maandag 23 februari 2015

Getob

‘Present fears are less than horrible imaginings,’ citeerde mijn vader Shakespeare regelmatig, en zo is het ook. Ik ben altijd een tobber geweest; slecht in staat om in het heden te leven. Je zou kunnen zeggen dat het ook wel zorgelijke tijden zijn waarin we leven, dat de voortekenen weinig rooskleurig zijn.
    Onze planeet raakt overbevolkt, en zoals ratten die met te veel in een kooi zijn opgesloten, worden we onrustig en vallen we elkaar aan. Verworvenheden als democratie en sociale zekerheid staan op de tocht nu het geld op raakt, en aan onze grenzen rukken de zwarte hordes op, modern gestileerd naar de surrealistische computergames die onze kinderen spelen.
    Misschien dat ik me minder zorgen zou maken als ik geen kinderen had. Het beeld van die brandende Jordaanse piloot
in zijn kooi, een jongetje nog, staat stevig op mijn netvlies. Abu Bakr al-Baghdadi ziet zichzelf kennelijk als de erfgenaam van Tamerlan, die de door hem overwonnen sultan Bayaset ook al in een kooi opsloot. Ik kan het weten want ik schreef er een opera over.
    Tegen beter weten in zie ik mijn eigen kinderen daar in zo’n kooi staan. Ik kan ze niet redden, het niet voorkomen. De apocalyptische retoriek van de zwartmutsen plaagt mij in mijn dromen.
    Ondertussen liggen mijn puberzonen, zich van geen kwaad bewust, te slapen in hun holen, bedwelmd door een mengsel van stinksokken, deodorant en ongepoetste tanden.
    Toen Bibian ziek werd, kon ik het opeens wél: in het nu leven, van dag tot dag. Ondanks het verschrikkelijke vooruitzicht viel er een last van me af, ik voelde me op een vreemde manier bevrijd. Als het noodlot onafwendbaar is, bestaat het kennelijk niet meer, of verliest het in elk geval zijn dreiging. Of misschien komt het door de onvoorstelbaarheid van het pijnlijke sterven en de dood. Dat zal ook wel de reden zijn dat die jongens in die oranje shirtjes er zo rustig bij lijken te zitten. Ik was gelukkig met elke dag dat ze er nog was, de toekomst bestond niet.
    Maar nu ben ik toch weer aan het tobben geslagen, kennelijk zit het me in de genen. Ik hoor niet eens wat L. tegen me zegt als ik met haar over de Keizersgracht loop. ‘Ik weet van wie jij het meeste houdt, papa. Eerst van mama, dan van S. en dan van R. Toch, papa?’
    ‘Nee hoor,’ had ik moeten zeggen, ‘het meeste hou ik van jou en V. en S.’ maar ik luisterde niet, omdat ik een zwarte vlag zag wapperen op het dak van Felix Meritis.
   

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen