maandag 18 mei 2020
De prins en de zegelring - Afl. 61
Klaas ten Holt
Hoofdstuk 22 (vervolg)
‘Gravin!’ begint hij net iets te hard. Hij knielt op één been en vouwt zijn handen, ergens in zijn broek scheurt er iets. Renée kijkt hem met grote ogen aan. ‘Gravinnetje,’ zegt hij teder. ‘Allerliefst... klein... gravinnetje.’ Dat voelt goed. Ja. Waarom heeft hij hier niet eerder aan gedacht? Hij stroomt over van emotie, tranen wellen in hem op: deze edele vrouwe... deze nobele, lieve, mooie... wat zal hij haar gelukkig maken! Alles zal hij met haar delen... Samen zullen ze... ja... wat eigenlijk? Paardrijden! Natuurlijk! En jagen! De wereld ligt aan hun voeten, hij had nooit gedacht dat het leven zó mooi kon zijn... eenvoudig... en overzichtelijk! Hij rijdt met haar door het groen... stapvoets... hand in hand... zijn kleine witte bruidje... haar sluier nog om... ze lacht dankbaar naar hem... haar parelwitte tandjes schitteren in de zon... en zie: een wonder geschiedt; op het gezicht van de echte gravin Renée tegenover hem breekt een glimlach door.
Aangemoedigd gaat de ridder verder: ‘Mijn hart! Dat wil zeggen... mijn hartje. Lang heb ik u in onzekerheid gelaten... Vergeeft u mij, ik kon niet anders... Neen! Ik kom er rond voor uit; u zult wel denken... Maar genoeg daarover. Liever zeg ik: vooruit met de geit!’ De woorden komen steeds gemakkelijker, vloeien hem als het ware uit de mond. Renée kijkt hem vrolijk aan.
‘Een onstuimig hart klopt in mijn boezem,’ verklaart hij plechtig, ‘U kent dat wel, dat weet u best. U weet trouwens allang wat ik u ga vertellen... jawel... U laat mij in spanning. Maar nee, zegt u niets. U bent een... een kleine hartenbreekster! Dat bent u. Nu ja... ik vergeef het u. De jeugd: zó is de jeugd!’ Hij geeft haar een knipoog.
‘Ter zake, want ik heb nieuws voor u.’ Wat is ze mooi als ze zo naar hem lacht. Hij voelt zich twintig jaar jonger. Zijn knie doet pijn maar hij durft niet van houding te veranderen. Ze houdt ook van hem! Hij weet het zeker... Haar lach moedigt hem aan... Hij hoeft het alleen nog maar te zeggen... Hij is er bijna!
‘Normandische schone... Zo mag ik u toch wel noemen? Ja, ja, kijkt u maar niet zo koket. U bent mijn jachtgodin! Daar! Ik weet ook niet precies wat ik daar mee bedoel... maar zó is het! Het is net of ik u al jaren ken... en in zekere zin is dat natuurlijk ook zo. Wat een malle houding is dit toch... dat rare gekniel... maar goed, het hoort er nu eenmaal bij. U voelt de bui waarschijnlijk al hangen?’
Zeg het dan! denkt hij bij zichzelf. Maar nóg stelt hij het uit. Hij geniet van het moment... van haar stralende gezicht... van zijn eigen mooie woorden. Voor zijn gevoel heeft hij in enkele minuten een gigantische afstand overbrugt... Hij is een ander mens geworden. Herboren. Voor het eerst heeft hij het gevoel dat hij er toe doet. Als een dergelijk wonderschoon schepsel zoals daar tegenover hem zit en hem toelacht, van hém kan houden... en daar twijfelt hij nu niet meer aan... dan... dan betekent dat immers wat, dat kan niet anders.
‘Hihihi!’ lacht Renée.
Hij heeft spijt dat hij bij het ontbijt een hele pul bier heeft gedronken. Zijn blaas begint hem steeds heviger te kwellen. ‘U lacht, ik zie het heus wel!’ zegt de ridder verheugd. ‘U weet een plechtig moment tot iets vrolijks te maken. Ik waardeer dat bijzonder. Eén momentje alstublieft...’ Willem komt moeizaam overeind en knielt vervolgens op zijn andere been. Hij merkt dat zijn voet slaapt. ‘Eigenlijk best gezellig... zo met z’n tweeën... vindt u niet? Dat hadden we eerder moeten doen. Maar ach... wat praat ik toch... Welnu... daar komt -ie dan... Bent u er klaar voor?’
Renée probeert haar adem in te houden.
‘Lieve gravin! En als ik dat zeg... dan weet u best wie ik daarmee bedoel. Dus nogmaals: lieve gravin...’
Ze proest het uit. ‘Hihihi, let u niet op mij! Gaat u vooral verder, hahaha!’
‘U bent een brutaaltje,’ zegt de ridder, die zich licht ongemakkelijk begint te voelen. De gravin was wel érg vrolijk. Maar goed, hij was dan ook niet de eerste de beste. Hij zou alleen willen dat hij zijn blaas een beetje kon ontspannen... hij voelt zich erg ongemakkelijk zo... een klein beetje maar... dat zou ze toch niet merken? Altijd op dit soort momenten gebeurt hem dat... worden belangrijke gebeurtenissen overschaduwd door kleine lichamelijke ongemakken... Zouden andere mensen dat ook hebben, vraagt hij zich af.
‘Lief... brutaal gravinnevrouwtje...’ gaat hij verder. Een vondst! Gravinnevrouwtje! Absoluut een vondst, denkt hij trots.
‘Er komt een moment in het leven van een ridder dat hij aan de toekomst moet gaan denken. En met de toekomst bedoel ik... nou ja, u weet natuurlijk ook wel wat ik daarmee bedoel. Men kan nu eenmaal niet eeuwig... altijd maar... Wat ik wil zeggen is: men probeert verder te komen. Eerst ben je ridder... en op een dag... ik zeg het maar gewoon, ik draai er niet langer omheen... op een dag ben je graaf! Jawel! En waarom niet? U wilt toch ook niet de rest van uw leven in deze vochtige kerker blijven wonen? Natuurlijk niet. Zoiets is misschien aardig als je jong bent... en nog niet zoveel van de wereld gezien hebt... maar op een dag voldoet het niet meer. Dan wil je iets anders, dan wil je méér!’ Nu hij zijn blaas heeft ontspannen, voelt ridder Willem zich weer meester van de situatie. ‘Ik heb u veel te bieden,’ gaat hij zelfverzekerd verder. ‘Als graaf van Normandië zal ik eindelijk dit sombere kasteel kunnen verlaten en me in het huis van uw familie vestigen. Met u aan mijn zijde zal ik daar het leven van een Frankisch edelman leiden en dankzij het kapitaal van wijlen uw vader zal ik nooit meer financiële zorgen hebben.’
Gravin Renée kijkt hem met open mond aan. “Wijlen mijn vader...’ stamelt ze.
