dinsdag 21 april 2015

Ouderlijk huis

Ik fiets met S. door de Heinzestraat, we stoppen voor het huis waar ik geboren ben. Ik wijs hem mijn kamer, die aan de voorkant lag, en de kleine keuken. De huidige bewoner, een alleenstaande vrouw met haar dochter, komt naar buiten.
    ‘Deze bouwstijl heet Amsterdamse School,’ zegt ze trots.
    ‘Ik weet het,’ zeg ik. ‘Ik heb hier een-en-twintig jaar gewoond.’
    ‘Dan weet ik wie u bent.’ Ze vraagt of we misschien binnen willen komen.
    ‘Ja graag!’ zegt S. voor ik beleefd kan weigeren. Ik had mezelf beloofd er nooit meer één voet te zullen zetten na die laatste nacht dat de bovenbuurvrouw, die ook de huiseigenares was, haar etage in de fik had gestoken.
    We staan in het smalle marmeren halletje waar de olieman vroeger de blikken petroleum voor in de oliekachel neerzette. Hij liet zichzelf binnen met het touwtje dat bij ons altijd uit de brievenbus hing.
    ‘Kom alsjeblieft verder.’ De keuken, de gang met de trap naar de eerste etage, de woonkamer, de donkere tuin: het is allemaal nog kleiner dan in mijn herinnering. Ik wil hier niet zijn, mijn opa is hier gestorven aan de gevolgen van een val in de badkamer, mijn oma kreeg hier alzheimer, mijn moeder kanker, mijn vader kanker. De bovenbuurvrouw werd er psychotisch. Ik hou niet van Amsterdamse School: lage plafonds, kleine ramen, weinig zon.
    ‘Dit is echt mijn droomhuis,’ zegt de nieuwe bewoner.
Ik weet niet wat ik moet zeggen en glimlach dus maar zo’n beetje.
     Ze toont ons de andere kamers en de serre die ze als atelier gebruikt. Er staan een aantal zelfgeschilderde, vrijwel identieke donkere doeken tegen de wand en op een ezel.
    ‘Ik ben hier zó gelukkig.’
    We gaan de trap op, ik weet het nog precies: mijn vaders werkkamer, mijn latere kamer, het balkon en de badkamer zonder ramen. Ik vind het allemaal even naargeestig en wil er het liefst zo snel mogelijk weer weg. Mijn vader kon het ooit kopen voor tweehonderdduizend gulden, dat had hij gemakkelijk kunnen doen met zijn voor die tijd vorstelijke lerarensalaris; hij deed het echter niet, kopen was niet zijn cultuur, dat vond hij iets voor VVD-ers. Het huis is inmiddels exponentieel in waarde gestegen, het moet de huidige bewoner een vermogen hebben gekost. Toch ben ik blij dat hij het niet gedaan heeft, ik heb nooit spijt gehad van mijn impulsieve beslissing, die onheilsnacht, lang geleden.
    Ik werp nog een snelle blik in de keuken waar vroeger fraaie bruynzeelkastjes hingen die nu vervangen zijn door iets moderns, en wens haar het allerbeste. We zijn altijd welkom als we in de buurt zijn.
    Een ding weet ik heel zeker: dit is niet mijn huis. 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen