.
Waarom niet?
   Weet ik niet.
Je hebt nooit meer zin de laatste tijd.
   Wat een onzin, gisteren nog.
Ja maar toen had je eigenlijk ook geen zin.
   Eerst niet nee.
Ik moet altijd het initiatief nemen.
   Dat is een leugen.
Jij zal nooit eens…
   Nooit eens wat?
Nou, beginnen.
   Dat is niet waar.
Of dat je me zomaar geil gaat zoenen.
   Er is duidelijk iets mis met je geheugen.
Mijn langetermijngeheugen misschien.
   Wat een rotopmerking.
Of dat je gewoon aan me zit.
   Ik weet echt niet wat jij hebt vanavond.
Als jij zo weinig laat merken…
   Wát laat merken?
Dat je me wil.
   Wat een onzin.
Ik voel me afgewezen.
   Stel je niet zo aan.
Nee echt.
   Afgewezen.
Ja.
   Omdat ik niet genoeg aan je zit.
Ja.
   Ik vind dat je je aanstelt.
Ik zit anders wél altijd aan jou.
   We hoeven toch niet in alles hetzelfde te zijn.
Nee, maar…
   Bovendien vind ik het niet altijd even prettig wanneer jij aan me zit.
O nee?
   Nee.
Kom je nu mee.
   Je begint er zelf over.
Dus je vindt het niet prettig als ik aan je zit.
   Dat heb ik niet gezegd.
Leuk om te horen.
   Au.
Sorry.

vrijdag 24 april 2015

Klimaat

Er is veel geklaagd over de bezuinigingen op de subsidies voor de kunsten, maar het heeft weinig uitgehaald. Kunstenaars kunnen nu eenmaal geen vuist maken, niet met stakingen dreigen. Van oprecht gevoelde solidariteit is binnen de beroepsgroep ook al weinig sprake, daarvoor is de groep te klein, te individualistisch en te versnipperd.
    Het subsidieklimaat is bij ons een aantal jaren relatief gunstig geweest, maar het is nog maar de vraag of dat ook betere kunst heeft opgeleverd. Als ik me beperk tot het componeren, vrees ik dat de vorige eeuw uiteindelijk niet meer dan twee spraakmakende stukken heeft opgeleverd die met een beetje geluk de tand des tijds zullen doorstaan: Canto Ostinato van Simeon ten Holt, en De Staat van Louis Andriessen. Dat is dan de oogst van een bloeiend muziekleven met belangrijke festivals voor nieuwe muziek, gespecialiseerde orkesten, een internationaal vermaarde ensemblecultuur, een gesubsidieerde staatsuitgeverij, twee elkaar te vuur en te zwaard bevechtende beroepsverenigingen, jaarlijkse prijsuitreikingen en een aantal elkaar beconcurrerende conservatoria voor de nieuwe aanwas.
    Als je op straat een willekeurige voorbijganger vraagt om tien Nederlandse componisten te noemen, desnoods van de afgelopen vijfhonderd jaar, zullen de meesten niet ver komen.
    Toen ik in de jaren tachtig met enige regelmaat in de voormalige Sovjet Unie speelde, kreeg ik van de middelbare scholieren en studenten die onze concerten bezochten, elpees, cd’s en in een enkel geval zelfs partituren van mij toen nog volkomen onbekende Russische componisten als Alfred Schnittke, Sofia Goebaidoelina, Edison Denisov en natuurlijk Schostakovitch, naast elpees van populaire cultbands als Aquarium en anderen.
    Ik denk niet dat er bij ons geen vergelijkbare kwaliteit bestaat of mogelijk zou zijn, maar ik weet wel heel zeker dat moderne muziek niet leeft, niet hip is, en dat onze componisten weinig of niet tot de verbeelding spreken bij de gewone man, jongelui, studenten en scholieren.
    Dat vind ik jammer. Ik denk namelijk dat het dáár begint, en dat we daar iets aan zouden moeten doen. Niet door de muziek aan te passen aan de vermeende smaak van een jong publiek of aan de grootste gemene deler, maar door op de een of andere manier duidelijk te maken dat nieuwe muziek wel degelijk leuk is en de moeite waard. Dat zullen we zelf moeten doen, dat is geen taak voor de overheid en haar uitvoerende apparaat van welwillende, of minder welwillende ambtenaren.
    Toen mijn liedcyclus ‘Quote… unquote’ door het Nieuw Ensemble in première werd gebracht in de kleine zaal van het Amsterdamse concertgebouw vond ik dat behoorlijk cool. Hoewel het stuk goed ontvangen werd, baarde het mij toch zorgen dat de gemiddelde leeftijd in de zaal rond de zeventig jaar lag; abonnementspubliek, neem ik aan. Na afloop strompelde er een dame met blauw geverfd haar op mij af. ‘Erg mooi hoor, meneer Ten Holt! U bent zeker familie ván?’ Ze
trakteerde me op een vette knipoog. ‘Hè wat?’ vroeg haar echtgenoot die met een hand op zijn stok leunde en de andere achter zijn oorschelp hield gevouwen. ‘Hij is familie ván!’ knikte zijn vrouw hem veelbetekenend toe. Daar moet je het dan mee doen.
    Vooralsnog geloof ik dat ik me meer opwind over het hoge eigen risico bij de zorgverzekering.

donderdag 23 april 2015

Terug

Ik kijk niet graag terug, liever vooruit. Als je mij vraagt of ik gelukkig ben, zeg ik altijd ja, wat moet je anders zeggen? Ik had lieve ouders, weinig materiële zorgen, werd gestimuleerd toch vooral mijn hart te volgen en iets te gaan doen wat ik leuk vond, had geluk in de liefde. Ik ben er altijd van overtuigd geweest dat mijn leven maakbaar was, dat ik het zou kunnen beïnvloeden, dat ik een stem had in de regie over mijn bestaan.
    Vandaag zag ik bij toeval twee filmpjes op youtube van het bandje waarin ik ooit speelde. Een optreden op de Uitmarkt in Amsterdam in negentienzesentachtig, en een optreden in Moskou in negentienzevenentachtig. Ik probeerde mezelf te herkennen in die nerveuze magere jongeman met dat messcherpe gezicht op het podium. Ik luisterde naar muziek die ik in geen jaren meer had gehoord en probeerde me er een oordeel over te vormen. Redelijk gedateerd, zou ik zeggen, maar wel goed gedaan. Behoorlijk goede saxofoonsolo van V.
    Ik geloof niet dat ik terugverlang naar enig moment uit mijn vroegere leven, nou ja, ik zou Bibian graag terug willen, maar dan niet om met haar opnieuw het verleden te beleven. Wij leefden ook altijd vooruit, maakten plannen, probeerden verandering te bewerkstelligen.
    Om dezelfde reden kijk in ook niet graag in fotoalbums. Ik zie mezelf als jongetje en krijg een steek in mijn hart. Niet omdat ik er zo ongelukkig uitzie, maar meer omdat ik het kind op de foto iets beters gun dan de wereld die de mijne is. Ik geloof niet dat ik, als ik de keuze had, het allemaal nog een keer zou willen doen. Die ene keer was wel genoeg, dank u wel.
    Het lijkt mij verreweg het beste om in het nu te leven, met het verleden als een almaar uitdijende bron van kennis en inspiratie, en me over de toekomst niet al te veel zorgen te maken. Van Lao Tse tot Montaigne, iedereen die er verstand van heeft, zal het bevestigen.
    Het lukte me een tijdje wonderwel toen Bibian ziek werd tot en met het eerste jaar na haar dood. Ik wist een fractie langzamer te leven, me volledig met mezelf te synchroniseren, maar nu leef ik al weer als een soort toeschouwer van mijn eigen leven, gehaast, opgejaagd, eeuwig ongerust. Er is iets gesplitst, verschoven, de tijd is me een ondeelbaar moment vooruit, een ongrijpbare nanoseconde: en precies dáárin zit ik gevangen, dat is het nu.