‘Nu ja, bij wijze van spreken dan... U moet mij niet op één woord...’ zegt de ridder verstoord, ‘en dan is er natuurlijk nog de kwestie van het nageslacht... U ziet wel dat ik overal aan heb gedacht!’ vervolgt hij opgewekt. ‘Wat zal ik u gelukkig maken met een stuk of wat kleine graafjes en gravinnetjes. Ziet u het al voor u? Dat had u niet gedacht hè... van zo’n oude roofridder! Nee hoor... niets menselijks is mij vreemd. Mag ik even?’ Opnieuw komt ridder Willem overeind om van knie te wisselen.
‘Zo! Daar ben ik weer!’ zegt hij vrolijk. ‘Ja sorry hoor, maar ik ben nou eenmaal niet zo formeel. Lieve gravin... u raadt het al hè? Gravinneke...’
‘Ik neem aan dat u mij een aanzoek gaat doen?’ zegt Renée koeltjes.
Ridder Willem kijkt haar verbaasd aan. ‘Ik? inderdaad was ik... Maar u moet mij niet steeds onderbreken!’ zegt hij boos.
‘In dat geval kunt u zich namelijk de moeite besparen,’ zegt Renée ijzig.
Even is het stil.
‘Pardon?’ zegt de ridder dan.
‘U hebt mij heel goed gehoord. Bespaart u zich de moeite.’
Ze moet natuurlijk even aan het idee wennen, denkt Willem bij zichzelf. Ze is overweldigd. Dit is méér dan ze ooit had durven hopen… ‘Ik begrijp uw verwarring,’ spreekt hij minzaam, ‘daar kan ik héél goed inkomen. Een dergelijk aanzoek... en dan nog wel van iemand als ikzelf... krijgt men natuurlijk niet iedere dag.’
‘Er is geen sprake van, ridder Willem.’ zegt Renée rustig. ‘Ik zal nóóit met u trouwen, zet u dat maar uit uw hoofd.’
‘Gravin...’
‘U kunt wel weer overeind komen. Sta op en vertrek, u stoort mij bij het lezen.’
zondag 17 mei 2020
De prins en de zegelring - Afl. 60
Klaas ten Holt
Hoofdstuk 22 - Waarin ridder Willem gravin Renée een huwelijksaanzoek doet en een ultimatum stelt.
Somber staart ridder Willem uit het raam van zijn werkkamer naar de rivier beneden hem. De Ourthe staat uitzonderlijk hoog, de heuvels zijn verzadigd van het vele regenwater dat de laatste weken naar beneden is gekomen. Met weemoed denkt hij terug aan die eerste weken na de dood van zijn vader toen hij zich met Matthis schuilhield in de bossen rond La Roche. Zo vrij en onbezorgd had hij zich nog nooit van zijn leven gevoeld. De eerste overvallen die ze pleegden, eerst nog met z’n tweeën, maar al snel met een groeiend gezelschap van weggelopen lijfeigenen, ontsnapte gevangenen en ander volk dat zich langs de weg bij hen aan had gesloten. Steeds brutaler en gewelddadiger hadden ze overvallen gepleegd en zich al snel een reputatie verworven als de bende van rooie Willem.
Na de ontvoering van zijn broer Thom en de overname van kasteel La Roche had hij zich de koning te rijk gevoeld. Ridder Willem de la Roche! Wie had dat ooit kunnen denken? Niet die slappe broer van hem, maar hijzelf in de stoel van zijn vader... als heer van La Roche! Eigenlijk heeft hij alles wat hij wil: een kasteel om in te wonen, meer dan genoeg geld om onbezorgd van te leven, een gravinnetje in zijn kerkers dat hij gemakkelijk kan dwingen met hem te trouwen en een Hollandse prins die aardig wat losgeld op kan brengen. En toch… Een gevoel van naderend onheil is langzaam maar zeker al zijn handelen gaan beheersen.
Het kasteel benauwt hem. Op de een of andere manier is het nog altijd het huis van zijn vader, zit hij op een stoel die de zijne niet is, aan een bureau dat niet van hem is. Zelfs het glas waaruit hij drinkt is van ridder Theodor geweest. En zo zijn er gaandeweg barstjes in zijn zelfvertrouwen gekomen, heeft zijn overwinningsroes plaatsgemaakt voor wantrouwen en twijfel. Van zijn ondergeschikten vertrouwt hij niemand meer, zelfs van zijn rechterhand Matthis is hij niet helemaal zeker.
Die ochtend heeft hij gehoord dat graaf Guido, de vader van gravin Renée, op sterven ligt. Hij moet nu dus echt iets ondernemen; als hij niet vóór diens overlijden met Renée is getrouwd, kan hij geen aanspraak meer maken op zijn titel en bezittingen, en is het allemaal voor niets geweest.
Hij heeft Renée in haar kerker bezocht om te vertellen waarom hij haar is komen halen. Hij had verwacht dat ze zou smeken en schelden, maar ze had hem alleen maar rustig laten praten en helemaal niets gezegd. Daarbij had ze hem aangekeken met een blik... het was alsof ze dwars door hem heen keek, geen haat of woede, eerder medelijden. Ze had hem volledig in verwarring gebracht. Hij was woedend geworden, over zijn woorden gestruikeld, en helemaal overstuur weer vertrokken.
Soms droomde hij van haar. Dan gingen ze samen op jacht. Eerst moest ze niets van hem hebben, maar al snel veranderde dat, raakte ze onder de indruk van zijn kracht, zijn moed, zijn behendigheid met de kruisboog. Of hij redde haar het leven... ze werden aangevallen door rovers... de situatie was hopeloos... maar met zijn scherpe zwaard baande hij zich een bloedig pad dwars door de overvallers heen, haar handje stevig in de zijne...
En nu is er geen tijd meer te verliezen. Hij zal haar nog een paar dagen geven, tot na de overval van komende vrijdag. En als hij eenmaal met haar getrouwd is, en haar vader gestorven, dan kan hij eindelijk deze troosteloze vochtige oude steenklomp voorgoed verlaten en zich als graaf Willem met zijn jonge bruid in haar ouderlijk huis te Normandië vestigen. Dan zal er een nieuw leven voor hem aanbreken! Geen brute roofovervallen meer, geen platte drinkgelagen. Hij zal zich door zijn jonge bruid wegwijs laten maken in het verfijnde leven van de Frankische adel. Hij zal haar laten zien waartoe hij allemaal in staat is. En dan… misschien niet meteen, maar na een poosje, langzaam maar zeker, zal ze hem in haar hart sluiten. Zal ze inzien wat een gekwetste ziel hij is. Ongepolijst misschien, maar met een gouden hart!
Hij werpt een korte blik in de spiegel, veegt wat kruimels uit zijn snor en baard en trekt aan de bel om het hoofd van de wacht te laten komen. Onrustig loopt hij door zijn kamer op en neer. ‘Naar de kerkers, Günther,’ bromt Willem. ‘Ik wil de gravin een bezoekje brengen.’ Hij probeert zijn zenuwen de baas te blijven en een opgeruimde en doortastende indruk te maken. Lichaamstaal! denkt hij bij zichzelf. Rechtop staan, niet te dichtbij, maar ook niet te veraf en haar steeds recht in de ogen blijven kijken. Rustig spreken, niet gaan hakkelen, je kúnt het!
‘Wat is het warm hier,’ zegt Willem wanneer ze voor de kerkerdeur staan.
De oude soldaat kijkt hem niet begrijpend aan.
‘Hrrmhmm’ zegt Willem wanneer hij de kerker binnengaat. ‘Ik wens u een heel goede morgen gravin.’
‘Hèhèhè,’ grinnikt het hoofd van de wacht.
‘Wat sta je daar nog idioot?’ blaft Willem hem toe. ‘Maak dat je wegkomt! Dit is een privégesprek!’
Geschrokken maakt de oude man zich uit de voeten.
‘Neemt u mij niet kwalijk mevrouw,’ zegt de ridder hoffelijk, ‘maar goed personeel, ja ja, kom daar tegenwoordig maar eens om.’
Renée kijkt hem aan en blijft rustig zitten op de enige stoel in haar kerker. Deze staat recht onder een klein getralied venster dat haar overdag nèt genoeg licht geeft om te kunnen lezen. Op haar verzoek heeft Willem enkele boeken laten brengen uit de bibliotheek van zijn vader.
‘Ik èh, wel, nou goed, het zit namelijk zo,’ begint hij. Hij kijkt haar hoopvol aan. Er valt een stilte. ‘Deze kerker is natuurlijk...’ gaat hij verder, ‘een gravin als u volstrekt onwaardig... dat wil zeggen...’
Renée blijft hem strak aankijken.
‘U ziet niet wat denkt!’ roept hij vertwijfeld uit. ‘Wat ik bedoel is... U denkt dat u ziet... maar dat is niet zo! Hier... van binnen,’ Hij legt zijn hand op zijn hart. De gravin kijkt hem verbaasd aan.
‘U heeft mij gekwetst!’ Ridder Willem is vuurrood geworden, ‘Althans... ú natuurlijk niet... Neen! Dat spreekt voor zich. Ha! Men heeft mij gekwetst! Jawel! Ik... Ik ben... moet u weten... ik ben een ziel.’ Het is hopeloos, hij krijgt het niet voor elkaar. ‘Hrrmhmm,’ begint hij opnieuw. Hij heeft het gevoel dat hij zich beter ergens aan vast kan houden. ‘Beste gravin!’ Hij stokt opnieuw. Ik moet... ik moet... denkt hij wanhopig, ik moet me van mijn beste kant laten zien. Ik moet laten zien dat ik het méén... althans... Gevoel! Ik moet gevoel tonen. Het zweet breekt hem uit. Plotseling weet hij wat hem te doen staat.
zaterdag 16 mei 2020
De prins en de zegelring - Afl. 59
Klaas ten Holt
Hoofdstuk 21 (slot)
Bij de deur staat een lakei de bezoekers op te wachten. ‘De hoogwelgeboren chevalier de la Chapelure!’ roept hij. Eén voor een worden alle bezoekers aangekondigd. Uit een tweede deur komen de mensen die al binnen geweest zijn. Sommigen vrolijk, anderen ernstig of zelfvoldaan, weer anderen hevig ontzet of in tranen. Prinses Hendrikje wordt steeds nieuwsgieriger naar wat zich daarbinnen afspeelt en kan haast niet wachten tot zij aan de beurt is.
‘Hare Koninklijke Hoogheid prinses Hendrikje der Nederlanden!’ klinkt het eindelijk. Om haar heen hoort ze een verbaasd gemompel. Ze gaat binnen in een ruime kamer waar misschien wel zestig mensen zich in een soort van kring hebben opgesteld. Hoewel het vertrek een aantal grote ramen heeft zijn die allemaal gesloten en geblindeerd. In twee grote luchters branden tientallen kaarsen. Aan de muren hangen portretten van de koning en overdadig geborduurde kleden met jachttaferelen. In het midden staat een groot hemelbed met daarnaast op een soort lage stoel, een lichtblauwe zijden ochtendjas om de schouders, en geflankeerd door twee lakeien, een onooglijk mannetje met lange donkere krullen, een waterig snorretje en priemende donkere ogen in wie Hendrikje koning Lodewijk herkent. In een hoek van het vertrek spelen drie strijkers en een klavecinist een weinig geïnspireerde mazurka. De lucht die Hendrikje op de gang al rook, is hier veel sterker.
‘Ik kom voor mijn oom pleiten majesteit,’ zegt een wanhopig kijkende, knappe jonge vrouw.
‘Uw oom, mevrouw?’ antwoordt de koning vriendelijk. ‘Wat is er met hem?’
‘Hij zit al drie jaar in de gevangenis majesteit.’
‘Oh ja? En wat heeft hij dan uitgespookt, dat oompje van u?’ vraagt de koning.
‘Niets, majesteit. Tenminste, hij is nergens van beschuldigd.’
‘Hm,’ zegt de koning. ‘Dat is vreemd. En zijn naam?’
‘Kardinaal Snobinard.’
De koning denkt even na. ‘Ah, ik weet het weer,’ zegt hij dan. ‘Dat is die betweter die drie keer achter elkaar met domino van ons heeft gewonnen,’ fluistert hij tegen een raadsheer die naast hem staat, ‘drie jaar... dat lijkt me wel lang genoeg, niet?’
De raadsheer knikt minzaam.
‘Goed dat u gekomen bent mevrouw,’ zegt de koning opgewekt. ‘Wij kunnen uw verzoek inwilligen. Gefeliciteerd, doet u zijne eminentie onze hartelijke groeten!’
‘De volgende!’ roept de raadsheer.
‘Een moment!’ roept de koning: ‘Wij hebben aandrang!’
‘Attentie! Zijne majesteit heeft aandrang!’ roept de kamerheer. ‘A la Marcia! Moderato!’ waarop het ensemble meteen een kwieke mars inzet.
De koning balt zijn vuisten, knijpt zijn ogen samen en wordt vuurrood. Ademloos wacht het bezoek af wat er komen gaat.
Hij zit gewoon op de po! denkt Hendrikje bij zichzelf, die nu ook begrijpt wat ze al die tijd geroken heeft. De musici spelen luider en luider een stijgende reeks van hamerende akkoorden waarbij ze gespannen de verrichtingen van hun soeverein volgen. Deze ademt in, knijpt de ogen nog éénmaal geconcentreerd samen en ademt vervolgens langzaam uit.
‘Wij zijn klaar,’ zegt hij. Het ensemble brengt een heroïsche cadens en stopt met spelen.
De raadsheer trekt de po onder ’s konings stoel vandaan en inspecteert de inhoud. ‘Mag ik u feliciteren majesteit?’ spreekt hij plechtig. ‘Een prachtexemplaar. Uw kleine interne depressie is weer helemaal voorbij.’
Onder enthousiast applaus gaat de po de zaal rond. Het ensemble zet een vrolijke serenade in. En dan is Hendrikje aan de beurt.
‘Prinses Hendrikje der Nederlanden,’ zegt de raadsheer tegen de koning.
‘Prinses!’ zegt de koning. ‘Wat attent! U bent een plaatje mevrouw, Charmante!’
‘Mais elle est ravissante!’ fluistert hij tegen zijn raadsheer.
‘Het is mij een grote eer majesteit, dat u mij bij zo’n belangrijk ritueel hebt willen uitnodigen,’ zegt Hendrikje met een korte nijging. Met haar linkeroog geeft ze de koning de kleinst mogelijke knipoog.
