maandag 6 april 2020





De prins en de zegelring - Afl. 19
Klaas ten Holt


 Hoofdstuk 7  (slot)

De bijna volle maan geeft met de heldere sterrenhemel voldoende licht om deze gemakkelijk te kunnen volgen. Gelukkig hoeven ze maar een klein eindje te lopen voor ze op een grasveld aan het begin van een zijweggetje de koets vinden. De koetsiers, die de paarden hebben uitgespannen zitten op de bok te dommelen. Graaf Guido helpt zijn vrouw en gravin Renée het rijtuig in en geeft opdracht de paarden in te spannen en zo snel mogelijk naar de dichtstbijzijnde herberg te rijden.
    ‘Dat is De Woeste Walmen, een uur of drie gaans van hier,’ zegt de oudere van de twee. ‘Gelukkig hebben de paarden rust gehad en wat kunnen grazen.’ Even later hobbelt het rijtuig door de nacht.
    ‘Probeer maar te slapen.’ zegt de graaf tegen zijn dochter. ‘Straks liggen we in een heerlijk warm bed en kunnen we eten en drinken zoveel we maar willen.’
    ‘Ja papa,’ antwoordt Renée. Ondertussen probeert ze de prop los te krijgen om te zien wat er in zit. Waarschijnlijk iets lekkers voor onderweg als afscheidscadeautje van Lambert. Wanneer ze de knoop los heeft vindt ze echter iets anders.
    ‘Wat heb je daar?’ vraagt graaf Guido.
    ‘Ik weet het niet, een ring.’
    ‘Hoe kom je daar aan?’
    ‘Die zat in die prop die uit het kasteelraam werd gegooid. Ik denk door degene die ook dat liedje floot.’
    ‘Mag ik eens kijken?’ De graaf bekijkt de ring aandachtig in het maanlicht.
    ‘Vreemd,’ zegt hij, ‘het is een zegelring, en kostbaar ook zo te zien. Wie gooit zoiets nou weg? Het was vast per ongeluk.’ Opnieuw bekijkt hij de ring. ‘Er staan letters op. Moeilijk te lezen bij dit licht. Ik zal er morgen eens rustig naar kijken.’ Hij wil de ring in zijn binnenzak stoppen maar Renée vraagt hem terug.
    ‘Het is mijn ring. Hij was voor mij omdat ik dat liedje neuriede,’ zegt ze op een toon die geen tegenspraak duldt.
    ‘Zoals je wilt, maar raak hem niet kwijt. En nu stel ik voor dat we allemaal nog een uurtje of twee proberen te slapen.’ Hij overhandigt haar de ring, waarna iedereen het zich zo goed en zo kwaad als dat gaat gemakkelijk maakt op de bank van het rijtuig.
    Graaf Guido schaamt zich dat hij zich heeft laten chanteren door die schurk van een Willem de la Roche, maar in zijn hart weet hij dat hij niet anders had gekund. Verdiept in sombere gedachten dommelt hij in, terwijl het rijtuig de Ourthe achter zich laat en afbuigt naar het zuidwesten.

Graaf Guido wordt wakker wanneer het rijtuig stilstaat. ‘Zijn we er?’ roept hij naar de bok.
    ‘Nee graaf, nog niet. We houden even pauze voor onze veiligheid.’
    ‘Wat is er dan?’ Hij opent het portier en stapt uit de koets.
    ‘Beneden in het dal rijdt een troep kerels met brandende fakkels ons in volle galop tegemoet. Die zijn eerder vannacht vanuit La Roche de andere kant op gereden. We zijn maar even een zijweggetje ingeslagen om ze te laten passeren. Het is beter als ze ons niet zien.’ Graaf Guido klimt op de bok naast zijn koetsiers. Door de bomen ziet hij lichtjes flikkeren. Enkele minuten spreekt niemand nog een woord. Het geluid van galopperende paarden wordt luider en even later draaft een groep van zo’n twintig gemaskerde ruiters met brandende fakkels voorbij.
    ‘Geen prettig gezicht,’ meent de jongste op de bok.
    ‘Die zijn niet wezen picknicken.’ zegt de andere.
    Wanneer het geluid van de paardenhoeven is weggestorven, zet de koets zich weer in beweging.
    ‘Het is niet ver meer naar De Woeste Walmen, vanaf de volgende heuvel moeten we de herberg in het dal kunnen zien liggen,’ roept de oudere koetsier vanaf de bok naar achteren. Het begint al te schemeren, iedereen is nu klaarwakker. Nog even en er zal voor allemaal een stevig ontbijt en een zacht bed klaar staan.   
    Wanneer ze de top van de laatste heuvel hebben bereikt, zien ze een donkere rookwolk uit het dal opstijgen. Daar is iets vreemds aan de hand. Het lijkt wel of het bos in brand staat. De weg leidt vrij steil en met scherpe lussen het dal in. Door de hoge bomen kunnen ze aanvankelijk niet zien wat die zwarte rook veroorzaakt, maar beneden in het dal aangekomen zien ze dat het geen bosbrand is, maar de smeulende resten van herberg De Woeste Walmen. Op de oprijlaan stopt het rijtuig. Er liggen drie lichamen in het gras, verder is er niemand te zien. Graaf Guido springt uit de koets en gaat samen met zijn twee koetsiers poolshoogte nemen.
    ‘De gemaskerde ruiters,’ zegt de jongste angstig.
    ‘Willem en zijn mannen,’ antwoordt de graaf. Ze lopen een rondje om het afgebrande gebouw, en vinden aan de achterkant nóg twee lichamen.
    ‘Wat is er gebeurd papa?’ roept Renée vanuit de koets.
    ‘Niets, lieverdje, niets. Ik wil dat je met mama in de koets blijft zitten.’ De zon is inmiddels aan de horizon verschenen en verlicht met zijn eerste stralen het dal.
    ‘Het ziet er niet naar uit dat er verder nog overlevenden zijn,’ zegt de oudere koetsier.
    ‘Laten we de doden begraven, die kunnen we hier niet zo laten liggen,’ zegt de graaf.
    Met een schop uit de kofferruimte onder de bok beginnen ze vijf kuilen te graven. Wanneer ze het laatste graf gedolven hebben horen ze vanachter de struiken een zacht gekreun. Flink toegetakeld maar buiten levensgevaar, vinden ze daar de herbergier van De Woeste Walmen die bij bewustzijn is gekomen.
    ‘Wat is er gebeurd?’ vraagt graaf Guido, nadat ze hem eerst wat te drinken hebben gegeven.
    ‘Het was een overval!’ zegt de waard. ‘Midden in de nacht verscheen een groep gemaskerde mannen. Alle gasten moesten naar buiten komen en hun bezittingen op een stapel leggen. Een paar verzetten zich, maar daar werd meteen korte metten mee gemaakt. Daarna hebben ze de herberg in brand gestoken. Toen ik ze wilde tegenhouden, werd ik vastgegrepen en door twee van die kerels afgetuigd. ‘Dat krijg je ervan als je geen vrienden hebt om je te beschermen,’ zeiden ze tegen me. Ze hebben mijn herberg tot de grond toe afgebrand. Ik ben alles kwijt!’ De waard kan zijn tranen niet bedwingen. ‘Ze stonden er gewoon bij te lachen. Had ik ridder Willem nou toch maar voor bescherming betaald.’
    ‘Wie denk je dat die kerels waren?’ vraagt graaf Guido.
    ‘Ik heb geen idee, ze droegen maskers.’
    ‘Zal ik het je dan maar vertellen,’ zegt de graaf, ‘het waren ridder Willem en zijn mannen zelf.’
    De waard staart hem uitdrukkingloos aan. ‘Ik had het kunnen weten,’ zucht hij dan. ‘Sinds ridder Willem het in La Roche voor het zeggen heeft, is niemand hier zijn leven meer zeker.’
    ‘Kunnen we u ergens heenbrengen? U kunt hier niet blijven.’
    ‘Ik heb familie in Marche-en-Famenne, als u mij daar naartoe zou kunnen brengen? Mijn zwager heeft daar een uitstekende herberg,’ zegt de waard bitter, ‘niet zo goed als De Woeste Walmen natuurlijk, maar ja, dat is nu toch verleden tijd.’
    Gravin Renée kijkt met grote ogen van de een naar de ander. Ze begrijpt niet alles wat er gezegd wordt, maar dat ridder Willem geen fraaie rol in het geheel speelt is haar wel duidelijk. Ze haalt de zegelring tevoorschijn en probeert het sierlijke spiegelschrift te ontcijferen.
    ‘Mag ik nog eens zien?’ vraagt de graaf.
    Renée geeft haar vader de ring waarop die hem in zijn handen ronddraait en van alle kanten bekijkt. ‘Echt een hele mooie ring!’ zegt hij na een tijdje. ‘Th d l R staat er op. d l R zal wel de la Roche zijn, maar waar zou Th voor staan?’
    ‘Thom,’ zegt de waard. ‘Thom de la Roche, Willems oudere tweelingbroer die een aantal jaren geleden verdwenen is.’

zondag 5 april 2020





De prins en de zegelring - Afl. 18
Klaas ten Holt


Hoofdstuk 7 - Waarin gravin Renée opnieuw een belangrijke ontdekking doet in het kasteel van Willem de la Roche.

Renée wordt wakker van het geluid van ruwe stemmen en een deur die wordt dichtgeslagen. Even heeft ze geen idee waar ze is maar dan herinnert ze zich alles weer. ‘Papa?’
    ‘Sssst,’ fluistert haar vader, ‘het is goed, ik ben weer terug. Ga maar lekker slapen.’
    ‘Ik wil niet slapen, ik wil naar huis.’
    ‘Morgen gaan we naar huis, zodra het licht is vertrekken we. En doe een beetje zachtjes, anders wordt mama wakker.’
    ‘Ik wil nú naar huis!’
    ‘We kunnen nog niet weg, Renée. De poort van het kasteel is gesloten en die gaat morgenochtend pas weer open.’
    ‘Er is nóg een uitgang.’
    ‘Ga nou maar slapen.’
    ‘Nee, echt, er is nóg een uitgang.’
    ‘Waar heb je het over?’
    ‘Dat zeg ik toch, er is een geheime uitgang uit het kasteel, en ik weet waar die is.’
    ‘Je moet nu echt gaan slapen. Morgen praten we verder.’ Graaf Guido gaat naast zijn vrouw en zijn dochter in het vochtige stro liggen en sluit zijn ogen.
    ‘Wil je een appel, papa?’
    ‘Een appel?’
    ‘Ik heb ook brood en fruit.’
    ‘O wat fijn, hebben ze jullie tóch nog wat te eten gebracht?’
    ‘Nee, ik ben het zelf in de keuken gaan halen.’
    ‘Wat zeg je nou, maar dat kan toch helemaal niet. Is mama met je mee gegaan?’
    ‘Nee, die sliep al. Mama heeft er niets van gemerkt. Wil je een appel?’
    ‘Renée, dit is geen tijd voor spelletjes. Hoe kom je aan die appel?’
    ‘Uit de keuken. Gekregen van Lambert de kok. Er is nog meer: fruit, brood en kaas, genoeg voor ons alle drie!’
    ‘Ben jij helemaal in je eentje…’ vraagt de graaf ongelovig.
    ‘Ja. Ik was wel bang hoor. En toen heb ik ook de geheime uitgang ontdekt. Die meneer die gisteren bij onze koets zo naar deed, weet je nog, papa?’
    ‘Ja, ja, Willem de la Roche.’
    ‘Dat is toch die meneer met wie ik ga trouwen?’
    ‘Nee hoor lieverdje, dat denkt hij alleen maar. Daar gaan we natuurlijk een stokje voor steken. Wat is er met hem?’
    ‘Hij is met nog een paar anderen door een geheime uitgang vertrokken. Ze gingen iemand helpen die geen vrienden had. Ik kon het niet zo goed verstaan.’
    ‘Iemand helpen?’ een donkere wolk trekt langs het gezicht van graaf Guido, ‘maar hoe weet je dat allemaal?’
    ‘Toen ik terugkwam uit de keuken heb ik me achter een pilaar verstopt en alles gehoord. Daarna ben ik ze gevolgd. Ik dacht eerst dat ze hierheen gingen, maar ze gingen met z’n allen de laatste deur van deze gang in. Daar is een geheime uitgang uit het kasteel. Echt waar!’
    Graaf Guido weet niet goed wat hij ervan moet denken. Heeft ze het allemaal gedroomd? Maar hoe komt ze dan aan dat fruit? ‘Laten we nou maar gaan slapen,’ zegt hij, ‘morgen vertrekken we zodra de poort open gaat.’
    ‘Ik wil niet slapen. Ik wil weg... door de geheime gang!’
    ‘Ben je weer terug, Guido? Wat maken jullie veel lawaai,’ klinkt de stem van Gravin Isabella.
    ‘Ik ben er weer, probeer nog maar wat te slapen.’
    ‘Heb je het contract ondertekend?’
    ‘Ja, ja, morgen vertel ik alles.’
    ‘Ik heb het koud en ik heb honger,’ moppert de gravin.
    ‘Er is brood en kaas en fruit, mama. Dat heb ik in de keuken gekregen toen jij sliep.’
    ‘Praat geen onzin, Renée.’
    ‘Nee, echt, ik heb het van de kok gekregen. En er is ook een geheime uitgang uit het kasteel. Kom, papa, laten we nou gaan. Ik wil hier weg.’
    ‘Ik wil ook weg, Guido. We hoeven hier toch niet tegen onze zin te blijven?’
    ‘We vertrekken zodra het licht is en de poort opengaat. En hou op met die onzin over geheime gangen, ik wil er niets meer over horen.’
    ‘Maar er is écht nog een uitgang. Ik heb het zelf gezien, kom nou mee, papa.’
Renée is opgestaan uit het stro en trekt aan haar vaders arm.
    ‘Als het waar is,’ zegt de gravin, ‘hoe eerder we hier weg kunnen hoe liever het me is.’
    ‘Maar...’
    ‘Kom, Guido. We zijn nog nooit ergens zo schandalig ontvangen als door die Willem van jou.’
    ‘Die Willem van mij?!’
    ‘Het was in elk geval jouw idee om hier naar toe te gaan,’ zegt de gravin bits.
    Graaf Guido wil nog iets terugzeggen maar slikt het in. In plaats daarvan maakt hij een machteloos gebaar.
    ‘Is die geheime uitgang hier ver vandaan?’ vraagt de gravin.
    ‘Nee, vlakbij,’ antwoordt Renée.
    ‘Nou goed dan, laten we maar eens gaan kijken. Als jullie maar weten dat ik er niets in zie.’
    Met gravin Renée voorop gaan ze stilletjes de kerker uit, verder de gang in waar alles stil is; nu het contract eenmaal is getekend, is er kennelijk geen belangstelling meer voor hun aanwezigheid in het kasteel. Uit alle macht duwt Renée tegen de laatste deur aan de linkerkant.
    ‘Zie je nou wel,’ moppert graaf Guido.
    ‘Het was echt deze deur. Ik weet het zeker!’ Renée duwt zo hard ze kan, maar er is geen beweging in te krijgen.
    ‘Kom, meisje, hij is op slot. Je hebt je gewoon vergist. Dat geeft niets, maar laten we nu gaan slapen.’
    ‘Ik heb me helemaal niet vergist.’ woedend duwt ze nog een keer met al haar kracht tegen de met ijzer beslagen deur. ‘Zie je wel!’ roept ze, ‘hij is niet op slot, maar in mijn eentje krijg ik hem niet open. Help nou mee papa.’
    Graaf Guido haalt zijn schouders op en doet wat hem gevraagd wordt. Tot zijn verbazing geeft de deur inderdaad mee. Daarachter vinden ze net zo’n ruimte als hun eigen kerker, maar dan met helemaal achterin een lage houten deur die op een kier staat. De deur geeft toegang tot een korte stenen gang die een flauwe bocht maakt en uitkomt op een zwaar traliehek dat ook niet op slot is. Van buitenaf is de ingang verborgen achter de stam van een dikke kastanjeboom, klimop en struikgewas. Een smal paadje kronkelt langs de steile rotswand omlaag naar de oever van de Ourthe. Voor ze het weten staan ze met z’n drieën in het maanlicht het stro van hun kleren te slaan. Boven hen steekt het kasteel somber af tegen de schitterende sterrenhemel. Hier en daar zijn kleine getraliede raampjes in de door de zon geblakerde leistenen muur te zien.
    ‘Kom, laten we onze koets gaan zoeken,’ zegt graaf Guido.
    Renée kijkt omhoog langs de kasteelmuur. Onwillekeurig neuriet ze de melodie van het liedje dat Lambert in de keuken voor haar zong. De graaf en de gravin maken al aanstalten om verder te gaan wanneer er onverwachts hoog boven hen iemand zachtjes begint te fluiten. Uit één van de getraliede raampjes klinkt de melodie die Renée zojuist heeft geneuried. Het klinkt onvast en niet erg zuiver, maar het is onmiskenbaar dezelfde melodie. Is het de kok? Het raam is te hoog om het te kunnen zien. ‘Lambert?’ roept Renée met gedempte stem.
    Als antwoord wordt er iets uit het tralieraam naar beneden gegooid dat vlak naast haar op het pad terecht komt. Ze raapt het op en ziet dat het een prop van een paar in elkaar geknoopte lappen is.
    ‘Kom Renée, we kunnen hier niet blijven staan,’ zegt de graaf. Ze kijkt nog één keer omhoog. Opnieuw fluit iemand hoog boven haar zachtjes de melodie van het lied van Lambert en Thom.
    Met de lappenprop stevig in haar hand geklemd volgt Renée haar ouders het pad af naar beneden waar het hen een eindje langs de rotswand voert, vlak boven de Ourthe - vrijwel onzichtbaar vanaf de overkant - totdat de oever zich verbreedt in een drassig veldje omringd door hoge struiken en enkele bomen. Een eenzame ezel kijkt hen meewarig aan. Hier verdwijnt het pad in de modder. Nadat ze zich een weg door de struiken hebben gebaand, vinden ze een grindpad dat hen tussen een paar grote rotsblokken door leidt, en dan staan ze plotseling aan de grote weg.

zaterdag 4 april 2020





De prins en de zegelring - Afl. 17
Klaas ten Holt

Hoofdstuk 6 (slot)


‘Ik werk voor niemand, ik wilde je gewoon beroven, en van een herberg weet ik niets, ik heb je nooit eerder gezien.’
    ‘Weet je dat heel zeker?’
    ‘Ja natuurlijk.’
    ‘Dan verdien je het niet om gered te worden.’ Ivar pakt zijn dolk om het koord door te snijden.
    ‘Ho, wacht even,’ roept de jongen geschrokken.
    ‘Ik wacht,’ zegt Ivar
    ‘Ik eh... misschien... wat wil je dan precies weten?’
    ‘De waarheid. Waarom je mij probeerde te vermoorden.’
    ‘Ik heb je toch niet vermoord?’
    ‘Nee. En waarom eigenlijk niet? Daar had je toch alle kans toe?’
    ‘Ik...’
    ‘Nou?’
    ‘Ik kon het niet.’
    ‘Je kon het niet?’
    ‘Nee. Ik ben geen moordenaar.’
    ‘Maar waarom probeerde je het dan?’
    ‘Dat mag ik niet zeggen.’
    ‘Goed, wat je wilt.’ Ivar maakt opnieuw aanstalten het koord door te snijden.
    ‘Nee, wacht!’
    ‘Nou?’
    ‘Het was de waard uit de herberg.’
    ‘Is die je opdrachtgever?’ roept Ivar verbaasd.
    ‘Nee, nee, maar ik hoorde jullie praten, over een verdwenen kroonprins en zo.’
    ‘En daarom probeerde je me te vermoorden?’
    ‘Dat was mijn opdracht, om iedereen die naar de kroonprins vroeg in de gaten te houden of liever nog uit de weg te ruimen.’
    ‘Voor veel geld zeker?’
    ‘Dat weet ik niet. Als mijn meester me een opdracht geeft stel ik geen vragen.’
    ‘En wie is je meester dan?’
    ‘Sorry, maar dat kan ik je echt niet vertellen.’
    ‘O nee?’ Ivar zet opnieuw zijn dolk op het koord. ‘Aan jou de keuze: of je vertelt me wie je opdrachtgever is, of ik laat je hier aan je lot over. Eigenlijk is dat ook wat je verdient.’
    ‘Goed dan! Willem… Willem de la Roche is mijn meester!’
    Dat antwoord verrast Ivar. Dus toch de afgewezen minnaar van gravin Renée. ‘En Jarik?’
    ‘Wat bedoel je?’
    ‘Jarik, de kroonprins. Waar is hij? Is hij nog in leven?’
    ‘Dat weet ik niet.’
    ‘Zal ik het koord dan maar doorsnijden?’
    ‘Nee, niet doen, ik weet het echt niet! We vertrokken met twintig man vanuit La Roche naar Normandië voor een overval. Dat doen we wel vaker, maar meestal niet zo ver van huis. Halverwege moest ik met nog twee anderen Willem volgen naar het noorden. De rest moest zich in de bossen onder Rouen schuilhouden en daar op een afgesproken plek op hem wachten.’
    ‘Vertel verder.’
    ‘Willem had zaken in Amsterdam die hij alléén wilde afhandelen. Wij moesten hier blijven tot hij terugkeerde, en daarna de grote weg naar het zuiden in de gaten houden. Iedereen die uit Amsterdam kwam en naar de kroonprins vroeg moesten wij bespioneren en zo mogelijk een kopje kleiner maken.’
    ‘En waar zijn je makkers nu?’
    ‘Eén in een herberg ergens tussen Tilburg en Breda, de tweede nog wat verder naar het zuiden.’
    ‘Dus jullie hebben je verspreid?’
    ‘Dat wilde Willem zo toen hij terugkwam uit Amsterdam. Wij moesten de weg bewaken en later verslag uit brengen. Zelf reisde hij door naar Rouen in het gezelschap van een jongen, die wel wat op u leek trouwens.’
    ‘En je weet niet wat er van die jongen geworden is?’
    ‘Nee, echt niet. Ze leken het goed met elkaar te kunnen vinden.’
    ‘Is die Willem van jou een grote rossige kerel met snor en baard van een jaar of vijf-en-dertig?’
    ‘Dat is hem.’
    ‘En je hebt geen contact meer met hem gehad?’
    ‘Nee, ook niet met de anderen.’
    Ivar denkt even na. ‘Ik geloof je,’ zegt hij dan.
    ‘Mag ik mezelf nu alsjeblieft uit de modder lostrekken?’ vraagt de jongen angstig.
    ‘Bijna. Ik wil dat je eerst nog even goed naar me luistert.’ Hij raapt het zwaard op, keurt het en richt het dan op zijn achtervolger. ‘Van nu af aan werk jij niet meer voor Willem de la Roche.’
    ‘Maar...’
    ‘Ik neem je zwaard, je paard en alles wat je verder nog bij je hebt. Had je mijn veldfles en mijn proviand maar niet weg moeten gooien. Probeer niet me te volgen, want een volgende keer kom je er niet zo genadig van af. Jouw meester, Willem de la Roche, is een schurk die zijn straf niet zal ontlopen. En ik zal je nog meer vertellen: jongens als jij komen meestal voortijdig aan hun einde aan de galg of op het rad. En denk maar niet dat je meester je dan komt redden. Die neemt gewoon een ander voor jou in de plaats.’ Hij kijkt hem streng aan. ‘Dus ik raad je aan naar het noorden te reizen en eerlijk werk te zoeken bij een boer of in een herberg. Misschien kun je wel ergens in de leer. Wee als ik je opnieuw in het gezelschap van ridder Willem aantref!’
    De jongen is duidelijk onder de indruk van de rustige en zelfverzekerde toon van prins Ivar.
    ‘Mijn naam is Robbe, heer, ik ben zeventien jaar oud. Ik zal doen wat u zegt. Zoudt u mij uw naam willen zeggen?’
    ‘Helaas kan dat nu niet,’ antwoordt Ivar. ‘Wie weet, misschien een andere keer. Nu wil ik dat je wacht tot ik het voetpad heb bereikt. Dan trek je jezelf los uit de modder en ga je de andere kant uit. Het ga je goed, Robbe!’ Met deze woorden draait Ivar zich om en haast zich terug naar de weg waar hij het paard losknoopt, in het zadel klimt en de rest van de middag gebruikt om het moeras uit te komen.

vrijdag 3 april 2020





De prins en de zegelring - Afl. 16
Klaas ten Holt

Hoofdstuk 6 (vervolg)


