zondag 22 februari 2015

Vakantie

Het is vakantie. V. en S. vervelen zich en vullen het huis met hun landerigheid.
    ‘Bel een vriendje,’ suggereer ik hoopvol.
    ‘Iedereen is op wintersport.’ S. kijkt mij verwijtend aan. Hij hangt op de bank: één been over de leuning, iPhone in de aanslag en zijn koptelefoon op een oor.
    ‘Je weet toch dat we deze vakantie niet weg kunnen,’ begin ik me alweer te verdedigen. Lulu heeft een rol in een stichtelijk kerstdrama van de Evangelische Omroep - mijn VPRO-ouders zouden zich omdraaien in hun graven - en heeft vier draaidagen in de vakantie. Alsof we anders wél op wintersport waren gegaan.
    ‘Dat geloof ik niet. Heb je écht iedereen gebeld?’ Ik suggereer wat namen die mij te binnen schieten van vroegere klasgenoten; het levert mij alleen dodelijke blikken op.
    ‘Heb je Axe gekocht?’ informeert V.
    ‘Nee, sorry. Vergeten.’ Ik ben het helemaal niet vergeten, maar die stinkende ozonlaagverpestende zooi die hij dagelijks diverse malen op zichzelf spuit kost vier-en-halve euro het stuk en V. is grootverbruiker.
    ‘Heb je wel cola en joppiechips gekocht?’
    ‘Ga godverdomme een baantje zoeken. Toen ik zo oud was als jij, waste ik twee avonden in de week af in een restaurant!’ Dat is niet helemaal waar. Ik was denk ik iets ouder, zestien of zeventien, en het was maar één avond. Mijn vader had het voor mij geregeld, vermoedelijk om vergelijkbare redenen. ‘Heb je dat formulier van de Albert Heijn nou eindelijk ingevuld?’ Het vitriool spuit V. uit de ogen.
    ‘Ik vind het prima dat jullie je vervelen, jongens, maar dat sacherijn hou ik niet vol.’
    ‘Alsof jij zo gezellig bent.’
    Mijn moeder vertelde mij ooit dat ze mij bijna mijn hele pubertijd ontbijt op bed bracht omdat ik ’s morgens zó onuitstaanbaar humeurig was dat mijn ouders mij liever niet beneden hadden aan de ontbijttafel.
    ‘Wat eten we vanavond?’
    Ik besluit er niet op in te gaan. ‘Het is prachtig weer, jongens. Ik ga een wandelingetje maken. Koffie in De Pels? Wie gaat er mee?’
    ‘Nee, sorry,’ klinkt het unisono van de bank.
    ‘Wat gaan jullie dán doen?’
    ‘Gewoon.’ zegt V., waarmee hij het geestdodende spelletje bedoelt dat hij op zijn iPod aan het spelen is.
    ‘Ik hou niet van wandelen,’ zegt S. Dat is in elk geval eerlijk.
    ‘Lulu?’
    ‘Gaan we dan ook een hotdog eten?’
    ‘Nee.’
    ‘In Amerika wil ik alleen hotdogs en hamburgers eten.’
    ‘Trek je jas nou maar aan.’ Ik wil zo snel mogelijk weg voor de jongens zich bedenken.
   
   
     

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen