zondag 1 maart 2015

Avond

Ik lig op de bank aan mijn roman in wording te werken. V. komt erbij zitten en even later verschijnt ook S. Omdat ze allebei een koptelefoon ophebben is ‘gezellig’ niet helemaal het juiste woord. Mijn eerste reactie is om ze weg te sturen, want ik ben immers aan het werk.
    ‘Waarom kom je hier zitten als je toch alleen maar op die stomme iPod van je zit?’ V. antwoordt niet.
    ‘Mogen we chips, papa?’ zegt S. luid. Hij heeft zijn koptelefoon nogal hard staan.
    Als ik ja zeg, weet ik zeker dat ik niet meer kan werken. Dan zit ik hier met twee chips etende pubers met koptelefoons op naar het scherm van mijn laptop te staren.
    ‘Waarom gaan jullie niet naar je eigen kamers?’
    ‘Wat?’ S. zet zijn koptelefoon af.
    ‘Het is goed,' zeg ik, 'neem maar chips.’
    ‘Waar is L. eigenlijk?’
    ‘Die is aan het filmen.’ L. heeft een rol in een nieuwe kinderserie en komt pas laat thuis. Het valt me mee dat het hem opvalt. Ik klap mijn laptop dicht en kijk naar mijn jongens met hun bakjes chips en hun apparaten. Elke keer verbaas ik me weer hoe verschillend twee broertjes kunnen zijn. Ze maken de vreselijkste ruzie, en vijf minuten later zitten ze gebroederlijk naast elkaar op de bank een spelletje te doen.
    Ik probeer te lezen maar kan me niet concentreren vanwege het gekraak van de chips.
    ‘Heb je nog nagedacht over wat je met je school gaat doen?’ vraag ik aan S. Als hij mij van mijn boek houdt, kan ik hem ook best van zijn game houden, lijkt me.
    ‘Moet dat nú, papa?’
    ‘Ik was gewoon benieuwd. Ga je nog proberen om over te gaan, of laat je het erbij zitten.’
    ‘Ik weet het niet… Overgaan, denk ik.’ Hij hoopt dat dit het goede antwoord is, zodat hij weer verder kan gamen.
    ‘Gast!’ roept V. enthousiast. ‘Moet je dit zien: echt chill.’ Ze kijken naar iets op het scherm van V.’s iPod.
    ‘Mag ik het ook zien?’
    ‘Hahaha, hahaha.’ Ze zitten samen te lachen. V. met korte stoten, omdat hij nog maar net de baard in de keel heeft, en S. nog gewoon voluit. Ik voel me buitengesloten.
    ‘Waar kijken jullie naar?’
    ‘O, The living dead, papa. Wil je het ook zien?’ Hij houdt het minischermpje voor mijn ogen; ik probeer te begrijpen wat ik zie: autowrakken en diverse afgekloven lijken.
    ‘Dit is echt zó chill,’ zegt V.
    Ze beginnen weer te lachen. ‘Geef mij ook maar een bakje chips,’ mompel ik.
   

zaterdag 28 februari 2015

Artis

Voor het eerst in jaren was ik weer eens in Artis, uitgenodigd door vriendin M., die ik al lang niet had gezien. Vroeger kwam ik er elke zaterdag omdat eerst V. en later S. op Artis Ateliers zaten. Terwijl V. met een groepje kinderen met vetkrijt de Helmkasuaris vereeuwigde, slenterde ik langs de hokken en de kooien met S. - die nog te klein was om mee te mogen doen - in de buggy. Al vrij snel deed ik elke keer dezelfde route: van de apenrots (wat een lelijk ding is dat toch) via de olifanten en langs de gieren over de brug naar het gezellige restaurant met de speeltuin.
    Ook toen al werd er permanent verbouwd, wat het geheel iets onbestemds gaf. Alsof de boodschap was: goed, OK, het ziet er vreselijk uit, maar we werken eraan; let maar eens op! Nog een paar jaar en dan… ja wat eigenlijk? Het blijft toch een beetje een treurige boel: al die dieren in hun te kleine hokken. Begonnen in de negentiende eeuw als statussymbool voor de gegoede burgerij die zich op vrije dagen kon komen vergapen aan zichzelf en de exotische dieren, is het gaandeweg verworden tot een verlengde van de Kalverstraat; veel niet-Amsterdammers die zich komen vergapen aan andere niet-Amsterdammers. In deze tijd van YouTube en Google en last minute reizen naar exotische bestemmingen zie ik de educatieve functie ervan eigenlijk ook niet meer zo.
    Behalve de leeuwen en de giraffen zijn er nog maar weinig spectaculaire bewoners. Veel hond, rat en zwijnachtigen uit Zuid-Amerika, waar ik niet zo veel mee heb, viel me op. Geen ijsberen, geen tijgers. In de dierentuin van Barcelona hadden ze vroeger een albino gorilla, een soort Yeti, kan ik mij herinneren. Ik moet er nog een briefkaart van bezitten.
    Ooit was ik als jongetje met mijn ouders in de Biblical Zoo van Jeruzalem. We stonden voor de kooi van een enorme en zeer sacherijnig kijkende gorilla. Zijn sacherijn was de attractie, iedereen stond te grinniken. Mijn vader wilde een foto maken. ‘Pas op, hij gaat spugen!’ riep iemand. Iedereen dook weg, behalve mijn vader, die het niet gehoord had omdat hij met zijn camera bezig was. De aap raakte hem vol op het glas van zijn zonnebril. Wij een beetje besmuikt lachen.
    Ook gisteren eindigden we met z’n allen in het restaurant over de brug achter een grote zak frites.
    ‘Wat vond je het leukste?’ vraag ik L. op de terugweg.
    ‘De glijbaan, papa.’
   
   
   

vrijdag 27 februari 2015

Loser

L. is bij een vriendinnetje blijven slapen, ze belt om te vragen hoe laat ik haar zal komen halen. ‘We zijn naar het strand geweest en we hebben geshopt, papa.’ Ik luister maar half omdat ik met vriendin S. in cafe de Pels zit.
    ‘We hebben echt waanzinnig geshopt,’ herhaalt L. ‘De nepvader van R. heeft alles betaald.’
    ‘Stiefvader bedoel je,’ zeg ik omdat ik het niet laten kan, ‘en ik kom je om vijf uur halen, OK?’
    ‘OK doei.’ L. hangt op.
    ‘Ze is wezen shoppen,’ zeg ik bezorgd tegen S. Ik vraag me ondertussen af wat ze bedoelt, ze heeft helemaal geen geld bij zich. Geld is de laatste tijd een beetje een thema geworden, althans het gebrek eraan. Ik red het, maar het houdt allemaal niet over.
    ‘Ik merk dat ik me er voor schaam,’ zeg ik tegen S. die net twee cappuccino heeft besteld.
    ‘Wat bedoel je?’
    ‘Voor die armoede. Ik weet wel dat het onzin is, maar ik zie het toch als een soort persoonlijk falen. Je zou je eigen gezin toch moeten kunnen onderhouden?’
    ‘Wat een onzin,’ meent S. ‘Je bent componist en je schrijft. Iedereen snapt dat je daar nu eenmaal niets mee verdient. En je houdt in je eentje een heel gezin draaiend.’
    Ik knik gerustgesteld.
    ‘En vroeger met Bibian was het toch net zo? Meestal hadden jullie niets, dan kwam er plotseling een boel geld binnen en maakten jullie het allemaal op en dan hadden jullie weer niets.’
    Dat is waar. Als je het zo formuleert, klinkt het haast gezellig. Alleen was Bibian er toen nog bij. Het is ook niet voor mezelf dat ik me er zorgen om maak, het is meer voor de kinderen: die hebben er totaal geen begrip voor.
    ‘Dan ga je toch gewoon wat meer werken, papa?’ suggereert V. regelmatig.
    ‘Je wilt toch zeker geen loser zijn?’ vult S. hem aan.
    Om vijf uur ga ik L. halen die er stralend uitziet.
    ‘Wil je weten wat ik heb gekocht?’
    ‘Nou?’
    ‘Dit rokje, deze blouse, die haarband, dit slijmspul - er druipt een soort groene drol uit een potje in haar hand - en ook nog…’
    De nepvader knikt me bemoedigend toe. ‘De dames weten precies wat ze willen!’ glimlacht hij.
    ‘Maar… dat is toch… hoeveel ik zal ik je daarvoor?’
    ‘Welnee, dat is helemaal niet nodig. Het was supergezellig!’
    ‘En we hebben ook nog in een restaurant gegeten!’ roept L.
    ‘R. is bij ons ook altijd welkom hoor!’ verzeker ik de nepvader halfhartig. Ik heb opeens haast.
    ‘Tot maandag!’ roepen de meisjes.
    ‘Doei!’ We fietsen naar huis door de regen.
   