Ivar pijnigt zijn hersens maar kan niets anders bedenken dan te blijven zitten waar hij zit en af te wachten. Hij hoort zijn belager het zwaard weer in de schede steken. Vanuit de boom neemt hij de figuur beneden hem eens goed op. Het is een wat gedrongen type van gemiddeld postuur. Zijn gezicht houdt hij verborgen onder een zwarte kap, om zijn schouders draagt hij een grauwe, grofwollen mantel.
    ‘Ik zit hier goed, ik heb de tijd hoor,’ roept hij naar beneden. Uit verveling plukt hij een handvol eikels en gooit die naar beneden: raak! De man springt verschrikt achteruit en trekt opnieuw zijn zwaard.
    Misschien toch niet zo’n goed idee; zo maakt hij hem alleen kwader. Als die ellendige hoofdpijn eerst maar eens overging. Nu begint Ivar zich ongerust te maken of zijn belager misschien op versterking wacht. Als dat zo is maakt hij geen schijn van kans, helemaal alleen in dit godverlaten moeras. Ze hoeven alleen maar geduld te hebben, honger en dorst zullen hem dan uiteindelijk in hun handen drijven.
    Hij wacht maar weer een tijdje. Nog altijd heeft de ander geen woord gezegd. Af en toe draait hij een rondje om de boom.
    ‘Hé riddertje, heb je je tong verloren?’ roept Ivar van zijn hoge tak.
‘Moet ik je helpen zoeken?’
    Plotseling heeft de ander er genoeg van. Met een paar ferme stappen loopt hij terug naar zijn paard, klimt erop en draaft zonder omkijken weg, nagekeken door een stomverbaasde Ivar.
    Wat zal ik doen? denkt hij, is het een valstrik? Maar hij kan toch ook moeilijk de rest van zijn leven op zijn tak blijven zitten. Hij houdt het nog een paar minuten vol voor hij toch maar naar beneden klimt om te zien of er nog iets van de inhoud van zijn ransel over is. Tot zijn verdriet heeft de man alles vertrapt of weggeschopt. Niets meer te eten en te drinken dus.
    Hij verwacht half dat zijn achtervolger met getrokken zwaard vanachter een boom tevoorschijn zal komen, maar dat gebeurt niet. Dan moet hij nu eerst maar eens de weg naar het zuiden zien terug te vinden. Op goed geluk slaat hij de richting in die hem het meest aannemelijk lijkt. Af en toe blijft hij even staan luisteren en kijkt om zich heen. Na een tijdje hoort hij het geluid van kabbelend water: nu kan hij in elk geval zijn dorst lessen. En daar is ook het voetpad weer! Hij gaat er maar vanuit dat dit dezelfde rivier is en het zelfde pad dat hij al eerder gevolgd heeft. Zijn handen als kom gebruikend drinkt hij van het ijskoude water en gaat dan weer verder.
    Maar hij heeft nog geen twee stappen gedaan of hij hoort opnieuw het geluid van een paard dat zich in beweging zet, en jawel hoor: zo’n twintig meter achter hem ziet hij zijn achtervolger die hem rustig met gelijke tred blijft volgen. Als hij stil houdt, houdt hij in, om zich meteen weer in beweging te zetten zodra Ivar zijn weg vervolgt. Het begint hem danig de keel uit te hangen.
    ‘Wat wil je?’ roept hij. ‘Wat moet je van mij?’ Maar hij krijgt geen antwoord.
    Hoe laat zou het zijn? Hopelijk duurt het nog even voor het gaat schemeren. Misschien kan hij proberen zijn belager bij zijn paard weg te lokken. Als hij er in zou slagen hem zijn rijdier af te pakken, dan kan hij zelf zijn reis te paard voortzetten. Dan moet zijn achtervolger maar zien hoe die het moeras weer uitkomt. Het zou hem in elk geval een enorme voorsprong geven.
    Een tijdje vervolgt hij rustig zijn weg; in de vrije natuur voelt Ivar zich altijd op zijn gemak, hij houdt van de bomen, de planten en de dieren, de kleuren van de verschillende seizoenen, de vele geuren en de geluiden. Het is de ruiter die hem angst inboezemt, niet het moeras. Hij is dan ook niet bang het pad te verlaten, ook al kan het verraderlijk zijn als je niet weet waar je je voeten neer moet zetten.
    In zijn hoofd vormt zich een plan. Deze keer zet hij het niet op een lopen maar waadt hij rustig de ondiepe rivier door en vervolgt zijn weg aan de overkant dwars door het natte land, langs met riet begroeide vennetjes en volgelopen kuilen, zijn voeten steeds voorzichtig op de stevigste kluiten plaatsend. Verbeeldt hij het zich, of hoort hij achter zich een onderdrukt vloeken? Na een tijdje blijft hij staan en kijkt achterom. Zijn achtervolger heeft zijn paard aan een boom langs het pad vastgemaakt en waadt moeizaam door de rivier. Daarna volgt hij Ivar het moeras in, weg van het pad en weg van zijn paard.
    ‘Hou je het nog een beetje vol, riddertje?’ roept Ivar achterom. ‘Ik denk niet dat je me zo te pakken krijgt, je zult echt beter je best moeten doen.’
    Wanneer hij ook nog zijn pas versnelt wordt het zijn achtervolger te gortig; hij trekt zijn zwaard en stormt met een kreet op Ivar af. Zonder nog te kijken waar hij zijn voeten neerzet, stapt hij met grote passen door de zompige moerasgrond, neemt een aanloop en springt over een met water volgelopen kuil. Bij het neerkomen verliest hij zijn evenwicht en valt languit in de modder. Hij probeert een paar maal overeind te komen, maar om de een of andere reden lukt dat niet.
    Ivar, die het hele gebeuren met belangstelling heeft gadegeslagen gunt zijn tegenstander een paar minuten om op adem te komen. Hij blijft echter liggen. Met zijn bovenlichaam maakt hij vreemde draaibewegingen; heeft hij zijn voet verzwikt, of misschien een been gebroken? Of is het een list om hem naderbij te lokken? Ivar gaat toch maar even kijken.
    ‘Help!’ roept de man. Dat klinkt niet erg dapper. ‘Ik zit vast in de modder, ik kom er niet meer uit.’
    ‘Geef me je zwaard,’ antwoordt Ivar kalm.
    ‘De ander denkt even na en werpt dan zijn zwaard met een boogje zijn kant uit.’ Het is dus geen list om hem in de val te lokken, hij zit écht vast in de modder.
    ‘Nu je mantel en je kap. Aan je mantel kan ik je er misschien uittrekken.’
De ander ontdoet zich met enige moeite van zijn mantel en gooit die naar Ivar. Wanneer hij ook zijn kap van zijn hoofd trekt, kijkt Ivar tot zijn stomme verbazing in het angstige gezicht van een jongen van een jaar of zeventien met halflang donker haar en donkere ogen.
    ‘Schiet alsjeblieft op, ik zak steeds verder weg!’
    Met zijn scherpe dolk snijdt Ivar een paar lange repen stof uit de mantel die hij stevig aan elkaar knoopt. Het ene eind wikkelt hij een paar maal om de stam van een boom en het andere eind werpt hij de jongen toe die het om zijn arm wikkelt en zichzelf uit de modder omhoog begint te trekken.
    ‘Ho, niet zo snel,’ zegt Ivar streng. ‘Eerst moeten we even praten. Waarom probeerde je me in de herberg te vermoorden, waarom achtervolg je me en voor wie werk je?’

donderdag 2 april 2020



De prins en de zegelring - Afl. 15
Klaas ten Holt





Hoofdstuk 6 - Waarin prins Ivar, op weg naar Rouan om zijn broertje te zoeken, belaagd wordt door een hardnekkige achtervolger.

Ivar reist verder in de richting van Tilburg en Breda. Het is een eenzaam stuk moerasland waar de weg hem nu doorvoert, dicht begroeid met struikgewas en bomen. Een kille zon schijnt uit de hemel, af en toe kwaakt in de verte een eend, of ritselt er iets in de struiken, maar verder is het stil. Naarmate de begroeiing dichter wordt, versmalt de weg zich tot een voetpad. Een paar keer denkt Ivar het briesen van een paard te horen maar hij kan niet bepalen uit welke richting.
    Zijn hoofd zit vol met vragen. Waarom wilde diegene in de herberg hem vermoorden? Om hem te beroven? Maar wat valt er nou te halen bij een rondreizende muzikant? Kennelijk vindt iemand het belangrijk dat hij zijn doel niet bereikt, maar waarom? En was hij ook degene die Jarik had overvallen en misschien wel vermoord? En wat was er met Jariks reisgenoot gebeurd, de man met het rode haar? Of zat die ook in het complot en spelen ze onder één hoedje?
    Weer denkt Ivar het briesen van een paard te horen. ‘Ik heb je heus wel gezien!’ schreeuwt hij tegen niemand in het bijzonder. Hij raakt meer en meer uit zijn humeur en begint nu ook trek te krijgen.
    Een eindje verderop ligt een door de bliksem gespleten boomstam bij een riviertje. Dit lijkt Ivar een mooie plek om even te stoppen om wat te eten. De waard heeft zijn ransel gevuld met allerlei lekkers voor onderweg en Ivar laat het zich goed smaken.
    Omdat de stilte in het moeras hem op de zenuwen begint te werken, haalt hij zijn viool uit de koffer, smeert wat hars aan de haren van zijn strijkstok, stemt en strijkt gedachteloos een paar lange tonen. Geïrriteerd pakt hij het instrument weer in. Dit is geen plek voor muziek. Wanneer hij verder loopt hoort hij een eindje achter zich het geluid van knappend hout en het gesnuif van een paard. Nu weet hij het zeker: hij is hier niet alleen.
    ‘Laat je dan zien, lafaard,’ roept hij achterom, maar niemand reageert.
Vergist hij zich? Nee, er is geen twijfel mogelijk, één of meerdere ruiters volgen hem op afstand. Eigenlijk verbaast hem dit niet, maar hoe kan hij zekerheid krijgen? En hoe kan hij er achter komen wat ze met hem van plan zijn?
    Eerst wil hij zien uit te vinden met hoeveel ze zijn en daarom loopt hij rustig verder tot hij een geschikte plek ziet om zich te verstoppen vanwaar hij tegelijk de weg goed kan overzien.
    Op een punt waar het pad, dat nog altijd de rivier volgt, plotseling een stukje steil naar beneden gaat, duikt hij weg in de struiken en verbergt zich achter een boomstronk. Hij blijft doodstil zitten, terwijl hij zijn hart in zijn keel voelt kloppen. Enige minuten gaan voorbij maar er gebeurt helemaal niets. Wanneer hij na een tijdje maar weer tevoorschijn komt om verder te gaan, hoort hij, niet ver achter hem, duidelijk het geluid van een zich in beweging zettend paard.
    ‘Denk maar niet dat ik bang voor jullie ben,’ roept hij zo zelfverzekerd als hij maar kan. Alleen de stilte antwoordt hem. Is er dan toch niemand? Is het allemaal in zijn verbeelding? Nee, hij weet zeker dat er wél iemand is! Ze hebben hem waarschijnlijk weg zien duiken en rustig gewacht tot hij weer te voorschijn kwam. Maar waarom vallen ze dan niet aan? Dat hadden ze toch allang kunnen doen? Kennelijk wachten ze het juiste moment af, of zoeken ze een geschikte plek.

Het begint nu tegen de middag te lopen en Ivar vraagt zich af waar hij de nacht zal doorbrengen, maar eerst wil hij er achter zien te komen wie zijn achtervolgers zijn en wat hun doel is.
    Plotseling verlaat hij het pad en zet het op een lopen. Hij baant zich een weg door het dichte struikgewas, springt over stammen, waadt door een beekje, klautert tegen een glibberige heuvel op en laat zich aan de andere kant weer naar beneden glijden. Hij moet goed oppassen dat zijn voeten zich niet vastzuigen in de modder. Snel heeft hij alle gevoel van richting verloren, maar hij blijft rennen, net zolang tot hij niet meer kan.
    Bij een reusachtige zomereik blijft hij staan en luistert. Na een tijdje hoort hij ergens in de verte het geluid van een galopperend paard en het gekraak van brekende takken. Hij bedenkt zich geen moment en klautert omhoog de boom in, zo ver als hij maar durft. Op een hoge tak, verstopt in het dichte gebladerte, blijft hij zitten. Zijn slapen bonzen terwijl hij weer op adem probeert te komen.
    Van het rennen en het klimmen heeft hij ontzettende dorst gekregen. Gelukkig heeft hij bij de rivier zijn veldfles met vers water gevuld. Hij pakt zijn ransel maar tot zijn schrik ziet hij dat die open is. Alleen zijn viool zit er nog in, verder is alles er uit gevallen.
    Hij wacht even en luistert. Als hij niets hoort, duwt hij voorzichtig een paar takken opzij om naar beneden te kunnen kijken. Daar ziet hij aan de voet van de boom zijn veldfles en wat er nog over is van zijn lunch tussen de bladeren liggen. Gemakkelijker had hij het zijn achtervolgers niet kunnen maken. Hij begint nu ook hoofdpijn te krijgen. Dat is wel het laatste waar hij op dit moment behoefte aan heeft: een migraineaanval.

    Zal hij naar beneden klimmen om zijn spullen te pakken? Hoe heeft hij zo dom kunnen zijn om zijn ransel niet goed dicht te knopen! Net wanneer hij denkt dat hij het er wel op kan wagen, hoort hij een ruiter stapvoets naderbij komen. Hij houdt zijn adem in en maakt zich zo klein als hij kan.
    De ruiter passeert op een steenworp afstand de boom waar Ivar zich in verborgen heeft en houdt dan in. Zijn paard hinnikt een keer en verzet onrustig de benen maar verder gebeurt er een paar minuten lang niets. Dan laat de ruiter zich uit het zadel glijden. Ivar hoort hoe hij met een plof op de zachte grond landt, zijn zwaard trekt en dichterbij komt. Aan de voet van de boom blijft hij staan. Zijn paard hinnikt nogmaals en maakt onrustige bewegingen.
    Met zijn zwaard prikt hij ergens in en slingert het weg. Ivar hoort hoe zijn veldfles wordt leeggegoten en tegen de stam van de boom kapot geslagen. Daarna gebeurt er weer een tijdje niets.
    ‘Als je me hebben wilt, zul je me moeten komen halen!’ roept hij naar beneden.
    Geen antwoord.
    ‘Ik hoop voor jou dat je zwaard net zo scherp is als mijn dolk,’ roept hij boos, maar ook hierop reageert de man aan de voet van de boom niet.
    Weer is het een tijdje stil. Alleen het paard hinnikt van tijd tot tijd nerveus en stampvoet.

woensdag 1 april 2020





De prins en de zegelring - Afl. 14
Klaas ten Holt

Hoofdstuk 5 - (slot)


‘En als ik eens met je mee ging studeren?’ zegt prinses Hendrikje na een tijdje.
    ‘Wat bedoel je?’
    ‘Nou, gewoon, dat we vanaf nu samen alle lessen volgen, jij en ik. Dan ben je niet meer alleen, en je zegt zelf dat het reuze interessant is allemaal. Ik weet zeker dat papa het goed vindt als ik het vraag.’
    ‘Maar waarom zou jij dat doen?’ vraagt Jarik, ‘lijkt het je dan leuk?’
    ‘Eh, ja, eigenlijk wel,’ zegt Hendrikje, ‘en ik ben ook wel nieuwsgierig naar wat je allemaal moet weten als je koning wordt.’
    ‘Maar je zegt net dat je niet met me wilt ruilen?’
    ‘Nee Jarik, dat heb ik niet gezegd. Ik vind alleen dat jij het koningschap niet zo maar naar mij kunt doorschuiven alsof het een vervelend klusje is dat je liever door iemand anders zou laten opknappen. Maar stel nu eens dat er iets met jou zou gebeuren? Het kan nooit kwaad om een reservetroonopvolger te hebben, dat zal papa zeker met me eens zijn.’
    Jarik kan zijn oren niet geloven. ‘Zou je dat echt willen?’
    ‘Ja, waarom niet?’
    ‘Ook schermen en de everzwijnenjacht?’
    ‘Voorál schermen en de everzwijnenjacht!’
    Hierna zwijgen ze een tijdje en luisteren ze naar de opgewonden geluiden om hen heen van de vliegende en de kruipende bewoners van de paleistuin en daarbuiten. Jarik denkt aan Renée die hij de laatste jaren minder en minder heeft gezien, en nu al een tijdje helemaal niet meer. Die andere ochtend, lang geleden, toen hij stiekem met haar het hek van de paleistuin is uitgegaan en voor het eerst de trap naar het kapelletje beklom, zal hij nooit vergeten. Het opwindende gevoel iets te doen dat niet mag, omdat je daar nog te klein voor bent, terwijl je zelf weet dat je wél al groot genoeg bent, maar tegelijk bang bent dat er iets heel ergs zal gebeuren. Dat zal hem voor altijd met Renée verbinden; dat onbeschrijfelijke gevoel samen met de geluiden en de geuren van die dag, roze laarsjes met witte stippen en de herinnering aan de dauw op het gras en het vroege ochtendlicht.

Vanaf die dag volgen prins Jarik en prinses Hendrikje alle lessen samen. De koning vindt het een heel goed idee, en hoewel Jarik nog altijd moeite heeft met het overvolle lesprogramma maakt het samen leren en samen huiswerk maken het allemaal een stuk dragelijker. Hendrikje is in de meeste vakken net iets beter dan Jarik, en heeft ook meestal net iets eerder het goede antwoord op een vraag van een van de leraren, maar dat kan ook zijn omdat Jarik een beleefd prinsje is dat zijn zusje altijd het eerst laat antwoorden.
    En dan komt er een brief voor Jarik uit Normandië die voor iedereen grote gevolgen zal hebben:

Aan:     Zijne koninklijke hoogheid prins Jarik der Nederlanden
Rouen, 28 maart etc.

lieve Jarik,

Ik schrijf je om te laten weten dat we elkaar niet meer zullen zien. Ik ga trouwen met Willem de la Roche. Ik heb altijd van je gehouden, en dat zal ook altijd zo blijven. Helaas! Als ik weiger breng ik mijn ouders in groot gevaar.
De enige uitweg is als er een kroonprins om mijn hand vraagt, maar dat zal niet gebeuren. De zilveren haarspeld die je mij gegeven hebt zal ik altijd bij me dragen.
Vaarwel, lieve Jarik. Ik zal je nooit vergeten.

gravin Renée, etc. etc.


Geschokt laat Jarik de brief aan zijn zusje lezen. ‘Die Willem de la Roche is minstens twintig jaar ouder dan Renée, en ze houdt niet eens van hem!’
    ‘Misschien is het een onweerstaanbaar knappe man?’ oppert Hendrikje.
    ‘Helemaal niet.’
    ‘Maar dan kust hij vast geweldig?’
    ‘Niet waar!’
    ‘Lieve Jarik, ik zie het probleem niet helemaal, jij bent toch kroonprins?’
    ‘Ja maar...’
    ‘Ja maar wat? Ben jij kroonprins of niet?’
    ‘Ja.’
    ‘Wil je met haar trouwen?’
    ‘Ja!’
    ‘Wil zij met jou trouwen?’
    ‘Ja!!’
    ‘Maar?’
    ‘Maar wat?’
    ‘Maar waarom trouwt ze dan met die Willem de la Roche?’
    ‘Vanwege die ereschuld van haar vader, dat weet je toch?’
    ‘Heb jij haar al ten huwelijk gevraagd?’
    ‘Nee...’
    ‘Maar als jij haar ten huwelijk zou vragen, dan trekt die Willem zich toch terug? Dat zegt ze zelf. Heb je haar wel verteld dat jij nu kroonprins bent in plaats van Ivar?’
    ‘Wanneer had ik dat moeten doen? Ik heb haar al twee jaar niet meer gesproken!’
    ‘Jarik! Je had haar toch kunnen schrijven?’
    ‘Daar had ik geen tijd voor. Overdag ren ik van de ene les naar de andere, ’s avonds maak ik mijn huiswerk voor de volgende dag en in het weekend moet ik behalve bij de zwijnenjacht ook nog opdraven bij elk officieel bezoek of anders wel om een of andere generaal een lintje op te spelden.’
    ‘En nu?’ vraagt Hendrikje.
    ‘Dat wilde ik nou juist aan jou vragen.’
    Hendrikje kijkt hem verbijsterd aan. ‘Jarik, nogmaals: wil je met Renée trouwen?’
    ‘Ja!!!!’
    ‘Nou, waar wacht je dan nog op?’
    ‘Hoe bedoel je?’
    ‘Vraag haar ten huwelijk!’
    ‘Maar...’

En zo gebeurde het dat Prins Jarik, nadat hij eerst toestemming aan zijn ouders had gevraagd - en gekregen - om gravin Renée een huwelijksaanzoek te gaan doen, twee maanden later, in vol ornaat, gezeten op zijn beste paard, uitgezwaaid door de koning en de koningin, prinses Hendrikje, de voltallige ministerraad en nog wat andere belangstellenden, onder escorte van twee soldaten de poort van het koninklijk paleis uitreed op weg naar Rouen in Normandië.
    Prinses Hendrikje volgde voorlopig alle lessen in haar eentje, maar omdat zij een ijverig en leergierig meisje was - en er ook wel een beetje trots op was dat zij nu als reservekroonprinses op het koningschap werd voorbereid - ging dat haar een stuk gemakkelijker af dan haar broertje.

dinsdag 31 maart 2020





De prins en de zegelring - Afl. 13
Klaas ten Holt





Hoofdstuk 5 - Waarin kroonprins Jarik een brief krijgt van Gravin Renée waarin staat dat ze met Willem de la Roche gaat trouwen.

De voorbereidingen op het koningschap vallen prins Jarik zwaar, hij had nooit gedacht dat een koning zoveel moest kunnen en weten. Elke morgen krijgt hij eerst schermles, lintjes doorknippen, wuiven met- en zonder zakdoek, knipogen met rechts en links, medailles opspelden, complimentjes maken, tafelspeechen, paardrijden, defileren, ellebogenwerken, een beetje filosofie, en dan de rest van de ochtend omgangsvormen en goede manieren.
    Jarik leert belangrijke zaken zoals wie er voorrang heeft in het geval dat een graaf te paard met een snelheid van 4 km. per uur een kruispunt nadert, terwijl van links een aartsbisschop in een koets met een snelheid van 11 km. per uur datzelfde kruispunt nadert; ingewikkelde stof die je als aanstaand koning natuurlijk tot in de puntjes moet beheersen.
    Dan nog een dubbel uur Latijn en Grieks waarna de familie gezamenlijk aan de lunch gaat.
    ‘Ik vind het niet eerlijk,’ moppert prins Jarik, ‘Ivar is lekker op reis en kan doen wat hij wil, en ik zit de hele dag opgesloten in een klaslokaal. Als ik dat geweten had, had ik nooit ja gezegd, jullie hebben me er in laten lopen.’
    Om één uur krijgt hij staatsinrichting van de eerste minister, om twee uur oorlogskunde van luitenant-generaal van Blitz, en dan Franse les tot vier uur. Daarna heeft hij precies een half uur waarin hij kan doen wat hij zelf wil en dan nog een uur geschiedenis en een uur muziek, waaronder zangles, het bespelen van het klavecimbel en dansles vallen. Om zeven uur is het tijd voor het diner en daarna heeft hij nog zeker een uur of twee nodig om zijn huiswerk te maken voor de volgende dag. Jarik is al blij als hij om tien uur naar bed mag. Zo gaat het week in week uit. Op zaterdag kan hij ook al niet uitslapen want dan moet hij om half zeven aantreden voor de everzwijnenjacht.
    Op één van de zeldzame zondagen dat er geen staatsbezoek of ander verplicht programma is, loopt Jarik na het ontbijt met prinses Hendrikje de paleistuin in. Het is een prachtige ochtend in het vroege voorjaar.

‘De lessen zijn interessant, en ik moet zeggen dat ik het leuker vind dan ik had verwacht. Maar toch heb ik het gevoel dat het niet echt iets voor mij is,’ zegt de prins tegen zijn zuster terwijl hij probeert er ernstig bij te kijken.
    ‘Dat hele idee van het koningschap, ik weet het niet, is het nog wel van deze tijd?’
    ‘Jarik,’ onderbreekt zijn zusje hem lachend, ‘geen kletspraatjes verkopen. Ik weet heus wel waar je naar toe wilt.’
    ‘Nee, nee, helemaal niet,’ antwoordt Jarik, die nog steeds probeert zijn gezicht in de plooi te houden, ‘ik heb er goed over nagedacht, laat me uitpraten.’
    ‘Vooruit dan maar, ga verder.’
    ‘Leuke jurk heb je trouwens aan! Is die van die nieuwe Franse kleermaker?’
    ‘Jarik.’
    ‘Goed, waar was ik gebleven? Eh, het koningschap. Op zichzelf een mooi vak natuurlijk, spannend, afwisselend, het betaalt goed. Je moet er alleen wel geschikt voor zijn.’
    ‘Jarik.’
    ‘Nee, luister nou. Jij wilt altijd in alles je zin krijgen, waar of niet? Vroeger al. Als de dingen anders gaan dan jij had gedacht, als de tafelschikking niet naar je zin is, als iedereen naar links wil, maar jij naar rechts.’
    ‘Wat bedoel je Jarik?’
    ‘Nou ja, je weet best wat ik wil zeggen. Jij kan het gewoon niet hebben als je je zin niet krijgt. Dat geeft niet, het is ook geen kritiek, het is gewoon iets in je karakter, een aangeboren eigenschap. Dat zit in je genen, daar kun je niets aan doen en je kunt er heel oud mee worden.’
    ‘Jááháá,’ zegt Hendrikje nu licht geïrriteerd.
    ‘Ik wil alleen maar zeggen: ik heb misschien een oplossing voor je probleem!’ zegt Jarik enthousiast.
    ‘Voor mijn probleem?’
    ‘Ja! Een oplossing!’
    ‘En wat is mijn probleem dan?’
    ‘Nou, dat jij altijd je zin wilt krijgen!’
    ‘En de oplossing?’
    ‘Het koningschap!’
    ‘Jarik!’
    ‘Nee, serieus! Mij kan het niet zoveel schelen, ik ben van nature juist heel meegaand, maar voor jou zou het ideaal zijn. Als je koningin bent doet iedereen altijd wat je wilt. Dus nooit meer draadjesvlees of rabarber, altijd het grootste stuk taart, bij spelletjes of wedstrijden ben jij vanzelfsprekend de winnaar. Je mag helemaal zelf weten hoe laat je naar bed gaat.’
    Ze zijn nu door het hek de paleistuin uitgelopen en het pad naar het vervallen kapelletje ingeslagen. Een grote felgekleurde vlinder strijkt neer op de revers van Jariks jas en blijft daar even zitten.
    ‘En het lesprogramma is ook heel interessant, wist jij trouwens dat als een aartsbisschop te paard met een snelheid van...’
    ‘Jarik, hou op. Het koningschap is niet iets dat je zomaar kunt weggeven. Ivar had goede redenen om jou in zijn plaats als troonopvolger te kiezen. De ministers wilden het en papa en mama waren het er mee eens. Als je geen koning wilt worden had je dat meteen moeten zeggen. Je kunt je niet nu ineens terugtrekken omdat je een hekel hebt aan strenge leraren en huiswerk maken.’
    ‘Maar ik ben alleen nog maar aan het studeren! Behalve mijn leraren spreek ik niemand meer!’ Het huilen staat Jarik nader dan het lachen. ‘Dit is mijn eerste vrije dag in een half jaar!’
    ‘Luister Jarik, misschien heb ik een idee,’ zegt Hendrikje peinzend.
    ‘Wat voor idee dan?’ antwoordt Jarik ongeduldig. Ze zijn nu bij het kapelletje aangekomen waar Jarik jaren eerder met gravin Renée ook heeft gezeten. Om hen heen kwetteren roodborstjes en koolmeesjes er vrolijk op los, druk in de weer met de aanstaande gezinsuitbreiding. Bijen en wespen zoemen af en aan. Wanneer ze naast elkaar op het half vermolmde podium liggen en met gesloten oogleden door een filigrein van roze adertjes in de zon kijken, maakt een gevoel van gelukzalige loomheid zich van hen meester.