woensdag 1 april 2015

Off day

L. is al drie dagen ziek. Ze fladdert om me heen in huis, ik denk dat ze morgen wel weer naar school kan. De werkster is aan het stofzuigen en dweilen, en verjaagt me steeds van mijn plaats.
Ze houdt een heel verhaal tegen me in het Russisch: of ik niet bang ben om met L. naar New York te vliegen na het neerstorten van het toestel van Germanwings, en wanneer ik nou eindelijk eens een nieuwe stofzuiger ga kopen. ‘Da da,’ knik ik. Mijn hoofd staat er niet naar.
    Toen ik boodschappen wilde gaan doen voor de paasdoos van L., bleek S. zijn fiets met een kettingslot aan de mijne te hebben bevestigd. Ik vraag me af hoe hij dan naar school is gegaan; op magister staat hij in elk geval niet absent gemeld. Misschien is hij met de tram gegaan, maar dan wel zonder te betalen.
    Twee van mijn studenten komen helemaal uit Groningen om te praten over stukken die ze willen gaan schrijven. Ik adviseer ze zo goed als ik kan, maar zonder een begin van een partituur wordt het wel erg hypothetisch allemaal. Ze beloven plechtig dat ze volgende week met iets concreets zullen komen.
    ‘Hebben jullie nog vragen?’  rond ik af.
    ‘Nee,’ verzekeren ze me.
    ‘Hadden jullie iets aan mijn adviezen?’
    ‘O ja, heel veel.’
    ‘Alles duidelijk?’
    ‘Absoluut.’
    Misschien is het niet het goede jaargetijde voor discipline en inspiratie. Ik zat ook wel eens met lege handen bij mijn leraren. Die praatten dan het uur vol, zodat ik aan het einde toch niet met een rotgevoel naar huis ging.
    L. serveert stroopwafels bij de koffie die ik bij de Turkse buurtsuper heb gehaald. Gelukkig zijn mijn studenten te beleefd om te zeggen dat ze niet te vreten zijn. Ze nemen het daar niet zo nauw met de uiterste houdbaarheid.
    Wanneer ze zijn vertrokken komt V. thuis, die vanwege de proefwerkweek een aangepast rooster heeft.
    ‘Hoe ging je Duits?’
    Niet zo goed, zo te zien. Arme, lieve V. Hij doet zo zijn best. Volgende keer beter.
    ‘Je mag wel een ei bakken, hoor.’ Dat is ongeveer het enige dat hij lekker vindt. ‘Als je er maar niet teveel zout op strooit.’
    ‘Nee, papa.’
    ‘Vind je mijn paasdoos mooi geworden?’ zegt L. Iemand krijgt morgen een croissantje van gisteren, maar verder ziet het er prachtig uit.
    Ik luister naar het geluid van tram 16 die door de straat rijdt en vecht tegen mijn tranen.
   
    

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen