zondag 9 mei 2021

 


 

In oktober 1965 gingen mijn ouders, toen 29 en 30 jaar oud, Kees ten Holt (1935 - 1990) en Ursula Roth (1934 - 1981) uit elkaar. Mijn moeder nam mij (5 jaar oud) mee naar Israel, om zich met mij in de nieuwe heilstaat te vestigen in kibboets Lahav in de Negev. Mijn ouders schreven elkaar dagelijks, en al snel werd duidelijk dat ze moeilijk zonder elkaar konden. De volledige correspondentie (in ca. zeventig brieven) is bewaard gebleven.
(afl. 69)


 

Lahav, donderdag 20 januari 1966, Ursula

lieve Kees,

ik schrijf je uit een ontzaglijke behoefte met je te praten. Ik denk na over onze laatste dagen samen, en ik ben werkelijk verbijsterd, ‘hoe hebben we dit allemaal kunnen verdragen?’, begrijp jij er nog iets van? Überhaupt 'hoe hebben we alles kunnen verdragen?’ Het schijnt mij nu veeleer zo natuurlijk dat we terugkomen, alsof dit altijd de bedoeling was.
Nog sterker: het was de bedoeling. Ik herinner me dat ik pas ben begonnen te pakken op de laatste dag, en dat ik met alles gewoon ben doorgegaan tot de laatste dag, en hier? Ik zou wel ieder moment willen inpakken, ik ben al lang half weg. Hoe kan dit toch allemaal? En is dit nu de waarheid die ik opschrijf? Of zie jij het niet zo? En wat je schreef over wat ik in het laatste moment voor je had opgeschreven en wat je als min of meer “profetisch” beschouwde? Was dat een expressie van ware diepe en onbewuste gevoelens, wat was het?
    Het duizelt me een beetje, en dit is geen frase. Hoe hebben we geleefd, de laatste maanden? Het is geen wonder dat we niet meer konden slapen, hartkloppingen hadden, vermagerden, ziek waren, kalmerende middelen moesten slikken. Zoiets mag nooit meer gebeuren! Psychiaters zijn geen uitkomst hierin. Hiermee wil ik niets afdoen aan de steun die ik van Musaph gehad heb. We moeten al onze krachten geven aan een uiterste verbondenheid, vertrouwen, oprechtheid, begrip, steun, hulpvaardigheid. We hebben veel gepraat, dat is waar, maar wat voor een soort licht scheen er over dit alles? Ik kan het zelf niet peilen. Er was geen eenheid in ieder geval, geen liefde geloof ik, geen echte liefde voor elkaar. Heb ik het dan allemaal alleen gedaan, zoals jij zegt? Maar waarom heb jij mij dit dat allemaal laten doen? Hoe moeten we elkaar helpen, duwen in de goeie richting? We moeten helemaal overnieuw beginnen met als achtergrond onze ervaringen, vanuit die ervaringen. We moeten elkaar meer liefhebben.
    Hoe het precies moet weet ik niet, we moeten kameraden zijn, alles weer samen doen. Ik ben ontzettend moe, ik kan mijn gedachten niet goed verzamelen, ik wil iets zeggen en ik kan het niet formuleren, ik voel een grote spanning.
    Ik verheug me op ons samenzijn, ik ben niet bang. Het zal moeilijk zijn, maar wat geeft het. Alles is moeilijk, dit is net zo moeilijk als leven. Ik voel me zo warm. En hoe ben jij? Wij kunnen met elkaar op geen enkele manier aan de oppervlakte blijven, we moeten elkaar nog beter leren kennen, elkaars diepste gevoelens begrijpen, alleen dan kunnen we tegenstellingen oplossen. Liefje, we zullen het wel zien.
    Ik heb nog steeds geen reispapieren, die moeten nu toch wel eens komen. Ik wil ze gewoon in mijn handen hebben, dan is alles klaar. Het leven bestaat wel erg uit etappes als je het zo bekijkt, ik ben nog steeds op weg, ik ben op weg naar een onbekend doel en jij ook en iedereen, alleen het verschil is dat wij er ons van bewust zijn en doorlopen, terwijl veel mensen halverwege blijven staan met een vaag gevoel dat dit niet datgene was waar ze hadden willen zijn, maar ze hebben geen kracht om verder te gaan, en ze weten ook niet zeker of dat wel moet, en waarheen. Ik zal je alle andere mogelijkheden besparen, ik ben geen filosoof. Jet kent haar doel wel, spelen en vogels vangen. Ze is stierlijk vervelend met haar gespring de kamer rond, alles vernielend met haar scherpe tandjes, op het moment is ze bezig mijn koffer op te vreten. Ze is de enige kat met een naam in de kibboets, alle andere (voor het eerst wordt er geschoten, vlakbij, weer! bovenop, boven, langs mijn huis) andere poezen zoals ik zei, heten “Mietzie”. (wie is het?) Ik veracht mijn eigen nieuwsgierigheid en sensatiezucht. Wie kan binnen willen sluipen? Iedereen weet toch dat de kibboets overal bewaakt wordt, en vooral daar op de berg, bij het waterreservoir. Ik ben nog niet genoeg insider om werkelijk te beseffen wat er aan de hand is, de spanning tussen Arabieren en Israëli’s.
    Denk eens dat er in Nederland een bevolkingsgroep zou zijn die potentieel destructief was (openlijk als de machten erachter machtig genoeg waren een inval te doen, vergelijk N.S.B. vroeger en Neo Nazi’s nu) en in het geheim wroeten en werken aan je vernietiging. Altijd moet je alles bewaken, anders wordt het vernield. Hier is natuurlijk een heel sterke bewaking omdat het zo dicht bij de grens is, een poos geleden werd er hier een jongeman herdacht die doodgeschoten werd in zijn werk op de akkers tien jaar geleden. De sensatie is er voor de mensen hier wel af.
    Er kwam net iemand zeggen dat ik niet bang hoefde te zijn, dat het niet dichtbij was, en dat ze nog niet wisten wat het was, en dat er hier bewaking kwam. Ik ben totaal niet bang, zo te zien kan er hier niemand in, ik woon wel dicht bij het hek, maar ik woon ook dichtbij de bewaking. Voor ons zou het alleen gevaarlijk worden als er gevochten zou worden, en dan zou ik ergens anders gaan zitten met Klaas. Wat zijn toch die sensatie gevoelens, ik heb toch al een hele oorlog achter de rug, en hoe vreselijk zou het zijn als er iets gebeurde.
    Jet is ook naar buiten gegaan om de hond die vlakbij woont te pesten. Ze is een echt wild dier, ze sluipt altijd door het gras, overdag gaat ze nooit midden over het grasveld voor ons huis, ze blijft altijd tussen de bomen, maar ’s avonds loopt ze er wel overheen, als wij dan naar huis komen, komt ze ons een heel eind, al schreeuwend tegemoet. Het is zo grappig om ieder moment dat je je huis nadert met een enorm geschreeuw van verre verwelkomd te worden. Volgens mij schreeuwt ze alleen maar ‘heb je eten?!!! Wat heb je voor me meegebracht?!’ Maar het klinkt als ‘Hallo, fijn dat je er bent!’ Ze springt ook altijd om je heen, gaat over de grond rollen en loopt voor je voeten, keihard spinnend.
    Liefje, ik ga naar bed. Ik hoop dat er morgen een brief van je is. Omhelsd door mij en Klaas. Ursula.

donderdag 6 mei 2021

 


 

In oktober 1965 gingen mijn ouders, toen 29 en 30 jaar oud, Kees ten Holt (1935 - 1990) en Ursula Roth (1934 - 1981) uit elkaar. Mijn moeder nam mij (5 jaar oud) mee naar Israel, om zich met mij in de nieuwe heilstaat te vestigen in kibboets Lahav in de Negev. Mijn ouders schreven elkaar dagelijks, en al snel werd duidelijk dat ze moeilijk zonder elkaar konden. De volledige correspondentie (in ca. zeventig brieven) is bewaard gebleven.
(afl. 68)

 

