maandag 25 mei 2020
De prins en de zegelring - Afl. 68
Klaas ten Holt
Hoofdstuk 24 (vervolg)
‘En dan het schavot,’ zegt hij tegen de timmerman. ‘Heb je het precies gebouwd volgens de instructies van ridder Willem? Als er morgen gehangen wordt, dan moet het snel en efficiënt. Ridder Willem is een man van zijn tijd, we willen hier geen Romeinse toestanden. Kun je dat garanderen?’
‘Jazeker,’ bevestigt de timmerman, ‘dit schavot is een wonder van vernuft. Het combineert het ouderwetse executiegevoel met de nieuwste technologische ontwikkelingen, het is als het ware afschrikwekkend en publieksvriendelijk tegelijkertijd. Geen nodeloos lijden, geen bloederig gedoe. Als u even meeloopt?’
Matthis volgt hem en zijn knecht naar het schavot midden op de binnenplaats.
‘Kijk,’ vervolgt de timmerman, ‘laten we wél wezen, niemand neemt voor z’n plezier plaats op een schavot, daar hoeven we geen doekjes om te winden. Maar ik kan u wel vertellen: als ik de keuze had tussen, laten we zeggen, een bezoekje aan de tandarts en deze machine, bij wijze van spreken natuurlijk, dan zou ik het wel weten!’
‘Mooi apparaat hoor,’ beaamt zijn knecht. ‘Zonde om het straks weer af te moeten breken.’
‘De executanten, om ze zo maar te noemen, zakken met strop en al door dit luik, waar ze dan rustig eh, kunnen uithangen. Een stukje privacy waar je op zo’n moment best behoefte aan hebt, zou ik zo zeggen.’ De knecht haalt een hendel over waarop er inderdaad twee luiken naar beneden klappen. ‘En voor het publiek is het ook aantrekkelijk... en makkelijker afscheid nemen bovendien. Het is schoon, respectvol, je kunt er je kinderen mee naar toe nemen. Nee hoor, ik vond het een mooie klus, en ik denk dat we een goed stuk vakwerk hebben geleverd.’
‘Ik zal het aan de ridder doorgeven,’ zegt Matthis.
‘Moet er nog een kwastje overheen?’ vraagt de knecht, ‘persoonlijk vind ik grenen wel zo sfeervol.’
‘Eh, nou nee, ik denk dat het zo wel goed is. Heel erg bedankt.’ Hij gaat weer aan tafel zitten waar het ontbijt inmiddels ten einde is en men nog wat na zit te praten. ‘Dan de schoonmakers,’ zegt hij streng. ‘Ik denk dat jullie vandaag wel wat extra krachten kunnen gebruiken. Ridder Willem wil het hele kasteel tiptop in orde, dus niet alleen de gangen en de binnenplaats, maar ook alle zalen en vertrekken, de entreé en de oprijlaan. Zeg maar tegen Günther dat hij een man of twintig ter beschikking stelt.’
‘En de muziek?’ vraagt iemand. ‘Zijn er muzikanten geboekt voor op het feest?’
Matthis haalt zijn schouders op. ‘Daar heb ik Willem niet over gehoord.’
‘Eeuwig zonde dat die Nicolò er niet meer is,’ zegt een ander, ‘wat kon die mooi spelen.’
‘Hij is er nog wel, alleen zit hij in de kerker,’ zegt één van de wachten.
‘Kunnen we hem niet... Waarom zit hij eigenlijk in de kerker?’ vraagt het meisje van de wasserij.
‘Dat moest van Willem. Vanwege een verboden lied dat hij gespeeld zou hebben,’ zegt Matthis.
‘Een verboden lied? Wat een onzin,’ zegt een ander. ‘Willem is het vast allang weer vergeten. Laat die jongen toch spelen, zonder muziek geen feest, wat jullie?’
‘Hij heeft wél al een paar maal om zijn viool gevraagd,’ zegt de eerste wachter. ‘Als we hem die nou gewoon vast brengen, dan kan hij zich in elk geval een beetje voorbereiden.’
Ik vind het best,’ zegt Matthis. ‘En dan moet Willem straks maar zeggen of hij het wil of niet. Breng Nicolò zijn viool maar, ik vermoed dat Lambert die wel zal hebben.’
Iedereen staat op behalve het meisje van de wasserij. ‘Wat een weer hè?’ zegt ze tegen Matthis wanneer ze met z’n tweeën zijn.
‘Ja...’ antwoordt hij. Hij voelt zich ineens opgelaten maar begrijpt niet goed waarom. Een meisje van de wasserij...
‘Blijf je nog even zitten,’ vraagt hij dan. ‘Of ben je druk?’
‘Altijd wel,’ zegt ze. ‘Ik heet trouwens Sanne. Wat een rare trouwerij hè?’
‘Hoezo raar?’
‘Nou, met dat schavot en zo. Ik hoop dat ikzelf... als het ooit zo ver komt...’
‘Ach, dat is allemaal politiek. Mensen als ridder Willem trouwen niet uit liefde, er staan grote belangen op het spel.’
‘Mijn eigen bruiloft stel ik me toch anders voor.’
‘Als je míj dan maar uitnodigt…’ zegt Matthis zachtjes.
‘Dat was ik wél van plan.’ Sanne vraagt zich af of ze hem nou leuk vindt of niet. Ze zwijgt verlegen.
‘Kom! Aan het werk,’ zegt Matthis dan. De verdere dag is hij druk in de weer om iedereen te instrueren en er op te letten dat alles ook precies gebeurt zoals hij zegt. Aan het eind van de middag gaat hij naar Lambert, die terug is uit Marche, waar hij boodschappen heeft gedaan. ‘Heb je alles kunnen krijgen wat je nodig hebt?’ vraagt hij bezorgd.
Lambert antwoordt echter niet maar staart hem aan met een vreemde blik in de ogen.
‘Lambert?’
‘Ik heb alles wat ik nodig heb, en nog een heleboel méér ook,’ zegt de kok met dubbele tong. ‘M-maar dat ga ik jou niet aan je neus hangen, v-vriendje...’
O mijn God, hij is straalbezopen, denkt Matthis terwijl een lichte paniek zich van hem meester maakt. Als dat maar goed gaat. ‘Lambert,’ zegt hij ernstig, ‘je hebt gedronken hè? En niet zo’n klein beetje ook zo te zien. Moet jij eens even héél goed naar me luisteren: jij gaat nu meteen een paar grote glazen water drinken en wat eten. Er moet nog ontzettend veel gebeuren voor morgen, en...’
‘Morgen?’ zegt Lambert schamper, ‘Mor-gen? L-laat me niet lachen. Ha!’
zondag 24 mei 2020
De prins en de zegelring - Afl. 67
Klaas ten Holt
Hoofdstuk 24 (vervolg)
Matthis wacht tot zijn heer vertrokken is en opent dan de ramen om wat frisse lucht binnen te laten. Dat Thom niet eeuwig in zijn torenkamer opgesloten zou kunnen blijven was hem ook wel duidelijk, maar dit had hij toch niet verwacht. Waarom rekent ridder Willem niet gewoon zelf met zijn broer af? En zou het waar zijn dat het leger van koning Lodewijk in aantocht is, aangevoerd door een of andere beroemde generaal? Als dat zo is, hebben ze natuurlijk geen schijn van kans. Hij zet het restant van het ontbijt op het dienblad en beklimt de smalle trap naar boven. Wanneer hij binnenkomt, zit Thom opgewekt achter zijn bureau te schrijven.
‘Goeiemorgen Matthis!’
‘Morgen, heer...’
‘Hou je een arme eenzame gevangene even gezelschap of ben je druk?’ zegt Thom schertsend.
‘Ik... nou even dan,’ antwoordt Matthis verlegen. Nu hij van ridder Willem zijn bloederige opdracht heeft gekregen, kijkt hij opeens met andere ogen naar Thom.
‘Kom, ga zitten,’ zegt deze, ‘en vertel eens: al die bedrijvigheid, dat getimmer op de binnenplaats de afgelopen dagen, wat is er allemaal aan de hand op het kasteel?’
‘Ik weet niet of...’
‘Of je mij dat wel mag vertellen? Wat een onzin! Als iemand een geheim kan bewaren, ben ik het wel. Ik spreek immers nooit iemand. Vooruit! Vertel op!’
Wat zal ik doen? denkt Matthis. Het is wel waar: doorvertellen kan hij het niet, en daarbij... morgenochtend gaat hij er tóch aan… ‘Uw… uw broer gaat morgen trouwen, heer.’
Verbaasd legt Thom zijn lepel terug op tafel. ‘Wat vertel je me nu? Willem... trouwen?’ Even valt hij stil. ‘Wat een fantastisch nieuws!’ zegt hij dan, ‘Hij wilde me natuurlijk verrassen. Wat geweldig!’ Stralend kijkt hij naar Matthis. ‘En dat getimmer op de binnenplaats... allemaal voor de trouwerij natuurlijk. Hm... maar, de bruid, vertel eens, is ze mooi? Heb je haar gezien?’
Matthis weet niet goed wat hij moet zeggen. Thom is door het dolle heen.
‘O Matthis, ik zou er wat voor geven om er morgen bij te kunnen zijn! Mijn kleine broertje in het huwelijksbootje, wie had dat ooit gedacht?’ Hij pakt een fles uit het kabinet en schenkt twee glaasjes in. ‘Een kleine toast. Dat kun je me niet weigeren. Op onze Willem!’ Ze klinken en legen hun glazen. Ontroerd gaat Thom weer zitten en eet van zijn pap.
‘Een cadeau,’ zegt hij dan. ‘Ik heb helemaal niets om hem te geven. O God, hoe moet dat nu?’ Hij kijkt Matthis geschrokken aan. ‘Zilver! Ik moet ergens nog een paar zilverstukken hebben.’ Hij staat op en begint koortsachtig in de laden van zijn kabinet te zoeken. ‘Waar heb ik die gelaten? Ik dacht: misschien kun jij in Marche iets leuks kopen, een kleinigheid? Ah, kijk hier! Vier zilverstukken: mijn hele bezit op deze wereld.’
Hij drukt ze Matthis in handen. ‘Doe maar een boek. Of nee, lezen doet hij niet. Hm... Ah, Ik weet het. Voor zijn bruid! Natuurlijk! Wie is ze? Hoe heet ze? Koop iets voor háár! Hij zal me toch zeker wel aan haar voorstellen?’
‘Ik moet nu echt...’
‘Dit is een nieuw begin, Matthis. Ik weet het zeker! Er gaan nieuwe en betere tijden aanbreken! Vergeet je niet wat ik je gevraagd heb?’
‘Nee heer... ik...’
‘Ga maar gauw. Je zult het wel druk hebben vandaag.’
Matthis neemt de resten van het ontbijt mee en draait de deur achter zich in het slot. Steeds moet hij denken aan wat Willem hem heeft opgedragen. Nou ja, als het moet dan moet het maar. Hij heeft wel eens vaker vervelende klusjes voor zijn heer opgeknapt. De zilverstukken stopt hij in zijn beurs, daar hoeft Willem niets van te weten. De zon is zowaar gaan schijnen. ‘Nieuwe en betere tijden,’ echoot het in zijn hoofd. Maar niet voor Thom...
Eerst gaat hij naar de wapenmeester. ‘Ik heb morgenochtend een zwaard en een dolk nodig,’ zegt hij nors, ‘het beste dat je hebt en vlijmscherp geslepen. Orders van heer Willem.’ Hij bekijkt er een paar en kiest uit wat hij nodig heeft. Op de binnenplaats zitten aan een lange houten tafel drie soldaten van de wacht, de timmerman met zijn knecht en een gedeelte van het overige personeel te ontbijten. Omdat Willem er niet is gaat hij er even bijzitten. Hij schenkt zichzelf een glas bier in.
‘En? Wat wordt het morgen Matthis?’ zegt één van de wachters tegen hem, ‘Gaan we trouwen of gaan we hangen?’
Matthis kijkt de wachter strak aan terwijl hij van zijn bier drinkt. ‘Jij gaat met die bezem daar eerst maar eens de hele binnenplaats aanvegen,’ zegt hij dan, ‘anders wordt er nu meteen al gehangen, is dat duidelijk?’ Even is het stil, dan schateren ze het met z’n allen uit. ‘Ik wil dat de grote hal er morgen uitziet als de balzaal van het koninklijk paleis,’ zegt Matthis als iedereen is uitgelachen. ‘Tapijten op de vloer, wandkleden, tafels en stoelen, luchters, alles brandschoon, opgewreven en in de was gezet. Servies en bestek: het beste van het beste. We zullen onze gasten eens wat laten zien!’
‘Gaat ridder Willem écht trouwen?’ vraagt een meisje van de wasserij.
‘Het ziet er wel naar uit,’ antwoord Matthis met een kleur. Ze was hem al eerder opgevallen, maar hij heeft nooit tijd om gewoon even een praatje te maken. Altijd is er wel iets dat ridder Willem van hem wil.
‘En die geruchten over de koning? Dat er een groot leger op weg naar La Roche is?’ zegt een ander.
‘Welnee,’ antwoordt Matthis, ‘allemaal stemmingmakerij. Bovendien is La Roche onneembaar, het kasteel heeft al menig beleg doorstaan.’
‘Maar nu schijnt er een of andere beroemde Hollandse generaal aan het hoofd te staan,’ beweert één van de soldaten.
‘Laat maar komen, die generaal,’ zegt Matthis, ‘we zullen hem een warm ontvangst bereiden!’ Die geruchten zijn hardnekkig, denkt hij ondertussen bij zichzelf. Zou het dan tóch waar zijn? In dat geval is alles verloren… Zijn hele leven is hij Willem trouw gebleven, eigenlijk zonder er ooit bij na te denken. Een ander leven kan hij zich nauwelijks voorstellen. Een éigen leven, zonder altijd rekening te moeten houden met de wensen en nukken van zijn heer. Feitelijk een hondenleven...
vrijdag 22 mei 2020
De prins en de zegelring - Afl. 66
Klaas ten Holt
Hoofdstuk 24 - Een dag uit het leven van Matthis.
Het schemert nog als Matthis, na eerst zachtjes geklopt te hebben, de kamers van zijn heer betreedt. ‘Goedemorgen, ridder Willem,’ zegt hij voorzichtig, ‘heeft u lekker geslapen?’ Omdat Willem niet reageert, gooit hij eerst maar eens een paar blokken hout op de open haard die nog smeult van de vorige dag. Zijn meester heeft het kennelijk laat gemaakt.
‘Grrmmmbll,’ klinkt het vanonder de dekens.
‘Zal ik de gordijnen nog even dicht laten, heer?’
‘Zal ik de gordijnen nog even...’ bauwt Willem hem na. ‘Breng me liever een karaf water, idioot!’
‘Jawel heer,’ antwoord Matthis. Het is elke keer weer afwachten in wat voor stemming hij zijn meester zal aantreffen. ‘Het is zeven uur, heer. Lambert zal zó wel met het ontbijt komen. U wilde mij toch spreken?’
‘Ik? Jou spreken?’ bromt de ridder die nu rechtop in zijn bed zit. ‘Waarover dan?’
‘Hier is water, heer.’
Ridder Willem neemt een slok en smijt de karaf woedend van zich af. ‘Dit is geen vers water! Alléén vers water! Hoe vaak moet ik dat nog zeggen!’
Matthis doet er verder het zwijgen toe en begint de scherven aan te vegen die door het hele vertrek liggen.
De deur gaat open en Lambert komt binnen met een grote schaal met pap, brood, kaas en twee pullen bier. Verbaasd kijkt hij van de een naar de ander. ‘Zo, hebben jullie het gezellig samen?’ zegt hij hoofdschuddend. Hij stalt het ontbijt op de tafel uit en vertrekt terwijl hij tussen zijn tanden een liedje fluit. Net op tijd realiseert hij zich dat het de melodie van Twee kleine ridders is, maar Willem heeft gelukkig niets gemerkt. Even later zitten de twee mannen zwijgend aan tafel van hun pap te lepelen. In de haard knapt een blok hout.
‘Er moet nog een boel gebeuren voor morgen,’ zegt Willem.
‘Jawel heer.’
‘Ik wil dat jij Thom straks zijn ontbijt brengt. Ik wil mijn broer liever niet meer zien vandaag. Maar dat leg ik je zo wel uit.’
Matthis staat op en trekt één voor één de gordijnen open.
‘Daarna zet je iedereen aan het werk,’ gaat de ridder verder, ‘en ondertussen hou je een oogje in het zeil. De grote hal moet er feestelijk uitzien en ik wil het hele kasteel aan kant hebben. Je zorgt dat er morgenmiddag, wanneer ik terugkom twee kostuums voor mij klaar liggen: het rode voor de trouwerij, en het zwarte voor als... nou ja, je weet wel.’ De zon is nu ook op en zet de kamer in een feestelijk ochtendlicht. Het zou wel eens een mooie dag kunnen worden.
‘Daarna wil ik dat je naar de timmerman gaat en met hem het schavot inspecteert. Als er gehangen gaat worden, wil ik geen gênante vertoning. Snel en efficiënt, als het dan tóch moet gebeuren. Even voor alle duidelijkheid: de feestelijkheden ’s avonds gaan in beide gevallen gewoon dóór: er zijn uitnodigingen verstuurd, we gaan niemand teleurstellen.’ Met een grote slok bier spoelt Willem zijn laatste hap brood weg. ‘Verder wil ik dat Lambert zichzelf overtreft met het diner. Ik ga er vanuit dat het allemaal wel in orde zal zijn, maar zet hem toch maar een beetje onder druk.’
‘Heel goed, heer. Verder nog iets van uw dienst?’
‘Komt de abt morgen uit Orval voor de huwelijksplechtigheid?’
‘Ja, heer.’
‘Dat heeft hij bevestigd?’
‘Ja.’
‘Hm.’ Een tijdje loopt Willem zonder iets te zeggen door het vertrek op en neer. ‘Dan is er nog iets dat ik wil dat je voor me doet...’
‘Heer?’
‘Luister goed, Matthis: morgenochtend overvallen we eerst dat juwelentransport uit Saint-Hubert. Een routineklus. Ik neem twee man mee, meer lijkt me niet nodig, ik verwacht nog vóór het middaguur weer terug te zijn. Jij gaat dit keer niet mee, jij blijft hier.’
‘Zoals u wilt, ridder.’
‘Ik wil namelijk dat jij morgenochtend in mijn afwezigheid Thom uit de weg ruimt.’ de ridder kijkt Matthis doordringend aan. ‘Begrijp je wat ik zeg? Thom moet verdwijnen... en daar ga jij voor zorgen.’
‘Heer?’
‘Heb je daar soms een probleem mee?’ vraagt de ridder.
‘Nee, nee, maar...’
‘Dat leek mij ook al niet. Hoe je het doet maakt me niet uit, maar doe het snel, laat hem niet onnodig lijden, het is tenslotte mijn broer.’
‘J-jawel.’
‘En daarna knoop je hem in een deken met wat stenen erin en gooi je hem uit het raam in de Ourthe. Hij moet spoorloos verdwijnen.’
‘Ik begrijp het, heer.’
‘Echt moord is het niet, want voor de buitenwereld is hij immers al jaren dood. Je hoeft je dus verder geen zorgen te maken.’
‘M-maar waarom nu ineens?’
‘Dáárom! Omdat ik het zeg!’ Woedend schopt ridder Willem een stoel opzij. ‘Omdat ik niet wil dat als koning Lodewijk ons straks met een bezoekje komt vereren... en ik denk dat het daar binnenkort toch een keer van gaat komen... dat hij hier dan nóg een De la Roche aantreft, eentje met oudere rechten bovendien. Ik wil hem in mijn kasteel ontvangen als Graaf Willem de la Roche van Normandië, begrijp je? Gravin Renée is mijn vrijgeleide. Als graaf sta je boven de wet! Dan kan zelfs de koning je niets maken!’
‘Zal ik...’ stamelt Matthis.
‘Ga nu mijn broertje de rest van de pap maar brengen. Doe hem mijn hartelijke groeten. Ik verwacht overigens niet dat je morgenochtend veel tegenstand van hem hoeft te duchten, daar is hij het type niet naar. Ik ben de rest van de dag buiten en in de stallen. Salut!’
De prins en de zegelring - Afl. 65
Klaas ten Holt
Hoofdstuk 23 (slot)
Het is frisjes, maar niet meer echt koud; de winter heeft zijn langste tijd gehad. ‘Ik kan dit niet. Dit is niets voor mij, denkt hij bij zichzelf terwijl hij langs de vriendelijk kabbelende Ourthe rijdt. Waarom doe ik dit? Voor Nicolò? Voor mezelf? Uit een soort rechtvaardigheidsgevoel? Met zijn rechterhand wrijft hij langs de stoppels van zijn baard. Ik had járen geleden al moeten vertrekken, toen Willem kasteelheer werd. Waarom heb ik dat niet gedaan? Een aantal zijn wél vertrokken... weigerden voor die schurk te werken. Ook toen waren er al die zeiden dat Willem zélf achter de verdwijning van zijn broer Thom zat. Toch ben ik gewoon gebleven, net als de meesten trouwens: je past je aan, doet wat je gezegd wordt. De weg draait in een flauwe bocht van de Ourthe af en begint langzaam te stijgen.
Ik ben geen held... ik ben een kok, dat ben ik! Helden? Dat zijn hele andere mensen, daar wordt je voor geboren. Nicolò, dát is pas een held. Hij neemt een slok uit de waterzak die naast hem op de bok ligt.
Nicolò een held? Maar dan wel een hele gewone held... een menselijke held. Meer een held tegen wil en dank. Misschien bestaan er ook wel helemaal geen helden... is heldenmoed gewoon een keuze, een beslissing die je op een bepaald moment neemt zonder er echt bij na te denken. Je doet iets wél, of je doet het níet, en als je dan het goede hebt gekozen ben je dus opeens een held.
Het lijkt hem niet dat Nicolò van te voren van plan was om dat lied te gaan spelen. Dat deed hij gewoon uit irritatie, gekwetste trots, of misschien zelfs dat niet eens, misschien wist hij het zelf ook niet, deed hij het in een opwelling. Maar dapper was het wel, achteraf beschouwd. Ook wel stom eigenlijk: nu zit hij opgesloten in de kerker en kan hij ook zijn broertje niet meer helpen ontsnappen. Lambert vraagt zich af of hij nu zelf een held is. Misschien een beetje, denkt hij bescheiden.
Maar dat dronken voeren van Günther, dat had hij ook niet van te voren bedacht. Het was meer, ja... vanwege die sleutelbos. Omdat hij die grote sleutelbos zomaar ineens op tafel had gelegd... en vanwege dat rare Nederlands van hem met al die Duitse woorden erdoorheen, en omdat hij Günther eigenlijk helemaal niet zo aardig vindt. Die was ook gewoon in La Roche gebleven en had altijd braaf gedaan wat hem gezegd werd. Günther was regelmatig met Willem mee op rooftocht geweest. Die had bloed aan zijn handen. Dáárom had hij die wasafdrukken gemaakt en was hij nu op weg naar de sleutelsmid in Marche. En dan wilde Günther er óók nog stiekem tussenuit knijpen omdat het leger van koning Lodewijk in aantocht zou zijn, dát was in elk geval helemaal niet dapper.
Zou hij nog liggen te slapen? Of zou hij al zijn bijgekomen? Hij merkt vast meteen dat ik aan zijn sleutels heb gezeten. Angstig kijkt Lambert achterom. Als hij de top van een heuvel heeft bereikt, kan hij beneden zich het stadje al zien liggen.
Nicolò... Hij is trots dat hij een echte Hollandse prins als keukenhulp heeft gehad, maar ook boos. Waarom heeft Nicolò hem niet meteen de waarheid verteld? Vertrouwde hij hem soms niet? Hij rijdt de kar tot voor herberg De Blauwe Forel en geeft de teugels aan de stalknecht. ‘Ik heb wat zaken in Marche die ik eerst moet regelen. Zeg tegen Martijn dat hij een kamer voor me vrijhoudt en dat hij me tegen etenstijd kan verwachten.’
De stalknecht knikt. Lambert is geen onbekende in de herberg.
Hij haalt de doos met wasafdrukken uit de kar en gaat op weg naar de sleutelsmid. Hoewel hem hier in Marche niets kan gebeuren, kijkt hij nerveus om zich heen of hij geen bekenden ziet.
‘Lambert!’ zegt de smid als hij door de openstaande deur zijn werkplaats komt binnenlopen. ‘Wat brengt jou hier?’
‘Ik èh,’ zegt de kok zenuwachtig, ‘ik heb een paar... reservesleutels nodig.’
‘Geen probleem,’ zegt de smid opgewekt. ‘Kom maar hier met die sleutels.’
‘Nou èh,’ zegt Lambert, ‘het is een beetje anders. Ik eh, de originelen zijn...’
‘Kwijt?’ vraagt de smid.
‘Nee, dat niet maar…’ Lambert knoopt het touw los en pakt de doos met wasafdrukken uit.
De smid kijkt hem verbaasd aan. ‘Wil je die allemaal?’
‘Allemaal,’ zegt Lambert kort. ‘En het moet snel gebeuren ook.’
‘Hm.’ de smid bekijkt de afdrukken aandachtig. ‘Dat ziet er goed uit,’ zegt hij, ‘dat zal wel lukken. Maar... dat zijn sleutels die hier bij mij vandaan komen, is het niet?’
‘Ja, nou en?’ zegt de kok zo achteloos mogelijk.
‘Zowat van alle sloten van kasteel La Roche, als je het mij vraagt. Van de kerkers... en die zijn allemaal kwijt?’
‘Nee natuurlijk niet.’
‘Maar... je wilt gewoon... een extra setje voor je weet maar nooit?’
Het is even stil.
‘Doe je het of doe je het niet?’ vraagt Lambert dan. ‘Ik heb nog meer te doen vandaag.’
‘Dit is niet in opdracht van ridder Willem neem ik aan?’ zegt de smid.
De kok zwijgt.
‘Zoals je begrijpt,’ zegt de smid, ‘moet ik me aan de regels van mijn gilde houden.’
‘Dus je doet het niet?’
De smid kijkt hem aan.
‘Een moment,’ zegt hij. Hij loopt naar voren en sluit de deur van de smidse. ‘Ben je al in De Blauwe Forel geweest?’ vraagt hij dan.
‘Nee,’ zegt Lambert, ‘daar ga ik straks naar toe.’
‘Je hebt niet met Martijn of Cornelis gesproken?’
‘Nee? hoezo?’
‘Ridder Willem... Er bestaan plannen om hem...’
‘Willem heeft iemand in zijn kerkers opgesloten die dat niet verdient,’ onderbreekt Lambert hem. ‘Een Hollandse prins die bij mij in de keuken werkte. Daarom heb ik die sleutels nodig.’
‘Wat zeg je nou? Een Hollandse prins als keukenhulp op La Roche?’
‘Niemand wist dat hij een prins was. Alléén ik.’
‘En waarom?’
‘Méér kan ik je niet vertellen. Maak je alsjeblieft die kopieën voor me?’
De smid kijkt nog eens goed naar de wasafdrukken. ‘Het is goed,’ zegt hij. ‘Maar wél op twee voorwaarden. Ten eerste: ik wil er niets voor hebben, dan zondig ik ook niet tegen de regels van mijn gilde, en ten tweede wil ik dat dit tussen ons blijft. Heb je dat begrepen?’
‘Ja natuurlijk. Afgesproken!’ zegt Lambert opgelucht. ‘Wanneer... ben je klaar, denk je?’
‘Morgenmiddag op zijn vroegst.’ antwoordt de smid. ‘Ik moet eerst van elke sleutel een gipsen afgietsel maken. Als die droog zijn, moet ik daarvan weer afdrukken maken in het allerfijnste vulzand. Dat moet natuurlijk heel zorgvuldig gebeuren. Als het zand droog is, moet ik daar vervolgens de sleutels in gieten, en als die afgekoeld zijn moeten ze nog een beetje bijgevijld. Alles bij elkaar een boel werk. Kom morgen maar terug.’
‘’s Middags moet ik absoluut weer in La Roche zijn.’
‘Ik doe mijn best. Méér kan ik niet doen.’ Half gerustgesteld verlaat Lambert de smidse om boodschappen te gaan doen.
donderdag 21 mei 2020
De prins en de zegelring - Afl. 64
Klaas ten Holt
Hoofdstuk 23 (vervolg)
Günther neemt voorzichtig een slok en laat de portwijn in zijn mond ronddraaien. ‘Is deze port echt dertig jaar oud?’ vraagt hij vol ontzag.
‘Nou en of!’ zegt Lambert vrolijk. Daarom schenk ik je er ook maar een klein glaasje van. Maar maak je geen zorgen, straks heb ik nóg iets bijzonders voor je.’
De soldaat drinkt zijn glas leeg en zet het met een klap terug op tafel. ‘Dat smaakt naar méér,’ zegt hij voldaan, ‘krijg ik echt maar één glaasje?’
‘Wél van deze port,’ zegt Lambert geheimzinnig, ‘maar...’ en hij verdwijnt naar de bijkeuken om opnieuw met twee glazen op een houten blad terug te keren. ‘Ridder Theodor bestelde elk jaar een paar vaatjes port voor in zijn kelder,’ zegt de kok ernstig, ‘deze hier is negenentwintig jaar oud!’
‘Je gaat me toch niet vertellen...’
‘Jazeker wel! Voor elk jaar trouwe dienst een glaasje. Een oude rot als jij moet dat toch makkelijk...’
‘O ja zeker,’ beaamt Günther, ‘ik dacht alleen...’
‘Maar denk erom,’ zegt de kok, ‘mondje dicht. Als Willem het te horen krijgt zijn wij beiden...’
‘Als het graf!’ zegt de soldaat plechtig. ‘Op mijn eer als soldaat!’
Ze drinken.
‘Proef je verschil?’ vraagt Lambert belangstellend.
‘Verschil? Ik...’ Hij neemt nog een slok en proeft aandachtig. ‘Ik èh... hmm, eens kijken... iets... iets jonger zou ik zeggen?’
‘Ongelofelijk!’ zegt Lambert vol ontzag terwijl hij met zijn vlakke hand een klap op de tafel geeft. ‘“Iets jonger” zegt hij. Günther, je bent een kenner. Jawel, geeft het maar toe, jij hebt vaker met dit bijltje gehakt.’
‘Nou, das heißt,’ zegt het hoofd van de wacht gevleid. ‘Ik mag graag een Schnapps op zijn tijd... maar portwijn...’
‘Ben je zover?’ vraagt de kok. ‘Wacht, daar krijg je trek van, niet? Maar Lambert zou Lambert niet zijn als...’ Hij snijdt brood, worst en drie verschillende kazen en zet er ook nog een grote karaf water naast.
‘En?’ vraagt hij als hij voor de derde keer uit de bijkeuken terugkeert, ‘Wat denk je?’
‘Héérlijk!’ zegt Günther met een zucht. ‘Achtentwintig jaar oude port.’
‘Precies!’ roept Lambert enthousiast. ‘Helemaal goed! Hoe doe je het? Jij hebt er écht verstand van!’
‘Zou je denken?’ vraagt Günther, die nu zelf toch ook wel onder de indruk begint te raken.
‘Absoluut, ouwe jongen. Je bent er voor in de wieg gelegd. Maar eet toch wat! Tast toe!’ Hij wijst op de schaal met lekkernijen. ‘Ben je klaar voor de volgende ronde?’ En weer verdwijnt hij naar achteren.
‘L-lambert,’ spreekt de soldaat enige wijnjaren later plechtig tot de kok, ‘je bent een v-vriend! J-je bent mijn b-beste...’
‘Natuurlijk Günther,’ verzekert Lambert hem, ‘Jij en ik... wij laten ons niets wijsmaken toch? Wij zijn hier langer dan wie ook. Ons hoeven ze niets te vertellen.’
‘Wir sind zwei Solda-á-ten!’ zet de jubilaris in.
‘Salut!’ zegt Lambert, terwijl hij hem vrolijk toeknikt. Günther slurpt met gesloten ogen van zijn port. ‘V-volgens mij is d-deze n-nog iets j-jonger?’ zegt hij bedachtzaam. ‘I-ik weenie, m-maar hij heeft iets f-fruitigjes... in d-de afdronk... a-als je ‘em om hebt... èh ophebt b-bedoel ik.’
De kok is alweer naar de bijkeuken verdwenen. Nog een paar glazen van die goedkope port en die idioot zegt niets meer. Dan kan ik aan de slag, denkt hij terwijl hij voor zichzelf nog een glas vlierbessensap inschenkt. ‘Goed voor de bloedsomloop... en je krijgt er geen hoofdpijn van.’
‘Waß?’ zegt Günther met waterige ogen.
‘Dat is het mooie van deze port,’ antwoordt Lambert ernstig, ‘het is goed voor de bloedsomloop en je krijgt er geen hoofdpijn van.’
‘Ach so...’ De oude soldaat haalt zijn schouders op, neemt een grote slok uit zijn glas en valt langzaam achterover van zijn kruk. De kok kan hem nog net bij zijn schouders vatten en sleept hem dan naar de bijkeuken waar hij hem in het stro legt.
‘Drieentwintig glazen,’ zegt hij hoofdschuddend, ‘die wordt voorlopig niet meer wakker... Aan het werk.’ Hij pakt een grote houten bestekbak, leegt die, en rolt de inhoud ervan in een oude vaatdoek. Vervolgens maakt hij de bak zorgvuldig schoon en schept hem vol met grote brokken gele bijenwas uit een emmer in de bijkeuken. Dan zet hij de doos op een stoel bij het vuur om de was zacht te laten worden tot deze een mooie egale laag heeft gevormd. Als het zover is haalt hij de doos weer weg bij het vuur om af te koelen. Uit de bijkeuken klinkt nu een luid gesnurk. Om Günther hoeft hij zich de komende tijd geen zorgen te maken.
Hij schenkt zichzelf een glas wijn in maar bedenkt zich en gooit het weer leeg. ‘Even je kop erbij houden Lambertje,’ zegt hij tegen zichzelf. In plaats daarvan drinkt hij een glas water en eet wat van de worst en de kaas. Om de paar minuten staat hij op om voorzichtig aan de was te voelen. Als die voldoende is afgekoeld, maar nog wel zacht is, zet hij de doos op tafel en haalt één voor één alle sleutels van Günthers sleutelbos om er in de was een perfecte afdruk van te maken.
‘Ziezo,’ zegt hij tevreden als hij ze allemaal heeft gedaan. Hij doet de sleutels terug aan de bos, let goed op dat ze weer in precies dezelfde volgorde zitten en legt de bos daarna in het stro naast de slapende soldaat. Nu wacht hij nog een tijdje tot de was helemaal is afgekoeld en hard geworden. Hij gebruikt een omgekeerd houten dienblad als deksel, wikkelt het geheel in een grote lap en bindt het stevig met een stuk touw bij elkaar. Dan gaat hij naar de stallen waar hij de knecht opdracht geeft paard en wagen in te spannen.
‘Ik vertrek over een uur naar Marche voor de grote boodschappen,’ zegt hij streng, ‘zorg dat je alles klaar hebt.’
Op de binnenplaats spreekt hij een van de soldaten aan die grappen staat te maken met de timmerman die daar inderdaad een schavot aan het bouwen is.
‘Luister eens,’ zegt hij op samenzweerderstoon, ‘dit moest maar liever tussen ons blijven. Een uurtje geleden kwam Günther even buurten bij mij in de keuken, en èh... we dronken samen een glaasje… je weet hoe dat gaat... nou ja, om een lang verhaal kort te maken...’ Een grijns verschijnt op het gezicht van de soldaat. ‘Hij ligt in de bijkeuken zijn roes uit te slapen. Je houdt het vóór je hè?’
‘Ik zeg niets,’ zegt de ander, ‘maar je bent me nu wel een borrel verschuldigd!’ De soldaat geeft Lambert een veelbetekenende knipoog en draait zich om.
Nu gaat de kok nog bij Matthis langs om te zeggen dat hij pas de volgende dag weer terug zal zijn. ‘Ik heb van alles nodig voor de feestelijkheden van vrijdag,’ zegt hij zo rustig als hij maar kan. ‘Ik overnacht in De Blauwe Forel.’ Ondertussen voelt hij het koude zweet langs zijn rug lopen. ‘Ik ben een verrader!’ spookt het de hele tijd door zijn hoofd, ook al weet hij dat hij het goede doet. In de keuken werpt hij een laatste blik op Günther die nog altijd ligt te slapen. Hij neemt de doos met wasafdrukken onder zijn arm en loopt de kasteelpoort uit. Onderaan de grote stenen trap staan paard en wagen al voor hem klaar. De doos legt hij voorzichtig achterin op een paar dekens en dan klimt hij op de bok. ‘Húúú!’ roept hij terwijl hij zijn hand opsteekt naar de stalknecht die hem nakijkt.
woensdag 20 mei 2020
De prins en de zegelring - Afl. 63
Klaas ten Holt
Hoofdstuk 23 - Waarin Lambert zijn keukenhulp mist en een daad stelt.
