maandag 9 maart 2015

Museum

Op de eerste echt warme dag van het jaar lopen S., L. en ik de stad in voor een bezoek aan het museum Willet-Holthuysen aan de Keizersgracht. Een monumentaal pand dat een indruk wil geven van het leven van een puissant rijke Amsterdamse familie in de negentiende eeuw.
    We staan in de ruime keuken en ik moet denken aan het huis aan de Bobbeleweg in Schoorl van mijn tante Rens waar ik als jongetje wel logeerde. Mijn oom - haar man - de architect en restaurateur Kees Royaards, had strenge opvattingen over wat hij moderne fratsen vond en verbood elektriciteit, warm water en het gebruik van de telefoon in het door hemzelf ontworpen huis. Mijn tante pompte tot ver in de jaren zestig ’s morgens in de keuken water op, dat uit de nabijgelegen beek ‘De oorsprong’ kwam waaraan het huis zijn naam ontleende. Wanneer het water warm genoeg was, werd ik ermee gewassen.
    Mijn oom, die het huis bouwde in opdracht van zijn moeder, de actrice Jacqueline Royaards-Sandberg, met bouwmaterialen afkomstig uit gesloopte huizen uit de Amsterdamse Jordaan, was meestal zelf niet thuis als ik er logeerde. Dat vond ik niet zo erg, want ik was bang voor hem; hij was een zeer principieel en autoritair man, niet iemand die je even gezellig op schoot nam of je kwam toedekken in een van de bedstedes op zolder die je via een ladder en een luik bereikte en waar het ’s nachts pikdonker was. Ik herinner me een grote collectie Kuifjes en Suske en Wiskes die vermoedelijk van mijn oudere neven en nichten waren.
    Mijn tante Rens was lief, maar zó veel ouder dan mijn eigen ouders, dat ik me bij haar toch ook niet helemaal op mijn gemak voelde. Dat kwam pas later, toen ik volwassen was, en haar soms opzocht in Stroe aan de Waddenzee, waar ze naartoe verhuisde nadat ze het huis in Schoorl had verkocht.
    Toen mijn oom begin jaren zeventig verongelukte met zijn auto, paste mijn tante het huis aan en kwamen er gas en licht en een telefoonaansluiting.
    We slenteren door het museum langs het servies en het comfort van de negentiende eeuw. Voor L. is het misschien een beetje saai, zij heeft vooral belangstelling voor de opgezette kat met motortje die voor de haard op een kussentje ligt en spingeluiden voortbrengt. Zij voelt niets van de weemoed die mij bekruipt vanwege de herkenning van sommige gebruiksvoorwerpen die nog net gangbaar waren toen ik een jongetje was. Het verhaal over mijn tante Rens is aan haar niet besteed.
    ‘Ze hadden ook paarden!’ zeg ik dus maar.
    ‘Echt waar? En mocht jij daar dan op rijden?’
    ‘Dat weet ik niet meer. Misschien zette mijn tante me er wel eens op.’
    ‘Ik neem later ook paarden,’ zegt L. stellig. ‘Gaan we nu ergens chocolademelk drinken?’  

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen