woensdag 3 oktober 2012

La Cacerola

 
Toen ik een jongetje was ging ik met enige regelmaat met mijn ouders eten bij ‘La Cacerola’, een klein Spaans restaurant in de Weteringsdwarsstraat. Een gedeelte van de pret bestond uit ergernis over de clientèle. Er kwamen snobs, die de kwaliteit van de kaart niet op waarde wisten te schatten, maar wel de authentiek Spaanse ober amicaal met ‘Sanchez’ aanspraken, iets wat mijn ouders nooit hadden gedurfd. Bekende Nederlanders als Ron Brandsteder en Willeke van Ammelrooy waren regelmatige bezoekers, die met hun te luide tafelconversatie de toch al sluimerende woede van mijn ouders wisten op te wekken.
Ik nam altijd hetzelfde, kinderen zijn nu eenmaal aartsconservatief. Vooraf nam ik de huispaté met stokbrood (in de 60er jaren nog redelijk exotisch) en baby augurkjes, daarna de kip in roomsaus, en toe mokka-ijs in een zilverkleurige met ijsdamp beslagen bokaal met stukjes geschaafde chocolade en een laagje cognac. Hoewel er meer op de kaart stond, was het ondenkbaar dat ik iets anders zou bestellen. La Cacerola was voor mij synoniem met kip in roomsaus.
Mijn moeder maakte het thuis ook wel eens. Haar versie was lang niet slecht, maar toch anders, iets in de redactie van de ingrediënten klopte niet. En nu doe ikzelf nog altijd pogingen die smaak terug te halen.
Vul een hele kip met een paar teentjes fijngehakte knoflook, een takje tijm en een takje rozemarijn. Smeer hem in met olijfolie en bestrooi hem met (liefst gerookt) paprikapoeder, peper en zout. Doe de oven op 200 graden, eerst de ene kant een minuut of dertig en dan omdraaien tot hij helemaal gaar is.
Fruit voor de saus een ui en een teentje knoflook en voeg een ons fijngesneden katenspek toe. Haal de pan van het vuur en bestrooi met gezeefde bloem. Roer tot het brokkelig wordt en giet er dan bouillon bij (blokje groente of kippe, net wat je in huis hebt) tot een dikke saus ontstaat. Voeg een laurierblad toe, een gedroogd chilipepertje, een klein beetje kerriepoeder en een fijngehakte tomaat. Giet er een scheutje cognac en een scheut Pedro Ximenez zoete sherry bij. Als de saus te veel indikt voeg je gewoon wat bouillon toe.
Tegen de tijd dat de kip gaar is maak je de saus af door in stukjes gesneden asperges (uit blik, geen verse) toe te voegen met een scheut van het blikvocht, een klein blikje mandarijnen op sap. En tenslotte een flinke scheut slagroom. Niet meer aan de kook brengen.
De kip besprenkel je de laatste minuten in de oven met een handvol geschaafde amandelen.
Opdienen met rijst geverfd met Koenjit en een salade van rucola, tomaten, rode ui, walnoten, appel en blue stilton met een dressing van honing, balsamico en olijfolie.
Het restaurant bestaat niet meer. Ik heb er met Bibian nog een of twee keer gegeten, toen we net met elkaar waren. Sanchez was er nog altijd, samen met zijn imposante half Spaanse, half Indiaanse vrouw, met haar lange zwarte haar altijd in een vlecht, op afstand de mooiste vrouw van in de zeventig die ik ooit heb gezien. De laatste keer vertelden ze ons dat ze gingen stoppen. Het was mooi geweest. Ik fiets er nog wel eens langs, en altijd hoop ik dan dat het kleine sierlijke uithangbordje er weer hangt: La Cacerola.
 