   

donderdag 26 februari 2015

Trouwdag

Vandaag is het mijn trouwdag; nog altijd draag ik mijn ring en voel ik mij getrouwd. Ik weet het niet zeker, maar ik vermoed dat ik hem nooit meer af zal doen. En mocht het ooit opnieuw zover komen, dan zijn mijn vingers lang genoeg voor een tweede ring ernaast.
    Als ik straks mijn rek- en strekoefeningen heb gedaan - ik ben door mijn rug gegaan - en wat heb gegeten, denk ik dat ik even naar St. Barbara ga. L. is uit logeren, en de jongens hoef ik daar niet voor wakker te maken. Bovendien is het míjn trouwdag, niet die van hún.
    Ik heb net zestig euro overgemaakt voor ‘de jaarlijkse behandeling van alle monumenten met een biologisch algenbestrijdingsmiddel, het bladvrijmaken van graven en paden, het knippen van de hagen, onkruidbestrijding, het begaanbaar maken van de paden bij sneeuwval, periodiek herstel van grind- en tegelpaden en de verzorging van entree en toiletten’. Ik kom er regelmatig, en hoewel het er altijd hetzelfde uitziet, en ik er nog nooit een plasje heb gedaan - L. wél, maar die doet het vanwege haar lichte claustrofobie altijd buiten - geeft het mij een prettig gevoel dat ik een bijdrage mag leveren. Ik zie het ook meer als een soort algemeen onderhoud aan de herinnering aan Bibian.
    Elke keer dat ik er met L. kom, nemen we ons voor nu eindelijk eens ‘iets’ te planten. Op aanraden van een vriendin hebben we ooit een aantal grote potten lavendel bij de Praxis gehaald en netjes ingegraven, maar die waren bij ons volgende bezoek al weer hopeloos verlept. Het schijnt dat Buxus zeer geschikt is, maar ik geloof dat ik dat eigenlijk heel lelijk vind.
    Misschien dat L. daar ideeën over heeft, zij gaat tegenwoordig naar schooltuintjes, en doet fanatiek mee aan de moestuintjesaktie van de Albert Heijn.
    In een doosje op de schoorsteen bewaar ik een zilveren ring die mijn vader ooit heeft laten maken met aan de buitenkant een tekst in runenschrift. ‘Dat is voorbijgegaan, dus dit zal ook wel weer voorbijgaan’ staat er in het oud Engels, een hobby van hem. Hij vond het zelf een optimistische spreuk, maar ik krijg er een ongemakkelijk gevoel bij. Ik heb die ring een aantal jaar gedragen - hij paste me uitstekend - maar hem uiteindelijk toch maar weer afgedaan. Voorlopig hou ik het bij die ene ring, die overigens ook van mijn vader was.

woensdag 25 februari 2015

Chillen

Omdat het vakantie is en we niet weg gaan, zitten we dicht op elkaars lip. Ik word daar onrustig van en probeer de jongens te motiveren om - buitenshuis! - met vriendjes af te spreken.
    ‘Heb je E. nou al gebeld?’ vraag ik V. die vandaag voor zijn doen vroeg is opgestaan.
    ‘Hij reageert niet, papa.’
    ‘Hoe bedoel je “hij reageert niet”, heb je gebeld of niet?’
    ‘Ik heb hem gewhatsappt.’
    ‘Waarom bel je hem niet gewoon?’
    V. kijkt mij minachtend aan. ‘Als hij niet op mijn whatsappjes reageert, neemt hij toch ook de telefoon niet op?’
    ‘Probeer het dan op de vaste lijn.’
    ‘Daar heb ik het nummer niet van, papa.’
    ‘Bel anders L. Misschien kan die wel vandaag.’
    ‘Maar ik heb E. al gewhatsappt.’
    ‘Ja, nou en?’
    ‘Wat doe ik dan als E. tóch nog reageert?’
    ‘Dan zeg je dat je naar L. bent gegaan. Of je zegt dat… weet ik veel wat je zegt!’
    ‘Ik wacht liever nog even of E. reageert.’
    ‘Ik wil dat je nú L. belt.’
    ‘Ok, ik zal hem whatsappen.’
    ‘Nee, godverdomme, ik wil dat je hem belt.’
    ‘Wat maakt dat nou uit, papa?’
    ‘Omdat je dan meteen een antwoord hebt! Dan weet ik of je een afspraak hebt of niet! Dan weet ik dat ik nu alleen S. nog de deur uit moet zien te krijgen omdat L. al uit logeren gaat, en ik dus misschien voor het eerst in god-weet-hoelang een avondje helemaal voor mezelf heb. (Dit laatste zeg ik niet hardop) Bel! Nu!’
    ‘Maar als L. niet op whatsapp reageert, zal hij heus ook niet opnemen.’
    ‘Hoe weet je dat? Bel hem nou gewoon!’
    ‘Ok papa.’ V. belt L. met de vaste telefoon. Hij krijgt het antwoordapparaat.
    ‘Ik heb maar niet ingesproken, papa.’
    ‘Nee, stel je voor!’ V. kijkt mij niet begrijpend aan.
    Wat is dat toch met die kinderen? Ze bellen elkaar niet meer, ik belde vroeger eindeloos met mijn vrienden. Zou dat komen omdat ze sowieso niet meer met elkaar praten omdat ze alleen nog maar zitten te gamen? “Yo bro, kun je chillen?” Ik weet precies hoe V. zijn whatsappjes formuleert. Het maakt me woedend.
    V. kan er ook niets aan doen. Hij is nu puber, en bedient zich van de communicatiemiddelen van zijn generatie, die niet beter of slechter zijn dan die van de mijne.
    ‘Hey papa, L. whatsappte me net dat ik vrijdag bij hem kan komen chillen.’
    ‘Vrijdag,’ zeg ik somber.
    ‘Vrijdag, ja.’
    ‘En ga je nog naar E. vandaag?’
    ‘Dat weet ik niet, papa. Hij heeft nog niet gereageerd.’
     

dinsdag 24 februari 2015

De oudste

L. is de hele dag op de filmset en S. houdt bij een vriendje een Star Wars marathon. Dat lijkt mij een mooie gelegenheid om met V. ergens een pizza te gaan eten, ik heb het gevoel dat ik hem structureel verwaarloos.
    Waar S. schaamteloos het huis vult met zijn dominante aanwezigheid en L. met haar geraffineerde charme, dringt V. zich nooit op; hij brengt veel tijd door op zijn kamer. Hij maakt daar meestal braaf en zonder mokken al zijn huiswerk, leest belangrijke nieuwe post-gothic romancycli en kijkt films of gamet op zijn computer of iPod. Daarnaast stuurt hij eindeloze keigeestige whatsappjes naar klasgenoten.
    Tegen zessen fietsen we samen naar de Pizzakamer, zijn favoriete restaurant. We bespreken de voortgang in het gezin.
    ‘Denk je dat ik mijn computer terug mag?’ vraagt hij hoopvol. ‘Ik denk niet dat ik mijn cijfer voor wiskunde in de vakantie nog ga krijgen.’
    ‘We hadden volgens mij een hele duidelijke afspraak,’ zeg ik streng, ‘je zou hem terugkrijgen zodra je een voldoende rapport hebt.’
    ‘Maar ik heb vrijwel zeker een voldoende gehaald, papa. Kunnen we het niet omdraaien: dat ik in de vakantie mijn computer krijg, en dat ik hem volgende week weer inlever als ik toch geen voldoende heb.’
    ‘Mag ik daar even over nadenken?’
    Dat laatste heb ik van een therapeut bij de Bascule geleerd: je niet meteen tot een antwoord laten verleiden, zeker als je op dat moment niet sterk in je schoenen staat. V. vindt het goed.
    ‘Ik vind dat je S. meer moet straffen,’ zegt hij boos. ‘Hij komt overal mee weg.’
    ‘Dat heeft geen zin,’ verzucht ik. ‘Straffen helpt niet. Het enige dat hij écht vervelend vindt, is als ik hem zijn computer afpak, en dat heb ik al gedaan.’
    V. knikt. Hij snapt het wel. ‘Maar toch vind ik het niet eerlijk dat ik altijd straf krijg als S. zich misdraagt omdat ik volgens jou was begonnen, papa. Híj is het die ontploft, ik niet.’
    ‘Dat is waar.’ V. heeft gelijk. ‘Probeer het eens van mijn kant te bekijken. Ik doe dit ook voor het eerst, en ik moet het ook nog eens allemaal alleen doen. Wacht maar tot je zelf kinderen hebt.’
    V. begrijpt het wel: hij is de oudste en moet de meeste klappen opvangen, vaak ook nog onterecht. En juist omdat hij zo redelijk is, richten mijn woede en mijn preken zich vaak op hem.
    ‘Ik hou van je,’ zeg ik dus maar.
    Hij heeft alle pizzakorstjes netjes op een hoop naast zijn bord gelegd en kijkt verlangend naar de Tiramisu die op de tafel naast ons wordt neergezet.
    ‘Ik ook van jou, papa. Zullen we nog een toetje nemen?’  

maandag 23 februari 2015

Getob

‘Present fears are less than horrible imaginings,’ citeerde mijn vader Shakespeare regelmatig, en zo is het ook. Ik ben altijd een tobber geweest; slecht in staat om in het heden te leven. Je zou kunnen zeggen dat het ook wel zorgelijke tijden zijn waarin we leven, dat de voortekenen weinig rooskleurig zijn.
    Onze planeet raakt overbevolkt, en zoals ratten die met te veel in een kooi zijn opgesloten, worden we onrustig en vallen we elkaar aan. Verworvenheden als democratie en sociale zekerheid staan op de tocht nu het geld op raakt, en aan onze grenzen rukken de zwarte hordes op, modern gestileerd naar de surrealistische computergames die onze kinderen spelen.
    Misschien dat ik me minder zorgen zou maken als ik geen kinderen had. Het beeld van die brandende Jordaanse piloot
in zijn kooi, een jongetje nog, staat stevig op mijn netvlies. Abu Bakr al-Baghdadi ziet zichzelf kennelijk als de erfgenaam van Tamerlan, die de door hem overwonnen sultan Bayaset ook al in een kooi opsloot. Ik kan het weten want ik schreef er een opera over.
    Tegen beter weten in zie ik mijn eigen kinderen daar in zo’n kooi staan. Ik kan ze niet redden, het niet voorkomen. De apocalyptische retoriek van de zwartmutsen plaagt mij in mijn dromen.
    Ondertussen liggen mijn puberzonen, zich van geen kwaad bewust, te slapen in hun holen, bedwelmd door een mengsel van stinksokken, deodorant en ongepoetste tanden.
    Toen Bibian ziek werd, kon ik het opeens wél: in het nu leven, van dag tot dag. Ondanks het verschrikkelijke vooruitzicht viel er een last van me af, ik voelde me op een vreemde manier bevrijd. Als het noodlot onafwendbaar is, bestaat het kennelijk niet meer, of verliest het in elk geval zijn dreiging. Of misschien komt het door de onvoorstelbaarheid van het pijnlijke sterven en de dood. Dat zal ook wel de reden zijn dat die jongens in die oranje shirtjes er zo rustig bij lijken te zitten. Ik was gelukkig met elke dag dat ze er nog was, de toekomst bestond niet.
    Maar nu ben ik toch weer aan het tobben geslagen, kennelijk zit het me in de genen. Ik hoor niet eens wat L. tegen me zegt als ik met haar over de Keizersgracht loop. ‘Ik weet van wie jij het meeste houdt, papa. Eerst van mama, dan van S. en dan van R. Toch, papa?’
    ‘Nee hoor,’ had ik moeten zeggen, ‘het meeste hou ik van jou en V. en S.’ maar ik luisterde niet, omdat ik een zwarte vlag zag wapperen op het dak van Felix Meritis.