woensdag 13 mei 2020
De prins en de zegelring - Afl. 57
Klaas ten Holt
Hoofdstuk 21 - Waarin prinses Hendrikje haar eerste diplomatieke reis onderneemt.
Het sneeuwt nog altijd in de lage landen. Een statig rijtuig met vier witte paarden ervoor, begeleid door een escorte van tien soldaten rijdt in volle galop de zuidelijke stadspoort van Amsterdam uit. In de cabine zitten prinses Hendrikje en Luitenant-Generaal Agamemnon van Blitz. Ze zijn op weg naar Rouen en Parijs om hulp te vragen voor een belegering van het kasteel van Willem de la Roche. Voor prinses Hendrikje wordt het de eerste keer dat ze namens haar vader een belangrijke diplomatieke missie mag vervullen, ze is dan ook vastbesloten te slagen. Ongeduldig kijkt ze uit het raam naar het vlakke witte landschap dat traag aan haar voorbijglijdt.
Luitenant-Generaal van Blitz praat honderduit, maar ze kan haar aandacht er moeilijk bij houden. ‘Zo’n belegering kan jaren duren hoogheid,’ zegt hij, ‘en er valt over het algemeen weinig eer aan te behalen. In het open veld daarentegen...’
‘Bent u wel eens in Rouen geweest, Luitenant-Generaal van Blitz?’
‘Agamemnon, hoogheid. Maar noemt u mij liever Menno,’ zegt hij vriendelijk. ‘Nog nooit hoogheid, helaas.’
‘Helaas?’
‘Ziet u hoogheid, vroeger kwam je als soldaat nog wel eens ergens, begrijpt u. Op de een of andere veldtocht of campagne bijvoorbeeld. Dan marcheerde je ergens heen. Je trok een vreemde stad binnen. Exotisch! Een overdaad aan indrukken. Cultuur!’
‘En dan regen jullie alle inwoners aan je zwaard, plunderden de hele boel en staken de fik er in?’ vraagt prinses Hendrikje.
‘Dat is inderdaad gebruikelijk hoogheid,’ bevestigt de Luitenant-Generaal, ‘maar desalniettemin krijg je toch een indruk, proef je iets van de... hoe zal ik zeggen? Van de sfeer.’
‘Maar Rouen hebt u nooit geplunderd, begrijp ik?’
‘Helaas, neen prinses.’
‘En heeft u veel van dat soort veldtochten meegemaakt, Luitenant-Generaal?’
‘Niet één, hoogheid.’
‘Maar...’
‘Alles vóór mijn tijd mevrouw, ik heb het allemaal slechts van horen zeggen.’ Er klinkt teleurstelling door in zijn stem.
‘Soldaat in vredestijd, je moet het maar treffen,’ zegt prinses Hendrikje met een zucht.
‘Ach, we mogen niet klagen,’ zegt de militair berustend, ‘dat staat heel duidelijk in ons contract. En het blijft een mooi beroep.’
‘Maar wat doet u dan zoal de hele dag met dat leger van u, als ik vragen mag?’
‘Marcheren,’ zegt de Luitenant-Generaal enthousiast. ‘Strak in het gelid. Vlaggenparade, defilé. Oefenen! Perfectioneren!’
‘En verder?’
‘Verder hoogheid? De uniformen bijhouden, knopen aanzetten, stijven, strijken en afborstelen. En de laarzen natuurlijk.’
‘De laarzen?’
‘Jazeker mevrouw. Poetsen, poetsen en nog eens poetsen. Mag ik u vragen hoogheid,’ de Luitenant-Generaal kijkt prinses Hendrikje veelbetekenend aan, ‘wat is volgens u het allerbelangrijkste voor een frontsoldaat in welke veldslag dan ook?’
‘Nou?’ zegt Hendrikje, die niet héél erg benieuwd naar het antwoord is.
‘U weet het niet?’ vraagt de Luitenant-Generaal triomfantelijk.
‘Vertelt u het mij, ik brand van nieuwsgierigheid.’ De prinses probeert een geeuw te onderdrukken.
‘Altijd onberispelijk gepoetste laarzen hebben! Jawel! Dat straalt discipline, rust en overwicht uit. Het brengt de vijand in verwarring.’
‘U bent een strateeg,’ zegt Hendrikje terwijl ze haar nagels inspecteert.
‘U lacht er misschien om, maar ik zweer erbij,’ zegt de militair beslist. ‘Het leer moet glimmen, anders kun je net zo lief thuis blijven. Wanneer Luitenant-Generaal Agamemnon van Blitz zijn leven geeft voor vlag en vaderland, laat dan niemand zeggen: kijk daar ligt Menno, hij had zijn laarzen wel eens mogen poetsen. Volgt u mij?’
‘Ik geloof dat ik even een dutje ga doen, Aga... Menno,’ zegt prinses Hendrikje. ‘Maakt u mij over een uurtje wakker?’
De reis verloopt voorspoedig en halverwege de derde dag bereiken ze het grafelijk kasteel te Rouen. Gravin Isabella heet de delegatie welkom en verontschuldigt haar echtgenoot die ziek op bed ligt.
‘Hij zegt dat hij stervende is,’ zegt de gravin, ‘maar volgens mij stelt hij zich aan.’
‘Wat heeft hij dan?’ vraagt Hendrikje bezorgd.
‘Vage klachten, prinses. Hoofdpijn, buikpijn, spierpijn, angsten en zweetaanvallen. Mijn man komt al weken zijn bed niet meer uit. Ik sta hier overal alleen voor.’
Van Blitz inspecteert ondertussen de erewacht. ‘Geen discipline, hoogheid,’ is zijn oordeel. ‘Dáár kun je geen oorlog mee winnen. Hebt u die uniformen gezien? En die láárzen? Nee, dan onze jongens!’
’s Avonds aan het diner valt Hendrikje meteen maar met de deur in huis. De gravin luistert beleefd, doch vertoont weinig enthousiasme. ‘Willem de la Roche? Altijd weer die Willem de la Roche. Kunnen we die zaak niet eindelijk eens laten rusten,’ moppert ze.
‘Gravin,’ dringt Hendrikje aan, ‘we weten zéker dat hij achter die ontvoering zit. Zoiets kunnen we toch niet over onze kant laten gaan? Wilt u uw dochter dan niet terugzien?’
‘Ik bid u, prinses,’ antwoordt gravin Isabella, ‘u hebt er geen idee van hoe intens ik lijd, wat ik doormaak.’ Met een gekwelde blik schenkt ze haar glas nog eens vol.
‘U ook nog een cidre?’
De prinses knikt. ‘Maar samen kunnen we die schurk toch op de knieën krijgen mevrouw? Met tweehonderd Nederlandse soldaten, honderd Normandische en nog eens tweehonderd man van koning Lodewijk erbij moet het gemakkelijk lukken.’
‘Koning Lodewijk!’ schampert de gravin, ‘Die is al eens eerder door ridder Willem verslagen, die zal niet nóg eens zijn handen willen branden aan een zaak die voor hem geen enkel belang heeft.’
‘Toch wel, gravin,’ zegt Hendrikje, ‘koning Lodewijk eist al jaren tevergeefs zijn deel van Willems tolopbrengsten op. Tweehonderd soldaten zal hij er heus wel voor over hebben.’
‘Om opnieuw verslagen te worden?’ onderbreekt de gravin haar. ‘Dat leger van hem had indertijd geen enkel plan. Ze dachten dat ze vanzelf wel zouden winnen, Daar moet u mijn man eens over horen!’
‘Dat zal ditmaal anders zijn mevrouw,’ zegt de prinses zelfverzekerd. ‘Deze keer wordt het leger aangevoerd door onze Luitenant-Generaal van Blitz. Een briljant strateeg met hele specifieke ideeën over moderne oorlogsvoering.’ Ze knikt naar de Luitenant-Generaal die aan zijn kraag frunnikt. ‘Het is bovendien de enige kans om uw dochter weer te zien, gravin. Een kans die u niet voorbij mag laten gaan.’
‘Mijn dochter,’ verzucht de gravin. ‘Ik vraag me wel eens af of ze niet beter gewoon met die Willem had kunnen trouwen.’
‘Mevrouw?’
‘Daarmee had ze ons in elk geval een hoop ellende bespaard. Maar nee! Zij moest natuurlijk weer zo nodig...’ Op dat moment wordt het hoofdgerecht opgediend.
‘Zo nodig?’ vraagt prinses Hendrikje.
‘U bent trouwens wel erg zeker van uw zaak, prinses,’ vervolgt de gravin bits.
De prinses antwoordt niet maar prikt met haar vork in haar eten. Een hartig pannenkoekje zo te zien, de Normandische keuken valt haar een beetje tegen.
‘Twintig man kan ik u zó meegeven,’ zegt de gravin uiteindelijk, ‘vijfentwintig wellicht, maar honderd man? Dat moet ik echt eerst met mijn man overleggen. En u begrijpt: onder de huidige omstandigheden...’
‘Twintig man,’ herhaalt de prinses koeltjes, ‘dat is minder dan ik gehoopt had, maar enfin, elke soldaat is er één. Ik dank u voor uw bijdrage.’
‘Op dit moment is het helaas alles wat ik voor u kan doen. Zodra de graaf zich wat beter voelt, zal ik met hem spreken. Méér kan ik u niet beloven.’
De prins en de zegelring - Afl. 56
Klaas ten Holt
Hoofdstuk 20 (slot)
De laatste gerechten gaan uit, sommige gasten nemen nog een dessert, de tafel aan het raam krijgt eindelijk haar wijn maar wil die niet meer, Cornelis ruimt op en de waard wast af. Wanneer de keuken helemaal aan kant is, hangen de twee zwagers hun schorten aan een haak en schuiven aan bij de twee van de overval.
‘U vindt het toch wel goed dat we er even bij komen zitten?’ vraagt de waard, terwijl hij vier glaasjes en een fles brandewijn op tafel zet.
‘Zeker,’ zegt de grootste van de twee, ‘Mijn naam is overigens Diederik. Wij komen uit Saint-Hubert, het klooster.’
‘Aangenaam! Zeer aangenaam,’ zegt Cornelis. ‘U ziet er niet uit als geestelijken. Was de dagschotel naar wens?’
‘Heerlijk, voortreffelijk,’ zegt Diederik, ‘U heeft het goed gezien. Ik ben de nieuwe rentmeester van het klooster. Wij zijn voor de markt naar Marche gekomen.’
‘Dat doen we nooit weer,’ zegt zijn metgezel boos. ‘Niet zonder een gewapend escorte in elk geval.’
‘Dit hier is mijn assistent Louis,’ zegt Diederik met een knipoog.
‘Struikrovers, ladelichters en tassenknippers,’ moppert Louis.
‘Wat u zegt,’ bevestigt de waard. ‘Zó kan het niet langer, dat is wel duidelijk.’
‘Er moet iets gebeuren, en snel ook,’ zegt Cornelis die intussen vier glaasjes heeft ingeschonken.
‘De schouten,’ meent Louis, ‘dat is toch duidelijk een taak voor de schouten?’
‘Ach mijn beste meneertje,’ zegt de waard, ‘de schouten? Die zijn maar met z’n zessen hier in Marche.’
‘Waarvan ook nog eens drie vrijwilligers,’ vult Cornelis aan.
‘Een poesje uit een boom halen.’
‘Of een schooljongen een draai om de oren geven.’
‘Maar Willem de la Roche ter verantwoording roepen?’
‘Dat is een heel ander verhaal.’
‘Radbraken! Vierendelen!’ roept Louis weer.
‘Ja, ja, dat is natuurlijk ook de bedoeling, maar dan zullen we toch echt zelf iets moeten ondernemen.’
‘Koning Lodewijk reageert namelijk niet op onze petities. En de schouten, nu ja…’
‘Ah, daar vertrekken de laatste gasten,’ zegt de waard. ‘Eén momentje alstublieft.’ Hij haast zich naar de deur om die open te houden.
‘Wel thuis,’ zegt hij, ‘ik hoop dat u een leuke avond hebt gehad. Misschien tot ziens?’
‘Tot ziens?’ is het antwoord. ‘Niks tot ziens.’
‘We komen hier nóóit meer!’
‘Onbeschofte bediening!’
‘Eerst ons een uur laten wachten en dan nog de verkeerde wijn brengen ook!’
‘Het is een schandaal!’
De waard sluit zonder één woord de deur achter ze en keert terug naar zijn tafel. ‘Er gaat niks boven een tevreden klant, zal ik maar zeggen,’ glimlacht hij. ‘Waar waren we gebleven? Willem de la Roche.’
‘Ik voel er wel wat voor,’ zegt Diederik enthousiast.
‘Ik ook,’ roept Louis. ‘Althans, niet zelf natuurlijk, maar er moet wel wat gebeuren. Dat staat vast.’
‘Hoeveel man denken jullie op de been te kunnen brengen?’ vraagt Diederik zakelijk.
‘Hoeveel hebben we er nodig?’ vraagt Cornelis.
‘Dat hangt er van af...’
‘Een belegering lijkt me uitgesloten,’ zegt de waard. ‘Het moet een simpel plan zijn dat je met een paar man kunt uitvoeren. Een hinderlaag bijvoorbeeld.’
‘Maar hoe krijgen we Willem zijn kasteel uit, en op de plek waar we hem willen hebben?’ vraagt Cornelis. ‘Hebben we dan geen hulp van iemand uit La Roche nodig?’
‘Platbranden,’ zegt Louis. ‘Uitroken en platbranden dat roversnest!’
‘Ik denk dat ridder Willem zijn kasteel alleen uitkomt als hij denkt dat er ergens voor hem wat te halen valt,’ meent de waard. ‘Maar hoe komen wij dat te weten?’
‘Hm,’ zegt Diederik bedachtzaam, ‘we kunnen hem natuurlijk ook zelf een tip geven.’
‘Maar...’