Lahav, maandag 17 januari 1966, Ursula

lieve Kees,

het is nu 10.15 uur. Ik ben net thuis, ik besloot vanavond eens uit te gaan, naar het “Moadon”, het nieuwe feestgebouw. Moshé was thuis en Klaas vond het best. Ik ging er om kwart voor negen heen. Het was er koud, geen koffie, niets. Iedereen sprak op fluistertoon, niets aan. Ik las een paar Times en Newsweek en Life, en toen ben ik weer naar huis gegaan, heb de kachel aangestoken en koffie gezet.
    Ik weet niet wat dat is met deze mensen, als je ook maar een beetje hard praat, roept iedereen sssssst! Er is soms geloof ik wel koffie. Je moet elkaar al erg goed kennen om je hier te kunnen amuseren. Maar het ziet er beeldig uit. Ik hoop voor hen dat er gauw wat meer leven in de brouwerij komt. Ik heb wel indertijd van Charlie gehoord dat er in andere kibboetsen wel bars zijn, of dergelijke, met muziek en dansgelegenheid. Ik hoef niet te dansen, maar een glas bier en lawaai of een jukebox zou me wel aanstaan. Zoiets is hier geloof ik ondenkbaar. Ze moeten wel wat spannender lectuur geven willen ze de rust bewaren, help, help, het Moadon is ook veel te mooi, als je eens je koffie omgooit. Je moet ook alles keurig terugbrengen en terugzetten. Geef mij maar Hoppe.
    Nu ik toch wegga, kan ik ook rustig constateren dat ik hier niet pas in de kibboets. Bijvoorbeeld ’s morgens als ik niet wil opstaan, zoals vanmorgen ben ik pas om acht uur opgestaan, niemand zegt er iets van, je moet het zelf weten, je werkt gewoon iets langer door. Maar daar had ik nu juist óók geen zin in. Als je gewoon vrij bent, kost het je alleen maar tijd of geld, maar je kunt het wel doen, hier heb je een verantwoording, je kunt niet zeggen ‘geef mij vandaag dan maar geen vlees of fruit of koek.’ Dat gaat niet. Je kunt ook niet zeggen, laat mij maar in een houten huisje, en geef mij maar geen mooie dekens en geen mooie meubels, want ik werk maar vier uur in plaats van acht uur. Je accepteert alles of niets.
    Je hebt wel een hoop vrijheid ook. Want iedereen mag studeren, b.v. de moeder van Boaz studeert drie jaar in Jeruzalem, ze heeft daar een kamer en in de weekends is ze thuis. En werken hoeft ze niet, ze laadt daarmee geen extra plicht op zich, alleen na die drie jaar loopt ze voor de rest weer in het gareel. Doe je iets speciaals, b.v. een vent hier is dirigent, die gaat op toernee, er is een danseres en een fluitist, maar doe je niets speciaals, wil je alleen uitslapen en b.v. niets doen, dat gaat toch eigenlijk niet goed. Ik denk dat als je handig bent je wel een eind in de richting komt, misschien is het toch wel net zo als overal. Alleen wat me soms benauwt is de groep, de afgesloten gemeenschap, al die mensen die je de hele dag ziet, en ’s avonds zie je ze weer. Ssssst! in het Moadon. Maar ja, ik ken ze ook niet. Maar b.v. ik kwam om 10.00 uur Esther bij de W.C. tegen, ik zei ‘heb je zin in een kop koffie?’, maar ze vond het te laat.
    Vanmiddag stond ik in een heidense bende in mijn kamer, werkelijk, de bedden overhoop, de tafel een vieze boel van etensresten, op de grond rotzooi, onderbroeken, pyjama’s, enfin, gruwelijk, want je weet ik had me verslapen. Ineens kwam er een soldaat de trap op de kamer binnen, het was de man van de koffie, die me goedendag kwam zeggen en goede reis wensen, en vragen wanneer ik weer terug kwam. Een heel aardige man. Ik heb een beetje een complex over hem, omdat ik die avond zo koel was. Ik nam me voor als hij weer kwam, heel vriendelijk te zijn, en de volgende dag, dacht ik ‘O jé, ik heb er niets geen zin in,’ en daarna vol schaamte ‘zal ik hem maar uitnodigen,’ maar ik zag hem niet meer. En je weet Charlie heb ik ook al weggekeken. Werd ik ook gek van.
    Het is zo moeilijk echt gastvrij te zijn tegen mensen die je niet zo bie vindt, en die hebben er nu juist het meeste behoefte aan. Wat me wel opviel van mezelf, was dat ik me voor de rotzooi niet geneerde, die was er nu eenmaal. Laat ik het zo houden.
    Ik heb nog steeds mijn reispapieren niet. Ik ben wel alvast nerveus, maar ik weet nu beter de weg in mijzelf. In het Moadon stak ik een cigaret op, de eerste. Ik voelde hoe ik het koud kreeg, ik voelde dat mijn handen begonnen te beven en ik voelde (het was namelijk niet zo) dat iedereen naar me keek, ik zag niet wat ik las, ik dacht ‘begint het weer? Dat moet ik niet hebben.’ Ik hervond al gauw mijn rust en las door, en vergat de anderen weer.
    Hoe zal het gaan als ik weer terug ben in Amsterdam? Wat is er veel valsheid (hiermee bedoel ik niet echte gemeenheid, maar onbewuste valsheid) in je gedachten. Wat is alles toch terug te brengen tot hoogmoed. Tot het jezelf belangrijk vinden, het niet verdragen van kritiek van anderen. Aan de ene kant wil je aandacht trekken, en aan de andere kant vergeten worden. Maar dat gaat niet. Je trekt geen honderdste aandacht van wat je denkt, en het is een geruststellende gedachte, want we zijn nu eenmaal zo, dat de meeste aandacht toch kritiek is. Het vreemde is, als je je moeilijkheden aan vrienden vertelt, of zelfs kennissen, dan begrijpen die het dikwijls maar al te goed, je voelt vrijwel geen schaamte, maar als je eraan denkt dat het doorverteld wordt aan vreemden (meestal niet), dan rijzen je de haren te berge.
    Maar het is net als je zegt: eventjes zegt iedereen ‘hé!’ en dan zijn ze het weer vergeten. Klaas bereidde me vanavond een verrassing, hij was eerst allerliefst, tot ik zei dat hij moest tandenpoetsen, toen werd hij woedend, ik nam hem kordaat bij de arm en bracht hem naar de kraan en poetste zijn tanden, alles van mijn kant wel streng, maar zonder boosheid. Toen ik de mijne gepoetst had en binnenkwam, lag hij boos op zijn bed. Ik weet niet meer precies hoe het ging, eerst zei hij nog iets van dat hij niet blij met me was, en toen meteen daarop ‘ja hoor, ik ben wel blij met jou, ik vind je erg lief, mammie,’ en hij ging lief naar bed. Eindelijk en eindelijk eens vandaag uit zichzelf iets liefs, ik werd er soms wanhopig onder. Ik verloor nooit mijn geduld, en toch was hij altijd zo dwars. Ik moest zo lief zijn wilde hij lief zijn. Nooit wil hij iets doen. Misschien, eindelijk slaat het aan. Vannacht om half twaalf, ik lag in bed en kon niet slapen, nare angsten spookten door mijn hoofd ineens. Toen plotseling begon hij te huilen. Ik kwam hem troosten maar hij wilde niets van me weten, ik vroeg of hij in mijn bed wilde, of ik thee zou maken, niets en niets hielp. Toen pakte ik hem op en legde hem in mijn bed. Jet erbij, en toen wilde hij toch wel thee. Ik begon een verhaal te vertellen, hoe het kwam weet ik niet, geïnspireerd op jouw grappen, we hadden de grootste pret, toen het kwart voor een was, zei ik dat hij nu toch weer moest gaan slapen. Niets daarvan, hij werd meteen boos. Ik zei niet veel en deed niets, en toen ging hij uit zichzelf weer naar bed.
    Hoe vind je dat nu? Een echte vrije geest. Wil best, als hij het zelf maar mag willen. Groot gelijk, en hij was mooi en lief om te zien, een beeldje. Dat is hij zo dikwijls ’s nachts als hij uit z’n bed komt. Hij heeft zo’n grappig smoeltje, vanavond ook, zo stout en wijs, zo scherp soms en toch zo rond en kinderlijk en guitig. O, als hij het maar goed heeft en bloeien kan, dat betekent toch zo veel, daar zijn we toch ouders voor, hè? Zoveel vreugde als je hebt van je kind als je je best ervoor doet, je krijgt zulke kinderen als je verdient, dat betekent dus dat je ervoor werken moet, en dat is goed.
    Ik verlang toch zo naar je, we gaan alles samen heel fijn maken voor elkaar, we geven de moed niet op, iedere dag weer overnieuw, en dan langzaamaan komt het toch nog allemaal goed. Ik omhels je en denk aan je, je Ursula.


 

 

In oktober 1965 gingen mijn ouders, toen 29 en 30 jaar oud, Kees ten Holt (1935 - 1990) en Ursula Roth (1934 - 1981) uit elkaar. Mijn moeder nam mij (5 jaar oud) mee naar Israel, om zich met mij in de nieuwe heilstaat te vestigen in kibboets Lahav in de Negev. Mijn ouders schreven elkaar dagelijks, en al snel werd duidelijk dat ze moeilijk zonder elkaar konden. De volledige correspondentie (in ca. zeventig brieven) is bewaard gebleven.
(afl. 67)


 

Amsterdam, maandag 17 januari 1966, Kees

lieve Ursula,

ik begin aan m’n laatste velletjes luchtpostpapier, dan is m’n bloc op, en een nieuw zal ik gelukkig niet nodig hebben. Dit zal zo ongeveer m’n laatste brief worden, nou ik denk dat als ik deze morgen in de loop van de dag post, dat ik je er nog een kan sturen.
    Het is nu avond, of liever nacht. Het is om precies te zijn middernacht, 12 uur. Ik lig in bed. Ik lig op m’n buik. Als ik voor me kijk zie ik het boekenkastje, met daarin, tegen de muur de drie foto’s die je me gestuurd hebt, en een paar tekeningetjes van Klaas. Vooral de foto met de konijntjes is echt helemaal Klaas. Wat is hij toch een mooi mannetje. Ik popel van ongeduld om hem weer te zien. Toen ik vanmorgen uit Aalsmeer kwam vond ik twee brieven, een van woensdag 12 en een van donderdag 13 januari. Ik ben blij dat je schreef dat je nu “een echte fijne brief” had gekregen. Ik denk dat ook de stemming waarin je een brief leest erg belangrijk is. Ik heb ook wel eens gehad dat als ik een brief aan jou overlas, ik hem plotseling heel anders zag dan eerst.
    Ik ga zo langzamerhand een aantal praktische maatregelen nemen. Een dezer dagen zal ik de was sorteren en laten halen. Ik heb nog nooit iets laten wassen. Tot nu toe heb ik geput uit de voorraad handdoeken en theedoeken die er nog was, en lakens heb ik nooit gebruikt. Ik heb steeds geslapen in de twee slaapzakken die ik aan elkaar geritst had. Ik zal ook zien dat ik een jas voor Klaas koop. Als het weer zo blijft zal hij hem zeker nodig hebben. Het vriest 1º en het sneeuwt. Het is hier echt winter.
    Ik verlang erg naar rust. Ik hoop en denk dat we die samen kunnen vinden. We moeten de eerste tijd maar zo veel mogelijk thuis blijven, behalve misschien eens naar de film of zoiets dergelijks. Ik wil graag werken, en ik denk dat ik dat nu goed zal kunnen als jij terug bent. Het is fijn dat je zoveel probeert te lezen. Ik heb een aantal nieuwe boeken gekocht en gekregen die je vast zullen interesseren. Liefje, ik ga nu slapen, het is bijna half een, jij slaapt nu hoop ik al. Ik vind het zo’n vreemd idee dat we nu allebei in bed liggen, denkend aan elkaar, maar ieder op een ander plekje van de wereld. Wat heb je aan? We moeten wel wat leuks voor je kopen om ’s nachts aan te trekken. Liever niet meer zes broeken en twaalf truien. Daarbij brandt de kachel. (please!)
Liefje, ik sla m’n ene arm om je hals, en m’n andere hand leg ik zachtjes op je boezem. Slaap zacht, tot morgen.

Dinsdag 18 jan. 1966
Het is half zes ’s middags. Ik heb nog net even tijd om een paar woordjes tegen je te zeggen. Vanmiddag heb ik een winterjas, jack, voor Klaas gekocht, en een paar wanten. Ik vind de jas erg mooi, het is een jas die gemaakt is van een soort slaapzakken spul, diep groen nylon, met een voering, die gevuld is met weet ik wat, net als een slaapzak. Hij is heel warm en ziet er erg leuk en sportief uit, en zal Klaas vast prachtig staan. Er zit ook een capuchon op. Ik heb groene wanten gekocht met een rood paardje erop, dat zal mooi staan bij zijn rode muts. In de jas zit een rits, met aan de trekker een klein pistooltje. Ik ben erg trots op deze jas. Ze hadden weinig leuke jassen, de meeste leken me zo sloom. Ik zei zonet dat ik nog net even tijd had om je wat te schrijven, ik heb n.l. om zes uur een afspraak met Hans van Rij bij Hoppe, we gaan in de stad wat eten. Liefje, het is nu kwart voor zes, ik moet weg en schrijf je vanavond of morgen verder. Kusjes, Kees.

Donderdag 20 januari
Het is nu donderdag ochtend. Ik ben op school. De klas, 2a, werkt voor zichzelf, zo nu en dan vraagt iemand wat, verder zitten ze heel rustig te werken. Ik heb ze beloofd geen of weinig huiswerk te geven met het oog op het schaatsenrijden, als ze nu zo rustig mogelijk hun werk op school doen. Gister kon ik je niet schrijven, omdat ik een onmogelijk drukke dag heb gehad. School van half negen tot half twee, een vergadering van drie tot vijf, en ’s avonds heb ik met Jan bij Heleen gegeten. Vanmorgen, vlak voor ik naar school ging, kreeg ik je brief van 16 jan, waarin je me, helemaal aan het eind, toch nog even verweet dat ik toch soms wel koele brieven schrijf. Verder was het een lieve brief. Was mijn brief die je net gekregen had (welke?) soms ‘koel’? Ik vind dat je weinig ingaat op wat ik je schrijf, over het algemeen tenminste. Ik probeer meestal wel in te gaan op een aantal punten van jouw brieven, omdat je op die manier meer tot een gesprek komt. Waarin ben ik precies koel? Wat maakt een koele indruk? Dat zou ik b.v. wel willen weten. Overigens ken je me denk ik goed genoeg om te weten hoe ik zo’n beetje ben, en uit het feit dat je bij me terug wil komen blijkt toch wel dat je me wel een beetje een aardige jongen vindt.
    Het is nu middag, tien over twee. Ik ben nog steeds op school, want om drie uur moet ik met de eerste klassen mee naar de politiekapel. Ze krijgen onderricht in de samenstelling van een harmonieorkest. Omdat er geen andere leraren beschikbaar waren, vroeg Shouffour of ik dit karweitje wilde opknappen. Vooruit dan maar weer.
    Ben je echt zo dik geworden? Een beetje mollig vind ik wel mooi, maar het moet niet te gek worden. Ik ben zo vreselijk benieuwd jullie te zien. Ik kan me natuurlijk wel voorstellen hoe je eruit ziet, maar toch niet helemaal.
    Ik sta op het station dus bij de UITGANG van het perron waar de trein aankomt. Als je trein via Haarlem rijdt, kom je aan aan de westkant van een van de perrons. Ieder perron heeft maar één uitgang, aan iedere kant. Je neemt dus de uitgang aan de kant waar de trein stopt. Als je in Marseille eenmaal in de trein zit, hoef je niet meer over te stappen. (tenzij zich iets bijzonders voordoet, maar dan wordt je dat in de trein meegedeeld). Jij en Klaas hebben ieder een eigen bed (couchette).
    Gister kreeg ik een brief van Near East Tours met het bericht dat de tickets verstuurd waren, en de rekening. Die heb ik inmiddels voldaan. De boot stopt onderweg voor zover ik weet alleen in Napels. Wat een wereldreizigster ben je in feite. Napels is herkenbaar aan de baai, en natuurlijk de Vesuvius. Ik ben vergeten te vragen hoe lang de Moledet daar aanlegt en of je de gelegenheid hebt om van boord te gaan, maar dit soort dingen wijst zich vanzelf.
    Ik hoop dat je ook een beetje zult kunnen genieten van de reis. Het lijkt me heerlijk om een paar dagen op de Middellandse zee te varen. De treinreis is natuurlijk minder leuk, maar deze denderende machine brengt je uiteindelijk waar je wezen wilt, en om vier uur ’s middags, op donderdag 3 februari, is het leed geleden. We gaan dan snel met een taxi naar huis. Ik zal zorgen dat het thuis lekker warm is en dat er wat lekkers te eten is. Ik schreef je al dat ik me tot een tamelijk goede kok ontwikkeld heb.
    Lieve Ursula, ik zie in m’n agenda dat het vandaag alweer de 20ste is. Over een week ga je aan boord en ga je je terugreis aanvangen. Ik denk dat je een schat aan ervaringen en inzichten met je meeneemt, teveel om nu al verwerkt te kunnen hebben. Ook ik heb door alles wat er gebeurd is het nodige geleerd. Laten we hopen dat we al onze ervaringen ten goede kunnen gebruiken en dat we elkaar als twee gelijkwaardige partners tegemoet kunnen treden, van goede wil, hoopvol en bezield van het verlangen samen wat van ons leven en dat van Klaasje te kunnen maken, en laten we hierbij de realiteit niet uit het oog verliezen. Liefje, ik houd vreselijk veel van je en verlang ontzettend naar jullie.

’s Avonds 11 uur
Toen ik vanmiddag om vijf uur thuiskwam (half bevroren, het vriest dat het kraakt) vond ik nog een brief van je. (17 jan) Als we een rustige sfeer in huis kunnen scheppen, en zo regelmatig mogelijk kunnen leven, zal dat Klaasje veel goed doen. Ik dacht dat het het beste was als we hem maar zo gauw mogelijk in het normale gareel brengen, dus ook weer naar school. Maar we zullen dat allemaal hier bekijken. De eerste weken moeten we in ieder geval veel thuis blijven en niet te veel bezoek ontvangen. Maak je toch vooral geen zorgen over de kritiek van anderen, dat is eigenlijk toch zo verschrikkelijk onbelangrijk. Het gaat om jou en mij, om wat wij vinden, en niet om wat anderen vinden. Gun de rest hun roddel en haal er verder je schouders over op. Je staat nu niet meer alleen, we zijn weer met z’n tweeën, we hebben een paar goede vrienden, en let the rest go to hell. Wij doen een oprechte poging om iets van ons leven te maken, dat is een kwestie van vallen en opstaan en dat is niet iets waarvoor je je hoeft te generen. Kom, Ursula, lach eens, ik meen het, als we ons te sappel willen maken, laten we dat dan doen om elkaar, of om Klaas, als dat nodig is, maar niet om een beetje onnozele kritiek van mensen die zich in feite niet eens voor ons interesseren. Liefje, ik ga deze brief nu beëindigen. Het is de laatste die ik versturen zal. Ik leef toe naar de derde februari. Houd je goed en wees niet bang. Het is nu nog maar een kwestie van een beetje tijd. Twee weken. Als er nog iets heel belangrijks is dat je wilt weten, moet je per expresse schrijven, dan kan ik je een telegram terugsturen. Maar alles zal erg meevallen, probeer een beetje te genieten van de reis. Groet Motke en zijn vrouw van me, die heb ik hier toch ontmoet? We zullen vast en zeker samen nog eens in Lahav komen. Het is natuurlijk gek dat ik het zeg, maar ik zal onze correspondentie een beetje missen. Ik heb nog nooit in m’n leven zoveel (koele) brieven geschreven. Misschien krijg ik van jou nog wel wat post. Liefje, nogmaals, houd je goed en tot gauw. Ik denk dat als ik jullie uit de trein zie stappen, m’n hart een slag over zal slaan. Ik denk voortdurend aan jullie. Dag liefje, tot over twee weken, dag liefje, tot gauw. Vast duizend omhelzingen en lieve woordjes en kleine kusjes, en alles waar je behoefte aan hebt. Pas goed op Klaasje, maak je niet zenuwachtig, ik denk aan je, je bent niet alleen, omhelsd, Kees.

LIEVE KLAAS, WAT BEN IK BLIJ DAT IK JE NU WEER GAUW ZAL ZIEN. WEES ERG LIEF VOOR MAMMIE. AL JE VRIENDJES IN AMSTERDAM WACHTEN OP JE. WE ZULLEN EEN HOOP PRET MAKEN HIER NA JE LANGE VAKANTIE IN ISRAËL. HEB JE HET DAAR OOK WEL FIJN GEHAD? LIEVE KERELTJE IK GEEF JE VAST DUIZEND KUSJES. JE BENT NU GAUW WEER THUIS, EN DAAR IS HET TOCH HET LEUKSTE. DAG KLAAS, IK WACHT OP JE, PAPPIE.


woensdag 5 mei 2021

 


 

In oktober 1965 gingen mijn ouders, toen 29 en 30 jaar oud, Kees ten Holt (1935 - 1990) en Ursula Roth (1934 - 1981) uit elkaar. Mijn moeder nam mij (5 jaar oud) mee naar Israel, om zich met mij in de nieuwe heilstaat te vestigen in kibboets Lahav in de Negev. Mijn ouders schreven elkaar dagelijks, en al snel werd duidelijk dat ze moeilijk zonder elkaar konden. De volledige correspondentie (in ca. zeventig brieven) is bewaard gebleven.
(afl. 66)

 

Amsterdam, zondag 16 januari 1966, Kees

lieve Ursula,

dat het zo lang duurt voor je deze brief krijgt, komt omdat zijn voorganger drie dagen in de zak van Jan Fontijn heeft gezeten. (de zak) Hij was vergeten hem voor me te posten, en nu schrijf ik je zo snel mogelijk een nieuwe.
    Lieve Ursula, ik vind het echt naar dat mijn brieven een kille indruk op je maken, want ik ben niet kil, wil niet kil zijn, en schrijf ook niet kil, dacht ik. Omdat er zo’n lange tijd ligt tussen schrijven en lezen van een brief, moet je nog meer dan bij het gesproken woord, interpreteren. Natuurlijk uit ik mij wel anders dan bijvoorbeeld iemand als Hennie. Lieve Ursula, ben je niet een beetje een dommertje? Ik bedoel b.v. jouw interpretatie van de twee citaten uit mijn brief en die van Hennie. In de eerste plaats heb je mij verkeerd geciteerd, of in ieder geval onvolledig. Ik schreef zoiets als: ‘ik ben moe, iedereen is moe. Van ellende, van narigheid, van de kou.’ En hieruit distilleer jij: ‘ik ben moe, van narigheid en ellende,’ terwijl juist wat ik hier omheen geschreven heb, dit gevoel van een bepaald ogenblik, weer moest relativeren. Het was een beetje spottend bedoeld, niet cynisch of defaitistisch. Aan de andere kant zal ik nooit woorden in de mond nemen als “het lot dat wij moeten torsen”, of dit nu “onverdraaglijk” is of niet. Ik krijg dit citaat van Hennie natuurlijk ook buiten z’n context, maar zo los maakt het op mij een veel pathetischer indruk dan wat ik schreef. Ik ben zeker niet defaitistisch, of vol zelfbeklag. Ik probeer wel nuchter te zijn. Mijn omgeving heeft mij eerder opgewektheid ‘verweten’ dan wat anders. Tegenover jou ben ik natuurlijk eerlijker, en jou maak ik ook deelgenoot van mijn somberder ogenblikken. Ik ben er zeker van dat als je mijn brieven nog eens goed doorleest, je daarin ook allerlei positieve geluiden zult horen, net zoals jouw brieven een mengeling zijn van moed, opgewektheid, verdriet en wanhoop.
    Lieve Ursula, alsjeblieft, geloof me als ik je zeg dat ik niet koud ben. Waarom zou ik je anders zoveel schrijven? Liefje, als ik aan je denk, is dat altijd met vertedering, en als ik aan Klaasje denk krijg ik soms een brok in m’n keel. Als ik er bij stil sta hoe moeilijk en ingewikkeld zijn kleine leventje nu al voor hem is, en hoe weinig wij, door onze eigen frustraties en onvermogen, voor hem hebben kunnen doen. We moeten veel over hem praten en zien hoe we hem de rust en veiligheid kunnen teruggeven die hij zo nodig heeft. Voor alles moeten we eendrachtig zijn waar het gaat om zijn belangen, en als we het op sommige punten misschien niet helemaal met elkaar eens zijn, in rust tot een compromis komen, zonder dat hij er teveel van merkt of de dupe wordt. Hij moet beseffen dat wij samen het beste met hem voor hebben, zodat hij zich veilig voelt in zijn ouderlijk huis, bij zijn vader en z’n moeder.
    Ik krijg de laatste tijd nooit meer briefjes of tekeningen van hem, en dat vind ik erg naar. Heeft hij wel mijn briefje over de grammofoonplaat gekregen? Ik ben vreselijk benieuwd naar hem, hoe hij er uitziet en wat hij allemaal te vertellen heeft. Ik heb een mooi cadeau voor hem gekocht. Wat? Dat is een verrassing. Liefje, ik zat weer eens in het bad. Ik ga er nu uit, en schrijf je dadelijk verder. Tot zo.
    Lieve Ursula, ik heb tweemaal achter elkaar dezelfde spier verrekt in m’n rug, ik lag zonet op de grond en het is me met veel moeite gelukt mezelf in een stoel te hijsen. Ik verrek van de pijn en ik weet niet goed wat ik moet doen. Ik hoop dat het gauw wegtrekt, want ik kan nauwelijks lopen. Dit is niet zo’n interessante mededeling voor je, want op die afstand kan je er toch niets aan doen. Het vriest hier nog steeds, en het is ook gaan sneeuwen. Het moet wel vreemd voor je zijn om vanuit Israël midden in een Hollandse winter terug te komen. Ik zal woensdag 3 februari vrij vragen van school, zodat ik alles voor jullie thuiskomst in orde heb. Ik zal zorgen dat er iets te eten is en misschien iets te drinken, en patates frites voor Klaas. Jullie zullen wel doodmoe zijn van de reis als je terugkomt. De volgende dag, donderdag dus, hoef ik pas om kwart over tien op school te zijn, zodat we ’s ochtends rustig kunnen ontbijten.
    Tante Zus uit Hilversum, heeft, zonder vragen te stellen fl. 750,- op mijn giro overgemaakt. Fl. 500,- als gift, en fl. 250,- als lening, zodat ik Hans, Jan en Daniëlle, van wie ik in eerste instantie dit bedrag geleend had, meteen kan terugbetalen. In Hilversum liet tante Zus me een puzzel van vierkante blokken zien, met een ooievaar erop, waar ik als kind van drie al mee gespeeld had. Toen ik ze zag kon ik me ze nog precies herinneren. Ze wou ze me meegeven voor Klaas, maar ik heb gezegd dat ik ze een keer met Klaasje zou komen halen, dat leek me leuker. Misschien kan je haar een kaartje sturen, of vind je dat moeilijk? Voor het geval: Mevr. R. Lugt - ten Holt, Boomberglaan 28, Hilversum.
    Ik heb nog steeds veel last van slapeloosheid. Niet omdat ik me speciale zorgen lig te maken. Ik weet niet hoe het komt, maar hopelijk zal het overgaan als wij ons bed weer delen. Ook ik, liefje, houd jou in gedachten stevig vast, en, zoals ik je toch geschreven heb, vrij zo nu en dan een beetje met je. Liefje, ik hoop nu maar dat je deze brief niet koud vond. Ik geef je kusjes, overal, kijk naar je, raak je aan, ruik een beetje aan je, praat met je, voel je hoofd op m’n borst en je haren in m’n neus.
    Vertel Klaas een klein verhaaltje van me, knuffel hem een beetje en vraag of hij een mooie tekening voor me maakt. Liefje, tot over twee en een halve week. Ik hoop dat jij je nu weer helemaal goed voelt. Het is fijn dat de mensen in Lahav zo aardig voor je zijn en blijven. Waarschijnlijk komen we er samen nog wel eens. Liefje, omhelsd door je man(netje)
Kees.









dinsdag 4 mei 2021


                                                 ilustratie Ursula Roth

 

In oktober 1965 gingen mijn ouders, toen 29 en 30 jaar oud, Kees ten Holt (1935 - 1990) en Ursula Roth (1934 - 1981) uit elkaar. Mijn moeder nam mij (5 jaar oud) mee naar Israel, om zich met mij in de nieuwe heilstaat te vestigen in kibboets Lahav in de Negev. Mijn ouders schreven elkaar dagelijks, en al snel werd duidelijk dat ze moeilijk zonder elkaar konden. De volledige correspondentie (in ca. zeventig brieven) is bewaard gebleven.
(afl. 65)


 

Lahav, woensdag 12 januari 1966, Ursula

lieve Kees,

vandaag kreeg ik weer een echte fijne brief van je, dat geeft me moed. Ik hoop, dat als we terugzijn, we in staat zullen zijn in gezamenlijke inspanning elkaar van alle droefheid, angst en onzekerheid te bevrijden, zodat we ’s nachts rustig kunnen slapen. Ik verlang er zo naar je weer te zien en met je te kunnen praten en je met alles te helpen en mij door jou te laten helpen.
    Ik ben vanmorgen met de kinderen meegeweest naar Beer Sheba. Onderweg, midden in de woestijn, kwamen we eerst een paar zwaar gesluierde Arabische vrouwen op ezeltjes tegen - één had een neusring - onder hun lange zwarte mantels (doeken) kwamen een paar armoedige schoenen uit, mooi waren ze ook niet. Toen, ook nog in de woestijn, kwamen we bij een graanmolen, die gingen we bekijken, het was een soort stenen schuur met een machine als molen, buiten was een waterbak, er stonden ezeltjes, en een eindje verderop een kameel, die prachtig zwijgend afstak tegen het woestijnlandschap. Voor de deur zat een oude gesluierde vrouw en binnen waren allemaal Arabieren aan het werk, iedereen en alles onder het meel. Er stond ook een klein jongetje bij, dat ons met grote zwarte ogen bekeek, en ook een karretje met een paardje ervoor om het meel weg te brengen.
    Daarna gingen we naar Beer Sheba, Edna, Ita en Chawwa gingen met de kinderen een warenhuis in en ik ging met Klaas op zoek naar een grammofoonplatenwinkel. Toen we er eindelijk een gevonden hadden, was er niets en de man die het dreef, was niet bereid ons te helpen. Hij zei steeds dat er niets was, ik zocht nog een poosje tussen de aanwezige platen, maar de titels zeiden me niets en van beluisteren was geen sprake, dus we gingen maar weg.
    Toen zijn we iets gaan eten, aan zo een straattoonbank die je hier overal hebt, en toen heb ik nog wat snoep, cigaretten en briefkaarten gekocht en ben ik maar naar het warenhuis teruggegaan. De anderen waren net klaar. Je ziet de vreemdste mensen rondlopen, een Arabische familie met een klein dochtertje in een gebloemde jurk op blote voeten (het was niet zo warm) een meisje met een soort gewatteerd vest om, op pantoffels, ontzettend armoedige mensen, een man (heel oud) met een soort kalotje op en een blauw hemd aan op kapotte schoenen, blote benen onder het hemd uit. Heel vreemd. Een jonge vrouw die een lijf had dat breder dan lang was, en iedereen voor mijn ongewende ogen allervreemdst gekleed en toch eigenlijk wel opgewekt.
    Daarna hebben we nog een fosfaatbedrijf, ook in de woestijn, bekeken en toen naar huis. Ik hoop en verwacht dit alles nog samen met jou te kunnen zien; heb je er geen speciale band mee, dan kijk je nog je ogen uit, het is ongelofelijk wat je allemaal ziet, je weet niet wat je overkomt. Naar Eilat ga ik maar niet meer, ook dat moeten wij maar samen doen, het is te duur. Je moet er overnachten en als je alleen gaat weet je heg nog steg.
    Ik heb vandaag een groot pakket gemaakt van de rest van de boeken, een paar stenen, schoenen en iets van kleren, ik had eerst drie pakketten willen maken, van 5 kilo omdat dat goedkoper is, maar ik ben nu al dagen bezig geweest met alleen maar het krijgen van een doos, en er waren ook geen formulieren, die zullen er hoop ik morgen zijn, het moet nu maar weg, dan kost het maar wat meer, ik kan het niet meeslepen. Ik ben al blij dat het tenminste ingepakt is. Als ik Nomi niet had was ik nergens, zij heeft me doos, pakpapier en touw gegeven. Met mijn visum is het wel in orde, Michal heeft opgebeld. Dat is dus ook een geruststelling.
    Kees, er is nog wel iets anders, Klaas is uit al zijn kleren gegroeid, o.a. uit zijn winterjas. Hij moet een jas hebben, wanten en een trui en een broek. Hij moet eigenlijk nog meer hebben zoals ondergoed, maar dat zien we nog wel. Als ik me niet vergis is het uitverkoop, kijk vast eens uit naar iets voor een jongetje van bijna zes. De kinderen hier zijn vrij klein, ik weet niet precies of Klaas nu wel of niet groot voor zijn leeftijd is in Holland.
    Ik geloof dat een groot gedeelte van Klaas zijn grenzeloze brutaliteit toch wel aan de andere kinderen ligt. Die zijn zo hondsbrutaal, niet allemaal, maar een groot gedeelte wel. Bevalt iemand iets niet, dan schreeuwt hij of zij meteen woedend huilend tegen Edna of Ita. Ze zijn volkomen ongezeglijk en zowel Edna en vooral Ita kan soms onverwachts zo opvliegen. De kindertjes zijn schattig maar wild en onopgevoed. En vooral de intelligente kinderen zijn het ongezeggelijkst, dat wil zeggen levendige kinderen. Er is een meisje, Jaël, blond, lichte, helle, felle blauwe ogen, rode wangen, de intelligentie straalt er vanaf, dat is een schreeuwerd, en een schat van een kind ook. Ze kan het goed met Klaas vinden. Ik liep laatst achter ze, snoezig die twee, ze lopen allebei zo speels als kleine veulentjes en zo parmantig. Ze hebben ook wel veel ruzie. Klaas houdt het meest van Raneen, dat is een rustig, introvert kind, lief, en als er gezongen wordt, zingt hij met grote overgave, Jaël ook trouwens. Klaas kan bij Eri en Michal ontzettend lief met Raneen spelen. Ruzie maken ze ook wel, maar tot mijn spijt is de aanleiding Klaas, want Raneen maakt geen ruzie. Bij de kinderen zijn er meerdere die altijd alleen spelen, o.a. Boaz, een heel moeilijk kind, zie ik altijd alleen, ver van de anderen. Raneen speelt ook meestal alleen. Klaas zoekt wel gezelschap, maar het slaat door zijn bazigheid vaak niet aan, en dan gaat hij vechten en dan staat de hele troep tegen hem op. Heel naar.
    Ik maak me zorgen over Jet haar toekomst. Als wij eraan komen, rent ze van verre al zo uitgelaten mauwend op ons af, rent voor ons uit, gaat mee naar binnen, zit op schoot, is zo lief. Wie zal haar een goed tehuis maken, wij zijn ook heel lief voor haar. Zij is de liefste poes die ik ooit gezien heb, een echt karakter, zo aanhankelijk. Ik vrees dat ze hier op de kibboets niet zo zorgzaam voor katten zijn als wij. Jet is voor ons ook een huisgenoot. Als je haar kon zien zou je ook meteen dol op haar zijn. Als mensen hier zien hoe aanhankelijk ze is, zijn ze gewoon verbaasd. Het is zo’n lieverdje. Het doet me verdriet haar achter te moeten laten, maar ze kan echt niet mee. Ik zal wel aan Nomi vragen uit te kijken naar een goed tehuis, naar mensen die haar echt willen hebben.
    Ik was vandaag nog zo moe, ik ben gewoon op, ik zou wel de hele dag kunnen slapen, maar ik moet werken. Vandaag heb ik ook niet gewerkt, ik was te moe. Ik heb vanmiddag ook nog even op bed gelegen, maar het gaat niet met Klaas, hij wil voortdurend met me spelen. Liefje, ik ga nog even iets lezen en dan slapen.

De volgende ochtend.
Liefje, ik heb geen tijd meer om te schrijven. Veel liefs en omhelsd door Ursula. Ook een kusje van Klaas.


 


 

    









vrijdag 30 april 2021

 


 

In oktober 1965 gingen mijn ouders, toen 29 en 30 jaar oud, Kees ten Holt (1935 - 1990) en Ursula Roth (1934 - 1981) uit elkaar. Mijn moeder nam mij (5 jaar oud) mee naar Israel, om zich met mij in de nieuwe heilstaat te vestigen in kibboets Lahav in de Negev. Mijn ouders schreven elkaar dagelijks, en al snel werd duidelijk dat ze moeilijk zonder elkaar konden. De volledige correspondentie (in ca. zeventig brieven) is bewaard gebleven.
(afl. 64)


 

Amsterdam, maandag 10 januari 1966, Kees

lieve Ursula,

Ik heb het gevoel dat ik al in geen tijden meer iets van je gehoord heb. Dat is natuurlijk wel wat overdreven, maar ik wacht op post, op antwoord op mijn laatste drie brieven, die ik je vlak na elkaar gestuurd heb. Jouw laatste brief ging voornamelijk over je petroleumkacheltje. Ik begrijp wel dat er soms niet veel bijzonders te schrijven valt, omdat er niet voortdurend iets opzienbarends gebeurt, of omdat je eigenlijk niet in de stemming bent om te schrijven. Mijn brieven zijn ook niet allemaal even spiritueel. Maar ik hoop toch gauw iets van je te horen waar ik wat meer aan heb. Vrijdag, zaterdag en vandaag was er geen post. Tegen de tijd dat de post moet komen word ik altijd een beetje onrustig. Maar toen ik om half vijf vanmiddag de post in de brievenbus hoorde vallen, en eerst, om me groot te houden, nog vijf minuten bleef zitten, maar daarna de gang indook om te zien wat de PTT voor me had meegebracht, vond ik alleen het orgaan van de ANWB en drie brieven voor Froukje.
    De post van morgenochtend vind ik pas als ik terugkom uit school. De vakantie is voorbij. Het is nu half tien ’s avonds. Half elf in Israel. Waarschijnlijk lig jij nu in bed, of misschien schrijf je wel een brief (aan mij) of lees je wat. Ik lig aangekleed onder de sprei. Het is koud. Het vriest en er waait een gure wind. Ik kan niet zeggen dat ik erg vrolijk ben. Je moet hier niet op reageren met te schrijven dat ik geen reden heb om somber te zijn, dat ik er heus niet zo slecht aan toe ben etc. want dat leg ik naast me neer. Vergelijkenderwijs heb ik het niet slecht, dat weet ik ook wel. Maar ik behoud mij het recht voor om van tijd tot tijd, met of zonder reden, gedeprimeerd te zijn. Zo, dat weet je weer. Woef, waf, woef.
    Lieve Ursula, zo nu en dan verwijt je mij in je brieven hardheid en cynisme. Ik voel me geroepen om me tegen deze aanklacht te verdedigen. Ik heb juist voortdurend m’n best gedaan om me tegen deze gevaarlijke eigenschappen te verzetten, en ik vind zelf dat ik daar aardig in geslaagd ben. In één van je brieven constateer je gelukkig zelf dat wat je in eerste instantie voor cynisme aanzag, bij nader inzien een poging tot nuchterheid bleek te zijn. Waarschijnlijk ben ik een beetje angelsaxisch ingesteld: uiterlijk koel, maar ik verzeker je Ursula, van binnen brandt een vuurtje. Als ik na ga wat voor effect de gebeurtenissen van het afgelopen jaar en in het bijzonder de laatste paar maanden op mij gehad hebben, kom ik tot de volgende paradoxale conclusie: rationeel ben ik wat realistischer, wat relativerender, wat vergevingsgezinder geworden, en emotioneel wat harder, wat agressiever. Waar het gaat om mijn persoonlijke belangen accepteer ik wat minder van m’n medemensen. Woef woef!
    Als er morgen geen post van je is, bel ik je op, op kosten van je kibboets, en ga ik naar bed met de eerste vrouw die ik tegenkom. Uit wraak.

Het is nu half elf. Half twaalf in the promised land. Ik lig weer in bed, maar nu uitgekleed. De kachel staat op 1 (please!). Ik ben onder de hoogtezon geweest. Lichamelijk ben ik in die zin veranderd, dat ik nu behalve op mijn rug, ook puisten op mijn borst heb. Als je een beetje lief voor me bent als je terugkomt geef ik jou het opper-en-alleen-recht mijn mee-eters te mogen uitknijpen. Als tegenprestatie zal ik jou dan zo nu en dan op je rug krabben. (iets hoger, waar m’n bustehouder heeft gezeten) Hoe los je dit probleem trouwens nu op? Wrijf je je rug tegen de ruwe houten wanden van je huisje, of neem je een bereidwillige kibboetsnik in de arm?

Dinsdag 11 januari
Lieve Ursula. Ik zal je niet opbellen op kosten van Lahav en ook niet naar bed gaan met de eerste vrouw die ik tegenkom. Vanmorgen was de post vroeg, en vlak voor ik de deur uit moest vond ik in de brievenbus je brief van 6 jan. j.l. Ik vond het een beetje een pinnige brief, maar je had net wat je noemt ‘mijn bange brief’ ontvangen, en ik begrijp dat je daar niet zo blij mee was. Je schrijft dat ik nergens in ga op vragen die je mij gesteld had, nadat je al een hele tijd op post van mij gewacht had. Dan heb ik óf jouw brief niet gekregen, of jij hebt de brief die ik je vlak voor mijn ‘bange brief’ geschreven heb, niet gekregen. Ik heb je namelijk vlak achter elkaar drie brieven geschreven, waarvan de bovengenoemde de tweede was.
    Ik ben helemaal verkleumd van de kou, en ik moet een beetje op temperatuur komen voordat ik je een samenhangend antwoord kan schrijven. Zo, nu heb ik een kop koffie gemaakt en ik zal nu eerst op je brief ingaan en dan nog een paar praktische punten met je behandelen.
    Liefje, ik was natuurlijk toch blij met je brief, en ik denk dat mijn volgende brieven die je nu wel zult hebben, je wel wat zullen hebben opgevrolijkt. De moeilijkheid van schrijven is dat je nooit weet in wat voor stemming je brieven ontvangen worden, en dat je, als je ze eenmaal gepost hebt, er niets meer aan kunt veranderen. Ik vond jouw brief hier en daar niet helemaal duidelijk. Het is niet zo dat jij ergens in gelooft waar ik niet in geloof, en ik dacht dat je dat ook wel weet. Als ik helemaal niet geloofde in onze toekomst, zou ik jullie niet laten terugkomen. Je moet van me aannemen dat mijn plotselinge angst en twijfel me niet door anderen is aangepraat, zodat er geen reden hoeft te zijn voor je ‘walm van angst voor kritiek van anderen’. Ik heb je ook zelf geschreven dat ik niet met anderen praat over je terugkomst, en ook jou vroeg hier niet te definitief over te schrijven. Als we al kritiek te verduren krijgen staan we daar samen aan bloot, en ik verzeker je dat ik me er geen moer van aantrek. Mijn angst is, zoals je zelf ook schrijft, niet helemaal ongerechtvaardigd, maar je moet je niet voorstellen dat ik hier voortdurend handenwringend van angst rondloop. Deze angst vertegenwoordigt zo nu en dan één aspect van mijn totaal aan gevoelens. Ik ben blijer dan ik bang ben, hoopvoller dan bezorgd.
    Liefje, ik heb zonet Near East Tours opgebeld om te vragen hoe het precies zit met je kaartjes. Ze worden waarschijnlijk deze week nog verstuurd, anders begin volgende week, zodat je ze in ieder geval op tijd hebt. Ik verlang erg naar jullie, en ook ik tel de dagen af. Behalve Jan en Hans weet niemand wanneer jullie terugkomen. In mijn agenda heb ik van de 28ste tot de 2e bootjes getekend, en op de 3de een treintje met een vrouwtje en een jongetje. Ik denk werkelijk voortdurend aan jullie.
    Als er nog vragen of moeilijkheden zijn, laat me dit dan zo gauw mogelijk weten. Heb je nog wat geld teruggekregen of moet ik je wat sturen? Dit moet ik nu wel weten. Het overmaken van geld is een kwestie van een of twee dagen. Ik hoop dat er gauw, misschien vanavond nog, een antwoord komt op mijn latere brieven. Liefje, maak je niet te veel zorgen. Ik schrijf je voor je vertrek nog twee of drie brieven. Dan is meteen m’n luchtpostpapier op. Na de 20ste heeft het geen zin meer dat ik je nog schrijf.
    Ik moet nu ophouden, want mijn omgeving, poezen, melkboeren en mensen komen mijn aandacht opeisen en ik wil deze brief nog voor de lichting van half zes op de bus hebben. Vanavond zal ik je nog wat schrijven. Pas goed op jezelf en Klaasje. Ik zal hem ook nog één briefje schrijven. Liefje, houd moed, wees lief, omhelsd door mij, Kees.

Dag Ursula, Jan.


 


 

    









woensdag 28 april 2021


 

 

In oktober 1965 gingen mijn ouders, toen 29 en 30 jaar oud, Kees ten Holt (1935 - 1990) en Ursula Roth (1934 - 1981) uit elkaar. Mijn moeder nam mij (5 jaar oud) mee naar Israel, om zich met mij in de nieuwe heilstaat te vestigen in kibboets Lahav in de Negev. Mijn ouders schreven elkaar dagelijks, en al snel werd duidelijk dat ze moeilijk zonder elkaar konden. De volledige correspondentie (in ca. zeventig brieven) is bewaard gebleven.
(afl. 63)


 