woensdag 22 april 2015

Sandwich

S. komt vroeg thuis uit school en brengt twee vrienden mee. ‘We gaan sandwiches maken, papa’.
    ‘Als jullie alles maar opruimen, jongens’. Het is uit met de rust in huis.
    ‘We hebben kipfilet, bacon, ijssla, tomaat, een tube Zaanse mayonaise en wit Casino brood, papa.’ Op het net heeft S. een recept gevonden. Ik vraag maar niet waar ze het van betaald hebben.
    Hoewel ik me zorgen maak om de rotzooi, vind ik het ook wel leuk. Ik vertel ze de ontstaansgeschiedenis van de sandwich en leg ze uit wat ze moeten doen.
    ‘Bitches like sandwiches,’ verklaart de grootste van de drie.
    Het gesprek gaat over kamperen. Drie pubers, ze bieden tegen elkaar op over sterke drank, blowen, chicks en shisha sigaretten, maar hun zomers brengen ze het liefste spelend door in het zwembad van de camping waar ze ook onwijs lekkere hamburgers verkopen.
    ‘Kunnen jullie mijn zoon niet een beetje helpen zodat hij niet blijft zitten dit jaar?’ vraag ik zijn vrienden.
    ‘Dat heeft geen zin, meneer,’ zegt de grootste van de drie. ‘Hij luistert tóch niet, hij zal het echt zelf moeten doen.’
    ‘Vind je het niet jammer, S.? Dan ben je straks al je vrienden weer kwijt.’ S. haalt zijn schouders op. ‘Denk je dat de kip zo goed is, papa?’
    Het is niet dat het hem niet uitmaakt, hij kan er gewoon niets mee. Het einde van het jaar valt totaal buiten zijn voorstellingsvermogen. Hij maakt zich druk om de sportdag van morgen waar hij niet onderuit lijkt te kunnen, maar zittenblijven, dat is nog zó ver weg.
    Wat zou het toch zijn met S.? Zijn vriendjes zijn net zulke stomme pubers als hij, maar doen om de een of andere reden wél af en toe hun huiswerk. Ligt het aan mij? Zit ik er niet genoeg achterheen, moet ik strenger zijn, hem weer onder druk gaan zetten, met straffen dreigen? Wist ik het maar.
    S. is volgens mij de slimste van allemaal, hij is alleen in alles net wat extremer. Als hij blijft zitten, dan niet met een halve punt te weinig, maar meteen ook met elf onvoldoendes. En dat terwijl hij het makkelijk kan.
    Dat het met S. allemaal goedkomt, daar twijfel ik niet aan. Hij is veel te slim, lief en leuk en levenslustig om zichzelf naar de klote te helpen. Bovendien zorgt hij, als het er op aankomt uitstekend voor zichzelf. Ik hoop alleen dat de weg daarnaartoe niet al te hobbelig zal zijn, en dat we elkaar niet ergens bij een onvermoede afslag uit het oog zullen verliezen.
    ‘Geef mij ook maar een stukje sandwich,’ roep ik vanaf de bank. ‘Ruikt goed, jongens!’ 
   

dinsdag 21 april 2015

Ouderlijk huis

Ik fiets met S. door de Heinzestraat, we stoppen voor het huis waar ik geboren ben. Ik wijs hem mijn kamer, die aan de voorkant lag, en de kleine keuken. De huidige bewoner, een alleenstaande vrouw met haar dochter, komt naar buiten.
    ‘Deze bouwstijl heet Amsterdamse School,’ zegt ze trots.
    ‘Ik weet het,’ zeg ik. ‘Ik heb hier een-en-twintig jaar gewoond.’
    ‘Dan weet ik wie u bent.’ Ze vraagt of we misschien binnen willen komen.
    ‘Ja graag!’ zegt S. voor ik beleefd kan weigeren. Ik had mezelf beloofd er nooit meer één voet te zullen zetten na die laatste nacht dat de bovenbuurvrouw, die ook de huiseigenares was, haar etage in de fik had gestoken.
    We staan in het smalle marmeren halletje waar de olieman vroeger de blikken petroleum voor in de oliekachel neerzette. Hij liet zichzelf binnen met het touwtje dat bij ons altijd uit de brievenbus hing.
    ‘Kom alsjeblieft verder.’ De keuken, de gang met de trap naar de eerste etage, de woonkamer, de donkere tuin: het is allemaal nog kleiner dan in mijn herinnering. Ik wil hier niet zijn, mijn opa is hier gestorven aan de gevolgen van een val in de badkamer, mijn oma kreeg hier alzheimer, mijn moeder kanker, mijn vader kanker. De bovenbuurvrouw werd er psychotisch. Ik hou niet van Amsterdamse School: lage plafonds, kleine ramen, weinig zon.
    ‘Dit is echt mijn droomhuis,’ zegt de nieuwe bewoner.
Ik weet niet wat ik moet zeggen en glimlach dus maar zo’n beetje.
     Ze toont ons de andere kamers en de serre die ze als atelier gebruikt. Er staan een aantal zelfgeschilderde, vrijwel identieke donkere doeken tegen de wand en op een ezel.
    ‘Ik ben hier zó gelukkig.’
    We gaan de trap op, ik weet het nog precies: mijn vaders werkkamer, mijn latere kamer, het balkon en de badkamer zonder ramen. Ik vind het allemaal even naargeestig en wil er het liefst zo snel mogelijk weer weg. Mijn vader kon het ooit kopen voor tweehonderdduizend gulden, dat had hij gemakkelijk kunnen doen met zijn voor die tijd vorstelijke lerarensalaris; hij deed het echter niet, kopen was niet zijn cultuur, dat vond hij iets voor VVD-ers. Het huis is inmiddels exponentieel in waarde gestegen, het moet de huidige bewoner een vermogen hebben gekost. Toch ben ik blij dat hij het niet gedaan heeft, ik heb nooit spijt gehad van mijn impulsieve beslissing, die onheilsnacht, lang geleden.
    Ik werp nog een snelle blik in de keuken waar vroeger fraaie bruynzeelkastjes hingen die nu vervangen zijn door iets moderns, en wens haar het allerbeste. We zijn altijd welkom als we in de buurt zijn.
    Een ding weet ik heel zeker: dit is niet mijn huis. 