Koning Lodewijk kijkt haar onderzoekend aan. ‘En waarmee kunnen wij u van dienst zijn mevrouw?’
‘Kan ik vrijuit praten?’ vraagt de prinses terwijl ze de koning blijft aankijken.
Deze kleurt en overlegt kort met zijn raadsheer. ‘U maakt ons nieuwsgierig madame.’
‘Wij hebben een gezamenlijk belang majesteit... of liever gezegd, een gezamenlijke vijand,’ zegt Hendrikje zachtjes.
‘Maar darling,’ zegt de koning eveneens zachtjes, ‘ik kan mij niet voorstellen dat zo’n beminnelijke jongedame als de prinses der lage landen ook maar één vijand op de wereld zou kunnen hebben. Noemt u mij de naam.’
‘Willem de la Roche majesteit.’
Het is even stil.
‘Maar die heb ik jaren geleden toch al verpletterend verslagen?’ zegt de koning dan.
‘Eh, jawel majesteit,’ Hendrikje is even van haar à propos, ‘maar helaas: onkruid vergaat niet,’ antwoordt ze dan diplomatiek.
De koning kijkt haar verbijsterd aan. Dan breekt er een brede glimlach door op zijn gezicht. ‘Onkruid! Ze zegt onkruid! Haha! Zóó geestig!’ Alle aanwezigen barsten spontaan in lachen uit tot de raadsheer een teken geeft en iedereen weer zwijgt.
‘Majesteit,’ gaat Hendrikje verder, ‘uw belang is de tol die Willem heft en weigert af te dragen. Mijn belang is mijn broer de kroonprins die Willem in zijn kasteel gevangen houdt.’
‘Ach nee!’ zegt de koning. ‘Uw arme broer! gevangen door die... plant! Die brandnetel... Kom! Wat was het ook al weer?’
‘Onkruid sire.’
‘Haha! Onkruid! Hahaha! Horen jullie dat, lieverds? Zóóóó geestig, cette Hollandaise!’ En weer barst het hele gezelschap in hysterisch lachen uit.
‘Genoeg kinderen,’ zegt de koning en klapt in zijn handen. ‘Wel?’ vraagt hij wanneer het weer stil is geworden.
‘Die Willem moet verdwijnen,’ zegt Hendrikje beslist. ‘Het is een schurk. En daarbij ondermijnt hij uw gezag.’
‘Meent u dat?’ vraagt de koning geschrokken. Hij denkt even na en fluistert iets tegen zijn raadsheer.
Deze knikt ernstig.
‘Welnu,’ zegt de koning, ‘kom, kom meisje, wat wil je van ons? Wij hebben niet de hele dag de tijd.’
‘Vijfhonderd soldaten, majesteit! Meer heb ik niet nodig. Aangevoerd door Luitenant-Generaal van Blitz.’
‘Vijfhonderd soldaten?!’ zegt de koning. ‘Maar... U maakt grapjes nietwaar? Ik heb u heus wel door! Ja, ja! U bent me er eentje!’
‘Vijfhonderd soldaten,’ herhaalt Hendrikje ernstig. ‘Voor u is dat een kleinigheid. En met de achterstallige tolgelden verdient u het dubbel en dwars terug.’
Koning Lodewijk weet niet wat hij moet zeggen. Hij fluistert nerveus met zijn raadsheer die gebaart dat hij het ook niet weet.
Even is het stil. Hendrikje blijft de koning rustig aankijken.
‘Madame,’ zegt deze uiteindelijk blozend. ‘Vijfhonderd soldaten kunnen wij u helaas niet toezeggen… U krijgt er driehonderd. Nou? Wat zegt u daarvan?’
Prinses Hendrikje maakt een diepe buiging en kust de haar toegestoken hand.
‘U bent betoverend mevrouw. Ik... Wij verwachten u vanavond aan onze tafel voor het diner! Daar staan wij op! De volgende!’
vrijdag 15 mei 2020
De prins en de zegelring - Afl. 58
Klaas ten Holt
Hoofdstuk 21 (vervolg)
‘Twintig man!’ barst Hendrikje uit tegen Luitenant-Generaal van Blitz wanneer ze de volgende dag verder reizen naar het hof van koning Lodewijk in Parijs, ‘van je familie moet je het maar hebben. Het is notabene om haar eigen dochter te redden!’
‘Ik ben zo vrij optimistisch te zijn mevrouw,’ antwoordt van Blitz opgewekt. ‘Een klein maar gedisciplineerd leger, slank afgetraind en goed in het uniform gestoken, kaarsrecht in het gelid, daar gaat iets van uit, dat heeft uitstraling.’
‘Ik heb het koud, geef me liever nog een deken,’ mokt de prinses.
In Parijs worden ze op het koninklijk paleis ontvangen door de ondersecretaris van de minister van Buitenlandse zaken. ‘Helaas kan zijne majesteit de koning pas morgen tijd voor u vrijmaken,’ zegt hij glimlachend, ‘u kent dat wel: druk, druk, druk!’
‘Geen erewacht?’ informeert Van Blitz.
‘Deze keer niet mon général,’ zegt de ondersecretaris. ‘Nederland is maar een klein landje. Kom, Ik laat u naar uw vertrekken brengen, u zult wel moe zijn van de reis.’
Vanaf haar balkon heeft Hendrikje een mooi uitzicht over de Franse hoofdstad, vergeleken waarbij Amsterdam maar een dorp lijkt. Het is een heldere nacht en bovendien windstil. Ze is nog nooit zo ver van huis geweest, maar ze voelt geen heimwee. Ze is blij dat haar vader haar deze missie heeft toevertrouwd en dat ze nu misschien iets voor haar broertjes kan doen.
‘Een klein landje,’ had de ondersecretaris gezegd. Dat gaf waarschijnlijk al aan hoeveel belang er aan haar bezoek werd gehecht. Tweehonderd man, zegt ze vastberaden tegen zichzelf wanneer ze in bed ligt. Tweehonderd! Ik ga niet weg voor Lodewijk me die heeft toegezegd.
De volgende morgen wordt de prinses al vroeg gewekt om zich klaar te maken voor de audiëntie. Zijne Majesteit heeft het te druk om iedereen persoonlijk te ontvangen maar tussen tien en elf mag ze aansluiten in de rij bevoorrechten die voor het ochtendceremonieel zijn uitgenodigd. Hendrikje heeft geen idee wat ze moet verwachten en staat lang voor de spiegel te twijfelen. Uiteindelijk kiest ze voor iets zakelijks, dat echter ook haar uiterlijk niet tekort doet, zodat ze zowel haar charmes als haar diplomatie in de strijd kan werpen.
De kamerheer die haar komt ophalen knikt haar bemoedigend toe. ‘Charmante,’ zegt hij vriendelijk. ‘Heeft u al wat gegeten?’
‘Ik... nee, ik dacht dat...’
‘Eet u even een broodje,’ zegt hij wijzend op een schaal die zojuist is gebracht, ‘en drinkt u ook wat. Zo’n audiëntie kan lang duren.’
‘En het ontbijt?’
‘Het ontbijt is daarna mevrouw. Zijne majesteit gaat uiterst efficiënt met zijn tijd om. Het ochtendceremonieel is voor de kleinere aangelegenheden, het ontbijt voor de ministers en de belangrijke gasten.’ Gegeneerd eet Hendrikje snel een broodje en drinkt een glas water. De kamerheer noodt haar hem te volgen.
Ze gaan een paar gangen door en steken een binnenplaats over. Al gauw heeft ze geen idee meer waar ze is, dit is wel even wat anders dan het Amsterdamse koninklijk paleis dat haar als kind zo eindeloos groot toescheen. Personeel, ambtenaren en gasten lopen af en aan. Sommigen knikken haar vriendelijk toe, anderen verwaardigen haar met geen blik. Overal in het paleis is het één en al opgewonden bedrijvigheid. Ze komt door de prachtigste zalen en vertrekken, volgehangen met landschappen, jachttaferelen en statieportretten en met beschilderde plafonds en enorme gouden luchters, maar ook door lege kamers waar zo te zien nooit gestookt wordt en de verf van de muren bladdert.
‘We zijn er zo, mevrouw,’ zegt de kamerheer.
Ze gaan een trap op, een hal door en komen dan in een lange gang die helemaal vol staat met mensen. Er wordt druk gepraat, soms gelachen en de één kijkt nog gewichtiger dan de ander.
‘Hier kunt u achteraan aansluiten mevrouw,’ zegt de kamerheer. ‘Na de audiëntie kom ik u weer halen.’ En weg is hij.
Hendrikje voegt zich in de rij en voelt zich erg ongemakkelijk. Niemand lijkt enige notie van haar te nemen. Het is warm en benauwd in de slecht geventileerde gang en het ruikt er naar zweet en slechte adem. Al snel sluiten zich achter haar alweer nieuwe genodigden aan.
‘Pardon juffrouw, heeft zijne majesteit een goed humeur vandaag?’ vraagt iemand.
‘Ik zou het niet weten mevrouw, ’antwoordt Hendrikje beleefd.
‘Een buitenlandse. Laat maar zitten,’ zegt een ander met gefronste wenkbrauwen.
‘Mijn ridderorde! Ik ben hem vergeten,’ roept iemand verschrikt en spoedt zich weer weg uit de rij. Hoongelach is zijn deel. Af en toe schuift men een stukje op. Hendrikje kan niet zien of het om de hoek nog veel verder gaat.
‘Zo geestig,’ zegt een jongeman met een zijden waaier en een ongezonde huidskleur, die van de andere kant komt, ‘zijne majesteit is zó geestig vandaag! Hihihi!’
‘Dat is graaf Serpillière,’ fluistert iemand haar toe, ‘hij schijnt helemaal uit de gratie te zijn.’
Een stukje vóór haar in de rij zakt iemand in elkaar en komt languit in het gangpad te liggen. ‘Baronesse de Malingre is onderuit gegaan,’ fluistert men, ‘het arme kind: haar eerste audiëntie! Haar moeder heeft er maanden voor gelobbyd.’
‘Nét goed!’ sniert iemand. Een oudere dame probeert wanhopig de baronesse met vlugzout weer overeind te krijgen, maar ze staat nog niet op haar benen of daar gaat ze alweer. Na nog twee pogingen is duidelijk dat het niet meer gaat lukken. Het arme kind is inmiddels ook niet meer presentabel. Lijkbleek en met de ogen vol tranen strompelt ze weg aan de hand van haar moeder.
Langzaam schuift Hendrikje mee met de rij. Van om de hoek klinkt muziek: een strijkje met een klavecimbel. Ze voelt dat ze zelf ook flauw begint te worden. Het is wel duidelijk dat koning Lodewijk haar bezoek geen enkel belang toekent. Ze laat zich hierdoor echter niet van de wijs brengen. Tweehonderd soldaten zal hij haar meegeven! Voor minder doet ze het niet!
Eindelijk schuift de rij de hoek om. Nog een meter of tien, schat ze, tot aan de koninklijke vertrekken. Een minuut of twintig als het tempo gelijk blijft. Vanaf hier verstommen de gesprekken en blijft iedereen keurig op zijn beurt wachten. Er hoort kennelijk muziek bij het ochtendritueel. Het ensemble speelt een mazurka. Ze heeft geen idee wat haar binnen te wachten staat.
Hoe dichter ze bij haar einddoel komt, hoe benauwder het wordt en hoe bedompter de lucht. Het ruikt hier bepaald onfris, denkt Hendrikje bij zichzelf. Waarom kan er niet ergens een raampje open?
woensdag 13 mei 2020
De prins en de zegelring - Afl. 57
Klaas ten Holt
Hoofdstuk 21 - Waarin prinses Hendrikje haar eerste diplomatieke reis onderneemt.
Het sneeuwt nog altijd in de lage landen. Een statig rijtuig met vier witte paarden ervoor, begeleid door een escorte van tien soldaten rijdt in volle galop de zuidelijke stadspoort van Amsterdam uit. In de cabine zitten prinses Hendrikje en Luitenant-Generaal Agamemnon van Blitz. Ze zijn op weg naar Rouen en Parijs om hulp te vragen voor een belegering van het kasteel van Willem de la Roche. Voor prinses Hendrikje wordt het de eerste keer dat ze namens haar vader een belangrijke diplomatieke missie mag vervullen, ze is dan ook vastbesloten te slagen. Ongeduldig kijkt ze uit het raam naar het vlakke witte landschap dat traag aan haar voorbijglijdt.
Luitenant-Generaal van Blitz praat honderduit, maar ze kan haar aandacht er moeilijk bij houden. ‘Zo’n belegering kan jaren duren hoogheid,’ zegt hij, ‘en er valt over het algemeen weinig eer aan te behalen. In het open veld daarentegen...’
‘Bent u wel eens in Rouen geweest, Luitenant-Generaal van Blitz?’
‘Agamemnon, hoogheid. Maar noemt u mij liever Menno,’ zegt hij vriendelijk. ‘Nog nooit hoogheid, helaas.’
‘Helaas?’
‘Ziet u hoogheid, vroeger kwam je als soldaat nog wel eens ergens, begrijpt u. Op de een of andere veldtocht of campagne bijvoorbeeld. Dan marcheerde je ergens heen. Je trok een vreemde stad binnen. Exotisch! Een overdaad aan indrukken. Cultuur!’
‘En dan regen jullie alle inwoners aan je zwaard, plunderden de hele boel en staken de fik er in?’ vraagt prinses Hendrikje.
‘Dat is inderdaad gebruikelijk hoogheid,’ bevestigt de Luitenant-Generaal, ‘maar desalniettemin krijg je toch een indruk, proef je iets van de... hoe zal ik zeggen? Van de sfeer.’
‘Maar Rouen hebt u nooit geplunderd, begrijp ik?’
‘Helaas, neen prinses.’
‘En heeft u veel van dat soort veldtochten meegemaakt, Luitenant-Generaal?’
‘Niet één, hoogheid.’
‘Maar...’
‘Alles vóór mijn tijd mevrouw, ik heb het allemaal slechts van horen zeggen.’ Er klinkt teleurstelling door in zijn stem.
‘Soldaat in vredestijd, je moet het maar treffen,’ zegt prinses Hendrikje met een zucht.
‘Ach, we mogen niet klagen,’ zegt de militair berustend, ‘dat staat heel duidelijk in ons contract. En het blijft een mooi beroep.’
‘Maar wat doet u dan zoal de hele dag met dat leger van u, als ik vragen mag?’
‘Marcheren,’ zegt de Luitenant-Generaal enthousiast. ‘Strak in het gelid. Vlaggenparade, defilé. Oefenen! Perfectioneren!’
‘En verder?’
‘Verder hoogheid? De uniformen bijhouden, knopen aanzetten, stijven, strijken en afborstelen. En de laarzen natuurlijk.’
‘De laarzen?’
‘Jazeker mevrouw. Poetsen, poetsen en nog eens poetsen. Mag ik u vragen hoogheid,’ de Luitenant-Generaal kijkt prinses Hendrikje veelbetekenend aan, ‘wat is volgens u het allerbelangrijkste voor een frontsoldaat in welke veldslag dan ook?’
‘Nou?’ zegt Hendrikje, die niet héél erg benieuwd naar het antwoord is.
‘U weet het niet?’ vraagt de Luitenant-Generaal triomfantelijk.
‘Vertelt u het mij, ik brand van nieuwsgierigheid.’ De prinses probeert een geeuw te onderdrukken.
‘Altijd onberispelijk gepoetste laarzen hebben! Jawel! Dat straalt discipline, rust en overwicht uit. Het brengt de vijand in verwarring.’
‘U bent een strateeg,’ zegt Hendrikje terwijl ze haar nagels inspecteert.
‘U lacht er misschien om, maar ik zweer erbij,’ zegt de militair beslist. ‘Het leer moet glimmen, anders kun je net zo lief thuis blijven. Wanneer Luitenant-Generaal Agamemnon van Blitz zijn leven geeft voor vlag en vaderland, laat dan niemand zeggen: kijk daar ligt Menno, hij had zijn laarzen wel eens mogen poetsen. Volgt u mij?’
‘Ik geloof dat ik even een dutje ga doen, Aga... Menno,’ zegt prinses Hendrikje. ‘Maakt u mij over een uurtje wakker?’
De reis verloopt voorspoedig en halverwege de derde dag bereiken ze het grafelijk kasteel te Rouen. Gravin Isabella heet de delegatie welkom en verontschuldigt haar echtgenoot die ziek op bed ligt.
‘Hij zegt dat hij stervende is,’ zegt de gravin, ‘maar volgens mij stelt hij zich aan.’
‘Wat heeft hij dan?’ vraagt Hendrikje bezorgd.
‘Vage klachten, prinses. Hoofdpijn, buikpijn, spierpijn, angsten en zweetaanvallen. Mijn man komt al weken zijn bed niet meer uit. Ik sta hier overal alleen voor.’
Van Blitz inspecteert ondertussen de erewacht. ‘Geen discipline, hoogheid,’ is zijn oordeel. ‘Dáár kun je geen oorlog mee winnen. Hebt u die uniformen gezien? En die láárzen? Nee, dan onze jongens!’
’s Avonds aan het diner valt Hendrikje meteen maar met de deur in huis. De gravin luistert beleefd, doch vertoont weinig enthousiasme. ‘Willem de la Roche? Altijd weer die Willem de la Roche. Kunnen we die zaak niet eindelijk eens laten rusten,’ moppert ze.
‘Gravin,’ dringt Hendrikje aan, ‘we weten zéker dat hij achter die ontvoering zit. Zoiets kunnen we toch niet over onze kant laten gaan? Wilt u uw dochter dan niet terugzien?’
‘Ik bid u, prinses,’ antwoordt gravin Isabella, ‘u hebt er geen idee van hoe intens ik lijd, wat ik doormaak.’ Met een gekwelde blik schenkt ze haar glas nog eens vol.
‘U ook nog een cidre?’
De prinses knikt. ‘Maar samen kunnen we die schurk toch op de knieën krijgen mevrouw? Met tweehonderd Nederlandse soldaten, honderd Normandische en nog eens tweehonderd man van koning Lodewijk erbij moet het gemakkelijk lukken.’
‘Koning Lodewijk!’ schampert de gravin, ‘Die is al eens eerder door ridder Willem verslagen, die zal niet nóg eens zijn handen willen branden aan een zaak die voor hem geen enkel belang heeft.’
‘Toch wel, gravin,’ zegt Hendrikje, ‘koning Lodewijk eist al jaren tevergeefs zijn deel van Willems tolopbrengsten op. Tweehonderd soldaten zal hij er heus wel voor over hebben.’
‘Om opnieuw verslagen te worden?’ onderbreekt de gravin haar. ‘Dat leger van hem had indertijd geen enkel plan. Ze dachten dat ze vanzelf wel zouden winnen, Daar moet u mijn man eens over horen!’
‘Dat zal ditmaal anders zijn mevrouw,’ zegt de prinses zelfverzekerd. ‘Deze keer wordt het leger aangevoerd door onze Luitenant-Generaal van Blitz. Een briljant strateeg met hele specifieke ideeën over moderne oorlogsvoering.’ Ze knikt naar de Luitenant-Generaal die aan zijn kraag frunnikt. ‘Het is bovendien de enige kans om uw dochter weer te zien, gravin. Een kans die u niet voorbij mag laten gaan.’
‘Mijn dochter,’ verzucht de gravin. ‘Ik vraag me wel eens af of ze niet beter gewoon met die Willem had kunnen trouwen.’
‘Mevrouw?’
‘Daarmee had ze ons in elk geval een hoop ellende bespaard. Maar nee! Zij moest natuurlijk weer zo nodig...’ Op dat moment wordt het hoofdgerecht opgediend.
‘Zo nodig?’ vraagt prinses Hendrikje.
‘U bent trouwens wel erg zeker van uw zaak, prinses,’ vervolgt de gravin bits.
De prinses antwoordt niet maar prikt met haar vork in haar eten. Een hartig pannenkoekje zo te zien, de Normandische keuken valt haar een beetje tegen.
‘Twintig man kan ik u zó meegeven,’ zegt de gravin uiteindelijk, ‘vijfentwintig wellicht, maar honderd man? Dat moet ik echt eerst met mijn man overleggen. En u begrijpt: onder de huidige omstandigheden...’
‘Twintig man,’ herhaalt de prinses koeltjes, ‘dat is minder dan ik gehoopt had, maar enfin, elke soldaat is er één. Ik dank u voor uw bijdrage.’
‘Op dit moment is het helaas alles wat ik voor u kan doen. Zodra de graaf zich wat beter voelt, zal ik met hem spreken. Méér kan ik u niet beloven.’
De prins en de zegelring - Afl. 56
Klaas ten Holt
Hoofdstuk 20 (slot)
De laatste gerechten gaan uit, sommige gasten nemen nog een dessert, de tafel aan het raam krijgt eindelijk haar wijn maar wil die niet meer, Cornelis ruimt op en de waard wast af. Wanneer de keuken helemaal aan kant is, hangen de twee zwagers hun schorten aan een haak en schuiven aan bij de twee van de overval.
‘U vindt het toch wel goed dat we er even bij komen zitten?’ vraagt de waard, terwijl hij vier glaasjes en een fles brandewijn op tafel zet.
