zondag 5 april 2015

Pisa

‘Later als ik dertig miljoen heb,’ zegt L. die aan mijn hand loopt; hoewel het eigenlijk allang bedtijd is, zijn we op weg naar ijssalon Pisa, het is een terugkerend gesprek, ‘dan geef ik jou zevenentwintig miljoen en dan hou ik zelf drie miljoen, papa.’
    ‘Dat hoeft niet, lieverdje.’
    ‘Hoeveel kost een huis, papa?’
    ‘Dat ligt eraan wat voor huis je wil.’
    ‘Met een tuin en een zwembad en voor iedereen een eigen kamer, en een logeerkamer voor S.’
    ‘Mag S. niet bij mij in bed slapen?’
    ‘Jawel… maar niet altijd. Niet als ik in het grote bed wil slapen, dan moet ze in de logeerkamer.’
    ‘Ik denk dat dat met dertig miljoen wel gaat lukken,’ zeg ik afwezig. Elke keer dat ik hier loop zijn er weer nieuwe restaurants bijgekomen, de buurt verandert in hoog tempo.
    ‘En dan neem ik een paard en vier poezen en een hond, en die krijgen ook allemaal een eigen kamer.’
    Mijn moeder zou de buurt niet meer herkennen, zelfs Bibian zou met haar ogen knipperen als ze hier plotseling tot leven zou komen. L. wil eigenlijk los lopen, maar ik hou haar hand stevig vast, niet omdat ik bang ben haar kwijt te raken, maar omdat ik bang ben dat het me anders overweldigt. Ik vind het heerlijk dat L. tegen me aanpraat, ik weet ook al precies wat er komen gaat: we krijgen allemaal een eigen huis, ik één in Amsterdam en één in Spanje, en L. komt dan bij me wonen of ik bij haar. Ik leg haar uit dat ze beter van de rente kan gaan leven, maar dat begrijpt ze niet en ikzelf eigenlijk ook niet.
    ‘Dat ga ik ook doen, papa. Als het geld op is ga ik gewoon van de rente leven, en als die op is, koop ik gewoon een nieuw lot in de staatsloterij, en bovendien word ik actrice en dan word ik schatrijk.’
    ‘Welke smaken neem jij?’ vraag ik als we er bijna zijn. Ik weet het antwoord al precies, L. is zeer eenkennig.
    ‘Een hoorntje met citroen en tiramisu en de citroen onderop.’
    Even later zitten we met onze ijsjes op het terras onder de buitenverwarming.
    ‘Hebben we hier echt nooit met mama gezeten?’
    ‘Nee, papa. Toen was Pisa er nog niet.’ Ook dat vraag ik haar elke keer opnieuw.
    ‘Weet je het zeker?’
    ‘Heel zeker, papa.’
    Ik weet niet waarom ik het steeds weer vraag, ik denk omdat ik hoop dat ze ooit een keer zegt van wel, en dat ze me dan vertelt hoe we hier met z’n vijven zaten en welke smaken Bibian dan altijd nam.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen