woensdag 6 mei 2020





De prins en de zegelring - Afl. 50
Klaas ten Holt

Hoofdstuk 18  (slot)


Dries tilt zijn hoed van zijn hoofd, krabt zich eens uitgebreid op de kop en schraapt zijn keel. ‘Eens,’ begint hij, ‘heel lang geleden, misschien wel een jaar of dertig zo langzamerhand...’
    O nee toch, denkt Robbe bij zichzelf, nu gaat hij ook nog sprookjes vertellen!
    ‘…stond er net zo’n jongen als jij langs de kant van de weg. Zijn kleren waren vies en gescheurd en de angst en de paniek stonden op zijn gezicht te lezen. Het was een jongen van een jaar of zestien. Geen ouders meer, niets geleerd, overal weggestuurd en nog nooit een eerlijke cent verdiend.’ Ze rijden nu recht op de zon af zodat ze hun ogen moeten samenknijpen. Een blauwe reiger die door het geratel van de wielen van de kar bij zijn visstek wordt gestoord, slaat zijn vleugels uit en glijdt humeurig naar de overkant van de rivier.
    ‘De jongen was in verkeerd gezelschap terechtgekomen en had zich laten overhalen om op de uitkijk te staan bij een inbraak in een boerderij. Wat kon hem gebeuren, dacht hij bij zichzelf. Ik hoef niet mee naar binnen. Alleen maar goed opletten of er niemand langskomt. Het was een prachtige zorgeloze zomerdag, geen wolkje aan de lucht. Hij was op een hekje aan het begin van de oprijlaan gaan zitten waar hij de weg naar beide kanten goed in de gaten kon houden. Maar wat duurde dat lang! Hij begon het erg warm te krijgen. Voor zijn gevoel zat hij daar al een uur zonder dat er ook maar iets gebeurd was en nóg waren zijn vrienden binnen. Hij verveelde zich stierlijk. Omdat er toch niemand aankwam, dacht hij dat hij best wel even een ommetje kon maken. Aan de andere kant van de weg lag een meertje in de zon te glinsteren waar hij dolgraag even zijn voeten in zou hangen. Hij keek nog eens goed om zich heen, sprong toen van het hek en stak de weg over. Aan de oever trok hij zijn schoenen uit en stak zijn voeten in het ijskoude water. Wat was dat heerlijk! Hij trok een grashalm uit de grond, stak die tussen zijn tanden en ging loom achterover liggen. Met zijn ogen dicht en de warme zon op zijn gezicht vergat hij helemaal wat hij ook alweer aan het doen was. Het volgende moment schrok hij wakker van het geluid van blaffende honden en geschreeuw. Hij draaide zich om en schoof heel langzaam achteruit het water in. Het was niet diep, hij kon net met zijn tenen bij de bodem. Vanuit zijn schuilplaats zag hij hoe zijn vrienden gebonden weggevoerd werden door de schouten. Over wat er met hen zou gebeuren, hoefde hij zich geen illusies te maken. ‘Er moet er nóg een zijn!’ hoorde hij iemand roepen. ‘Dries, Verrader!’ riep een ander.’
    Dries! Bij het horen van die naam schiet Robbe rechtovereind en kijkt met grote ogen naar de man naast hem op de bok.
    ‘De jongen was een goeie zwemmer. Hij dook, en zwom zolang hij kon onder water. Hij wist de overkant te bereiken en bleef vervolgens rennen tot hij halfdood was, een bos door, de hei over, een rivier over... tot hij bij een eenzame landweg kwam. Langs de kant bleef hij staan, zijn slapen bonsden en alles deed hem pijn. Een boerenkar naderde. Hij had geen kracht meer om te vluchten of zich te verstoppen. De kar hield in. ‘Jongen wat zie jij er uit!’ sprak een grote vent met een vriendelijk gezicht. ‘Ik weet niet wat of jij hebt uitgehaald, maar zó kan ik je hier niet laten staan. Klim maar op de bok.’ De jongen kon wel huilen van opluchting. De boer nam hem mee naar zijn boerderij waar hij door zijn familie gastvrij werd onthaald. Niemand vroeg hem wat hij op zijn kerfstok had. Toen hij na een dag of twee weer helemaal de oude was, stelde de boer hem voor nog wat langer te blijven. Op de boerderij was altijd genoeg te doen en een sterke, eerlijke jongen als hij konden ze goed gebruiken. De tranen sprongen hem in de ogen. ‘Sterk,’ dat wel ja, maar ‘eerlijk?’
    ’s Avonds na het eten vertelde hij de boer en de boerin zijn hele verhaal. Hij biechtte alles op. Maar hoewel hij verwachtte nu wel weggestuurd te zullen worden, gebeurde dat niet. ‘Iedereen verdient in het leven een kans!’ sprak de boer ernstig, ‘en het komt me voor dat jij de jouwe nog niet hebt gehad.’ Die zomer bleef hij op de boerderij werken. De boer en de boerin werden vrienden voor het leven. Vanaf dat moment voorzag de jongen in zijn levensonderhoud door zich waar er maar werk was aan te bieden, tot hij genoeg gespaard had om in Amsterdam een eigen winkeltje te beginnen...’
    Het verhaal heeft duidelijk indruk gemaakt op Robbe.
    ‘Die jongen... was ik... maar dat had je natuurlijk al wel begrepen?’ zegt Dries, ‘en die boer en die boerin... dat heb je waarschijnlijk ook wel geraden?’
    ‘Sicco en zijn vrouw,’ knikt Robbe.
    ‘Ik kan in Amsterdam misschien wel iets voor je doen. ik denk dat je me niet teleur gaat stellen.’ Een tijdje zwijgen ze allebei.
    ‘Die prins... Ivar,’ begint Robbe dan.
    ‘Ja?’
    ‘En die aanslag in die herberg...’
    ‘Ja?’ vraagt Dries.
    ‘Ik weet... Ik denk…’ En dan vertelt Robbe het hele verhaal vanaf de dag dat hij met Willem en zijn mannen uit La Roche is vertrokken tot en met wat er in het moeras is gebeurd. Dries onderbreekt hem niet één keer en luistert met stijgende verbazing. ‘Ik neem je mee naar het hof,’ zegt hij wanneer Robbe helemaal is uitgesproken. ‘Dit moeten de koning en de koningin horen.’
    ‘Maar die zullen me in de boeien sluiten! Ik heb een aanslag op de prins gepleegd... hun zoon...’ Robbe kijkt hem angstig aan.
    ‘Als het waar is wat je zegt: dat prins Ivar je het leven heeft gered en zo, denk ik niet dat je erg veel te vrezen hebt. Vertrouw maar op mij. Ik heb uitstekende connecties aan het hof. Heb je honger?’




De prins en de zegelring - Afl. 49
Klaas ten Holt

Hoofdstuk 18  (vervolg)


Op dat moment zet de boerin een grote dampende pan balkenbrij op tafel. ‘Kom op, Sicco, jij kunt ook wel eens wat doen,’ moppert ze, ‘Ga eens wat brood snijden en de tafel dekken.’
    ‘Je ziet er uit of je honger hebt, jongeman,’ zegt ze tegen Robbe, die een kleur krijgt. ‘Die ziet er uit of hij lang niet onder fatsoenlijke mensen is geweest,’ fluistert ze in de keuken tegen haar man.
    ‘Hm,’ antwoordt de boer, ‘Dries is niet gek, die weet heus wel wat hij meebrengt.’
    Er wordt gegeten en daarna nog meer gedronken. De boer en zijn vrouw genieten van het gezelschap en blijven de glazen maar vullen. Maar om een uur of elf is het mooi geweest en wijst de boer iedereen zijn slaapplaats. Robbe deelt een bed boven de stoof met Dries die al na enkele minuten luid ligt te snurken, maar zelf kan hij de slaap niet vatten. Een avond als deze is voor hem een geheel nieuwe ervaring, heel wat anders dan de gespannen sfeer op La Roche. Bovendien wilde de boer van Dries geen geld aannemen voor het avondmaal of voor de drank. ‘Ik kom wel een keer naar Amsterdam,’ had hij geroepen. En ook tegen Robbe heeft hij niets over betaling gezegd. Waarschijnlijk heeft hij wel geraden dat hij toch geen cent op zak heeft.
    Op de schoorsteen stonden twee fraai bewerkte grote zilveren kandelaars. In Marche weet hij daar wel een adresje voor... Jammer: dat kan hij nu wel vergeten. Dries snurkt ondertussen als een os. Hoe hij hem ook in zijn zij port, het haalt niets uit. Ik ga gewoon weer terug naar La Roche, zegt hij tegen zichzelf terwijl hij in het donker tuurt. Hij vraagt zich af of hij het meent; alsof er dáár iemand op hem zit te wachten.
    Een tijdje luistert hij naar de geluiden in en om de boerderij. Wél aardige mensen, die boer en zijn vrouw. De boerin heeft hem een nachthemd van de boer gegeven om zijn modderkleren te kunnen wassen. ‘Als ik ze tegen de stoof hang is morgen alles weer schoon en droog. Dat geeft toch geen pas voor een knappe jongeman als jij!’ had ze met een vrolijke knipoog tegen hem gezegd. Hij probeert zich zijn ouders voor de geest te halen maar de herinnering is te vaag. Het is ook te lang geleden. Zou mijn vader nog leven? Als ik hem tegenkom, geef ik hem een schop voor zijn... is het laatste dat hij denkt voor hij inslaapt.

Wanneer ze de volgende morgen hebben ontbeten en zich klaar maken om te vertrekken, komt de boerin nog met een dikke wollen mantel. ‘Hier, jongen, deze wordt door niemand meer gedragen. Ik heb liever dat jij hem hebt dan dat de mot er in komt.’
    ‘Dank u wel mevrouw.’ Robbe weet niet waar hij moet kijken.
    ‘Als je er netjes op bent gaat hij een leven lang mee!’
    ‘Húúú!’ roept Dries, en langzaam zet de kar zich in beweging. Het belooft een mooie winterse dag te worden. De zon schijnt uit de staalblauwe hemel, en als de noordoostenwind zich niet van tijd tot tijd zou roeren, zou je bijna denken dat het lente was. ‘Als het een beetje meezit, zijn we vanavond ook weer onderdak,’ zegt Dries. ‘Morgen zijn we in Amsterdam.’
    ‘Amsterdam...’ herhaalt Robbe peinzend.
    ‘Waar kom je zelf eigenlijk vandaan?’ vraagt Dries.
    ‘Ik... uit... overal en nergens. De laatste drie jaar heb ik in La Roche gewoond.’
    ‘En wat voor werk deed je daar dan?’
    ‘Nou, van alles. Ik werkte op het kasteel.’
    ‘Op het kasteel van La Roche?’ Dries moet even nadenken. ‘Daar heb ik wel eens van gehoord,’ zegt hij dan, ‘dat is toch dat kasteel van die ridder... Willem de la Roche?’
    ‘Eh, ja,’ antwoordt Robbe zacht.
    ‘Dat moet nogal een heerschap zijn,’ zegt Dries. ‘Ze zeggen dat hij zijn eigen tweelingbroer heeft vermoord en de hele streek daar terroriseert met zijn roversbende. En daar werkte jij voor?’
    ‘Nou, eh, ik werkte in de keuken.’
    ‘In de keuken?’ Dries kijkt nog eens goed naar de jongen die naast hem zit.
    ‘En wat kookten jullie daar zoal?’ vraagt hij dan.
    ‘Nou eh...’ Robbe kleurt tot achter zijn oren, ‘gewoon, van alles.’
    ‘Van alles,’ zegt Dries, ‘Je bedoelt dat jullie gewoon maar wat in een grote pan gooiden en die dan op het vuur zetten? Dat zal lekker gesmaakt hebben!’
    ‘Nee, natuurlijk niet,’ antwoordt Robbe zachtjes. ‘Ik... Ik werkte helemaal niet in de keuken...’
    ‘Dat leek mij ook al niet,’ bromt Dries, ‘en denk je dat je me nog gaat vertellen wat je daar dan wél deed?’
    Een tijdje is het stil. Wat wil die vent toch van me, denkt Robbe bij zichzelf. Waarom laat hij me niet met rust met zijn stomme vragen. Hij overweegt om van de bok af te springen en het op een lopen te zetten maar doet het niet. Iets zegt hem dat Dries het goed met hem voorheeft, dat hij hem geen kwaad zal doen. Ook niet als hij wat meer over zichzelf vertelt.
    ‘Jij moet eens goed naar me luisteren jongeman,’ zegt Dries na een tijdje, ‘vanaf het eerste moment dat ik jou daar helemaal onder de modder langs de kant van de weg zag staan, wist ik dat jij een boefje was. Ik heb je meegenomen omdat... omdat ik het gevoel had dat je misschien nog niet verloren bent. Ik heb je bij Sicco heus wel naar die zilveren kandelaars zien kijken, maar je hebt me niet teleurgesteld: je hebt ze netjes laten staan.’
    Robbe wordt nóg roder. ‘Het waren ook zulke hartelijke mensen,’ zegt hij dan, ‘de boerin zei dat ze me een knappe jongen vond.’
    ‘Hm,’ zegt Dries, ‘daar heb ik geen verstand van, maar je hebt gelijk: betere mensen dan Sicco en zijn vrouw zul je niet gauw vinden.’ De wind is nu helemaal gaan liggen en er hangt een vreemde stilte over het weidse Hollandse landschap. ‘Ik weet niet wat jij allemaal meegemaakt hebt daar in dat rovershol, maar erg fraai zal het niet geweest zijn. Ik zal je nóg wat vertellen...’
    Robbe blijft stuurs voor zich uit kijken, maar hij luistert wél.

dinsdag 5 mei 2020




De prins en de zegelring - Afl. 48
Klaas ten Holt

Hoofdstuk 18  (vervolg)

Robbe is enorm opgelucht dat hij de nacht niet alleen in het moeras hoeft door te brengen, maar hij begrijpt niet hoe iemand zó goed van vertrouwen kan zijn. Dries is groot en sterk, dat wel, maar in een onbewaakt ogenblik... of ’s nachts, wanneer hij slaapt… Hij schaamt zich ook wel een beetje voor zijn gedachten. ‘Jongens als jij eindigen meestal voortijdig aan de galg of op het rad…’ had die jongen met dat lange rooie haar tegen hem gezegd. Dat gebeurde meestal in het openbaar op een dorpsplein. Geen prettig gezicht. Hij zal nooit vergeten hoe hij zich een keer in een menigte naar voren had gedrongen, nieuwsgierig naar wat er aan de hand was, en hoe hij net op tijd vooraan had gestaan om te zien hoe een jongen van ongeveer zijn eigen leeftijd met een grote strop om zijn nek van de ladder af werd geduwd. De jongen had niets gezegd, maar de uitdrukking in zijn ogen had boekdelen gesproken. ‘Zijn verdiende loon,’ zeiden de mensen om hem heen tegen elkaar, ‘een dief!’ Hij had daar zelf kunnen staan.
    Naast hem op de bok zingt Dries vrolijk van zijn Marie en lijkt zich van geen gevaar bewust. ‘Ha, ik herken het hier,’ roept hij plotseling. ‘Straks draait de weg naar links en dan zijn we er. Met een beetje geluk krijgen we nog wel iets te eten.’ Op de boerderij blijken ze niet de enige gasten. Een breeuwer en zijn knecht zijn net vóór hen aangekomen en zitten met de boer uit kleine glaasjes brandewijn te drinken.
    ‘Dries!’ roept de boer vrolijk, ‘je hebt iemand meegebracht, met wie heb ik het genoegen?’
    ‘Ha Sicco,’ antwoordt Dries, ‘dit is Robbe. Hij was in het moeras verdwaald toen ik hem vond, ik heb hem maar meegenomen. Heb je een plekje voor ons voor de nacht?’
    ‘Wees welkom Robbe,’ zegt de boer, ‘Dries’ vrienden zijn mijn vrienden. Kom d’r bij zitten, vooruit, schuif eens op jongens!’
    Er worden twee stoelen bijgezet en Dries en Robbe krijgen elk een glaasje brandewijn aangereikt. Robbe weet zich geen houding te geven, zoveel hartelijkheid en gastvrijheid heeft hij nog niet eerder meegemaakt. Daar moet bijna wel iets achter zitten. Hij besluit niets te laten merken, maar wel op zijn hoede te blijven. En je weet maar nooit, misschien valt er nog wat te halen op zo’n boerderij?
    ‘Waar kom je vandaan Dries?’ vraagt de boer. ‘Ben je weer in Tilburg geweest?’
    ‘Ja, bij m’n zuster en m’n zwager. Een partij tegeltjes brengen voor de keuken.’
    ‘Die jij toevallig nog had liggen.’
    ‘Nou, dat niet helemaal, maar ik kon er goedkoop aankomen.’
    ‘En je zuster en je zwager...’
    ‘Ach Sicco, die mensen hebben geen rooie cent. Sinds mijn zuster kwakkelt met haar benen, en mijn zwager die stoflong heeft.’
    ‘Je bent te goed Dries. Hier. Schenk nog maar eens in.’ De brandewijn gaat rond.
    ‘Welnee, welnee. Ik kan het best lij’en. Ik weet mijn kostje wel bij elkaar te scharrelen. Proost.’
    ‘En hoe is het in het Amsterdamse?’ vraagt de boer geïnteresseerd.
    ‘Ach, wat zal ik zeggen? Altijd druk en chaotisch. Jullie hebben zeker wel gehoord van de mysterieuze verdwijning van de kroonprins en zijn verloofde?’
    ‘Jazeker,’ beaamt het gezelschap.
    ‘De wildste theorieën doen de ronde,’ verzekert Dries, ‘Er zou een Frankische ridder achter zitten die aanspraak meent te hebben op de hand van die Normandische gravin.’
    ‘Gravin Renée,’ vult de boer aan.
    ‘Precies. En die zou het jonge paar ontvoerd hebben. Nogal onwaarschijnlijk, als je het mij vraagt.’
    ‘Ach, je weet maar nooit.’ Sicco kijkt peinzend naar de kruik brandewijn, ‘Het is een heetgebakerd volkje, die Franken.’
    ‘Dat is waar,’ knikt Dries, ‘maar nu is er nog een ander gerucht: let op,’ hij dempt zijn stem voor een beter effect, ‘er wordt gefluisterd dat prins Ivar in het geheim vertrokken is om zijn broer te gaan zoeken. Hij schijnt precies te weten hoe de vork in de steel zit.’
    ‘Prins Ivar?’ vraagt de breeuwersknecht.
    ‘Ja, Ivar. De oudere broer van prins Jarik. Ze vonden hem niet geschikt voor het koningschap en daarom heeft hij afstand van zijn rechten op de troon gedaan. Hij wilde liever vioolspelen. Het moet een indrukwekkende verschijning zijn: een lange sladood, met een spierwitte huid, helblauwe ogen en lang vuurrood haar, ze zeggen dat hij bijzondere gaven heeft.’
    Robbe verslikt zich in zijn brandewijn bij het horen van deze beschrijving. Die jongen in het moeras... en in de herberg... met zijn viool... en zijn lange rode haar... dat zal toch niet?’
    ‘Gaat het een beetje Robbe?’ Dries kijkt hem lachend aan.
    Robbe knikt en probeert iets uit te brengen.
    ‘Het zal de alcohol zijn,’ zegt de boer. ‘Daar is die jongen niet aan gewend. Gewoon doordrinken vent, elk volgend glaasje smaakt weer beter dan het vorige.’
    ‘Ah,’ zegt Dries, ‘de wet van Sicco!’ De fles gaat nog eens rond.
    ‘Wij hebben ook iets geks gehoord,’ zegt de breeuwer op zíjn beurt, ‘vanmiddag maakten we langs de weg een praatje met iemand die gisterennacht in een herberg niet ver hiervandaan een overval heeft meegemaakt. Een groep gemaskerde overvallers probeerde een van de gasten in zijn slaap te vermoorden. De waard was op het lawaai afgekomen en heeft samen met de andere gasten geprobeerd de overvallers te overmeesteren. Het is een flinke knokpartij geworden, maar de rovers zijn ontsnapt op gereedstaande paarden. Volgens de waard was de gast die ze hadden willen vermoorden een speciale gezant van de koning met een belangrijke geheime missie. Het zou iemand uit de hoogste kringen geweest zijn.’
    ‘Je bent je leven niet meer zeker onderweg. Wat jij, Robbe?’ roept Dries uit.
    Robbe laat niets merken, maar van binnen moet hij een beetje lachen om het verhaal van de breeuwer. ‘Een groep gemaskerde overvallers…' de waarheid is wel een beetje anders.

maandag 4 mei 2020





De prins en de zegelring - Afl. 47
Klaas ten Holt


Hoofdstuk 18 - Waarin Robbe zich het een en ander afvraagt en een duwtje in de goede richting krijgt.

Op een verlaten landweg staat een jongen van een jaar of zeventien zonder mantel, kletsnat, en helemaal onder de modder besluiteloos om zich heen te kijken. Zal ik inderdaad naar het noorden gaan, of tóch naar het zuiden, terug naar Willem de la Roche, denkt hij bij zichzelf. Als ik naar het noorden ga, weet ik niet waar ik terecht zal komen. Daar ken ik niemand, wacht er niemand op mij. Zijn maag rammelt. Hij heeft het koud zonder zijn mantel.
    Als ik naar het zuiden ga, weet ik ook niet wat me te wachten staat: ik heb mijn missie niet volbracht, daar houdt Willem niet van. De jongen loopt eerst een stukje naar het zuiden, keert dan om en vervolgt zijn weg toch maar in noordelijke richting.
    Een uur gaat voorbij zonder dat hij iemand tegenkomt. Hij raakt licht in paniek wanneer het begint te schemeren. Zijn paard, zijn zwaard en zijn proviand is hij kwijt en hij voelt er weinig voor om de nacht alléén in dit afgelegen moeras te moeten doorbrengen. Als er nog iemand langskomt kan hij die misschien van zijn mantel beroven. Of liever nog van een goedgevulde beurs.
    Hij denkt aan de onbekende die hij had willen vermoorden en die hem uiteindelijk het leven heeft gered in plaats van hem te laten verdrinken, wat zijn verdiende loon zou zijn geweest. Eigenlijk was die roodharige jongen heel wat vriendelijker tegen hem geweest dan zijn eigen meester. Drie jaar woont hij nu in La Roche. Van zijn ouders kan hij zich weinig herinneren. Zijn moeder is gestorven toen hij een jaar of drie was en zijn vader is er kort daarop vandoor gegaan, waarna hij een paar jaar overal en nergens woonde en vaker onder de blote hemel sliep dan in een bed. In La Roche was hij Lambert tegen het lijf gelopen die ervoor had gezorgd dat hij op het kasteel kon blijven. Al snel moest hij mee met Willem en zijn mannen als ze overvallen gingen plegen. Dan ging het er niet bepaald zachtzinnig aan toe. Maar alles went, zo ging het nou eenmaal in La Roche. En dat zijn meester door iedereen werd gevreesd, vervulde hem ook wel met enige trots.
    Nu is hij helemaal alleen en ver van huis terwijl de schemering al begint in te zetten; over een uur zal hij geen hand voor ogen meer kunnen zien. Net wanneer hij er maar eens flink de pas in wil gaan zetten hoort hij in de verte een stem. Het lijkt wel of hij iemand hoort zingen… Hij wacht even en probeert te bepalen uit welke richting het geluid komt. Weer hoort hij de stem: er komt hem iemand achterop! Na een paar minuten verschijnt van onder een haag van overhangende bomen een boerenkar met een dikke knol ervoor. Op de bok ziet hij nu ook de zanger.

‘van Deifelsbroek tot Goengarijp,
langs steden en door velden.
Mijn hart behoort aan mijn Marie,
die mij steeds vergezelde....

