maandag 24 juli 2023

 


Bent u de vader?

S. ligt met zijn gehavende arm in een houder en kijkt nieuwsgierig naar de chirurg die zijn diepe snijwonden aan het verzorgen is. Hij maakt cynische grappen en geniet zichtbaar van alle aandacht. Sasja en ik zitten met bekertjes koffie uit de automaat op de gang toe te kijken. Het doet me denken aan Rembrandts De anatomische les.
    Gisteravond had S. nog bij mij gegeten en leek er niet zoveel aan de hand. Hij zei dat hij met een vriend op zijn kamer in de Helmersstraat zou gaan gamen, maar dat hij daarna thuis zou komen slapen. Om een uur of drie werd ik wakker en zag ik dat hij niet thuis was gekomen. Dat leek me positief. Ik had een paar dagen eerder tegen hem gezegd dat ik wilde dat hij weer vaker op zijn eigen kamer zou slapen; eerst alleen in het weekend, en dan langzaam opbouwen naar de rest van de week. Het leek hem zelf ook een goed idee.
    Om vijf uur ging de telefoon. ‘Pap, ik heb mijn pols doorgesneden.’
    ‘Wat zeg je?’
    ‘Ik heb mijn pols doorgesneden.’
    ‘Wat?’ Ik keek op de klok: vijf uur.
    ‘Moet ik een ambulance bellen?’
    ‘Dat zou ik maar doen, ja.’
    ‘Ik kom eraan, S.’
    Ik belde 112 om een ambulance en maakte V. wakker om te vragen of hij mee wilde komen. Dat had ik misschien beter niet kunnen doen, maar ik durfde niet goed alleen te gaan. Weer een trauma voor hem erbij, maar goed, het was wel zijn jongere broer.
    S. lag op de grond tegen de gratis af te halen bank die we niet lang daarvoor nog samen bij hem naar boven hadden gesjouwd. Op een laag tafeltje lag een broodmes, resten wit poeder en er stond een lege fles jenever. Het stonk naar zweet en sigarettenrook. Twee ambulancebroeders hielden zich met hem bezig. Verder waren er twee politieagenten - ‘Bent u de vader?’ - en twee jonge mannen met dreads, tattoes, piercings en legerkleding die ik niet herkende en waarvan ik niet begreep waarom ze er waren.
    Later vertelde S. dat hij inderdaad was gaan gamen met een vriend, maar dat die om een uur of elf was vertrokken naar een rave in Amsterdam Noord. S. had geen zin gehad om mee te gaan en was alleen thuis gebleven. Vrijwel meteen was hij overweldigd door een intens donker gevoel waartegen hij zich niet kon verzetten. Bang voor wat komen zou en om zichzelf af te leiden was hij toen maar naar Saving Private Ryan gaan kijken, een extreem lange film. Hopelijk zou het gevoel daarna zijn gezakt en zou hij kunnen slapen.
    Maar vier uur later voelde hij zich wanhopiger dan ooit. Dit moest acuut stoppen, wist hij. Hij belde een dealer die Ketamine kwam brengen zodat hij de pijn van het snijden niet zou voelen en dronk een fles jenever leeg. Met een keukenmes sneed hij zijn pols open, maar het bloeden stopte na een tijdje vanzelf. Daarna deed nog twee pogingen, maar steeds weer stopte het bloeden. Even overwoog hij nog dan maar uit het raam te springen, maar hij merkte dat hij er de energie niet meer voor had.
    Op dat moment was de telefoon gegaan. Het was zijn vriend die belde dat de rave nogal tegenviel en of hij nog met iemand langs mocht komen om te chillen. Dat waren de twee getatoeëerde engelen die ik niet had herkend. Toen S. zich realiseerde dat hij die nacht niet dood zou gaan, besloot hij dan maar zijn vader te bellen.

‘Alles wat ik doe, mislukt,’ zegt S. ‘Zelfs mijn pols doorsnijden kan ik niet.’
    ‘Zo moet je niet denken,’ hoor ik mezelf zeggen. Maar tegelijk merk ik dat ik inwendig begin te koken. Godverdomme, klootzak, denk ik. Realiseer je je eigenlijk wel wat je je familie en je vrienden aandoet. Je ligt hier wel leuk grapjes te maken, maar zo grappig is het allemaal niet.
    ‘Ik vind het niet grappig, S. Iedereen is in paniek. Je hebt jezelf weer eens in het middelpunt van alle aandacht gemanoeuvreerd, maar zelf doe je niets. Vraag je je wel eens af hoe dat voor je omgeving is?’ S. zegt niets. De chirurg kijkt me geschrokken aan.
    ‘Volgens mij moet jij even een wandelingetje gaan maken,’ zegt Sasja. ‘Dit helpt niet echt.’
    ‘Ik ben ontzettend kwaad,’ zeg ik. ‘Maar dat mag ik nu natuurlijk niet laten merken omdat het allemaal zo zielig is voor S.’
    ‘Ga nou maar even,’ zegt Sasja. ‘Je bent onredelijk. Ga buiten even afkoelen.’
    Op de gang heb ik zin om tegen een vuilnisbak aan te schoppen. Kut S., kutziekenhuis, kutzooi.
    ‘Sorry,’ zeg ik even later. ‘Dat was heel ongepast. Maar ik ben ook gewoon boos op je, dat mag je best weten.’
    S. snapt het wel, hij is sowieso niet snel geshockeerd. Ondertussen wordt zijn arm gespalkt en netjes in het gips gezet. Omdat we met de ambulance zijn gekomen en ik geen zin heb om een taxi te nemen, wandelen S. en ik aan het eind van de middag samen terug naar huis. Hij heeft geen jas bij zich, maar het is zacht lenteweer.
    ‘Heb je honger, S.?’
    ‘Niet echt.’
    ‘Zal ik roti maken?’
    ‘Heb je nog van die Surinaamse chutney?’
    ‘Volgens mij wel.'
           

Geen opmerkingen:

Een reactie posten