  

dinsdag 2 oktober 2012

grote liefde



Ooit had ik een korte maar hevige relatie met R. Zij redde mij van een vorige slepende relatie die ik maar niet wist te beëindigen. Ik liep toch al met mijn ziel onder mijn arm en trok vrijwel meteen bij haar in. Ik was welkom. Zij had een dochtertje van twee-en-een-half waar ik ook meteen verliefd op werd.
Wij beleefden een grote liefde. Op papier waren wij de perfecte combinatie. Zij hield van muziek, ik hield van muziek. Zij was een enthousiaste lerares Nederlands met een passie voor literatuur. Ik had zelf ook een goed gevulde boekenkast. Wij hielden allebei van koken en deelden een voorkeur voor de Spaanse keuken. Ik voelde me volmaakt gelukkig in haar ruime woning in de Pijp, en mijn eigen meubeltjes en andere bezittingen pasten naadloos tussen de hare.
Op een dag kregen we ruzie. Ik weet niet meer waarover, iets onbeduidends, maar eigenlijk wist ik het meteen: dit komt niet meer goed. Het lag niet aan de ruzie, maar aan de communicatie. De betovering was verbroken, een ‘grote liefde’ is geen basis voor een relatie. Ik verdrong die gedachte en maakte het weer goed. Maar allerlei kleinigheden die ik tot die tijd niet had willen zien, begonnen mij nu op te vallen.
In bed luisterden wij naar een jazz zender. Die draaide veel ‘Ella’ waar R. dol op was. Ik niet. Ik vind Billy Holliday eindeloos veel mooier, maar omdat ik verliefd was deed ik mijn best ook Ella in mijn hart te sluiten. Een van haar favoriete schrijvers was Thomas Rosenboom. Arnon Grünberg, die net gedebuteerd had met Blauwe Maandagen, vond zij een eendagsvlieg. Het klinkt nu een beetje gratuit, maar daar dacht ik toch echt heel anders over.
Haar moeder was haar beste vriendin, en omdat ik zelf geen ouders had, vond ik dat bijzonder. Maar na een tijdje ging het me toch wel opvallen dat ze elke dag eindeloze telefoongesprekken met haar moeder voerde die haar soms hevig emotioneerden. Toen ik haar moeder ontmoette, begreep ik waarom: ze was doodsbang voor diens dominante en dwingende persoonlijkheid.   
Het werd zomer. We gingen op vakantie; kamperen in Frankrijk, en heel misschien haar broer opzoeken die ‘woonde’ op een camping in Spanje. Dat klonk mij romantisch in de oren. Hoewel onze relatie al scheurtjes begon te vertonen – ik gooide stiekem haar cassettebandjes van Steely Dan uit het raam van de auto, en deed daarna net of ik ze niet kon vinden – begon de reis optimistisch. Gaandeweg werd mij echter duidelijk dat het kamperen in Frankrijk een dekmantel was voor het werkelijke doel van de reis: een bezoek aan haar broer in Spanje, waar haar moeder ook naar toe zou komen. Omdat ik ook wel nieuwsgierig was, stemde ik toe. We kwamen aan op een camping net buiten Valencia met enige duizenden staanplaatsen vol middelbare scholieren en vrolijke muziek de hele nacht door.
Broerlief leefde van de verkoop van zelf geknutselde prullen aan toeristen. Een lieve jongen met een intens trieste en verloren blik. Toen mijn schoonmoeder arriveerde begon hij te stotteren en ontwikkelde hij een zenuwtrek. Ook R. maakte een metamorfose door. Ik was plotseling in de minderheid. Ik was de vijand. Moeder suggereerde dat ik naar deed tegen haar dochter en kleindochter. Kleindochter wilde ineens niet meer op mijn schouders zitten als we langs de boulevard slenterden. Ik kon me niet verdedigen.
Omdat ik bij haar was ingetrokken met de bedoeling er te blijven, had ik mijn eigen appartement aan een vriendin beloofd die de boel al flink aan het overschilderen was. Aan de telefoon in het kantoortje van de camping probeerde ik wanhopig die vriendin aan de lijn te krijgen om alles weer terug te draaien. De terugreis was een stuk minder gezellig. Een grote liefde.



maandag 1 oktober 2012

Dokter


Chemo. Iets anders was er niet. Als het eenmaal is uitgezaaid is dat de enige optie. Opereren heeft geen zin, bestralen ook niet. Hoewel we er niet te veel van moesten verwachten, geen genezing in elk geval, leek het de dokter een goed idee. Een jonge vrouw als Bibian, sterk, gezond – behalve die kanker dan, die kon wel tegen een stootje. Toevallig was er net een nieuwe therapie, een driedubbele gecombineerde chemo, alleen voorbehouden aan de allersterksten, waar goede resultaten mee werden behaald. Wel wat meer bijwerkingen dan bij een ‘gewone’ chemo, maar die konden dan weer onderdrukt met aanvullende medicatie. Trots dat we door de eerste ronde waren gekomen, dat we tot een select groepje uitverkorenenen behoorden, stemden we in met het behandelplan. De therapie bestond uit een wekelijks infuus met een soort van kokende pek. De eerste keer kreeg Bibian 50 procent van de maximaal toegestane hoeveelheid. Hoewel ze er doodziek van werd was de arts positief. Ze kon het hebben. De eerstvolgende keer kreeg ze 75 procent en daarna de volledige kuur. Ik heb Bibian nog nooit zo ziek en ellendig gezien. Ze kon alleen nog kruipen, had overal pijn en kotste alles uit.
In het ziekenhuis werd haar aangeraden maar liever twee keer door te trekken na het plassen. Toen ze een keer een paar druppels urine bij het plassen op haar been morste, ontstonden er kleine brandblaren. Eten smaakte haar niet meer, maar er bleken speciale kookboeken te bestaan met recepten voor tijdens chemotherapie. De chemicaliën tasten namelijk je smaak aan. Lievelingsgerechten worden plotseling onverdragelijk; substantie wordt belangrijker dan smaak, las ik in de inleiding. En inderdaad: wat ik er ook uit kookte, Bibian wilde het niet eten.
Na de eerste kuur hadden we een afspraak met onze dokter.
Hij voelde aan Bibian’s buik, verexcuseerde zich attent voor het feit dat hij al een paar biertjes op had (het was vrijdagmiddag, half zes, ‘kan je het ruiken? ha, ha, ha!’), gaf toe dat het een zware kuur was, maar – hij mocht het eigenlijk niet zeggen, hij volgde nu uitsluitend zijn intuïtie – hij wilde toch wel kwijt dat hij hoopvol was. Hij kneep nog maar eens flink in Bibian’s lever en knikte mij bemoedigend toe. ‘Kleiner!’ sprak hij beslist. ‘Dat gaat de goede kant op.’
‘Hou me ten goede hoor!’ voegde hij er professioneel aan toe.
Na twee kuren werd er opnieuw een ct-scan gemaakt om definitief te kunnen beoordelen of de chemo aansloeg. Op van de zenuwen zaten we in de wachtkamer. Een belangrijke vergadering was uitgelopen, verklaarde de dokter zijn late komst. ‘Kom mee jongens!’ nodigde hij ons joviaal uit. ‘Dan gaan we snel kijken.’
In zijn spreekkamer startte hij zijn computer op, klikte het programma aan en zapte met ons door een driedimensionale scan van Bibian’s binnenste. Hij zoemde wat in, scrolde eens naar links en ook nog maar eens naar rechts, en mat een grote grijze vlek in Bibian’s lever met zijn digitale lineaal. ‘Helaas,’ sprak hij toen, waarna hij zijn lippen samenkneep om spijt uit te drukken. ‘Het is gegroeid. Eerlijk gezegd wist ik het al.’ Hij had de uitslag al eerder gekregen, een klein toneelstukje opgevoerd, gaf hij toe.
Voor ons bevestigde dat wat we eigenlijk al die tijd al wisten: al zal hij Bibian ook niet kunnen genezen, we moeten zorgen dat we een andere dokter krijgen.

zondag 30 september 2012

Opruimen

 
Ik bladerde door je oude schriften en blocnotes op zoek naar, ja naar wat eigenlijk? Ik probeer een beetje op te ruimen; de ruimte die je nog altijd inneemt hier in huis terug te dringen. Niet omdat ik van je af wil, maar omdat het me verdrietig maakt.
Ik vond het dagboek dat we kennelijk samen bijhielden toen Valentijn geboren was, ik was het vergeten. Toen hij nog geen drie maanden oud was, gingen we naar New York op uitgestelde huwelijksreis. Valentijn in een draagdoek op mijn buik. We zagen ons al samen in ons eigen winkeltje op Broadway met stapels van die doeken. Iedereen vroeg hoe we eraan kwamen, waar je zo’n ding kon bestellen.
Ik vond ook je dagboek over Swip’s geboorte. Swip huilde veel als baby, we woonden te klein, ik was erg gedeprimeerd, onredelijk en onzeker over mijn bestaan als componist. Dat leidde tot onze ‘grote’ crisis. Het heeft niet veel gescheeld of ons huwelijk had het niet overleefd. Ik had het bijna verpest. Toen vonden we een groter huis en kwam alles weer goed.   
Ik las een nooit verstuurde brief aan je ouders. Een brief waar nog hoop uit sprak op een betere vestandhouding. Maar goed, je verstuurde hem niet.
Ik las het orginele script van onze eerste videoclip ‘Winter’, en bladerde door je aantekeningen van een cursus scriptschrijven. Was ik ook alweer vergeten, dat je dat had gedaan. Ik vond een bundel met verhalen van jonge schrijvers uit de Haarlemmermeerpolder met een laaiend enthousiaste opdracht van Nico Scheepmaker. Een bizar verhaal over een verdrietige seriemoordenaar dat ik helemaal niet kende.
Je prachtige poezenverhalen zijn er ook nog allemaal. Over onze kleine rode kater Socrates. Een stuk of twintig, misschien te weinig, of toch net genoeg voor een ruim geïllustreerd kinderboek.
Ik heb het album met onze trouwfoto’s ook maar een wat minder prominente plaats gegeven. Het staat nu boven in de kast bij de andere fotoalbums. Ik weet niet precies waarom ik dat gedaan heb.
Gisteren kwam vriendin L. eten. We hebben samen gekookt, het was heel gezellig. Ze vertelde over een nieuwe liefde. Hoewel ik blij voor haar ben, maakte het me tegelijk verdrietig. Ik wil ook liefde. Ik heb wat meer rode wijn gedronken dan goed is voor een Klaas. Ik vond dat het wel mocht na een weekje op rantsoen met Valentijn in het VU ziekenhuis.
Ik heb een brief van jou aan Lulu in laten lijsten en bij haar bed gehangen. Er is er ook een aan Swip. Valentijn is de zijne kwijt. Het zijn niet echt brieven, meer kattebelletjes, maar het is toch jammer. Misschien vinden we hem nog.
Daarna zijn we even bij je graf gaan kijken. Ik had er zo’n behoefte aan, bij je te zijn, al ben je er natuurlijk niet echt. Even bijpraten.

zaterdag 29 september 2012

El Camarón


Om acht uur ’s avonds reden we weg. ’s Middags hadden we eerst ons busje ingeladen, daarna de kinderen voor een dvd gezet en ze laten beloven dat ze ons niet zouden storen. Wij wilden nog een paar uurtjes slapen voor we gingen rijden. Ik nam meestal het eerste stuk voor mijn rekening, een uur of drie achter elkaar, tot net over de grens, en Bibian de volgende drie. Dan waren  we inmiddels in de buurt van Parijs. Ondanks de aanwijzingen van onze TomTom raakten we daar elke keer weer de weg kwijt en belandden we in het centrum van de stad die we juist wilden vermijden. Valentijn dolgelukkig - met hele kleine oogjes - dat hij de Eiffeltoren bij nacht te zien kreeg; wij twee of drie uur achterop. Ik reed weer een stukje, en dan Bibian weer. Om een uur of vijf in de ochtend stopten we bij een Zuid Franse parkeerplek en sliepen een uurtje met de autostoelen zo ver mogelijk naar achteren geschroefd.
Niks heerlijkers dan gebroken te ontwaken op een parkeerterrein, naast overvolle betonnen vuilcontainers, gras doordrenkt met urine, Marokaanse families met meer bagage op het imperiaal dan de auto zelf groot is, te dikke mannen en vrouwen in joggingpakken en het geluid van de Route Soleil in de verte.
‘L'Afrique commence aux Pyrénées,’ zei Albert Camus al, en zo is het ook. Frankrijk was niet het doel van onze reis, en we deden er alles aan om ten minste nog de Pyreneeën over te steken. Pas onder Baskenland, het was dan al weer laat in de middag, vonden we het wel mooi geweest, en zochten we op goed geluk ergens een camping. Het eerste uur leek het of de grond net zo trilde als ons busje, maar als de tent eenmaal stond en wij met een groot glas Pernod in onze kampeerstoelen naast ons tweepits fornuisje zaten, waarop een pannetje met blokjes aardappel, paprika, ui, tomaat, knoflook en chorizo voorzichtig stond te garen; armeluiseten en dus goed genoeg voor ons, viel de vermoeidheid van de reis van ons af om plaats te maken voor een hemels gevoel van rozig geluk. Zo wilden wij het. Niks ‘rustiek kamperen’ tussen andere Hollanders, maar verdwaald tussen Spaanse families met onbegrijpelijke ideeën over privacy en de indeling van de dag.
Ontheemd voelden we ons, en misschien was dat ook wel wat we zochten: het gevoel er niet bij te horen, het niet helemaal te begrijpen. Precies het gevoel dat we thuis sowieso al hadden en waar we ons soms ongelukkig over voelden, zochten we hier nu juist op.
Rusteloos trokken we van camping naar camping, steeds maar zuidelijker. In de bergen in het Spaanse binnenland gebeurde het wel dat we enkele uren reden zonder één tegenligger. Italië is natuurlijk ook schitterend, maar elke steen is daar aangeraakt en op de juiste plaats gezet door generaties van landschapsarchitecten. De Spanjaarden hebben hun rotsachtige grond geaccepteerd zoals ze die aantroffen. Of ze zijn gewoon te lui om die naar hun hand te zetten. Alles wat in Spanje in cultuur is gebracht is een erfenis van de verreweg superieure Moorse overheersing. Luister maar naar El Camarón de la Isla
     

vrijdag 28 september 2012

Seven Slowhands



Ik was op toernee met mijn eerste helemaal eigen band The Seven Slowhands. In het Amsterdamse Paradiso had ik een concert gehoord van gitarist Robert Fripp met zijn League of Crafty Guitarists en ik was diep onder de indruk van het geluid van al die akoestische gitaren bij elkaar. Ik weet nog dat ik naar buiten liep en bij mezelf dacht: daar moet ik iets mee; wat een geweldig idee, maar wat een flauwe en eenvormige muziek. Dat kan veel beter.
De maanden daarna schreef ik ruim een uur repertoire voor zeven gitaren, verzamelde ik gitaristen, regelde ik cd opnamen, concerten in Nederland en een grote toernee door Rusland, China, Mongolië en Indonesië.
Na concerten in Moskou, Irkutsk en Ulan Bator kwamen we met de trein aan in Peking. Voor mij was de cultuurshock iets minder dan voor mijn ensemble omdat ik al eerder in China was geweest als toerist.
Naast onze concerten moesten wij opdraven voor interviews, diners en excursies, maar ook bracht men ons naar diverse fabrieken. Ik had aangegeven dat wij workshops wilden geven aan Chinese gitaarstudenten. Dat leek mij leuk en ook voor ons interessant. Maar onze Chinese gastorganisatie had het anders begrepen en dus kregen wij rondleidingen lang de assemblagelijnen (de workshops) van sardientjes, limonade en accordionfabrieken. Men zag het als een blijk van solidariteit van zeven Hollandse gitaristen met de Chinese arbeiders. Op de dag dat de toenmalige Russische president Gorbachev een bezoek aan China bracht, zouden wij de Chinese muur bezichtigen. Ik wist dat er die dag een grote studentendemonstratie zou zijn die eindigde op het Tiananmen plein, en besloot van de excursie af te zien. Ik had de muur al eerder bezichtigd, en het leek me wel wat om een dagje alleen door Peking te dwalen met als doel het slot van de demonstratie.
Ik was precies op tijd om het plein vol te zien stromen met jonge Chinezen met spandoeken met voor mij onleesbare teksten. Er waren nogal wat bezitters van bakfietsen en al snel stond ik tussen andere toeschouwers bovenop zo’n bak.
‘you from the West, yes?’  merkte mijn buurman op.
‘Me from the West, yes!’ antwoordde ik vrolijk.
‘You know we not like people from the West in China?’
Nee dat wist ik niet.
‘You not afraid?’
‘Me Afraid?’
‘Yes, because maybe we lynch you.’ Het klonk nauwelijks dreigend, maar ze waren wel met veel.
Ik stond als enige westerling – voor zover ik kon zien dan – tussen misschien wel een miljoen enthousiaste en optimistische Chinese studenten die om meer democratie riepen. Het waren de eerste uren van een verblijf op het plein dat zou eindigen met militair ingrijpen en bloedvergieten.
Na een tijdje hield ik het voor gezien en bracht ik een bezoek aan de Verboden Stad, de voormalige keizerlijke paleizen, recht tegenover het plein. Vanwege de demonstratie was ik zo ongeveer de enige bezoeker. Ik hoefde niet te betalen en kon ongestoord overal in en uit lopen alsof ik figureerde in The Last Emperor van Bertolucci.
Op dat moment had ik nog geen idee van de historische betekenis van wat ik zojuist had bijgewoond. Ik vond het vooral spannend een dagje in mijn eentje door Peking te lopen.
Terug in Amsterdam schreef ik Robert Fripp een brief waarin ik trots verslag deed van onze toernee. ‘It seems your music has brought some changes into China, best wishes, Robert Fripp.’ was het antwoord.

donderdag 27 september 2012

Paarse trui



Er moest iets gebeuren met Bibian’s kleren. Ik had haar schoenen al verzameld in een grote plastic doos en uit het zicht onder haar bureau gezet. Het maakte me zo verdrietig zoals ze daar nog altijd lagen; klaar voor gebruik.
Toen mijn moeder stierf heeft mijn vader al haar kleren verzameld en op een grote tafel uitgestald. Een tante werd uitgenodigd om iets te komen uitzoeken, de rest was voor Het Leger des Heils. Mijn tante dacht daar anders over, aarzelde geen moment en pakte alles in. Mijn vader is nog een keer met haar gaan eten, waarbij ze zich tot zijn afgrijzen geheel in mijn moeders garderobe getooid had.
Ik had voor mezelf alleen een paarse wollen trui met blauwe, rode en roze opgenaaide stippen weten te redden. Reuze hip in 1980. Ik denk dat ik daar nog zeker een vol jaar in heb gelopen tot afgrijzen van vriendinnetjes en tot grote hilariteit van mijn vrienden. Klaas met zijn paarse trui. Mij kon het niet schelen, ik hield van mijn moeder en droeg haar trui met opgeheven hoofd.
Nu stond ik in mijn vader’s schoenen. Ik wist in elk geval heel zeker dat ik het een en ander voor Lulu wilde bewaren voor als ze straks groot genoeg is om het aan te kunnen. Vriendin I. had haar hulp al aangeboden en met z’n drieën werkten we ons door de stapels bekende maar soms ook volstrekt onbekende kleren heen.
Lulu kreeg steeds de eerste keus, al moest ze soms een beetje bijgestuurd worden. Hoewel ze heel goed besefte wat we aan het doen waren, was het voor haar toch ook een beetje Sinterklaas en Kerstmis tegelijkertijd.
Met vriendin E. had ik voor Bibian’s laatste verjaardag nog een paar prachtige blouses en shirts gekocht. Ze heeft ze uiteindelijk allemaal maar één keer gedragen, maar dat wist ik toen ik ze kocht. En wat stonden ze haar goed.
Twee grote dozen vol voor Lulu met takjes lavendel erbij. En nog honderd paar oorbellen in een roodfluwelen zakje.
Met een beetje geluk heeft ze straks haar moeder’s schoenmaat. Ik denk dat Bibian’s hoge leren laarzen de tand des tijds wel zullen doorstaan. De tweede grote stapel was voor vriendinnen om uit te zoeken. Dat regelt I. allemaal voor me. En de grootste stapel voor de bak van Het Leger des Heils.
Met z’n allen vulden we vijf of zes vuilniszakken en brachten die meteen maar weg. Het schijnt dat het grootste gedeelte van die kleding helemaal niet naar vluchtelingen of andere behoeftigen gaat, maar gewoon in tweedehands boetiekjes komt te hangen.
Ik had gedacht dat ik het vreselijk emotioneel zou vinden, maar het viel me eigenlijk heel erg mee. Het luchtte me ook wel op toen het achter de rug was.
En het mooiste is er nog. Voor Lulu.