Amsterdam, vrijdag 7 januari 1966, Kees

lieve Ursula,

het is nu avond. Jan en ik hebben net gegeten. Het plan was dat we in de stad zouden gaan eten en daarna naar de film gaan. Maar bij nader inzien heb ik geen zin om uit te gaan. Bovendien ben ik zuinig aan het worden. We hebben dus toch thuis gegeten en Jan gaat nu naar Lisette om te vragen of die mee wil naar de bioscoop. Vanmorgen kwam je brief van dinsdag 4 januari. Die heeft het vlug gedaan. Ik las over je problemen met je oliekachel en je zinnen op een mogelijkheid om Jet mee te nemen. Ik hoop dat je nog een keer naar Eilat kunt gaan. Het lijkt me enorm interessant.
    Ik had je gisteravond willen schrijven maar Hans van Rij belde op om te vragen of hij hier kon eten. Hij is de hele avond gebleven. We hebben wel teveel gedronken, drie flessen wijn, maar het was erg gezellig. Al zeg ik het zelf, ik heb me ontwikkeld tot een goede kok. Ik eet met veel smaak m’n eigen gerechten. Gister, gebakken lever met uien, knoflook, paprika, tomaten en lof, met wat rijst.
    Het is nu nog steeds vrijdag (avond). Maar toen ik deze brief begon was het half acht en nu is het half elf. Wat heb ik in de tussentijd gedaan? Geslapen en gelezen. In m’n bed. Het is gewoon een genoegen om in bed te liggen in de nieuwe kamer. Ik ben de hele dag erg lui geweest. Ik werd wakker om elf uur. Heb toen gelezen tot één uur. Koffie gemaakt met toast en een gekookt ei, kamers opgeruimd, vloer en tafel in de was gezet om een prettige omgeving te maken om verder niets in te doen. Ik heb nog een paar dagen vakantie. Dinsdag begint alles weer. Ik voel me ontzettend lui, lichamelijk en geestelijk. Niet de juiste stemming om je een brief te schrijven, want ik heb geen zin om na te denken, en het soort onbenulligheden als hierboven vermeld zullen je niet erg interesseren. Ik heb net koffie gezet en ben nu bezig aan m’n derde kopje. Dat is niet erg verstandig, want ik slaap nog steeds slecht. Ik weet niet precies hoe dat komt. Ik denk er niet teveel over na en probeer gewoon maar toch te slapen.
    Het nadenken over jezelf zie ik als een niet helemaal ongevaarlijke zaak. Natuurlijk moet je nadenken over jezelf. maar het mag niet leiden tot een kloof tussen jou en de realiteit van de samenleving. Voor kluizenaars, monniken en zonderlingen die het niet erg vinden zonderlingen te zijn, ligt dit anders. Als je, zoals ik op het ogenblik, kiest voor het leven met je medemensen, je omgeving, de maatschappij, gaat het om een compromis tussen denken en doen. In een van zijn alleenspraken zei Hamlet: ‘My native hue of resolution, is sicklied o’er by the pale cast of thought’. Hoe moet ik dit vertalen? De gezonde blos van mijn daadkracht van weleer is overtrokken door de vale teint van mijn gedachten. Soms moet je ophouden met denken uit zelfbescherming. In een van je brieven adviseer je me, denk veel na, maar niet te veel. Door teveel na te denken kun je geïsoleerd raken van je omgeving, die intelligentie van je verwacht, maar ook besluitvaardigheid, agressie en daadkracht. “Maatschappelijke intelligentie” is het in staat zijn tot het voortdurend vinden van het compromis tussen denken en doen, tolerantie en agressie, accepteren en niet meer accepteren.
    Lieve Ursula, we verlangen allemaal erg naar je, ik, de poezen, de planten en Amsterdam. Eergisteravond heb ik in drie en een half uur tijds de 45 brieven die je me geschreven hebt nog eens allemaal doorgelezen. In het briefje dat je, vlak voor je vertrek, toen ik even weg was, haastig hebt opgekrabbeld schrijf je: wij verdwijnen niet uit elkaars leven, wij zullen nooit zonder elkaar leven. Een letterlijke interpretatie van ‘niet zonder elkaar leven’, impliceert ook fysieke nabijheid. Het lijkt erop dat je woorden, behalve lief, en geschreven vanuit een oprechte opwelling, ook een beetje profetisch waren. Ik ben ervan overtuigd dat voor ons, dus ook voor Klaas (zoals je ergens schrijft, de vrucht, de resultante van ons tienjarige samenzijn) in alle opzichten het beste is als wij er in slagen de rest van ons leven in redelijke harmonie met elkaar door te brengen.
    En hoe verschillend van aard we misschien ook mogen zijn, door ons lange samenzijn op een leeftijd waarin we ons ontwikkeld hebben van kinderen tot ‘volwassenen’, zijn er banden gesmeed die onvervangbaar zijn geworden en onverbreekbaar. Er zijn wel andere, nieuwe banden mogelijk, maar mijns inziens noodzakelijkerwijs van een inferieure kwaliteit. We zijn gevormd door het verleden, en in die zin is ‘opnieuw beginnen’ een feitelijke onmogelijkheid. De keuze van een nieuwe partner kan niet anders dan beïnvloed worden door ons gemeenschappelijke verleden, en zo ook de relatie die je met die ander zou hebben. Je begint op je dertigste namelijk niet ‘opnieuw’ met een blanke lij. (lei?) Ik wil hiermee niet suggereren dat ik onze hereniging zie als iets noodlottigs, maar veel meer als een wil tot continuïteit zolang dit mogelijk is. Jij en ik zijn geloof ik zo gemaakt, dat we de rest van ons leven spijt zouden hebben, als we de kans om het weer opnieuw te proberen, niet met beide handen en volle inzet aangrepen. Het is me al vaak opgevallen dat hoewel onze benadering van bepaalde problemen via een andere kronkel tot stand komt, onze conclusies vaak overeenstemmen. Voor dit soort verschillen tussen jou en mij ben ik dan ook niet bang. Integendeel, het zijn de kruiden van onze conversatie. We hebben tien jaar lang met elkaar gepraat, vervolgens hebben we onze gesprekken per luchtpost voortgezet, en ik neem aan dat we tot onze        toe met elkaar zullen blijven praten. Een van de pilaren waarop het huwelijk rust. En de andere pilaar? In dit verband wordt pilaar een symbolisch woord. Een goede vriend van mij zei eens: ‘Seks is iets waar je zo min mogelijk over moet praten, en wat je zoveel mogelijk moet doen.’ Afgezien van het feit dat ik het ook wel leuk vind om erover te praten, ben ik het wel met hem eens. Seks bestaat nu eenmaal in ons leven, en ik ben ervan overtuigd, dat het tot minder frustraties leidt om het wel te doen dan niet. En met wie? Met iemand die je aardig vindt, gewoon omdat je er behoefte aan hebt en omdat het prettig is. Vind jij mij aardig? Ik jou wel. Volgens mij wordt er aan het hele ‘probleem’ seks veel te zwaar getild. Het is een menselijke behoefte, die door onze puriteinse of (even erg) romantische voorouders verminkt en vervormd is tot iets dat in geen enkele proportie meer staat tot de werkelijkheid. Dit is geen oversimplificatie van mijn kant. Ik weet heel goed dat veel mensen problemen hebben op dit punt, maar deze problemen worden niet veroorzaakt door seks op zichzelf, maar door inhibities en verziekte ideeën van de cultuur waarin we leven. Ik heb zelf ook mijn angsten, schuldgevoelens en twijfel op dit punt gehad, resulterende in mijn zo nu en dan optredende impotentie. Maar ik geloof dat ik nu in dit opzicht genezen ben, niet alleen door te denken en te lezen, maar ook door te doen. Het doen van iets heeft namelijk een enorme relativerende kracht op de ideeën waarmee we rondlopen. Ik geef geen cent voor seksuele theorieën van de paus, of het chauvinisme van de man die nog nooit over de grens is geweest.

    Lieve Ursula, laat ik deze brief op een wat lichtvoetiger toon beëindigen. Vanmiddag draaide ik twee Beatlenummers, die momenteel een expressie zijn van mijn gedachten: “You’re coming home now, yeah, oh yeah, oh yeah, and you’ll not leave me anymore, oh no, oh no, oh no, en Mr Postman, can’t you see, if there’s a letter, a letter for me.”
    M’n gezicht, handen, voeten en kleren zaten onder de boenwas, want, op het ritme van de muziek was ik verwoed bezig de vloer in de was te zetten. Toen ging de bel. Toen ik de voordeur opende stond daar de Talakken vrouw, met haar allerduurste glimlach. Ach meinherr, kan de radio niet wat zachter etc. Ik begon met Jan Fontijn de schuld te geven (want wij geven elkaar van alles de schuld) toen ze me onderbrak, en niet zonder genoegen vaststelde dat jij en Klaas zeker verhuisd waren. Ik deelde haar mede dat jullie met vakantie waren, en spoedig zouden terugkeren, waarop haar gezicht meteen de even op haar anders zo zure tronie doorsijpelende vreugde verloor en zij haar tirade vervolgde. Laten we mild blijven. Ik zal voor zover mogelijk met haar wensen rekening houden.

                Gossip
    Joost Daalder gaat (toch) trouwen met Truus Broekman op 15 jan a.s. Zij gaan wonen in Nieuw Zeeland. Volgens mij is het uit tussen Froukje en Mark. Kan haar geen kwaad doen. Als er één achterlijke, hersenloze, Leidse corpsstudent rondloopt is hij het. Laten we mild blijven. (proberen)
    Door Daniëlle’s scheidings initiatieven (actie = reactie) wil Micha het nu toch weer met haar proberen. Hij is sinds gisteravond weer bij haar ingetrokken. (Hij woonde sinds twee maanden op een kamer) Daniëlle is hier maar half blij mee. Als het tussen hen goed gaat, zal het wel makkelijker zijn voor alle betrokkenen om op gewone vriendschappelijke voet met elkaar om te gaan.
    Liefje, ik heb nog een paar regels over om wat liefs tegen je te zeggen. Voor mij op tafel staat een bos met gele tulpen. Een ervan zal ik afplukken en in een glas naast mijn bed zetten. Dat ben jij. Mooi en grillig als een bloem. Ik zei je ergens in deze brief dat ik je aardig vind. Dat is ook zo. Ik vind je ook mooi en ik houd van je. Ik streel je zachte huid en ruik aan je haar, en zeg zachtjes knoedeltje in je oor. Hoe vind je dat? Kus Klaasje en zeg hem dat ik ook aan hem denk.
Omhelsd door mij, Kees.