‘Zeker,’ zegt de grootste van de twee, ‘Mijn naam is overigens Diederik. Wij komen uit Saint-Hubert, het klooster.’
‘Aangenaam! Zeer aangenaam,’ zegt Cornelis. ‘U ziet er niet uit als geestelijken. Was de dagschotel naar wens?’
‘Heerlijk, voortreffelijk,’ zegt Diederik, ‘U heeft het goed gezien. Ik ben de nieuwe rentmeester van het klooster. Wij zijn voor de markt naar Marche gekomen.’
‘Dat doen we nooit weer,’ zegt zijn metgezel boos. ‘Niet zonder een gewapend escorte in elk geval.’
‘Dit hier is mijn assistent Louis,’ zegt Diederik met een knipoog.
‘Struikrovers, ladelichters en tassenknippers,’ moppert Louis.
‘Wat u zegt,’ bevestigt de waard. ‘Zó kan het niet langer, dat is wel duidelijk.’
‘Er moet iets gebeuren, en snel ook,’ zegt Cornelis die intussen vier glaasjes heeft ingeschonken.
‘De schouten,’ meent Louis, ‘dat is toch duidelijk een taak voor de schouten?’
‘Ach mijn beste meneertje,’ zegt de waard, ‘de schouten? Die zijn maar met z’n zessen hier in Marche.’
‘Waarvan ook nog eens drie vrijwilligers,’ vult Cornelis aan.
‘Een poesje uit een boom halen.’
‘Of een schooljongen een draai om de oren geven.’
‘Maar Willem de la Roche ter verantwoording roepen?’
‘Dat is een heel ander verhaal.’
‘Radbraken! Vierendelen!’ roept Louis weer.
‘Ja, ja, dat is natuurlijk ook de bedoeling, maar dan zullen we toch echt zelf iets moeten ondernemen.’
‘Koning Lodewijk reageert namelijk niet op onze petities. En de schouten, nu ja…’
‘Ah, daar vertrekken de laatste gasten,’ zegt de waard. ‘Eén momentje alstublieft.’ Hij haast zich naar de deur om die open te houden.
‘Wel thuis,’ zegt hij, ‘ik hoop dat u een leuke avond hebt gehad. Misschien tot ziens?’
‘Tot ziens?’ is het antwoord. ‘Niks tot ziens.’
‘We komen hier nóóit meer!’
‘Onbeschofte bediening!’
‘Eerst ons een uur laten wachten en dan nog de verkeerde wijn brengen ook!’
‘Het is een schandaal!’
De waard sluit zonder één woord de deur achter ze en keert terug naar zijn tafel. ‘Er gaat niks boven een tevreden klant, zal ik maar zeggen,’ glimlacht hij. ‘Waar waren we gebleven? Willem de la Roche.’
‘Ik voel er wel wat voor,’ zegt Diederik enthousiast.
‘Ik ook,’ roept Louis. ‘Althans, niet zelf natuurlijk, maar er moet wel wat gebeuren. Dat staat vast.’
‘Hoeveel man denken jullie op de been te kunnen brengen?’ vraagt Diederik zakelijk.
‘Hoeveel hebben we er nodig?’ vraagt Cornelis.
‘Dat hangt er van af...’
‘Een belegering lijkt me uitgesloten,’ zegt de waard. ‘Het moet een simpel plan zijn dat je met een paar man kunt uitvoeren. Een hinderlaag bijvoorbeeld.’
‘Maar hoe krijgen we Willem zijn kasteel uit, en op de plek waar we hem willen hebben?’ vraagt Cornelis. ‘Hebben we dan geen hulp van iemand uit La Roche nodig?’
‘Platbranden,’ zegt Louis. ‘Uitroken en platbranden dat roversnest!’
‘Ik denk dat ridder Willem zijn kasteel alleen uitkomt als hij denkt dat er ergens voor hem wat te halen valt,’ meent de waard. ‘Maar hoe komen wij dat te weten?’
‘Hm,’ zegt Diederik bedachtzaam, ‘we kunnen hem natuurlijk ook zelf een tip geven.’
‘Maar...’
‘Een geldtransport bijvoorbeeld... of juwelen... zoiets zou hem toch moeten interesseren?’
‘Jawel, maar hoe komen wij daarachter?’
‘Het hoeft toch geen écht transport te zijn? Als wij maar klaar staan met een man of twintig, goed voorbereid en op de juiste plaats…’
‘Ah,’ zegt de waard. ‘We lokken hem met valse informatie en dan...’
‘Hakken we hem in de pan,’ roept Louis. ‘En dan hangen we al dat tuig gelijk...’
‘Hou jij nou eens even je mond,’ zegt Diederik geïrriteerd, ‘en blijf van die brandewijn af, je hebt al meer dan genoeg gehad.’ Hij schuift de fles zo ver mogelijk van Louis vandaan. ‘Wat ik zeggen wou...’, gaat hij verder, ‘als we nou eens contact zochten met één van Willems handlangers... informeel... liefst met een lekker flesje erbij op tafel...’
‘Matthis,’ zegt de waard. ‘Matthis is Willems rechterhand. Die komt af en toe hier in Marche.’
‘Dan bieden we hém de eerst volgende keer een gouden tip aan: een juwelentransport van Saint-Hubert naar Marche.’
‘Er moet natuurlijk wel wat tegenover staan, anders gelooft Willem het nooit,’ zegt Cornelis.
‘Precies,’ knikt Diederik, ‘in ruil voor een deel van de buit geven wij Willem alle informatie die hij nodig heeft.’
‘Maar dan hebben we nog steeds veel mensen nodig,’ zegt de waard. ‘Voor een overval op een juwelentransport zal Willem echt niet alléén komen.’
‘Wél als we hem laten geloven dat er maar een paar soldaten meereizen: een geheim transport met een klein escorte om geen argwaan te wekken. Zoiets gebeurt wel vaker.’
‘En hoe komen wij aan die informatie? Dat zal Matthis zeker willen weten voor hij het aan zijn meester vertelt,’ vraagt Cornelis.
‘Van de rentmeester zelf,’ antwoordt Diederik vrolijk. ‘De nieuwe rentmeester van Saint-Hubert is namelijk corrupt!’
‘Geniaal!’ vindt de waard.
‘Daar drinken we op,’ zegt Louis hoopvol.
‘Twintig man,’ zegt Diederik beslist. ‘Met twintig man zou het moeten lukken. Kunnen jullie dat regelen?’
‘Absoluut,’ zegt de waard. ‘Twintig is geen probleem.’
dinsdag 12 mei 2020
De prins en de zegelring - Afl. 55
Klaas ten Holt
Hoofdstuk 20 (vervolg)
‘Kijk eens aan: dat ziet er goed uit,’ zegt Cornelis terwijl hij een eendenpaté uit de oven haalt en op een schaal omkeert. ‘Volgens mij is de ergste drukte nu voorbij. Ik snij een stukje voor je af, als jij nou eens twee glaasjes port inschenkt?’
‘We moeten ons verenigen,’ roept de waard uit, ‘dát moeten we doen.’
‘Maar we zijn toch al verenigd? Jij doet de gasten en houdt een oogje in het zeil bij de bediening, en ik doe de keuken!’