‘Een geldtransport bijvoorbeeld... of juwelen... zoiets zou hem toch moeten interesseren?’
‘Jawel, maar hoe komen wij daarachter?’
‘Het hoeft toch geen écht transport te zijn? Als wij maar klaar staan met een man of twintig, goed voorbereid en op de juiste plaats…’
‘Ah,’ zegt de waard. ‘We lokken hem met valse informatie en dan...’
‘Hakken we hem in de pan,’ roept Louis. ‘En dan hangen we al dat tuig gelijk...’
‘Hou jij nou eens even je mond,’ zegt Diederik geïrriteerd, ‘en blijf van die brandewijn af, je hebt al meer dan genoeg gehad.’ Hij schuift de fles zo ver mogelijk van Louis vandaan. ‘Wat ik zeggen wou...’, gaat hij verder, ‘als we nou eens contact zochten met één van Willems handlangers... informeel... liefst met een lekker flesje erbij op tafel...’
‘Matthis,’ zegt de waard. ‘Matthis is Willems rechterhand. Die komt af en toe hier in Marche.’
‘Dan bieden we hém de eerst volgende keer een gouden tip aan: een juwelentransport van Saint-Hubert naar Marche.’
‘Er moet natuurlijk wel wat tegenover staan, anders gelooft Willem het nooit,’ zegt Cornelis.
‘Precies,’ knikt Diederik, ‘in ruil voor een deel van de buit geven wij Willem alle informatie die hij nodig heeft.’
‘Maar dan hebben we nog steeds veel mensen nodig,’ zegt de waard. ‘Voor een overval op een juwelentransport zal Willem echt niet alléén komen.’
‘Wél als we hem laten geloven dat er maar een paar soldaten meereizen: een geheim transport met een klein escorte om geen argwaan te wekken. Zoiets gebeurt wel vaker.’
‘En hoe komen wij aan die informatie? Dat zal Matthis zeker willen weten voor hij het aan zijn meester vertelt,’ vraagt Cornelis.
‘Van de rentmeester zelf,’ antwoordt Diederik vrolijk. ‘De nieuwe rentmeester van Saint-Hubert is namelijk corrupt!’
‘Geniaal!’ vindt de waard.
‘Daar drinken we op,’ zegt Louis hoopvol.
‘Twintig man,’ zegt Diederik beslist. ‘Met twintig man zou het moeten lukken. Kunnen jullie dat regelen?’
‘Absoluut,’ zegt de waard. ‘Twintig is geen probleem.’
dinsdag 12 mei 2020
De prins en de zegelring - Afl. 55
Klaas ten Holt
Hoofdstuk 20 (vervolg)
‘Kijk eens aan: dat ziet er goed uit,’ zegt Cornelis terwijl hij een eendenpaté uit de oven haalt en op een schaal omkeert. ‘Volgens mij is de ergste drukte nu voorbij. Ik snij een stukje voor je af, als jij nou eens twee glaasjes port inschenkt?’
‘We moeten ons verenigen,’ roept de waard uit, ‘dát moeten we doen.’
‘Maar we zijn toch al verenigd? Jij doet de gasten en houdt een oogje in het zeil bij de bediening, en ik doe de keuken!’
‘Luister nou, ik heb het niet over de herberg.’
‘En… wat denk je?’ vraagt Cornelis gespannen.
‘Dat zeg ik toch: we moeten ons...’
‘Ja ja, ridder Willem. Maar wat vind je van de paté?’
De waard neemt een hap en slikt door. ‘Heerlijk,’ zegt hij. ‘Maar nu moet je echt even naar me luisteren.’
‘Je hebt helemaal niet geproefd,’ zegt Cornelis beledigd. ‘Maar goed, ik luister.’ Omdat zijn zwager het niet doet, schenkt hij zelf maar twee glaasjes in.
‘Zo kan het niet langer; dat ben je toch met me eens,’ begint de waard. ‘Buiten de steden ben je je leven niet meer zeker.’
De kok knikt instemmend.
‘En we weten allemaal wie er achter die overvallen zit, nietwaar?’
‘Ridder Willem,’ beaamt Cornelis.
‘Precies. Maar niemand durft iets tegen hem te ondernemen.’ Op dat moment zwaait de deur naar de keuken open. ‘Wij willen graag nog een karaf rode wijn,’ zegt een boos kijkende gast.
‘Pardon?’ reageert de waard verbaasd.
‘Een karaf rode wijn! Heeft u misschien iets aan uw oren?’
‘Dit is de keuken meneer. U kunt gewoon bij een van onze obers bestellen.’
‘Dat probeer ik al méér dan een half uur, maar zonder resultaat.’
‘Ik stuur gelijk iemand naar uw tafel. Waar zit u?’
‘Aan het raam!’ schreeuwt de man. ‘Wij zitten aan die grote tafel bij het raam!’
‘Windt u zich niet op, gaat u rustig zitten, er komt zó iemand bij u.’
Cornelis brengt ondertussen port, rode bessen, kruidnagels en muntblaadjes in een klein koperen pannetje aan de kook.
‘Sommige klanten,’ zegt de waard hoofdschuddend, ‘dat geloof je toch niet?’ Hij schenkt nog twee glaasjes in en pakt er een stoel bij. ‘Het gaat erom dat we genoeg mensen bij elkaar krijgen die iets tegen Willem durven te ondernemen.’
‘Maar wat zou je willen doen? Zijn kasteel belegeren? Daar heb je minstens tweehonderd man voor nodig. Zoveel mensen krijgen we nooit op de been. En dan nog: hij zou je vierkant uitlachen vanaf zijn kasteelmuur.’
‘Dat is waar,’ verzucht de waard, ‘een belegering zou zinloos zijn, en veel te duur ook. Maar er moet toch iets anders te verzinnen zijn?’
‘Het zou buiten de muren van zijn kasteel moeten gebeuren,’ zegt de kok stellig. ‘Een hinderlaag.’
‘Maar dan zouden we iemand in het kasteel moeten omkopen om ons te waarschuwen wanneer Willem er weer eens op uit trekt.’
Ze zwijgen een tijdje.
‘Lambert!’ roept Cornelis uit.
‘Nee,’ zegt de waard, ‘die drinkt te veel... en als hij gedronken heeft...’
‘Dan praat hij zijn mond voorbij, dat is waar,’ beaamt Cornelis. ‘Niet geschikt voor een samenzwering.’ Hij gooit een klontje boter in zijn pannetje en roert dat er voorzichtig doorheen. ‘Zo, dat is ook weer klaar,’ zegt hij tevreden terwijl hij aan de bel trekt.
‘Ik maak nog een rondje door de zaal,’ zegt de waard, ‘dan zal ik meteen even kijken of die mensen bij het raam nog iets willen.’ Hij ziet dat er ondertussen een tafel is vrijgekomen. ‘Als u mij wilt volgen,’ zegt hij tegen de twee bij de haard, ‘ik heb een mooi tafeltje voor jullie.’
‘Brengt u ons twee dagschotels en een karaf rode wijn,’ zegt de grootste van de twee.
‘Komt eraan,’ zegt de waard, ‘en die brandewijn is van het huis. Voor de schrik.’
‘Ophangen dat tuig,’ zegt de kleinste.
‘Aan de hoogste boom,’ stemt de waard in, ‘maar dan moeten we ze eerst wel even gevangen nemen natuurlijk.’
‘En waarom gebeurt dat niet?’
‘Ach weet u,’ antwoordt de waard, ‘gaat u eerst rustig eten. Als het straks wat stiller is, kunt u mij misschien nog eens precies vertellen wat u hebt gezien en meegemaakt.’
‘Als ik het voor het zeggen had,’ zegt de kleine weer.
De waard knikt vriendelijk en gaat terug naar de keuken om de bestelling door te geven en om een karaf rode wijn in te schenken. De wijn geeft hij mee aan iemand van de bediening. ‘Voor die twee in de hoek, en ga meteen even kijken wat die mensen bij het raam willen. Doe dat eerst maar even,’ zegt hij terwijl hij voor zijn zwager en zichzelf nog een glaasje port inschenkt.
‘Vervelende lui,’ zegt de ober.
‘Ga er toch maar even heen. Kijken wat ze willen.’
De ober loopt de keuken uit en gaat naar de tafel bij het raam. ‘U wilde nog iets bestellen?’ vraagt hij koeltjes.
‘Zo, bent u daar eindelijk,’ is het antwoord.
‘U werkt hier zeker nog maar kort?’ vraagt een ander.
‘Pardon?’ antwoordt de ober.
‘Zet die karaf nou maar vlug op tafel, we wachten al zeker drie kwartier,’ zegt de eerste.
‘Geen sprake van,’ antwoordt de ober boos, ‘die is niet voor u.’
‘Wat krijgen we nou? Niet voor ons?’
‘Als u iets wilt hebben moet u dat eerst bestellen... en als u zich niet weet te gedragen dan gaat u maar ergens anders heen. Welnu... één karaf rode wijn wordt het dus?’
Het gezelschap staart hem verbluft aan.
‘Eén karaf rood? Komt er aan.’ De ober brengt zijn karaf weg, en gaat terug naar de keuken om een nieuwe te vullen.
‘Eérst die desserts wegbrengen,’ zegt Cornelis. ‘Die wijn kan wel even wachten.’ Hij neemt een slok van zijn port. ‘Al met al vrij hopeloos dus,’ zegt hij dan.
‘Sorry?’ vraagt de waard.
‘Ridder Willem bedoel ik.’
‘Ik weet het niet, er moeten toch zo langzamerhand een heleboel mensen zijn die zijn bloed wel kunnen drinken.’
‘Jawel, maar een beleg...’
‘Nee, geen beleg. We moeten iets anders verzinnen: hem in de val lokken.’
‘Makkelijk gezegd.’
‘Die twee die het laatst binnen zijn gekomen...’
‘Van die dagmenu’s?’
‘Ja, die. Die hebben het er ternauwernood levend vanaf gebracht bij een overval van Willem en zijn mannen net buiten de stadspoort. Volgens mij zijn die overal voor in.’
‘Misschien moeten we straks even een praatje met ze maken. Bied ze een glaasje aan, als die mee willen doen, zijn we al met z’n vieren.’
maandag 11 mei 2020
De prins en de zegelring - Afl. 54
Klaas ten Holt
Hoofdstuk 20 - Waarin er in herberg De Blauwe Forel plannen worden gesmeed voor een samenzwering.
‘Ober! Kunt u ons nog een karafje rode wijn brengen?’
‘Ik stuur mijn collega naar u toe.’
‘Uw collega is al drie keer langs onze tafel gelopen. Hij reageert niet als we hem roepen.’
‘Maar wat wilt u dan?’
‘Een karaf rode wijn, dat is toch niet zo moeilijk?’
‘Ik stuur gelijk iemand naar uw tafel!’
‘Maar...’
Het is vrijwel altijd druk in De Blauwe Forel sinds herberg De Woeste Walmen door Willem de la Roche en zijn mannen in de as is gelegd. De grote gelagkamer staat blauw van de rook en aan alle tafels zitten gasten te eten en te drinken. Er is zoveel geroezemoes dat je bijna moet schreeuwen om elkaar te kunnen verstaan. De deur gaat open en twee mannen die er uitzien alsof ze wel een opkikkertje kunnen gebruiken, komen binnen.
‘Gaat u zich eerst maar even warmen bij de open haard, straks komt er wel een tafeltje vrij. Wilt u alvast iets gebruiken?’ zegt de waard vriendelijk.
‘Heel graag. Kunt u ons wat sterks brengen?’ De mannen trekken hun zware mantels uit en ploffen neer bij het vuur. De waard komt met twee glazen brandewijn die hij op een laag tafeltje tussen hen in zet. ‘Wat is er met jullie gebeurd?’ vraagt hij als hij ze nog eens aankijkt.
‘Wij... het is...’ stamelt de kleinste van de twee.
‘We zijn zojuist getuige geweest van een brute overval waaraan we zelf maar nét hebben kunnen ontsnappen,’ zegt de ander verontwaardigd. ‘Een groep gemaskerde mannen...’
‘Ridder Willem,’ verzucht de waard hoofdschuddend. ‘En waar was dat?’
‘Vlak buiten Marche, ze hielden iedereen staande die de stad in wilde. Het leek of ze ergens naar op zoek waren.’
‘Geld, juwelen. Alles van waarde,’ schampert de waard.
‘Twee jongemannen te paard protesteerden en trokken hun zwaarden.’
‘Dat hadden ze beter niet kunnen doen,’ vult de ander aan. ‘Binnen de kortste keren lagen ze met de handen op de rug gebonden in het gras.’
‘Alles werd ze afgenomen!’
‘Dan hebben ze nog geluk gehad,’ zegt de waard somber.
‘Dit is de laatste keer dat we deze weg nemen,’ zegt de eerste weer. ‘Je bent je leven niet zeker.’
De waard laat de mannen aan hun brandewijn en loopt naar de keuken, waar zijn zwager, de vroegere eigenaar van De Woeste Walmen, vlees staat te braden. ‘Dit gaat zo niet langer, Cornelis,’ zegt hij. ‘We moeten iets ondernemen.’
‘Hoe bedoel je? Alle kamers zitten vol, er wordt gegeten, gedronken, de zaken gaan goed!’
‘Ja, ja, dat is waar, en ik moet toegeven: helemaal sinds jij hier in de keuken staat. Hoe lang is dat nou alweer?’
‘Ach Martijn, da’s al weer ruim tien jaar geleden dat De Woeste Walmen in vlammen is opgegaan.’ Cornelis giet wat vloeistof uit een fles over het vlees en houdt de pan schuin, waardoor er een steekvlam tot aan het plafond opschiet.
‘Maar dat bedoel ik ook: er is wéér een overval geweest, net buiten de stad dit keer. Zó ver van huis heeft Willem zich nog niet eerder gewaagd.’
‘Proef dit eens,’ zegt Cornelis wanneer de vlam weer gedoofd is.
‘Perfect! Niets meer aan doen!’ roept de waard verrukt.
‘Hij kan doen wat hij wil. Dat weet hij zo langzamerhand ook wel. Misschien moeten we toch nog een keer een brief naar koning Lodewijk sturen?’
‘Koning Lodewijk?’ smaalt de waard. ‘Alsof die zich voor onze provincie interesseert. Die heeft het veel te druk met leuke graafjes en gravinnetjes in de billen te knijpen.’
Cornelis verdeelt de inhoud van zijn pan voorzichtig over drie borden die hij van een hete stenen plaat heeft genomen. Bovenop legt hij een blaadje salie waarna hij aan de bel voor de bediening trekt. ‘Maar ja, de koning is wél verantwoordelijk voor de veiligheid van zijn onderdanen.’
‘Dat geloof je toch zelf niet,’ moppert de waard. ‘Sinds die slapjanus het hier voor het zeggen heeft...’
Iemand van de bediening komt de borden halen.
‘De grote tafel aan het raam wil nog een karaf wijn. Daar moet even iemand naartoe.’
‘Ik ga zo zelf wel,’ zegt de waard. ‘Ga nou maar gauw die borden wegbrengen.’
‘Maar Martijn, wat wil je dan?’ vraagt Cornelis aan zijn zwager. ‘Als de koning niets onderneemt...’
‘Dan doen we het zelf!’ De waard loopt resoluut de keuken uit om een rondje door de eetzaal te maken. Er zijn geen gasten meer bijgekomen, en dat had ook niet gekund. Alle tafels en stoelen zijn bezet en alle bedden vergeven.
‘Nog een glaasje heren?’ zegt hij tegen de twee bij de haard. ‘Jullie zullen nog even geduld moeten hebben. Het is druk vanavond.’
‘We zijn al blij dat we het er levend van afgebracht hebben,’ zegt de langste. ‘Brengt u ons nog maar een glaasje.’
‘Waarom hangen jullie die rovers niet gewoon op?’ moppert de kleinste.
‘Míjn idee,’ antwoordt de waard. ‘Maar ja, als het bevoegd gezag het laat afweten.’
‘Maar dat is toch...’
‘Dat is helaas de waarheid. We weten precies wie die rovers zijn en waar ze vandaan komen, maar we staan machteloos.’
‘Hoezo machteloos? Wat is dat voor onzin?’
‘Een moment,’ zegt de waard, ‘even kijken wat die tafel bij het raam wil, ik kom zo uw brandewijn brengen.’
‘Slappe hap, ophangen zeg ik,’ moppert de kleinste weer, terwijl hij zijn handen naar het vuur uitstrekt. Zijn metgezel hoort hem echter niet boven het geroezemoes uit en knikt hem vriendelijk toe.
‘Een karaf wijn? Natuurlijk heren, ik stuur iemand naar jullie tafel.’
‘Ja maar kunt u niet...’
‘Is verder alles naar wens?’
‘Dat wel, maar we zouden graag nog een karaf wijn...’
‘Maakt u zich geen zorgen, er komt zó iemand bij u.’
‘We wachten nu al een half uur...’
De waard is alweer vertrokken om twee glaasjes brandewijn in te schenken. ‘Die terreur moet ophouden,’ verzucht hij tegen zijn zwager terwijl hij wat glazen afspoelt.
‘Lastige klanten? Die tafel bij het raam?’
‘Nee, nee, ridder Willem bedoel ik. Die schurk moet tot staan gebracht.’
zondag 10 mei 2020
De prins en de zegelring - Afl. 53
Klaas ten Holt
Hoofdstuk 19 (slot)
De tafels worden afgeruimd en ridder Willem drinkt nogmaals op het welzijn van zijn gasten en feliciteert ze met het succes van hun missie. ‘Erg interessant allemaal hoor, dat van die mensenrechten, zo hoor je nog eens wat,’ verzekert hij de hertog. ‘Ah! Daar komt het dessert! En daar zullen we ook onze muzikale keukenprins weer hebben!’
‘Dan is er nog een kleinigheid die ik graag met u wilde bespreken,’ houdt De Grosmont aan, ‘namelijk die kwestie van de tolheffingen. Ik weet natuurlijk wel...’
‘Hrrmm, hè? Wat?’ bromt Willem, ‘tolheffingen? Daar heb ik geen verstand van. Laten we eerst maar eens wat muziek…’ Ivar is ondertussen zijn viool aan het stemmen. Opnieuw zet hij een ballade in.
‘Niks daarvan!’ roept Willem boos, ‘geen ballades meer! De kapelaan van Hoedelen willen we horen!’ en hij begint ongeduldig met zijn vuist op de tafel te slaan.
‘Ridder Willem, alstublieft,’ zegt de hertog. ‘Ik verzoek u naar mij te luisteren. De koning...’
Ivar heeft Willem wel horen roepen, maar reageert in het geheel niet. Steeds wrangere en schrillere tonen tovert hij uit zijn instrument, dat wel lijkt te huilen van ingehouden woede.
‘Houdt u toch eens op over die stomme tolbrug,’ valt de ridder plotseling uit. ‘Was het eten soms niet lekker? De kapelaan van Hoedelen,’ roept hij nog een keer.
Ivar probeert zich niets van de ridder aan te trekken. Hij trekt zijn stok steeds krachtiger over de snaren en stampt met zijn voet op de grond.
‘Ridder Willem, in Godsnaam,’ zegt de hertog, ‘het is van het grootste belang dat u naar mij luistert. De koning heeft mij opgedragen aan u over te brengen dat, mocht u opnieuw niet bereid zijn... hij deze keer desnoods met het leger...’
‘Hoe-de-len! Hoe-de-len!!’ roept Willem luid. ‘Kom, De Grosmont, drinken we nog wat, of hoe zit dat?’
‘Hoe-de-len! Hoe-de-len!!’ roepen nu ook Willems mannen terwijl ze de armen in elkaar haken.
Ivar strijkt ondertussen met zó veel kracht over zijn snaren dat er eentje breekt. Aan tafel barsten ze in lachen uit.
‘Hé Nicolò!’ roept Willem, ‘misschien moest je je toch maar liever bij je pollepels houden!’ Nog meer gelach weerklinkt.
‘Jullie willen Hoedelen? Dan krijgen jullie Hoedelen!’ roept Ivar woedend naar zijn publiek. Hij houdt zijn viool voor zijn borst en tokkelt en raspt de eerste akkoorden met de vingers van zijn rechterhand op de overgebleven drie snaren alsof het een luit is.
‘Ongelofelijk,’ mompelt de hertog.
‘De kapelaan,’ begint Ivar. ‘Van Hoedelen!!’ haakt het gezelschap in. Omdat hij toch niet boven het geschreeuw uitkomt, speelt hij niet verder maar maakt van de gelegenheid gebruik om een nieuwe snaar op zijn viool te zetten.
‘Heer Willem, nogmaals, de tolrechten...’ begint De Grosmont weer.
‘Hoe-de-len!!!’ schreeuwt Willem die door het dolle heen is en zijn eigen glas en dat van de hertog nog eens volschenkt. Wanneer iedereen is uitgeschreeuwd, blijft de ridder onvermoeibaar met zijn vuisten op de tafel slaan. ‘Nóg een lied!’ roept hij naar Ivar.
‘Ridder Willem, voor de laatste maal!’
‘Zegt u het maar,’ antwoordt Ivar droog, ‘wat wilt u horen?’
‘Een lied! Een lied!’ roepen de mannen om het hardst.
‘Maakt niet uit Stupido! Speel maar wat, als het maar een lied is!’ roept Willem boven het gejoel uit.
‘Maakt niet uit, zegt u?’ antwoordt Ivar. En of het nou is omdat precies op dat moment Lambert in de hal verschijnt om te kijken of alles met het eten naar wens is, of omdat hij gewoon genoeg heeft van ridder Willem en diens lompe gedrag, of om nog een andere reden die hij zelf ook niet weet: zodra hij zijn viool weer aan zijn kin heeft gezet, speelt hij de eerste maten van het lied van de twee ridders dat hij in de keuken van de kok heeft geleerd, en dat hij een paar dagen eerder ’s nachts op de binnenplaats heeft gefloten.
Ridder Willem reageert niet meteen. Eerst slaat hij nog enthousiast met zijn vuisten de maat, maar langzaam begint hem iets te dagen. Lambert, die de melodie wél meteen herkend heeft, wordt lijkbleek en laat een karaf brandewijn uit zijn handen glijden die op de plavuizen in duizend stukken uiteen spat.
Willem wordt vuurrood en kijkt met grote ogen vol ongeloof naar Ivar, die zich niet van de wijs laat brengen en rustig doorspeelt of er niets aan de hand is. De rest van het gezelschap dat nu ook in de gaten krijgt dat er iets niet in orde is, verstomt en wacht gespannen af wat er gaat gebeuren.
‘Verraad,’ brengt de ridder na een tijdje uit. ‘Verraad! Stoppen!’
Maar Ivar speelt onverstoorbaar verder.
‘Stoppen!!’
‘Nicolò, in ’s hemelsnaam!’ roept Lambert opgewonden.
‘Verraad!’ roept Willem opnieuw terwijl hij op Nicolò wijst. ‘Hij is de verrader! Ik wist het wel! Sla hem in de boeien! Wacht!!’ Hij staat op en trekt zijn zwaard.
‘Hihihi!’ piept graaf Serpillière die niet begrijpt wat er allemaal gebeurt.
Twee wachters grijpen Ivar ieder aan één arm vast. Hij verzet zich niet en kijkt rustig om zich heen.
‘Nicolò,’ zucht Lambert wanhopig.
‘Afvoeren!’ gebiedt Willem. ‘Naar de kerkers met die verrader!’
Ivar loopt rustig mee tussen de wachters. Uit een ooghoek ziet hij hoe Lambert zijn viool en zijn strijkstok opraapt. Zelf weet hij ook niet goed waarom hij gedaan heeft wat hij heeft gedaan, toch weet hij zeker dat hij juist heeft gehandeld.
‘Zo,’ voegt een van de wachters hem toe, ‘dus jij bent de verrader. Da’s niet zo mooi vriendje.’
‘Het schijnt zo,’ antwoordt Ivar gelaten.
Ze steken de binnenplaats over, gaan een poort door en dalen daarna steeds dieper af in het binnenste van het kasteel. Voor een grote met ijzer beslagen deur houden ze halt. De andere wachter haalt zijn bos tevoorschijn en steekt een grote sleutel in het slot. De deur draait naar buiten open, en de eerste wachter duwt Ivar hardhandig de kerker in. Het duurt even voor zijn ogen aan het donker gewend zijn, maar dan ziet hij dat hij niet alleen is.
‘Jarik!’ roept hij uit.
‘Ivar!’ roept Jarik vrolijk terug. ‘Ik wist wel dat je me zou komen redden.’ Dan valt de deur met een doffe klap weer in het slot.
zaterdag 9 mei 2020
De prins en de zegelring - Afl. 52
Klaas ten Holt
Hoofdstuk 19 (vervolg)
‘Hihihi!’ zegt graaf Serpillière elders in het kasteel.
‘Stel je toch niet aan,’ zegt hertog De Grosmont. Er klinkt minachting in zijn stem. ‘Die Willem doet ons niets, hij kijkt wel uit.’
‘Ik wil naar huis.’
‘Als wij met lege handen thuiskomen, kun jij je baantje aan het hof wel vergeten, dan zijn er voor jou geen leuke feestjes meer, geen onbeperkt krediet bij de kleermaker.’
De graaf kijkt hem verschrikt aan.
‘Veertig procent van alle tolopbrengsten, dat is wat de koning hebben wil. En als die schurk akkoord is, presenteren we hem de rekening van de afgelopen twintig jaar.’
‘Hihihi!’ huilt Serpillière.
‘Hou toch op, lafaard.’ De Grosmont moet zich inhouden om de graaf niet aan te vliegen. ‘We moeten hem gewoon een beetje onder druk zetten. Hij moet begrijpen dat hij die veldslag indertijd alleen heeft gewonnen omdat de koning hem heeft laten winnen, omdat het de koning op dat moment niet uitkwam. Maar dat de zaken nu anders liggen.’
‘A-anders?’
‘We moeten hem uitleggen dat als hij nu niet toegeeft, hij een leger voor zijn poorten kan verwachten dat hem het plezier in zijn fraaie uitzicht totaal zal vergallen.’
De graaf begint weer te huilen.
‘Wat denk jij, Serpillière,’ de hertog balt zijn vuisten, ‘die geruchten over dat Normandische gravinnetje en die Hollandse prins, zouden die waar zijn?’ Geoffrey de Grosmont gaat aan tafel zitten om na te denken. Een uur verstrijkt. ‘Hihihi!’ klinkt het van tijd tot tijd uit een fauteuil bij de haard.
‘Lang leve koning Lodewijk!’ Ridder Willem heft zijn glas. ‘De koning! Leve de koning!’ roept men hem na. In de grote hal van het kasteel zijn de tafels in een wijde, halve kring gezet en bekleed met een fraai geborduurd blauw laken. Er brandt een groot vuur in de haard en aan alle pilaren hangen toortsen te walmen. Langs de hoge stenen muren hangen donkere kleden waarvan de afbeeldingen door het roet van de toortsen vrijwel onzichtbaar zijn geworden. Aan het hoofd zit Willem, met rechts en links van hem hertog de Grosmont en graaf Serpillière. Daarnaast zitten Matthis en de kapitein van de wacht. ‘Ik heb mijn kok persoonlijk instructies gegeven,’ zegt Willem tegen de hertog, ‘hij weet dat onze gasten de verfijnde keuken van het Parijse hof zijn gewend.’
De Grosmont mompelt iets onverstaanbaars terwijl zijn gastheer de glazen nog eens volschenkt.
‘Ah, daar komen de voorgerechten!’ roept Willem enthousiast.
De Grosmont prikt argwanend met zijn dolk in het kleine vogeltje dat men hem heeft voorgezet, maar wat hij proeft overtreft zijn stoutste verwachtingen.
‘Kwarteltjes uit de oven,’ legt de ridder uit, ‘met honing, bacon, salie en laurier. Een specialiteit van onze kok.’
‘Het is... ongelofelijk,’ stamelt de hertog.
‘Wat vindt u, Serpillière?’ Hij slaat de graaf aan zijn linkerzijde joviaal op de schouder. ‘Maar wat is er met uw oog gebeurd? Het is helemaal blauw en opgezwollen?’
‘Hihihi!’ antwoordt de graaf terwijl hij nerveus naar De Grosmont kijkt.
‘Het is niets, een ongelukje,’ zegt de hertog. ‘De graaf heeft zich... ergens aan bezeerd.’ Ondertussen kluift hij aan zijn patrijs. ‘Heerlijk, echt heerlijk!’
Wanneer iedereen klaar met eten is en de eerste gang is afgeruimd, tikt ridder Willem met zijn dolk tegen zijn glas. ‘Hooggeëerde gasten, lieve vrienden,’ begint hij, ‘ik zal jullie niet vervelen met mooie woorden... een tafelspreker ben ik niet. Bovendien... daar de relatie met onze geliefde koning Lodewijk al vele jaren zo hartelijk en innig is, valt er ook weinig te bespreken. Laten we ons daarom verheugen in de gezondheid van onze soeverein en ons de wijn en het eten goed laten smaken!’
Rechts en links van hem klinkt een mager applaus.
‘Dan heb ik nu nog een kleine muzikale verrassing: sinds enige tijd hebben wij een Italiaanse keukenhulp in dienst die ook nog heel aardig met de fiedel overweg kan. Ik zou zeggen: ga je gang, Stupido.’ Ivar is inmiddels met zijn viool midden in de kring van tafels gaan staan. Hij zet een weemoedige Ligurijnse ballade in die hij vaak in de boomgaard tijdens de olijvenpluk heeft horen zingen. De woorden kent hij niet, maar de melodie staat in zijn geheugen gegrift. Hij speelt met zijn ogen dicht, zonder krullen of tierelantijnen, de schitterende, almaar dalende melodie op de laagste twee snaren van zijn viool. Ridder Willem doet zijn uiterste best zo luid mogelijk door de muziek heen te praten, maar om hem heen verstommen de gesprekken. Alle aandacht is op Ivar gericht die helemaal in zijn spel opgaat.
‘Het hoofdgerecht, daar komt het hoofdgerecht!’ roept Willem. ‘Straks roepen we hem nog wel even terug voor een paar verzoekjes. Als onze gasten dat willen tenminste? Die zijn natuurlijk wel beter gewend aan het hof, niet?’
‘Nee, nee,’ zegt de hertog die erg onder de indruk is, ‘laat die jongen alsjeblieft terugkomen!’
‘Hm,’ bromt Willem, ‘je hoort het Stupido. Ga nu maar weer gauw naar de keuken.’ Ivar maakt een lichte buiging en vertrekt zonder één woord te zeggen. ‘Het joch is volstrekt onnozel,’ zegt Willem tegen de hertog, ‘maar hij schijnt muzikaal te zijn.’
‘Zéér,’ antwoordt deze, terwijl hij ondertussen nadenkt hoe hij het pijnlijke onderwerp van de tolrechten zal aansnijden.
‘Op uw gezondheid, hertog.’ De ridder drinkt zijn glas leeg en wenkt dat er meer wijn moet komen.
‘En de uwe,’ zegt de hertog minzaam. ‘En nu we het toch over gezondheid en welzijn hebben... de koning wil graag weten hoe het hier in La Roche met de mensenrechten is gesteld.’
‘Neemt u mij niet kwalijk?’ antwoordt de ridder verbaasd. ‘De... wat?’
‘De mensenrechten. Dat zegt u niets?’
‘Ik...’
‘In Parijs is het een rage. Aan het hof is het het gesprek van de dag!’
Waar heeft die idioot het over, denkt Willem bij zichzelf. Probeert hij mij er in te luizen?
‘U heeft toch zeker wel gevangenen in uw kerkers?’ vraagt de hertog.
‘Ah!’ zegt Willem, die nu iets begint te dagen. ‘Had u onze kerkers graag eens van binnen willen bekijken?’
‘Nou... eh... het is meer dat... volgens de laatste inzichten hebben gevangenen ook rechten... en dienen zij met respect behandeld te worden.’
‘Pardon?’
‘De koning wil graag weten of er in uw kerkers wel regelmatig gegeten wordt.’
‘O zeker,’ beaamt Willem met volle mond. ‘Als er wat over blijft, eet iedereen wat de pot schaft. Maar u laat uw bukkenade koud worden! Ik verzeker u, zoiets hebt u nog nooit geproefd.’
‘Heel goed, héél goed,’ beaamt De Grosmont.
Mensenrechten, denkt Willem bij zichzelf, wat ze allemaal niet verzinnen tegenwoordig.
‘Ik eh,’ gaat de hertog verder, ‘die gevangenen van u... hoeveel zijn dat er eigenlijk?’
‘Oh,’ antwoordt Willem lachend, ‘dat weet ik niet precies. Een stuk of wat.’
‘Uitstekend,’ zegt de hertog, ‘ik bedoel maar. En heeft u daar misschien een lijst van?’
‘Neemt u mij niet kwalijk?’
‘Een lijst. Een lijst van wie er precies bij u in de kerkers zitten?’
Hij weet het, denkt Willem bij zichzelf, of hij vermoedt het in elk geval.
‘Natuurlijk hertog,’ zegt hij met gespeeld enthousiasme, ‘ik zal kijken wat ik voor u doen kan. En ik ben blij dat onze koning zoveel plezier beleeft aan zijn nieuwe rage. Mensenrechten! Laten we daar op drinken!’ Hij gebaart dat er meer wijn moet komen. ‘Maar graaf Serpillière, u heeft helemaal niet van uw bukkenade gegeten!’
‘Hihihi!’ piept de graaf.
donderdag 7 mei 2020
De prins en de zegelring - Afl. 51
Klaas ten Holt
Hoofdstuk 19 - Waarin prins Ivar een concert geeft en een snaar van zijn viool breekt.
Die middag zijn er gezanten van koning Lodewijk in La Roche aangekomen om over de tolrechten te onderhandelen. Elk jaar stuurt de koning opnieuw een delegatie, maar Willem weigert steevast ook maar één cent af te dragen en stuurt alle gezanten met lege handen terug. Dit keer is het echter een wat grotere delegatie onder leiding van hertog Geoffrey de Grosmont, ambassadeur en vertrouweling van de koning, en graaf Serpillière, ’s konings favoriete neefje. Met een nieuwe afwijzing zal de koning geen genoegen nemen. Willem is ontzettend uit zijn humeur omdat hij wel begrijpt dat hij op een dag toch zal moeten gaan betalen. ‘Hertog de Grosmont!’ zegt hij poeslief. ‘Wat een verrassing! Wat een eer! Hoe maakt onze geliefde koning het?’
‘Uitstekend, dank u. Hij laat u groeten.’
‘Matthis, breng de hertog naar zijn vertrekken en zorg dat het de leden van het gezantschap aan niets ontbreekt,’ zegt Willem glimlachend. ‘En daarna kom je meteen naar mij toe, we hebben het een en ander te bespreken,’ voegt hij er zachtjes aan toe.
‘Ridder Willem,’ zegt de hertog ernstig, ‘ons bezoek zal helaas maar kort zijn, en omdat ik een dringende boodschap van Zijne majesteit voor u heb, stel ik voor dat wij vanmiddag reeds...’
‘Uitgesloten!’ onderbreekt Willem hem. ‘Vanmiddag heb ik het veel te druk. Maar vanavond tijdens het diner is er tijd genoeg.’
De hertog knikt minzaam.
‘Hihihi!’ zegt graaf Serpillière, terwijl hij angstig om zich heen kijkt.
Later die middag zitten ridder Willem en Matthis in de toren aan tafel.
‘Kunnen we die hertog en die graaf niet gewoon vergiftigen?’ oppert Matthis. ‘Dat gaat helaas niet,’ antwoordt Willem. ‘We zullen water bij de wijn moeten doen, deze keer kunnen we ze niet met lege handen terugsturen.’
‘Maar ze weten toch niet wat die tolbrug over de Ourthe ons oplevert?’
‘Ik vrees dat je De Grosmont onderschat. Ik denk dat hij precies weet hoeveel tol wij heffen, anders zou de koning daar niet elk jaar opnieuw over komen zeuren.’ Matthis zwijgt en kijkt zijn heer afwachtend aan. ‘Ik vraag me af wat De Grosmont nog méér weet,’ zegt Willem peinzend.
‘Nog meer weet?’
‘De gevangenen natuurlijk, uilskuiken! Het kan bijna geen toeval zijn dat nét nu wij hier een Normandisch gravinnetje en een Hollandse kroonprins te logeren hebben, koning Lodewijk zo’n zware delegatie stuurt.’
‘Dat is onmogelijk! Niemand weet ervan.’
‘Behalve ik. En jij...’ Ridder Willem blijft Matthis doordringend aankijken.
‘U denkt toch niet dat ik…?’
‘Ik denk niets, helemaal niets!’ stuift Willem op, ‘maar dat gezantschap, daar zit een luchtje aan. En als ik er achter kom dat er hier toch iemand zijn mond voorbij heeft gepraat…’
Matthis zwijgt.
‘Schiet je al op met je diepgaande onderzoek naar onze nachtelijke fluiter?’ sniert Willem.
‘Nee, heer.’
‘Dat dacht ik ook al niet. Niets kan ik aan anderen overlaten, overal sta ik alleen voor.’ Hij staat op en begint woedend door het vertrek op en neer te lopen. ‘Je kunt gaan, Matthis. Ik roep je wel als ik je nodig heb.’ Matthis vertrekt zonder nog iets te zeggen, gewend als hij is aan dit soort uitbarstingen van zijn meester.
Dat koppige gravinnetje moet mij binnenkort maar eens haar jawoord geven, peinst Willem bij zichzelf wanneer hij alleen is, dan kan die prins zo snel mogelijk uit de weg geruimd. En anders zullen ze allebei moeten verdwijnen. Hij werpt een blik op het gordijn waarachter de toegang tot de bovenverdieping is. Iemand hier op het kasteel weet het van Thom... en wil dat ik dat ook weet... maar waarom? denkt hij. Om me bang te maken? Mij? Willem de la Roche. Hij blijft staan voor het portret van ridder Theodor. Maar wíe kan het zijn? Dat onderzoek van die idioot van een Matthis gaat natuurlijk niets opleveren, die kan nog geen knoop aan z’n eigen broek naaien. Ik zal er zelf achter moeten zien te komen. Hij gaat aan het grote bureau zitten, dat ooit van zijn vader is geweest. Boven zich hoort hij zijn broer lopen. Lambert? Nee, die is veel te onnozel. Maar die Nicolò vertrouw ik voor geen cent. Hij lijkt bovendien wel wat op die Hollandse prins...
In de keuken worden ondertussen voorbereidingen getroffen voor het diner van die avond. Ivar zit met een verbeten gezicht kwartels te plukken, terwijl Lambert in een grote koperen pan staat te roeren.
‘Wat denk je, méér kaneel?’
Ivar proeft en denkt even na. ‘Nee, zo is het precies goed.’ zegt hij dan. ‘Het moet gewoon even staan, dan komt het vanzelf wel op smaak.’
‘Hm,’ zegt Lambert met gefronste wenkbrauwen, ‘en hebben we alles voor de bukkenade?’
‘Ik denk het wel,’ zegt Ivar, ‘eens even kijken: 25 konijnen, amandelen, rozijnen, gember, salie, rozemarijn, saffraan... jawel, dat komt wel goed.’
‘We zullen die De Grosmont eens laten zien dat er niet alleen aan het hof serieus gekookt wordt.’ Lambert knipoogt naar Ivar. ‘Ziezo. Even zitten. Snurfteltje?’
‘Ach, wel ja, schenk maar in,’ zegt de prins. ‘Hoe laat is het?’
‘We hebben tijd genoeg. Je weet dat je vanavond op je viool moet spelen hè?’
‘Ja ja, dat wordt weer alle coupletten van De Kapelaan van Hoedelen en Ik zag een schuurdeur openstaan.’
‘Maakt het je veel uit wat je speelt?’
‘Nou, eigenlijk niet. Ik speel toch alles op mijn eigen manier.’
‘Ik snap niet hoe jij al die melodieën kunt onthouden.’
‘Als ik een liedje één keer heb gehoord... Ongeveer zoals jij met je recepten denk ik.’
Er valt een stilte.
‘Dat lied laatst, waar Willem zo overstuur van was, dat was jij toch, Nicolò?’
Ivar knikt.
‘Ik neem aan dat je weet wat je doet,’ zegt Lambert ernstig, ‘maar wees alsjeblieft voorzichtig. Als Willem er achter komt…’
‘Die komt er niet achter. Maar ik ben die nacht wél iets te weten gekomen...’ Hij buigt zijn hoofd wat dichter naar de kok. ‘Uit een klein getralied raampje, helemaal bovenin de toren floot iemand zachtjes terug, de rest van de melodie. En ik weet zeker dat het Willem niet was.’
Lambert kijkt hem met grote ogen aan. ‘Thom!’ zegt hij, ‘dus die geruchten zijn waar. Je hebt wel lef, Nicolò!’
‘Lef?’ antwoordt Ivar, ‘je moest eens weten: ik deed het haast in mijn broek van angst.’
‘Dan heb ik alleen nog maar méér bewondering voor je. Een echte held weet ook wat het is om bang te zijn. Kom, aan het werk!’
Abonneren op:
Posts (Atom)






