woensdag 12 mei 2021

 


 

In oktober 1965 gingen mijn ouders, toen 29 en 30 jaar oud, Kees ten Holt (1935 - 1990) en Ursula Roth (1934 - 1981) uit elkaar. Mijn moeder nam mij (5 jaar oud) mee naar Israel, om zich met mij in de nieuwe heilstaat te vestigen in kibboets Lahav in de Negev. Mijn ouders schreven elkaar dagelijks, en al snel werd duidelijk dat ze moeilijk zonder elkaar konden. De volledige correspondentie (in ca. zeventig brieven) is bewaard gebleven.
(afl. 72, slot, laatste brief)


 

Lahav, dinsdag 25 januari 1966, Ursula

lieve Kees,

nog 3 nachtjes slapen, om met Klaas te spreken, en dan reis ik af. Vandaag kreeg ik weer een echt lieve brief van je, ik kreeg ook een brief van Eugenie en naar aanleiding daarvan schreef ik je vanmiddag een vrij vinnige brief, die ik later weer verscheurd heb. Eugenie’s brief was geschreven in een toestand die ze zelf ‘zatjes’ aanduidde, aan de ene kant heel lief, maar erg opgewonden. Maar wat er in stond, beviel me niets en dat is niet haar schuld, maar ligt waarschijnlijk aan jou. Het gaat haar niet aan dat ik jou schrijf dat ik zenuwachtig wordt bij de gedachte aan wat iedereen wel van mij vindt, verder heb ik geen schaamte gevoelens. Ik heb met vallen en opstaan geprobeerd overal het beste van te maken, mijn reis naar Israël was geen ‘gril’ en hoeft als zodanig door niemand beschouwd te worden.
    Verder heb ik Israël nooit als een paradijs beschouwd, maar wel, en zo beschouw ik het nog, als het land waar een jood moet wonen, als het kan. Ik kom absoluut niet terug omdat Israël mij heeft teleurgesteld, in tegendeel, na alle waarschuwingen. Het klinkt mij als onzin en laster in de oren als ik van Eugenie moet horen dat Israël een ‘hard’ land is. Zij kan dat toch niet weten? Ik weet er zelf nog niets van. Ik wist helemaal niet dat zij in ons huis kwam, ik vind het best dat ze komt en ik vind het fijn dat ze werk heeft, maar ons leven en mijn gedachten gaan haar en anderen (wie wel allemaal?) niets aan. Van wie heeft ze al die onzin?
    Je zegt aan de ene kant dat je met niemand over me praat en aan de andere kant dat allerlei mensen er wat van zeggen of niet, en dan krijg ik zo’n brief van Eugenie. Het is toch een kwestie van vertrouwen dat ik je over al mijn gedachten schrijf, moet ik daar nu spijt van hebben? Ik moet toch tegen jou openhartig kunnen zijn?
    Enfin, weg ermee! Ik heb vandaag alle tekeningen van de muur gehaald, het ziet er mooi kaal uit. Het is eindelijk gaan regenen, het was wel nodig, buiten is het nu een immense kledderboel. “Botz” (modder) aan je schoenen, het koekt er in dikke lagen aan vast. Deze laatste dagen vliegen, sommige mensen informeren voorzichtig waarom ik eigenlijk wegga, Nomi vindt het geloof ik echt jammer, ik zou wel ik weet niet wat willen doen om haar te laten merken wat haar vriendschap en steun voor mij betekend heeft. Zodra ik thuis ben schrijf ik haar een brief dat ik er ben. In maart of april komen vrienden van haar naar Holland en naar ons, die moeten we dan maar eens goed ontvangen, ze komen niet slapen of eten, hoewel ik gezegd heb dat het kon.
    Klaas is helemaal opgewonden, slapen wil hij ’s avonds niet meer. Ik laat hem ’s morgens zo lang slapen als hij wil, zodat hij voldoende slaap krijgt. Als ik naar Jet kijk, krijg ik een brok in mijn keel, hoewel Jet het allemaal wel niet zo erg zal vinden als ik denk. Als ze maar geen zwerfkat wordt. Eten vangt ze wel, maar ze is een echt gezelligheidsdier, en de mensen hier hebben hun kat niet in de kamer, maar buiten in een kistje. Nomi’s poes is weg sinds de verhuizing, misschien wil ze Jet nu wel hebben als Mietzie niet terugkomt. Het zal beter zijn als Jet de kibboets uitgaat, Nomi woont vlakbij ons huisje.
    Toen Klaas al in bed lag achter zijn gordijn, maakte ik koffie. Ineens zei hij heel langzaam en plechtig ‘mammie, ik hoop dat je thee lekker zal smaken,’ snoezig joh. Hij is toch zo’n lief diertje, een echt kindje met een lief kinderstemmetje. Maar hij moet z’n tetter houden ’s avonds.

12 uur ’s nachts.
Ik heb eerst een poosje Klaas in slaap gesust en vervolgens heb ik het licht uitgedaan en heb een hele tijd in een stoel de ene cigaret na de andere gerookt en niets, niets, niets gedaan, zelfs niet nagedacht. Alleen maar zitten denken aan wat ik hier allemaal gezien heb. Ik ben nu een gerookte haring, zin in slapen heb ik helemaal niet. Hoe gaat het met je rug? Zou je niet naar de dokter gaan? Je hebt toch al eerder pijn aan je rug gehad? Als ik thuis ben en je hebt het nog, stuur ik je er heen. Liefje, dit zal ook wel mijn laatste brief zijn, er gebeurt verder toch niet veel en ik kan mezelf nergens op concentreren, dus alles wat we hierna tegen elkaar zeggen, doen we mondeling.
    Ik hoop dat de reis vlot verloopt. Alles is nu wel klaar, ik heb alleen nog geen geld van Eri, maar dat komt wel. Liefje, tot ziens, er is nog een heleboel te vertellen over ons en Klaas. Het zal allemaal best lukken. Probeer je rustig te houden, alles hoeft in huis niet piekfijn in orde te zijn, zie maar waar je tijd voor hebt. Als er voor Klaas wat frietjes zijn en wat melk en fruit is het wel goed, en schone lakens op zijn bed. Om te eten voor ons hoef je geen hele maaltijd te koken, bier of wijn met toastjes of zoiets is toch wel best. En vergeet niet cigaretten, die moet je nooit vergeten. Het zal al fijn zijn samen te zijn. Tot ziens en tot ziens.
    Omhelsd heel innig en stevig, je Ursula.  



 

dinsdag 11 mei 2021

 


 

In oktober 1965 gingen mijn ouders, toen 29 en 30 jaar oud, Kees ten Holt (1935 - 1990) en Ursula Roth (1934 - 1981) uit elkaar. Mijn moeder nam mij (5 jaar oud) mee naar Israel, om zich met mij in de nieuwe heilstaat te vestigen in kibboets Lahav in de Negev. Mijn ouders schreven elkaar dagelijks, en al snel werd duidelijk dat ze moeilijk zonder elkaar konden. De volledige correspondentie (in ca. zeventig brieven) is bewaard gebleven.
(afl. 71)


 

Lahav, dinsdag 24 januari 1966, Ursula

lieve Kees,

gisteren kreeg ik gelukkig mijn reispapieren, alles is dus in orde. Ik ben naarstig bezig alles te wassen, te stoppen, te strijken, Klaas en ik dragen onze oudste kleren en schoenen. Donderdag haal ik alles in mijn huisje overhoop, ga vast zoveel mogelijk pakken en de kamer schoonmaken. In de matpera moet ik pyjama’s maken, ik kan er nauwelijks mijn hoofd bijhouden. Alweer heb ik geluk, Nomi is er niet, ik kan niet bij de naaimachine, want de andere twee hebben echt veel belangrijker werk te doen. Eerst had ik nog knopen aan te zetten, maar dat is nu klaar. Dus toen ze eigenlijk niet wisten wat ze mij te doen zouden geven, zei ik maar vlug dat ik nog veel voor mezelf te doen had, en verdween naar huis, en heb verder de hele hele ochtend heerlijk in het zonnetje kleren versteld.
    Vanmiddag heb ik nog iets in de matpera genaaid, maar ook niet veel. Voor ik het vergeet, denk er wel om dat 3 februari een donderdag is en geen woensdag. Dat schreef je namelijk, dat je woensdag vrij ging vragen, het is donderdag. Je kunt misschien beter vrijdag vrij vragen. Of niet? Ik heb allerlei mensen een kaartje gestuurd, o.a. een beeldige aan Frankje en Henriëtte (buurkinderen uit de Heinzestraat, KtH), en een aan Anneke Roth (jongere zuster van Ursula, KtH). Ik heb er nog drie over, ik weet nog niet aan wie ik wat zal sturen. Ik zal er denk ik ook een aan Joost en Ria sturen. Klaas slaapt weer eens niet, ik heb hem z’n zaklantaarn en een boekje gegeven, want hij lag te zuchten en te steunen dat hij niet slapen kon. Nu is hij heel stil.
    Gisteren voelde ik me ziek, ik had keelpijn en koorts en voelde me bibberig. Ik heb de hele dag A.P.C. en sulfapillen geslikt, nu is het weer weg. Ik zal toch eens aan Beussie (Van Beusekom, huisarts van mijn ouders, KtH) vragen wat die van sulfatabletten denkt. Esther zei dat haar dokter ze haar zeer had ontraden, maar ze helpen erg goed tegen de keelpijn. Zij zei dat je er zwak van wordt en dat kan namelijk best zijn.
    Het licht is uit, er is geen elektriciteit, ik schrijf nu bij het licht van drie kaarsjes, romantisch hè? ’s Avonds is er bijna altijd elektriciteit wonder boven wonder, overdag valt hij om de haverklap uit, nu hoor ik de generator ook niet meer, hij is dus wel echt stuk. Erg stuk is hij nooit, Gabi krijgt hem altijd wel weer aan de gang. Buiten is het aardedonker, geen hand voor ogen te zien, ongelofelijk, geen enkel lichtpuntje. Als ik buiten sta vind ik het gewoon eng. Er is ook geen maan. Als je niet in je huis bent en je hebt geen zaklantaarn, dan vind je het niet terug. Soms wordt iets heel primitief gerepareerd, b.v. de elektriciteit of de waterleiding ergens, bij het licht van een gierende tractor. Dat is dan een wonderlijk gezicht. Het is nu zo stil buiten, alleen het loeien van een rund of het schreeuwen van een varken, of mensen die elkaar roepen. Ik hoor mijn klokje tikken. De generator maakt namelijk dag en nacht een hels lawaai. Vrijdag wordt de kibboets aangesloten op het elektriciteitsnet, dat wordt een feest.
    Ik heb niet veel te schrijven, zoals je ziet. Ik ben te onrustig om mijn gedachten te verzamelen. Het enige van de reis waar ik een klein beetje tegenop zie, is de dag die ik in Marseille moet doorbrengen, het beste zal toch wel zijn zolang een kamer te nemen en uit te rusten voor het gedender in de trein.
    Er is weer licht en lawaai. Klaas wordt meteen onrustig. Hij spreekt al heel aardig Iwriet. Hij weet meer dan ik, die kindertjes leren zo gauw, als hij hier nog een paar maanden zou zijn, zou hij het vloeiend spreken. Hij ligt nu te fluiten in zijn bed, hij wilde weten in welk land het eerste soep gemaakt werd. Hij vraagt me soms de oren van het hoofd, soms weet ik gewoon niet wat ik allemaal moet antwoorden. Vanavond heeft hij met grote ogen in het babyhuis rondgekeken, het deed mij ook zo wonderlijk aan, die bedjes bij elkaar, in elk een klein kindje dat lekker lag te slapen. Ze zullen nog jarenlang met elkaar zo in een kamer slapen als broertjes en zusjes. Toen Michel haar Inbal wilde voeden, wilde Klaas erbij zijn, dat mocht. Hij was er niet weg te slaan.
    Ik kan gewoon niet rustig zitten, Klaas zeurt en zeurt. Mammie ik wil eruit! Reuze vervelend. Wat doe ik ermee? Ik ben al bij hem gaan zitten praten, hij gaat nu huilen, maar niet echt, alleen proberen of het gaat, ondertussen klakt hij opgewekt met zijn tong.

Volgende morgen.
Liefje, ik heb geen tijd om te schrijven, veel liefs en omhelsd ook door Klaas.
Ursula.

 

maandag 10 mei 2021

 


 

In oktober 1965 gingen mijn ouders, toen 29 en 30 jaar oud, Kees ten Holt (1935 - 1990) en Ursula Roth (1934 - 1981) uit elkaar. Mijn moeder nam mij (5 jaar oud) mee naar Israel, om zich met mij in de nieuwe heilstaat te vestigen in kibboets Lahav in de Negev. Mijn ouders schreven elkaar dagelijks, en al snel werd duidelijk dat ze moeilijk zonder elkaar konden. De volledige correspondentie (in ca. zeventig brieven) is bewaard gebleven.
(afl. 70)


 

Lahav, 22 januari 1966, Ursula

lieve Kees,

ik zit hier in een brandend hete, of liever echt net lekker warme zon, voor Moshé’s kamer, want daar is zon. In het gras liggen lui, twee soldaten, Jet draait om me heen, ik ben blij dat ze dat nog kan, want gisteravond zag het er naar uit dat ze vergiftigd was, ze kotste en kotste en schreeuwde en rilde, niemand mocht haar aanraken, maar ze spinde wel allerliefst als je naar haar keek. Vandaag is ze weer kiplekker, ze eet alleen niets. Ik dacht eventjes, als ze nou erg ziek wordt, dan stop ik haar in een tas en neem haar mee, als ze niet eet, poept ze ook niet en dan ga ik in Holland wel naar een dokter, maar ze is gelukkig weer springlevend. Als je eens wist hoe ik op haar gesteld ben, met haar stoute, gekke, zwarte maskertje, haar gespring en gerol over de grond, en haar zwarte staart, een echt klein scharminkel is het.
    Klaas ligt met zijn kont zowat boven op dit papier te tekenen, Peter Pan, dat boek hebben we net gelezen, het was erg moeilijk te vertalen, het is voor oudere kinderen vind ik ook, maar alle kinderen spelen het hier gehele dag onder leiding van Tal, de dochter van Schlomiet.
    Vannacht heb ik zowat niet geslapen, eerst kon Klaas niet slapen, toen heb ik hem uiteindelijk in mijn bed gelegd, later wilde hij er niet meer uit, dus ik legde me in zijn bed, vervolgens begonnen Moshé en z’n vriendin ruzie te maken, vrij hardop, maar nog zo beschaafd dat ik pas merkte dat ze ruzie maakten toen hij de deur uitliep en zij begon te wenen, zij huilde ongeveer de hele nacht door, ondertussen praatten ze met elkaar, vanmorgen (ze hielden ongeveer om vier uur op) waren ze om zes uur alweer op, onbegrijpelijk. Vanmiddag kwamen ze opgewekt weer thuis. Moshé zei zonder aanleiding tegen mij dat hij vannacht ziek was geweest en nu een uur wilde slapen en of wij stil wilden zijn, heel vreemd, want ten eerste vraagt hij zoiets nooit, en ten tweede heeft hij vannacht en trouwens zo vaak als zij er is, ontzettend lawaai gemaakt. Gek en lastig. Ik gaf er niet veel antwoord op.
    Het is zulk heerlijk weer, er is wel veel wind, maar die is heerlijk lauw. Ik kan me gewoon niet voorstellen dat het in Holland zo koud is. Liefje, iets belangrijks, koop vast een paar wanten voor Klaas en een warme trui en een das, als je het betalen kunt, eigenlijk zou hij nog een heel, heel warme bivakmuts moeten hebben, voor zijn oren, maar wanten enzo moet hij meteen hebben, anders is hij meteen ziek. Hij heeft wel een muts, maar het is een snertmuts.            
    
Liefje, nog iets, ik had gedacht als we vrijdag samen eens gordijnen gingen kopen (of zaterdag) voor onze kamer, voor Klaas en voor de keuken, dan neem ik de heleboel mee naar Janneke in Haarlem (Janneke van Wensveen, vriendin van Ursula, KtH) en naai ze in elkaar. En als het kan ook een beddensprei voor ons en voor Klaas, want nu is er net een klein beetje geld en het is dringend nodig. Dan blijf ik b.v. twee dagen in Haarlem en jij hebt Klaas even alleen. Je vraagt Daniëlle hem van school te halen tot jij uit school komt. Oké?
    Ik wou dat ik de kaartjes vast had, gisteren wilde ik mijn brief aan jou expresse versturen, maar Bracha hield vol dat het geen verschil maakte en ik kreeg het niet gedaan. Gisteren is Michals zoon besneden, hij kreeg wel een Berith mila, (rituele besnijdenis van jongens bij de joden, KtH) dus zo onreligieus zijn ze nu ook weer niet. Michal zei ‘so now he is a real Jew,’ heel tevreden.

Het is nu donker, 6.30 uur.
Klaas en ik hebben heerlijk gewandeld, eerst naar de beesten, toen hebben we wat eten gehaald bij het Chader Ochel, vervolgens thee gedronken en toen was de lucht zo mooi, dat we de berg op zijn gegaan. Overal bloemen, we hebben een hele bos geplukt, de lucht was vuur! Het spatte omhoog als goud licht, achter een heuveltop, flarden van vuur hingen in de lucht. Er waren stukken helblauwe lucht, licht en donker, en paars en bruin en roze, en de bergen waren van goudbruin tot donkerroodbruin en groen. Onbeschrijfelijk. Later werd het vuur meer donkeroranje tot rood, tot donkerbruin paars.
    De kinderen zijn aan het spelen, de ouderen aan de bosrand tussen de dennenbomen, zij spelen een soort spookspel, met lange witte jurken. Mijn huis staat hoger, het is een onbeschrijfelijk, toverachtig gezicht. Klaas speelt met anderen in een grote koffer die op een grasveldje tussen twee huisjes staat. Jet springt de stoep op en af, een rust, een sfeer van buitenleven. Jij moet dit ook gauw eens meemaken. Toch zou ik dit niet altijd kunnen appreciëren geloof ik. Gezond is het wel. Vanmiddag zagen we drie paarden die in een soort stal van ijzeren palen stonden, gedeeltelijk bedekt door golfplaat, middenin het kale zonnige landschap, ook al zo’n vreemd onwezenlijk beeld, het heeft toch iets erg zuidelijks, iets van een begin-van-een-nederzetting-achtig iets.

Avond.
Klaas ligt in bed en slaapt weer eens niet. Ik heb hem onder de douche gedaan, daar heeft hij wel een half uur onder gestaan, flirtend met de damessoldaten die binnenkwamen. Hij is erg lief, hij heeft misschien wel al veel meegemaakt, maar hij is nu toch heus heel lief aan het worden, aan liefde heeft het hem ook nooit ontbroken, en dat is toch het voornaamste, dacht ik. Hij is nu vrij onrustig omdat hij aan de ene kant weg wil en aan de andere kant vindt hij het hier fijn. Maar we hebben het wel gezellig, ’s middags zitten we heel gezellig bij elkaar en ’s morgens voordat hij naar school gaat drinken we thee of chocolade met toast en dat is ook erg gezellig. Ik haast hem nooit, het is niet goed, dat zie ik duidelijk, hij heeft een langzaam tempo met dingen als aankleden, eten, lopen. Soms benijd ik hem dat rustige gemak, maar ik begin het al te leren. Het zal goed voor hem zijn weer alleen, rustig in zijn eigen kamertje te slapen, hier wordt het ’s avonds zo benauwd, ik rook en ik heb het kacheltje aan, en ik kan haast niets doen, er is haast geen licht, alleen een lampje met een doek erover. Nu vanavond is er ook teveel lawaai van Moshé en vriendin en vrienden. Die mensen slapen ’s middags zo lang dat ze ’s avonds geen slaap hebben, maar ik wel. Vannacht deed de deur dicht, zijn ze gek geworden? Klaas wil weer niet slapen, dat is erg vervelend, ik moet echt wel eens rust hebben, hij zeurt de hele tijd, verstopte neus, keelpijn, akelige dromen, te veel lawaai, vervelend dat hij slapen moet enz. Ik wilde nog iets lezen. Liefje, ik houd maar op met schrijven, ik kan me niet concentreren. Veel zullen we elkaar niet meer schrijven, denk ik, ik zal de laatste dagen nog wel een brief versturen, want dan krijg je nog bijna iedere dag post tot we thuis zijn.
    Kijk je wel goed of alles voor Klaas in orde is? Dekens, lakens, handdoeken enz. Schoenpoets. Kun je misschien Halitran druppels (levertraan, KtH) kopen en fluor, mijn fluor is bijna op. Ik ben benieuwd hoe hij het zal vinden weer thuis, hij verheugt zich er onnoemelijk op. Hij zegt steeds dat hij van jou het allermeeste houdt, hij heeft je brief over de plaat gekregen, die hangt boven zijn bed. Je moet het maar niet erg vinden dat hij geen brieven schrijft, hij heeft allerlei andere dingen in zijn hoofd en nu we toch terugkomen dring ik maar niet aan.
    Frankje (buurjongen uit de Heinzestraat, KtH) heeft hem een brief geschreven, ik had een briefkaart willen sturen, maar ik heb er geen, en ik heb Motke gevraagd om er wat mee te brengen maar hij is het zeker vergeten, ik zal nog eens vragen. Liefje, houd moed, veel liefs en goeds en omhelsd door mij,
Ursula.   

zondag 9 mei 2021

 


 

In oktober 1965 gingen mijn ouders, toen 29 en 30 jaar oud, Kees ten Holt (1935 - 1990) en Ursula Roth (1934 - 1981) uit elkaar. Mijn moeder nam mij (5 jaar oud) mee naar Israel, om zich met mij in de nieuwe heilstaat te vestigen in kibboets Lahav in de Negev. Mijn ouders schreven elkaar dagelijks, en al snel werd duidelijk dat ze moeilijk zonder elkaar konden. De volledige correspondentie (in ca. zeventig brieven) is bewaard gebleven.
(afl. 69)


 

Lahav, donderdag 20 januari 1966, Ursula

lieve Kees,

ik schrijf je uit een ontzaglijke behoefte met je te praten. Ik denk na over onze laatste dagen samen, en ik ben werkelijk verbijsterd, ‘hoe hebben we dit allemaal kunnen verdragen?’, begrijp jij er nog iets van? Überhaupt 'hoe hebben we alles kunnen verdragen?’ Het schijnt mij nu veeleer zo natuurlijk dat we terugkomen, alsof dit altijd de bedoeling was.
Nog sterker: het was de bedoeling. Ik herinner me dat ik pas ben begonnen te pakken op de laatste dag, en dat ik met alles gewoon ben doorgegaan tot de laatste dag, en hier? Ik zou wel ieder moment willen inpakken, ik ben al lang half weg. Hoe kan dit toch allemaal? En is dit nu de waarheid die ik opschrijf? Of zie jij het niet zo? En wat je schreef over wat ik in het laatste moment voor je had opgeschreven en wat je als min of meer “profetisch” beschouwde? Was dat een expressie van ware diepe en onbewuste gevoelens, wat was het?
    Het duizelt me een beetje, en dit is geen frase. Hoe hebben we geleefd, de laatste maanden? Het is geen wonder dat we niet meer konden slapen, hartkloppingen hadden, vermagerden, ziek waren, kalmerende middelen moesten slikken. Zoiets mag nooit meer gebeuren! Psychiaters zijn geen uitkomst hierin. Hiermee wil ik niets afdoen aan de steun die ik van Musaph gehad heb. We moeten al onze krachten geven aan een uiterste verbondenheid, vertrouwen, oprechtheid, begrip, steun, hulpvaardigheid. We hebben veel gepraat, dat is waar, maar wat voor een soort licht scheen er over dit alles? Ik kan het zelf niet peilen. Er was geen eenheid in ieder geval, geen liefde geloof ik, geen echte liefde voor elkaar. Heb ik het dan allemaal alleen gedaan, zoals jij zegt? Maar waarom heb jij mij dit dat allemaal laten doen? Hoe moeten we elkaar helpen, duwen in de goeie richting? We moeten helemaal overnieuw beginnen met als achtergrond onze ervaringen, vanuit die ervaringen. We moeten elkaar meer liefhebben.
    Hoe het precies moet weet ik niet, we moeten kameraden zijn, alles weer samen doen. Ik ben ontzettend moe, ik kan mijn gedachten niet goed verzamelen, ik wil iets zeggen en ik kan het niet formuleren, ik voel een grote spanning.
    Ik verheug me op ons samenzijn, ik ben niet bang. Het zal moeilijk zijn, maar wat geeft het. Alles is moeilijk, dit is net zo moeilijk als leven. Ik voel me zo warm. En hoe ben jij? Wij kunnen met elkaar op geen enkele manier aan de oppervlakte blijven, we moeten elkaar nog beter leren kennen, elkaars diepste gevoelens begrijpen, alleen dan kunnen we tegenstellingen oplossen. Liefje, we zullen het wel zien.
    Ik heb nog steeds geen reispapieren, die moeten nu toch wel eens komen. Ik wil ze gewoon in mijn handen hebben, dan is alles klaar. Het leven bestaat wel erg uit etappes als je het zo bekijkt, ik ben nog steeds op weg, ik ben op weg naar een onbekend doel en jij ook en iedereen, alleen het verschil is dat wij er ons van bewust zijn en doorlopen, terwijl veel mensen halverwege blijven staan met een vaag gevoel dat dit niet datgene was waar ze hadden willen zijn, maar ze hebben geen kracht om verder te gaan, en ze weten ook niet zeker of dat wel moet, en waarheen. Ik zal je alle andere mogelijkheden besparen, ik ben geen filosoof. Jet kent haar doel wel, spelen en vogels vangen. Ze is stierlijk vervelend met haar gespring de kamer rond, alles vernielend met haar scherpe tandjes, op het moment is ze bezig mijn koffer op te vreten. Ze is de enige kat met een naam in de kibboets, alle andere (voor het eerst wordt er geschoten, vlakbij, weer! bovenop, boven, langs mijn huis) andere poezen zoals ik zei, heten “Mietzie”. (wie is het?) Ik veracht mijn eigen nieuwsgierigheid en sensatiezucht. Wie kan binnen willen sluipen? Iedereen weet toch dat de kibboets overal bewaakt wordt, en vooral daar op de berg, bij het waterreservoir. Ik ben nog niet genoeg insider om werkelijk te beseffen wat er aan de hand is, de spanning tussen Arabieren en Israëli’s.
    Denk eens dat er in Nederland een bevolkingsgroep zou zijn die potentieel destructief was (openlijk als de machten erachter machtig genoeg waren een inval te doen, vergelijk N.S.B. vroeger en Neo Nazi’s nu) en in het geheim wroeten en werken aan je vernietiging. Altijd moet je alles bewaken, anders wordt het vernield. Hier is natuurlijk een heel sterke bewaking omdat het zo dicht bij de grens is, een poos geleden werd er hier een jongeman herdacht die doodgeschoten werd in zijn werk op de akkers tien jaar geleden. De sensatie is er voor de mensen hier wel af.
    Er kwam net iemand zeggen dat ik niet bang hoefde te zijn, dat het niet dichtbij was, en dat ze nog niet wisten wat het was, en dat er hier bewaking kwam. Ik ben totaal niet bang, zo te zien kan er hier niemand in, ik woon wel dicht bij het hek, maar ik woon ook dichtbij de bewaking. Voor ons zou het alleen gevaarlijk worden als er gevochten zou worden, en dan zou ik ergens anders gaan zitten met Klaas. Wat zijn toch die sensatie gevoelens, ik heb toch al een hele oorlog achter de rug, en hoe vreselijk zou het zijn als er iets gebeurde.
    Jet is ook naar buiten gegaan om de hond die vlakbij woont te pesten. Ze is een echt wild dier, ze sluipt altijd door het gras, overdag gaat ze nooit midden over het grasveld voor ons huis, ze blijft altijd tussen de bomen, maar ’s avonds loopt ze er wel overheen, als wij dan naar huis komen, komt ze ons een heel eind, al schreeuwend tegemoet. Het is zo grappig om ieder moment dat je je huis nadert met een enorm geschreeuw van verre verwelkomd te worden. Volgens mij schreeuwt ze alleen maar ‘heb je eten?!!! Wat heb je voor me meegebracht?!’ Maar het klinkt als ‘Hallo, fijn dat je er bent!’ Ze springt ook altijd om je heen, gaat over de grond rollen en loopt voor je voeten, keihard spinnend.
    Liefje, ik ga naar bed. Ik hoop dat er morgen een brief van je is. Omhelsd door mij en Klaas. Ursula.

donderdag 6 mei 2021

 


 