‘Luister nou, ik heb het niet over de herberg.’
‘En… wat denk je?’ vraagt Cornelis gespannen.
‘Dat zeg ik toch: we moeten ons...’
‘Ja ja, ridder Willem. Maar wat vind je van de paté?’
De waard neemt een hap en slikt door. ‘Heerlijk,’ zegt hij. ‘Maar nu moet je echt even naar me luisteren.’
‘Je hebt helemaal niet geproefd,’ zegt Cornelis beledigd. ‘Maar goed, ik luister.’ Omdat zijn zwager het niet doet, schenkt hij zelf maar twee glaasjes in.
‘Zo kan het niet langer; dat ben je toch met me eens,’ begint de waard. ‘Buiten de steden ben je je leven niet meer zeker.’
De kok knikt instemmend.
‘En we weten allemaal wie er achter die overvallen zit, nietwaar?’
‘Ridder Willem,’ beaamt Cornelis.
‘Precies. Maar niemand durft iets tegen hem te ondernemen.’ Op dat moment zwaait de deur naar de keuken open. ‘Wij willen graag nog een karaf rode wijn,’ zegt een boos kijkende gast.
‘Pardon?’ reageert de waard verbaasd.
‘Een karaf rode wijn! Heeft u misschien iets aan uw oren?’
‘Dit is de keuken meneer. U kunt gewoon bij een van onze obers bestellen.’
‘Dat probeer ik al méér dan een half uur, maar zonder resultaat.’
‘Ik stuur gelijk iemand naar uw tafel. Waar zit u?’
‘Aan het raam!’ schreeuwt de man. ‘Wij zitten aan die grote tafel bij het raam!’
‘Windt u zich niet op, gaat u rustig zitten, er komt zó iemand bij u.’
Cornelis brengt ondertussen port, rode bessen, kruidnagels en muntblaadjes in een klein koperen pannetje aan de kook.
‘Sommige klanten,’ zegt de waard hoofdschuddend, ‘dat geloof je toch niet?’ Hij schenkt nog twee glaasjes in en pakt er een stoel bij. ‘Het gaat erom dat we genoeg mensen bij elkaar krijgen die iets tegen Willem durven te ondernemen.’
‘Maar wat zou je willen doen? Zijn kasteel belegeren? Daar heb je minstens tweehonderd man voor nodig. Zoveel mensen krijgen we nooit op de been. En dan nog: hij zou je vierkant uitlachen vanaf zijn kasteelmuur.’
‘Dat is waar,’ verzucht de waard, ‘een belegering zou zinloos zijn, en veel te duur ook. Maar er moet toch iets anders te verzinnen zijn?’
‘Het zou buiten de muren van zijn kasteel moeten gebeuren,’ zegt de kok stellig. ‘Een hinderlaag.’
‘Maar dan zouden we iemand in het kasteel moeten omkopen om ons te waarschuwen wanneer Willem er weer eens op uit trekt.’
Ze zwijgen een tijdje.
‘Lambert!’ roept Cornelis uit.
‘Nee,’ zegt de waard, ‘die drinkt te veel... en als hij gedronken heeft...’
‘Dan praat hij zijn mond voorbij, dat is waar,’ beaamt Cornelis. ‘Niet geschikt voor een samenzwering.’ Hij gooit een klontje boter in zijn pannetje en roert dat er voorzichtig doorheen. ‘Zo, dat is ook weer klaar,’ zegt hij tevreden terwijl hij aan de bel trekt.
‘Ik maak nog een rondje door de zaal,’ zegt de waard, ‘dan zal ik meteen even kijken of die mensen bij het raam nog iets willen.’ Hij ziet dat er ondertussen een tafel is vrijgekomen. ‘Als u mij wilt volgen,’ zegt hij tegen de twee bij de haard, ‘ik heb een mooi tafeltje voor jullie.’
‘Brengt u ons twee dagschotels en een karaf rode wijn,’ zegt de grootste van de twee.
‘Komt eraan,’ zegt de waard, ‘en die brandewijn is van het huis. Voor de schrik.’
‘Ophangen dat tuig,’ zegt de kleinste.
‘Aan de hoogste boom,’ stemt de waard in, ‘maar dan moeten we ze eerst wel even gevangen nemen natuurlijk.’
‘En waarom gebeurt dat niet?’
‘Ach weet u,’ antwoordt de waard, ‘gaat u eerst rustig eten. Als het straks wat stiller is, kunt u mij misschien nog eens precies vertellen wat u hebt gezien en meegemaakt.’
‘Als ik het voor het zeggen had,’ zegt de kleine weer.
De waard knikt vriendelijk en gaat terug naar de keuken om de bestelling door te geven en om een karaf rode wijn in te schenken. De wijn geeft hij mee aan iemand van de bediening. ‘Voor die twee in de hoek, en ga meteen even kijken wat die mensen bij het raam willen. Doe dat eerst maar even,’ zegt hij terwijl hij voor zijn zwager en zichzelf nog een glaasje port inschenkt.
‘Vervelende lui,’ zegt de ober.
‘Ga er toch maar even heen. Kijken wat ze willen.’
De ober loopt de keuken uit en gaat naar de tafel bij het raam. ‘U wilde nog iets bestellen?’ vraagt hij koeltjes.
‘Zo, bent u daar eindelijk,’ is het antwoord.
‘U werkt hier zeker nog maar kort?’ vraagt een ander.
‘Pardon?’ antwoordt de ober.
‘Zet die karaf nou maar vlug op tafel, we wachten al zeker drie kwartier,’ zegt de eerste.
‘Geen sprake van,’ antwoordt de ober boos, ‘die is niet voor u.’
‘Wat krijgen we nou? Niet voor ons?’
‘Als u iets wilt hebben moet u dat eerst bestellen... en als u zich niet weet te gedragen dan gaat u maar ergens anders heen. Welnu... één karaf rode wijn wordt het dus?’
Het gezelschap staart hem verbluft aan.
‘Eén karaf rood? Komt er aan.’ De ober brengt zijn karaf weg, en gaat terug naar de keuken om een nieuwe te vullen.
‘Eérst die desserts wegbrengen,’ zegt Cornelis. ‘Die wijn kan wel even wachten.’ Hij neemt een slok van zijn port. ‘Al met al vrij hopeloos dus,’ zegt hij dan.
‘Sorry?’ vraagt de waard.
‘Ridder Willem bedoel ik.’
‘Ik weet het niet, er moeten toch zo langzamerhand een heleboel mensen zijn die zijn bloed wel kunnen drinken.’
‘Jawel, maar een beleg...’
‘Nee, geen beleg. We moeten iets anders verzinnen: hem in de val lokken.’
‘Makkelijk gezegd.’
‘Die twee die het laatst binnen zijn gekomen...’
‘Van die dagmenu’s?’
‘Ja, die. Die hebben het er ternauwernood levend vanaf gebracht bij een overval van Willem en zijn mannen net buiten de stadspoort. Volgens mij zijn die overal voor in.’
‘Misschien moeten we straks even een praatje met ze maken. Bied ze een glaasje aan, als die mee willen doen, zijn we al met z’n vieren.’
Abonneren op:
Posts (Atom)