maandag 20 april 2015

Droom

Ik droomde dat er een groot Thunderbirds-achtig ruimteschip boven de stad verscheen, ik was met S. en mijn kinderen, het zag er niet goed uit, het schip was zo groot dat het de zon verduisterde. Dit is het, wist ik instinctief, nu is het afgelopen met ons luxe leventje. Onderaan het schip verscheen een lichtgevende cirkel met daarin, in grote schreefloze kapitalen, de letters IS. Het leek mij het beste de stad zo snel mogelijk te verlaten, maar er stonden wachters bij de deur, jonge zongebruinde jongens met blonde baarden en snorren, die ons gebaarden weer naar binnen te gaan. Ze keken niet eens onvriendelijk, eerder verontschuldigend, het was nou eenmaal zo: wij moesten sterven, niets aan te doen. Grote schijnwerpers draaiden in het rond onderaan het schip. Met een soort rode laserstraal werd het gebied gemarkeerd dat getroffen zou worden. Ik keek naar S. en naar mijn kinderen. We gingen maar zo’n beetje tegen elkaar aanliggen, de dood is immers horizontaal. Voor L. vond ik het het ergste.
    “We moeten het gevaar van IS niet overschatten”, kopte de Volkskrant-online een paar dagen geleden. Ik vraag het me af. Toen in Duitsland de Nazi’s aan de macht kwamen, zeiden ook veel mensen die het weten konden precies dát. De Nazi’s hadden een vergelijkbaar abstracte ideologie, een - zeker voor die tijd - ongekend professionele propaganda machine die briljant gebruik maakte van de nieuwe media, een even pakkend en afschrikwekkend logo, wisten net als de IS met slimme praatjes en valse beloften duizenden arme sloebers in een door oorlog verwoest land voor hun karretje te spannen, droomden van een duizendjarig rijk en vonden dat het doel alle middelen heiligde.
    Het is dezelfde uit armoede en vernedering geboren droom van wereldleiderschap die Hitler, Napoleon, en nu Abu Bakr al-Baghdadi verenigt, door de laatste nog een stapje verder gebracht omdat het rijk dat hem voor ogen staat, het wereldkalifaat, meteen ook het einde der tijden inluidt. We moeten eerst nog even allemaal dood, en dan wordt een kleine groep uitverkorenen beloond met eeuwige zaligheid: einde verhaal.
    Ik denk niet dat de droom van Al-Baghdadi in vervulling zal gaan, maar als we hem niet serieus nemen zullen er nog vele duizenden anonieme burgers, onschuldige mannen, vrouwen en kinderen, ver weg van hier ellendig aan hun eind komen. Terwijl onze regeringsleiders zich zorgen maken over de crisis, de euro, en de grenzen willen sluiten voor het op drift geraakte wrakhout van een conflict dat zogenaamd het onze niet is, is even verderop de derde wereldoorlog al in volle gang.