In oktober 1965 gingen mijn ouders, toen 29 en 30 jaar oud, Kees ten Holt (1935 - 1990) en Ursula Roth (1934 - 1981) uit elkaar. Mijn moeder nam mij (5 jaar oud) mee naar Israel, om zich met mij in de nieuwe heilstaat te vestigen in kibboets Lahav in de Negev. Mijn ouders schreven elkaar dagelijks, en al snel werd duidelijk dat ze moeilijk zonder elkaar konden. De volledige correspondentie (in ca. zeventig brieven) is bewaard gebleven.
(afl. 68)

 

Lahav, maandag 17 januari 1966, Ursula

lieve Kees,

het is nu 10.15 uur. Ik ben net thuis, ik besloot vanavond eens uit te gaan, naar het “Moadon”, het nieuwe feestgebouw. Moshé was thuis en Klaas vond het best. Ik ging er om kwart voor negen heen. Het was er koud, geen koffie, niets. Iedereen sprak op fluistertoon, niets aan. Ik las een paar Times en Newsweek en Life, en toen ben ik weer naar huis gegaan, heb de kachel aangestoken en koffie gezet.
    Ik weet niet wat dat is met deze mensen, als je ook maar een beetje hard praat, roept iedereen sssssst! Er is soms geloof ik wel koffie. Je moet elkaar al erg goed kennen om je hier te kunnen amuseren. Maar het ziet er beeldig uit. Ik hoop voor hen dat er gauw wat meer leven in de brouwerij komt. Ik heb wel indertijd van Charlie gehoord dat er in andere kibboetsen wel bars zijn, of dergelijke, met muziek en dansgelegenheid. Ik hoef niet te dansen, maar een glas bier en lawaai of een jukebox zou me wel aanstaan. Zoiets is hier geloof ik ondenkbaar. Ze moeten wel wat spannender lectuur geven willen ze de rust bewaren, help, help, het Moadon is ook veel te mooi, als je eens je koffie omgooit. Je moet ook alles keurig terugbrengen en terugzetten. Geef mij maar Hoppe.
    Nu ik toch wegga, kan ik ook rustig constateren dat ik hier niet pas in de kibboets. Bijvoorbeeld ’s morgens als ik niet wil opstaan, zoals vanmorgen ben ik pas om acht uur opgestaan, niemand zegt er iets van, je moet het zelf weten, je werkt gewoon iets langer door. Maar daar had ik nu juist óók geen zin in. Als je gewoon vrij bent, kost het je alleen maar tijd of geld, maar je kunt het wel doen, hier heb je een verantwoording, je kunt niet zeggen ‘geef mij vandaag dan maar geen vlees of fruit of koek.’ Dat gaat niet. Je kunt ook niet zeggen, laat mij maar in een houten huisje, en geef mij maar geen mooie dekens en geen mooie meubels, want ik werk maar vier uur in plaats van acht uur. Je accepteert alles of niets.
    Je hebt wel een hoop vrijheid ook. Want iedereen mag studeren, b.v. de moeder van Boaz studeert drie jaar in Jeruzalem, ze heeft daar een kamer en in de weekends is ze thuis. En werken hoeft ze niet, ze laadt daarmee geen extra plicht op zich, alleen na die drie jaar loopt ze voor de rest weer in het gareel. Doe je iets speciaals, b.v. een vent hier is dirigent, die gaat op toernee, er is een danseres en een fluitist, maar doe je niets speciaals, wil je alleen uitslapen en b.v. niets doen, dat gaat toch eigenlijk niet goed. Ik denk dat als je handig bent je wel een eind in de richting komt, misschien is het toch wel net zo als overal. Alleen wat me soms benauwt is de groep, de afgesloten gemeenschap, al die mensen die je de hele dag ziet, en ’s avonds zie je ze weer. Ssssst! in het Moadon. Maar ja, ik ken ze ook niet. Maar b.v. ik kwam om 10.00 uur Esther bij de W.C. tegen, ik zei ‘heb je zin in een kop koffie?’, maar ze vond het te laat.
    Vanmiddag stond ik in een heidense bende in mijn kamer, werkelijk, de bedden overhoop, de tafel een vieze boel van etensresten, op de grond rotzooi, onderbroeken, pyjama’s, enfin, gruwelijk, want je weet ik had me verslapen. Ineens kwam er een soldaat de trap op de kamer binnen, het was de man van de koffie, die me goedendag kwam zeggen en goede reis wensen, en vragen wanneer ik weer terug kwam. Een heel aardige man. Ik heb een beetje een complex over hem, omdat ik die avond zo koel was. Ik nam me voor als hij weer kwam, heel vriendelijk te zijn, en de volgende dag, dacht ik ‘O jé, ik heb er niets geen zin in,’ en daarna vol schaamte ‘zal ik hem maar uitnodigen,’ maar ik zag hem niet meer. En je weet Charlie heb ik ook al weggekeken. Werd ik ook gek van.
    Het is zo moeilijk echt gastvrij te zijn tegen mensen die je niet zo bie vindt, en die hebben er nu juist het meeste behoefte aan. Wat me wel opviel van mezelf, was dat ik me voor de rotzooi niet geneerde, die was er nu eenmaal. Laat ik het zo houden.
    Ik heb nog steeds mijn reispapieren niet. Ik ben wel alvast nerveus, maar ik weet nu beter de weg in mijzelf. In het Moadon stak ik een cigaret op, de eerste. Ik voelde hoe ik het koud kreeg, ik voelde dat mijn handen begonnen te beven en ik voelde (het was namelijk niet zo) dat iedereen naar me keek, ik zag niet wat ik las, ik dacht ‘begint het weer? Dat moet ik niet hebben.’ Ik hervond al gauw mijn rust en las door, en vergat de anderen weer.
    Hoe zal het gaan als ik weer terug ben in Amsterdam? Wat is er veel valsheid (hiermee bedoel ik niet echte gemeenheid, maar onbewuste valsheid) in je gedachten. Wat is alles toch terug te brengen tot hoogmoed. Tot het jezelf belangrijk vinden, het niet verdragen van kritiek van anderen. Aan de ene kant wil je aandacht trekken, en aan de andere kant vergeten worden. Maar dat gaat niet. Je trekt geen honderdste aandacht van wat je denkt, en het is een geruststellende gedachte, want we zijn nu eenmaal zo, dat de meeste aandacht toch kritiek is. Het vreemde is, als je je moeilijkheden aan vrienden vertelt, of zelfs kennissen, dan begrijpen die het dikwijls maar al te goed, je voelt vrijwel geen schaamte, maar als je eraan denkt dat het doorverteld wordt aan vreemden (meestal niet), dan rijzen je de haren te berge.
    Maar het is net als je zegt: eventjes zegt iedereen ‘hé!’ en dan zijn ze het weer vergeten. Klaas bereidde me vanavond een verrassing, hij was eerst allerliefst, tot ik zei dat hij moest tandenpoetsen, toen werd hij woedend, ik nam hem kordaat bij de arm en bracht hem naar de kraan en poetste zijn tanden, alles van mijn kant wel streng, maar zonder boosheid. Toen ik de mijne gepoetst had en binnenkwam, lag hij boos op zijn bed. Ik weet niet meer precies hoe het ging, eerst zei hij nog iets van dat hij niet blij met me was, en toen meteen daarop ‘ja hoor, ik ben wel blij met jou, ik vind je erg lief, mammie,’ en hij ging lief naar bed. Eindelijk en eindelijk eens vandaag uit zichzelf iets liefs, ik werd er soms wanhopig onder. Ik verloor nooit mijn geduld, en toch was hij altijd zo dwars. Ik moest zo lief zijn wilde hij lief zijn. Nooit wil hij iets doen. Misschien, eindelijk slaat het aan. Vannacht om half twaalf, ik lag in bed en kon niet slapen, nare angsten spookten door mijn hoofd ineens. Toen plotseling begon hij te huilen. Ik kwam hem troosten maar hij wilde niets van me weten, ik vroeg of hij in mijn bed wilde, of ik thee zou maken, niets en niets hielp. Toen pakte ik hem op en legde hem in mijn bed. Jet erbij, en toen wilde hij toch wel thee. Ik begon een verhaal te vertellen, hoe het kwam weet ik niet, geïnspireerd op jouw grappen, we hadden de grootste pret, toen het kwart voor een was, zei ik dat hij nu toch weer moest gaan slapen. Niets daarvan, hij werd meteen boos. Ik zei niet veel en deed niets, en toen ging hij uit zichzelf weer naar bed.
    Hoe vind je dat nu? Een echte vrije geest. Wil best, als hij het zelf maar mag willen. Groot gelijk, en hij was mooi en lief om te zien, een beeldje. Dat is hij zo dikwijls ’s nachts als hij uit z’n bed komt. Hij heeft zo’n grappig smoeltje, vanavond ook, zo stout en wijs, zo scherp soms en toch zo rond en kinderlijk en guitig. O, als hij het maar goed heeft en bloeien kan, dat betekent toch zo veel, daar zijn we toch ouders voor, hè? Zoveel vreugde als je hebt van je kind als je je best ervoor doet, je krijgt zulke kinderen als je verdient, dat betekent dus dat je ervoor werken moet, en dat is goed.
    Ik verlang toch zo naar je, we gaan alles samen heel fijn maken voor elkaar, we geven de moed niet op, iedere dag weer overnieuw, en dan langzaamaan komt het toch nog allemaal goed. Ik omhels je en denk aan je, je Ursula.