‘Nu kan ik alles weer zelf doen,’ moppert Lambert in zijn keuken. ‘Alléén omdat Nicolò zo nodig dat stomme lied moest spelen. Had ik het hem maar nooit geleerd.’ Hij werpt een blik op Ivars vioolkoffer die rechtop in een hoek tegen de muur staat. Eeuwig zonde, denkt hij bij zichzelf. En nou zit hij opgesloten in de kerker in plaats van hier bij mij achter een lekker glaasje port. Hij schenkt zichzelf nog maar eens in.
De beste hulp die ik ooit heb gehad... een harde werker... gevoel voor koken... vrolijk type... nooit te beroerd om een glaasje mee te drinken… verdrietig staart hij in zijn glas. Straks boodschappen doen in Marche... had gezellig kunnen zijn... moet ik nu ook in m’n eentje doen. De keukendeur gaat open en het hoofd van de wacht komt binnen.
‘Günther,’ zegt Lambert somber, ‘drink jíj dan tenminste een glaasje mee?’
‘Nooit onder diensttijd.’ Hij geeft Lambert een knipoog terwijl hij snel een kruk bijschuift.
‘Hoe lang kennen wij elkaar nou al?’ vraagt Lambert als hij nog een glas heeft ingeschonken. ‘Dertig jaar toch zeker wel?’
‘Zoiets. Lang in elk geval. Toen Willem en Thom...’ bij het uitspreken van die laatste naam werpt hij onwillekeurig een blik op de deur achter zich, ‘nog kwajongens waren, mooie tijden waren dat, wat jij, Lambert?’
‘Thom en Willem,’ antwoordt de kok peinzend. ‘Daar zeg je wat. Ik vraag me wel eens af waarom ik hier nog altijd ben.’
‘Ik deze week voor het laatst,’ zegt Günther op gedempte toon. ‘Ik ga terug naar mijn familie in Aken. Mijn broer is overleden en zijn vrouw heeft hulp nodig op de boerderij.’ ‘Ik wil wel dat je het vóór je houdt,’ voegt hij er dringend aan toe. ‘Ik heb het tegen niemand gezegd en dat ga ik ook niet doen. Vrijdagmorgen wandel ik in alle vroegte de poort uit en dan ziet niemand deze jongen hier ooit nog terug. Verschwunden!’
‘Op je gezondheid,’ zegt Lambert mistroostig tegen de soldaat.
‘En als ik jou een goede raad mag geven...’ Günther werpt nogmaals een blik op de deur achter zich, ‘dan zou ik hetzelfde doen. Iemand met jouw talent komt toch overal aan het werk?’
‘Ach Günther,’ verzucht de kok, ‘dat had ik jaren geleden moeten doen. Wat heeft dat op mijn leeftijd nog voor zin? Ik ben altijd loyaal gebleven aan de familie De la Roche, té loyaal misschien, of misschien ben ik ook wel gewoon een lafaard. Wie zal het zeggen?’
‘Ik zeg het niet zomaar, Lambert,’ gaat het hoofd van de wacht verder, ‘jij en ik, wij zijn hier langer dan iedereen. Wij hebben ridder Theodor nog meegemaakt, Thom meegemaakt. En nu Willem... Ik heb altijd trouw gediend, ik ben soldaat, ik doe wat me gezegd wordt. Maar nu is het genoeg geweest. Ik pak mijn biezen. Ik... Schenk nog mahl in Lambert.’
De kok doet wat hem gevraagd wordt. Hij pakt een worst van een haak en snijdt er een paar plakken af.
‘Onze Willem,’ vervolgt Günther, ‘is te ver gegaan. Hij heeft zijn hand overspeeld. Dat hij hier de buurt terroriseert? Ach, daar ligt in Parijs niemand wakker van. En die tol? Wie de Ourthe over wil moet betalen: Klar! De koning vindt het niet leuk, maar hij doet ook niet erg veel moeite om er een stokje voor te steken. Maar nu heeft Willem ook nog een Hollandse kroonprins gegijzeld, samen met een Normandische gravin. Op die gravin heeft hij zijn zinnen gezet. Hij heeft haar zelfs een ultimatum gesteld: komende vrijdag moet ze met hem trouwen... of anders zal ze hangen! Hier op de binnenplaats. Zij en die Hollander! De timmerman is al begonnen een schavot te bouwen.’
‘Ik neem aan dat die gravin eieren voor haar geld kiest?’ Lambert laat niet merken dat hij er al van weet.
‘Daar zou ik maar niet op rekenen. Het is me nogal een type... ze is vastbesloten. Ik zie haar er voor aan om zonder een kik te geven een strop om haar mooie nekje te laten leggen. Dat zou eeuwig zonde zijn.’
‘Maar zóver zal Willem het toch niet laten komen?’
‘Zou je denken?’ zegt Günther. ‘Volgens mij is hij tot alles in staat. Het is hem de laatste tijd sowieso in de bol geslagen!’
‘Maar...’
‘Ik heb me laten vertellen dat er een leger van koning Lodewijk op weg hier naartoe is. Onder aanvoering van een Hollandse generaal. En niet de eerste de beste ook.’
‘Vanwege die prins en dat gravinnetje?’
‘Ja. Dát en die tolrechten. Het spel is uit, Willems dagen zijn geteld, let op mijn woorden!’ zegt Günther ernstig.
‘Hm,’ zegt Lambert mistroostig, ‘het moest er natuurlijk een keer van komen. Maar hoe weet je dat allemaal?’ Ondertussen schenkt hij de glaasjes nog maar eens vol.
‘Hoe ik dat weet? Ik ben niet voor niets het hoofd van de wacht!’ Met die woorden trekt hij een grote bos sleutels van onder zijn rok tevoorschijn en legt die met een plof voor zich op tafel. ‘Zo,’ zegt hij, ‘dat zit wat gemakkelijker.’
Lambert kijkt naar Günther, kijkt naar de enorme sleutelbos en werpt een blik op Ivars vioolkoffer. ‘Nicolò...’ mompelt hij. Er dwarrelt wat stof in de lichtbundels die de drie smalle hoge keukenramen op de plavuizen vloer projecteren. ‘Günther,’ zegt hij. Langzaam begint zich in zijn hoofd een plan te vormen. ‘Dertig jaar trouwe dienst, dat is niet niks! Ik bedoel, ik kan je toch niet, dat moeten we toch...’
‘Een feestje?’ zegt de soldaat, ‘vergeet het maar. Ik vertrek zonder iets te zeggen. Willem zou me nooit laten gaan. Ik weet te veel van hem. Het is aardig van je, maar...’
‘Ik laat je tóch niet gewoon vertrekken,’ zegt de kok beslist. ‘Wacht maar eens even!’ Hij loopt naar de bijkeuken en keert even later terug met twee glaasjes op een houten blad. ‘Dit is een dertig jaar oude port, Günther, zoiets drink je niet iedere dag. Als Willem er achter komt dat ik die...’
‘Dertig jaar...’ zegt het hoofd van de wacht zachtjes, terwijl hij peinzend naar de donkere vloeistof in zijn glas staart.
Lambert snijdt wat brood en ook nog een paar plakken worst erbij. ‘Drink!’ zegt hij dan.
dinsdag 19 mei 2020
De prins en de zegelring - Afl. 62
Klaas ten Holt
Hoofdstuk 22 (slot)
Willem realiseert zich ineens hoe belachelijk de houding is waarin hij zit; met enige moeite komt hij overeind. ‘Mevrouw!’ dondert hij, ‘Ik geloof dat u zich niet helemaal realiseert... ik bedoel: ik doe u een aanzoek en dan trouwt u met mij! Klaar! Wat zullen we nou krijgen?’
‘Meneer de la Roche,’ zegt Renée kalm, ‘ik zeg het u nog éénmaal: ik trouw niet met u. Ik breng nog liever de rest van mijn leven in deze kerker door dan met u in het huwelijk te treden.’
Ridder Willem doet zijn mond open om iets te zeggen, maar de woorden blijven in zijn keel steken.
‘Ik denk dat u nu beter kunt gaan, voordat u zichzelf nog meer belachelijk maakt.’
‘U... Ik...’ zegt de ridder, die vuurrood is geworden.
‘Ik wens u een fijne dag,’ zegt de gravin terwijl ze haar boek openvouwt. ‘Kunt u misschien een stapje opzij doen? U staat in mijn licht.’
‘In uw... Wat?!’ De ridder ontploft zowat. ‘Ja zeg, bent u helemaal! U denk toch niet... Beseft u wel tegen wie...’ hakkelt hij. ‘U moet eens even héél goed naar mij luisteren jongedame!’
Met een zucht vouwt gravin Renée haar boek weer dicht en kijkt hem aan.
‘Aanstaande vrijdag heb ik in de ochtend een klein klusje op te knappen buiten de poorten van het kasteel. Ik geef u tot vrijdagmiddag de tijd om over mijn voorstel na te denken. Als u op mijn aanzoek ingaat, en daar ga ik vanuit... treden wij die middag in het huwelijk en is het feest op het kasteel. Als u echter blijft weigeren jongedame...’ en nu schieten zijn ogen vuur, ‘dan hebben wij die middag een dubbele executie op de binnenplaats. Een Hollandse kroonprins en een Normandische gravin. Romantischer kán het bijna niet!’ sniert hij, ‘Ook dán zal er die avond feest zijn op het kasteel, alleen zult u in dat geval zelf niet aan de feestelijkheden kunnen deelnemen. Ben ik duidelijk?’
Renée kijkt hem strak aan. ‘Ik denk dat wij elkaar heel goed begrijpen ridder Willem. U wilt iets van mij dat ik u niet kan geven en daarom moet ik sterven. Ik ben daartoe graag bereid, maakt u zich maar geen illusies. Prins Jarik heeft met dit alles echter in het geheel niets van doen. Ik verzoek u dan ook om hem er buiten te laten.’
‘Niks daarvan!’ schreeuwt de ridder. ‘Of u trouwt met mij óf jullie hangen allebei!’
‘Zoals u wilt,’ zegt Renée. ‘Ik neem aan dat u begrijpt dat als de kroonprins iets overkomt, men u daarvoor ter verantwoording zal roepen. Zowel koning Lodewijk als de koning van Nederland zullen niet rusten...’
‘Hahaha, koning Lodewijk, laat me niet lachen,’ onderbreekt de ridder haar.
‘Ik geloof niet dat wij elkaar verder nog iets te zeggen hebben,’ zegt de gravin boos, ‘ik wens u nogmaals een fijne dag.’ Ze slaat haar benen over elkaar en verdiept zich in haar boek.
‘Denkt u maar niet...’ zegt de ridder buiten zichzelf, ‘Ik laat me echt niet... Vrijdag! Vrijdagmiddag trouwen wij! Of anders!’ Hij geeft een schop tegen de deur van de kerker waarop de sleutel in het slot wordt gedraaid en het hoofd van Günther in de deuropening verschijnt. ‘Het onderhoud is klaar,’ roept Willem.
‘Nog één ding, gravin: ik zal de timmerman opdracht geven op de binnenplaats vast een schavot te plaatsen met twee stroppen naast elkaar. Tot vrijdag krijgt u dan van mij een andere kamer tot uw beschikking... een hele mooie, mag ik wel zeggen... met uitzicht op de binnenplaats. Dan kunt u de vorderingen daar goed volgen... en hebt u alle tijd om aan het idee te wennen. Goedemorgen!’ En met die woorden verlaat hij de kerker.
Renée wacht rustig tot zij de voetstappen van ridder Willem en de cipier niet meer hoort en slaat dan haar boek dicht en legt het op de stoel. Ze loopt naar een hoek van de kerker die aan de buitenmuur grenst en gaat op haar knieën zitten. Met enige moeite wrikt ze één van de grote stenen uit de muur los en legt die naast zich op de grond. Met een stuk leisteen tikt ze een paar maal op een steen achterin het nu ontstane gat. Al snel komt er beweging in de steen aan de andere kant. Vanuit de naburige kerker wordt ook deze losgewrikt. De steen wordt voorzichtig uit de muur getrokken en in het gat verschijnt – nog net te onderscheiden in het weinige licht dat het hooggeplaatste kerkerraam doorlaat – het hoofd van Jarik.
‘Had je bezoek?’ vraagt hij.
Abonneren op:
Posts (Atom)