 

 

In oktober 1965 gingen mijn ouders, toen 29 en 30 jaar oud, Kees ten Holt (1935 - 1990) en Ursula Roth (1934 - 1981) uit elkaar. Mijn moeder nam mij (5 jaar oud) mee naar Israel, om zich met mij in de nieuwe heilstaat te vestigen in kibboets Lahav in de Negev. Mijn ouders schreven elkaar dagelijks, en al snel werd duidelijk dat ze moeilijk zonder elkaar konden. De volledige correspondentie (in ca. zeventig brieven) is bewaard gebleven.
(afl. 67)


 

Amsterdam, maandag 17 januari 1966, Kees

lieve Ursula,

ik begin aan m’n laatste velletjes luchtpostpapier, dan is m’n bloc op, en een nieuw zal ik gelukkig niet nodig hebben. Dit zal zo ongeveer m’n laatste brief worden, nou ik denk dat als ik deze morgen in de loop van de dag post, dat ik je er nog een kan sturen.
    Het is nu avond, of liever nacht. Het is om precies te zijn middernacht, 12 uur. Ik lig in bed. Ik lig op m’n buik. Als ik voor me kijk zie ik het boekenkastje, met daarin, tegen de muur de drie foto’s die je me gestuurd hebt, en een paar tekeningetjes van Klaas. Vooral de foto met de konijntjes is echt helemaal Klaas. Wat is hij toch een mooi mannetje. Ik popel van ongeduld om hem weer te zien. Toen ik vanmorgen uit Aalsmeer kwam vond ik twee brieven, een van woensdag 12 en een van donderdag 13 januari. Ik ben blij dat je schreef dat je nu “een echte fijne brief” had gekregen. Ik denk dat ook de stemming waarin je een brief leest erg belangrijk is. Ik heb ook wel eens gehad dat als ik een brief aan jou overlas, ik hem plotseling heel anders zag dan eerst.
    Ik ga zo langzamerhand een aantal praktische maatregelen nemen. Een dezer dagen zal ik de was sorteren en laten halen. Ik heb nog nooit iets laten wassen. Tot nu toe heb ik geput uit de voorraad handdoeken en theedoeken die er nog was, en lakens heb ik nooit gebruikt. Ik heb steeds geslapen in de twee slaapzakken die ik aan elkaar geritst had. Ik zal ook zien dat ik een jas voor Klaas koop. Als het weer zo blijft zal hij hem zeker nodig hebben. Het vriest 1º en het sneeuwt. Het is hier echt winter.
    Ik verlang erg naar rust. Ik hoop en denk dat we die samen kunnen vinden. We moeten de eerste tijd maar zo veel mogelijk thuis blijven, behalve misschien eens naar de film of zoiets dergelijks. Ik wil graag werken, en ik denk dat ik dat nu goed zal kunnen als jij terug bent. Het is fijn dat je zoveel probeert te lezen. Ik heb een aantal nieuwe boeken gekocht en gekregen die je vast zullen interesseren. Liefje, ik ga nu slapen, het is bijna half een, jij slaapt nu hoop ik al. Ik vind het zo’n vreemd idee dat we nu allebei in bed liggen, denkend aan elkaar, maar ieder op een ander plekje van de wereld. Wat heb je aan? We moeten wel wat leuks voor je kopen om ’s nachts aan te trekken. Liever niet meer zes broeken en twaalf truien. Daarbij brandt de kachel. (please!)
Liefje, ik sla m’n ene arm om je hals, en m’n andere hand leg ik zachtjes op je boezem. Slaap zacht, tot morgen.

Dinsdag 18 jan. 1966
Het is half zes ’s middags. Ik heb nog net even tijd om een paar woordjes tegen je te zeggen. Vanmiddag heb ik een winterjas, jack, voor Klaas gekocht, en een paar wanten. Ik vind de jas erg mooi, het is een jas die gemaakt is van een soort slaapzakken spul, diep groen nylon, met een voering, die gevuld is met weet ik wat, net als een slaapzak. Hij is heel warm en ziet er erg leuk en sportief uit, en zal Klaas vast prachtig staan. Er zit ook een capuchon op. Ik heb groene wanten gekocht met een rood paardje erop, dat zal mooi staan bij zijn rode muts. In de jas zit een rits, met aan de trekker een klein pistooltje. Ik ben erg trots op deze jas. Ze hadden weinig leuke jassen, de meeste leken me zo sloom. Ik zei zonet dat ik nog net even tijd had om je wat te schrijven, ik heb n.l. om zes uur een afspraak met Hans van Rij bij Hoppe, we gaan in de stad wat eten. Liefje, het is nu kwart voor zes, ik moet weg en schrijf je vanavond of morgen verder. Kusjes, Kees.

Donderdag 20 januari
Het is nu donderdag ochtend. Ik ben op school. De klas, 2a, werkt voor zichzelf, zo nu en dan vraagt iemand wat, verder zitten ze heel rustig te werken. Ik heb ze beloofd geen of weinig huiswerk te geven met het oog op het schaatsenrijden, als ze nu zo rustig mogelijk hun werk op school doen. Gister kon ik je niet schrijven, omdat ik een onmogelijk drukke dag heb gehad. School van half negen tot half twee, een vergadering van drie tot vijf, en ’s avonds heb ik met Jan bij Heleen gegeten. Vanmorgen, vlak voor ik naar school ging, kreeg ik je brief van 16 jan, waarin je me, helemaal aan het eind, toch nog even verweet dat ik toch soms wel koele brieven schrijf. Verder was het een lieve brief. Was mijn brief die je net gekregen had (welke?) soms ‘koel’? Ik vind dat je weinig ingaat op wat ik je schrijf, over het algemeen tenminste. Ik probeer meestal wel in te gaan op een aantal punten van jouw brieven, omdat je op die manier meer tot een gesprek komt. Waarin ben ik precies koel? Wat maakt een koele indruk? Dat zou ik b.v. wel willen weten. Overigens ken je me denk ik goed genoeg om te weten hoe ik zo’n beetje ben, en uit het feit dat je bij me terug wil komen blijkt toch wel dat je me wel een beetje een aardige jongen vindt.
    Het is nu middag, tien over twee. Ik ben nog steeds op school, want om drie uur moet ik met de eerste klassen mee naar de politiekapel. Ze krijgen onderricht in de samenstelling van een harmonieorkest. Omdat er geen andere leraren beschikbaar waren, vroeg Shouffour of ik dit karweitje wilde opknappen. Vooruit dan maar weer.
    Ben je echt zo dik geworden? Een beetje mollig vind ik wel mooi, maar het moet niet te gek worden. Ik ben zo vreselijk benieuwd jullie te zien. Ik kan me natuurlijk wel voorstellen hoe je eruit ziet, maar toch niet helemaal.
    Ik sta op het station dus bij de UITGANG van het perron waar de trein aankomt. Als je trein via Haarlem rijdt, kom je aan aan de westkant van een van de perrons. Ieder perron heeft maar één uitgang, aan iedere kant. Je neemt dus de uitgang aan de kant waar de trein stopt. Als je in Marseille eenmaal in de trein zit, hoef je niet meer over te stappen. (tenzij zich iets bijzonders voordoet, maar dan wordt je dat in de trein meegedeeld). Jij en Klaas hebben ieder een eigen bed (couchette).
    Gister kreeg ik een brief van Near East Tours met het bericht dat de tickets verstuurd waren, en de rekening. Die heb ik inmiddels voldaan. De boot stopt onderweg voor zover ik weet alleen in Napels. Wat een wereldreizigster ben je in feite. Napels is herkenbaar aan de baai, en natuurlijk de Vesuvius. Ik ben vergeten te vragen hoe lang de Moledet daar aanlegt en of je de gelegenheid hebt om van boord te gaan, maar dit soort dingen wijst zich vanzelf.
    Ik hoop dat je ook een beetje zult kunnen genieten van de reis. Het lijkt me heerlijk om een paar dagen op de Middellandse zee te varen. De treinreis is natuurlijk minder leuk, maar deze denderende machine brengt je uiteindelijk waar je wezen wilt, en om vier uur ’s middags, op donderdag 3 februari, is het leed geleden. We gaan dan snel met een taxi naar huis. Ik zal zorgen dat het thuis lekker warm is en dat er wat lekkers te eten is. Ik schreef je al dat ik me tot een tamelijk goede kok ontwikkeld heb.
    Lieve Ursula, ik zie in m’n agenda dat het vandaag alweer de 20ste is. Over een week ga je aan boord en ga je je terugreis aanvangen. Ik denk dat je een schat aan ervaringen en inzichten met je meeneemt, teveel om nu al verwerkt te kunnen hebben. Ook ik heb door alles wat er gebeurd is het nodige geleerd. Laten we hopen dat we al onze ervaringen ten goede kunnen gebruiken en dat we elkaar als twee gelijkwaardige partners tegemoet kunnen treden, van goede wil, hoopvol en bezield van het verlangen samen wat van ons leven en dat van Klaasje te kunnen maken, en laten we hierbij de realiteit niet uit het oog verliezen. Liefje, ik houd vreselijk veel van je en verlang ontzettend naar jullie.

’s Avonds 11 uur
Toen ik vanmiddag om vijf uur thuiskwam (half bevroren, het vriest dat het kraakt) vond ik nog een brief van je. (17 jan) Als we een rustige sfeer in huis kunnen scheppen, en zo regelmatig mogelijk kunnen leven, zal dat Klaasje veel goed doen. Ik dacht dat het het beste was als we hem maar zo gauw mogelijk in het normale gareel brengen, dus ook weer naar school. Maar we zullen dat allemaal hier bekijken. De eerste weken moeten we in ieder geval veel thuis blijven en niet te veel bezoek ontvangen. Maak je toch vooral geen zorgen over de kritiek van anderen, dat is eigenlijk toch zo verschrikkelijk onbelangrijk. Het gaat om jou en mij, om wat wij vinden, en niet om wat anderen vinden. Gun de rest hun roddel en haal er verder je schouders over op. Je staat nu niet meer alleen, we zijn weer met z’n tweeën, we hebben een paar goede vrienden, en let the rest go to hell. Wij doen een oprechte poging om iets van ons leven te maken, dat is een kwestie van vallen en opstaan en dat is niet iets waarvoor je je hoeft te generen. Kom, Ursula, lach eens, ik meen het, als we ons te sappel willen maken, laten we dat dan doen om elkaar, of om Klaas, als dat nodig is, maar niet om een beetje onnozele kritiek van mensen die zich in feite niet eens voor ons interesseren. Liefje, ik ga deze brief nu beëindigen. Het is de laatste die ik versturen zal. Ik leef toe naar de derde februari. Houd je goed en wees niet bang. Het is nu nog maar een kwestie van een beetje tijd. Twee weken. Als er nog iets heel belangrijks is dat je wilt weten, moet je per expresse schrijven, dan kan ik je een telegram terugsturen. Maar alles zal erg meevallen, probeer een beetje te genieten van de reis. Groet Motke en zijn vrouw van me, die heb ik hier toch ontmoet? We zullen vast en zeker samen nog eens in Lahav komen. Het is natuurlijk gek dat ik het zeg, maar ik zal onze correspondentie een beetje missen. Ik heb nog nooit in m’n leven zoveel (koele) brieven geschreven. Misschien krijg ik van jou nog wel wat post. Liefje, nogmaals, houd je goed en tot gauw. Ik denk dat als ik jullie uit de trein zie stappen, m’n hart een slag over zal slaan. Ik denk voortdurend aan jullie. Dag liefje, tot over twee weken, dag liefje, tot gauw. Vast duizend omhelzingen en lieve woordjes en kleine kusjes, en alles waar je behoefte aan hebt. Pas goed op Klaasje, maak je niet zenuwachtig, ik denk aan je, je bent niet alleen, omhelsd, Kees.

LIEVE KLAAS, WAT BEN IK BLIJ DAT IK JE NU WEER GAUW ZAL ZIEN. WEES ERG LIEF VOOR MAMMIE. AL JE VRIENDJES IN AMSTERDAM WACHTEN OP JE. WE ZULLEN EEN HOOP PRET MAKEN HIER NA JE LANGE VAKANTIE IN ISRAËL. HEB JE HET DAAR OOK WEL FIJN GEHAD? LIEVE KERELTJE IK GEEF JE VAST DUIZEND KUSJES. JE BENT NU GAUW WEER THUIS, EN DAAR IS HET TOCH HET LEUKSTE. DAG KLAAS, IK WACHT OP JE, PAPPIE.


woensdag 5 mei 2021

 


 

In oktober 1965 gingen mijn ouders, toen 29 en 30 jaar oud, Kees ten Holt (1935 - 1990) en Ursula Roth (1934 - 1981) uit elkaar. Mijn moeder nam mij (5 jaar oud) mee naar Israel, om zich met mij in de nieuwe heilstaat te vestigen in kibboets Lahav in de Negev. Mijn ouders schreven elkaar dagelijks, en al snel werd duidelijk dat ze moeilijk zonder elkaar konden. De volledige correspondentie (in ca. zeventig brieven) is bewaard gebleven.
(afl. 66)

 

Amsterdam, zondag 16 januari 1966, Kees

lieve Ursula,

dat het zo lang duurt voor je deze brief krijgt, komt omdat zijn voorganger drie dagen in de zak van Jan Fontijn heeft gezeten. (de zak) Hij was vergeten hem voor me te posten, en nu schrijf ik je zo snel mogelijk een nieuwe.
    Lieve Ursula, ik vind het echt naar dat mijn brieven een kille indruk op je maken, want ik ben niet kil, wil niet kil zijn, en schrijf ook niet kil, dacht ik. Omdat er zo’n lange tijd ligt tussen schrijven en lezen van een brief, moet je nog meer dan bij het gesproken woord, interpreteren. Natuurlijk uit ik mij wel anders dan bijvoorbeeld iemand als Hennie. Lieve Ursula, ben je niet een beetje een dommertje? Ik bedoel b.v. jouw interpretatie van de twee citaten uit mijn brief en die van Hennie. In de eerste plaats heb je mij verkeerd geciteerd, of in ieder geval onvolledig. Ik schreef zoiets als: ‘ik ben moe, iedereen is moe. Van ellende, van narigheid, van de kou.’ En hieruit distilleer jij: ‘ik ben moe, van narigheid en ellende,’ terwijl juist wat ik hier omheen geschreven heb, dit gevoel van een bepaald ogenblik, weer moest relativeren. Het was een beetje spottend bedoeld, niet cynisch of defaitistisch. Aan de andere kant zal ik nooit woorden in de mond nemen als “het lot dat wij moeten torsen”, of dit nu “onverdraaglijk” is of niet. Ik krijg dit citaat van Hennie natuurlijk ook buiten z’n context, maar zo los maakt het op mij een veel pathetischer indruk dan wat ik schreef. Ik ben zeker niet defaitistisch, of vol zelfbeklag. Ik probeer wel nuchter te zijn. Mijn omgeving heeft mij eerder opgewektheid ‘verweten’ dan wat anders. Tegenover jou ben ik natuurlijk eerlijker, en jou maak ik ook deelgenoot van mijn somberder ogenblikken. Ik ben er zeker van dat als je mijn brieven nog eens goed doorleest, je daarin ook allerlei positieve geluiden zult horen, net zoals jouw brieven een mengeling zijn van moed, opgewektheid, verdriet en wanhoop.
    Lieve Ursula, alsjeblieft, geloof me als ik je zeg dat ik niet koud ben. Waarom zou ik je anders zoveel schrijven? Liefje, als ik aan je denk, is dat altijd met vertedering, en als ik aan Klaasje denk krijg ik soms een brok in m’n keel. Als ik er bij stil sta hoe moeilijk en ingewikkeld zijn kleine leventje nu al voor hem is, en hoe weinig wij, door onze eigen frustraties en onvermogen, voor hem hebben kunnen doen. We moeten veel over hem praten en zien hoe we hem de rust en veiligheid kunnen teruggeven die hij zo nodig heeft. Voor alles moeten we eendrachtig zijn waar het gaat om zijn belangen, en als we het op sommige punten misschien niet helemaal met elkaar eens zijn, in rust tot een compromis komen, zonder dat hij er teveel van merkt of de dupe wordt. Hij moet beseffen dat wij samen het beste met hem voor hebben, zodat hij zich veilig voelt in zijn ouderlijk huis, bij zijn vader en z’n moeder.
    Ik krijg de laatste tijd nooit meer briefjes of tekeningen van hem, en dat vind ik erg naar. Heeft hij wel mijn briefje over de grammofoonplaat gekregen? Ik ben vreselijk benieuwd naar hem, hoe hij er uitziet en wat hij allemaal te vertellen heeft. Ik heb een mooi cadeau voor hem gekocht. Wat? Dat is een verrassing. Liefje, ik zat weer eens in het bad. Ik ga er nu uit, en schrijf je dadelijk verder. Tot zo.
    Lieve Ursula, ik heb tweemaal achter elkaar dezelfde spier verrekt in m’n rug, ik lag zonet op de grond en het is me met veel moeite gelukt mezelf in een stoel te hijsen. Ik verrek van de pijn en ik weet niet goed wat ik moet doen. Ik hoop dat het gauw wegtrekt, want ik kan nauwelijks lopen. Dit is niet zo’n interessante mededeling voor je, want op die afstand kan je er toch niets aan doen. Het vriest hier nog steeds, en het is ook gaan sneeuwen. Het moet wel vreemd voor je zijn om vanuit Israël midden in een Hollandse winter terug te komen. Ik zal woensdag 3 februari vrij vragen van school, zodat ik alles voor jullie thuiskomst in orde heb. Ik zal zorgen dat er iets te eten is en misschien iets te drinken, en patates frites voor Klaas. Jullie zullen wel doodmoe zijn van de reis als je terugkomt. De volgende dag, donderdag dus, hoef ik pas om kwart over tien op school te zijn, zodat we ’s ochtends rustig kunnen ontbijten.
    Tante Zus uit Hilversum, heeft, zonder vragen te stellen fl. 750,- op mijn giro overgemaakt. Fl. 500,- als gift, en fl. 250,- als lening, zodat ik Hans, Jan en Daniëlle, van wie ik in eerste instantie dit bedrag geleend had, meteen kan terugbetalen. In Hilversum liet tante Zus me een puzzel van vierkante blokken zien, met een ooievaar erop, waar ik als kind van drie al mee gespeeld had. Toen ik ze zag kon ik me ze nog precies herinneren. Ze wou ze me meegeven voor Klaas, maar ik heb gezegd dat ik ze een keer met Klaasje zou komen halen, dat leek me leuker. Misschien kan je haar een kaartje sturen, of vind je dat moeilijk? Voor het geval: Mevr. R. Lugt - ten Holt, Boomberglaan 28, Hilversum.
    Ik heb nog steeds veel last van slapeloosheid. Niet omdat ik me speciale zorgen lig te maken. Ik weet niet hoe het komt, maar hopelijk zal het overgaan als wij ons bed weer delen. Ook ik, liefje, houd jou in gedachten stevig vast, en, zoals ik je toch geschreven heb, vrij zo nu en dan een beetje met je. Liefje, ik hoop nu maar dat je deze brief niet koud vond. Ik geef je kusjes, overal, kijk naar je, raak je aan, ruik een beetje aan je, praat met je, voel je hoofd op m’n borst en je haren in m’n neus.
    Vertel Klaas een klein verhaaltje van me, knuffel hem een beetje en vraag of hij een mooie tekening voor me maakt. Liefje, tot over twee en een halve week. Ik hoop dat jij je nu weer helemaal goed voelt. Het is fijn dat de mensen in Lahav zo aardig voor je zijn en blijven. Waarschijnlijk komen we er samen nog wel eens. Liefje, omhelsd door je man(netje)
Kees.