Hé, hó, eenzame wandelaar! Goed volk!’ roept een grote vent met een enorme overhangende buik en een volrond, joviaal gezicht. Met knarsende wielen komt de kar tot stilstand. Robbe taxeert de man en neemt een afwachtende houding aan.
    ‘Wie gaat er hier zo laat nog alleen over deze wegen? Ken je de weg of ben je verdwaald, jongeman?’
    ‘Ik...’
    ‘Ga je mijn kant op of de andere kant?’
    ‘Eh...’
    ‘Verdwaald hè? Dat zie ik zó wel. Klim maar op de bok. Als het straks donker is, kom je hier in je eentje nooit meer levend uit. Je zal niet de eerste zijn die in het moeras verzuipt.’ Hij steekt een hand uit en trekt Robbe naast zich op de bok. ‘Húúú Marie!’ spoort hij zijn knol aan. ‘Dries is de naam. En jij bent?’
    ‘Robbe heer, ik heet Robbe.’
    ‘Heel goed Robbe, maar een heer ben ik niet. Zeg maar gewoon Dries net als iedereen. En waar voert de reis naar toe?’ Langzaam zet de kar zich weer in beweging.
    ‘Ik? Naar het noorden. Om werk te zoeken.’
    ‘Zo, naar het noorden zeg je? En wat voor werk dan wel?’
    ‘Alle werk, heer, eh, Dries. Als het maar eerlijk werk is.’
    ‘Hm.’ Dries kijkt nog eens goed naar de jongen naast hem. ‘Werk heb ik niet voor je,’ in zijn stem klinkt enige aarzeling, ‘maar ik ga naar Amsterdam. Als je wilt, kun je een stuk met me mee rijden.’ Het wordt nu snel donker. Van achter uit zijn kar haalt Dries een grote lantaarn tevoorschijn met een kaars erin, die hij naast zich op de bok zet. Veel licht geeft het niet, maar zo raken ze in elk geval niet van de weg. ‘Ik ben niet van plan de hele nacht door te rijden hoor. We overnachten in een boerderij een klein stukje verderop. We zijn er zo.’

zondag 3 mei 2020





De prins en de zegelring - Afl. 46
Klaas ten Holt

Hoofdstuk 17  (slot)


Op hetzelfde moment staat in de grote hal, in het donker achter één van de zware pilaren, een in een donkere mantel gehulde figuur stilletjes te wachten. Uit alle poorten en gangen stormen gealarmeerde wachten en personeel in de richting van de binnenplaats. Wanneer de hal leeg is, haast de figuur zich naar de overkant, waar hij ongezien de gang naar de keuken inschiet. Zachtjes opent en sluit hij de keukendeur. Het vuur in de haard is bijna uit en de kaarsen gedoofd. Aan tafel ligt Lambert de kok met zijn hoofd op één arm luid te snurken. Snel hangt Ivar zijn mantel aan een haak in de bijkeuken, kleedt zich uit en gaat in het stro liggen wachten op wat komen zal; lang hoeft hij niet te wachten.
    ‘Verraad!’ schreeuwt iemand de keuken in, ‘verraad!’
    ‘Hm, hè wat?’ mompelt Lambert.
    ‘Verraad!’ wordt er nog een keer geroepen.
    ‘Schreeuw niet zo, idioot. Wat bedoel je? Wat is er dan?’
    ‘Verraad!’
    Ivar is intussen uit de bijkeuken tevoorschijn gekomen. Een jongen van nog geen vijftien jaar in wachters kostuum staat trillend van opwinding met getrokken zwaard tegenover Lambert. ‘Verraad,’ zegt hij nog een keer.
    ‘Ja ja, dat weten we nou wel,’ antwoordt Lambert, ‘maar wat is er dan? Wat voor verraad? Wie is er verraden?’
    De jongen kijkt hem niet begrijpend aan. Het lijkt wel of hij op het punt staat te huilen. ‘V-verraad,’ herhaalt hij nog maar eens, veel zachter nu.
    ‘Al goed,’ zegt Lambert met een bemoedigende blik, ‘ga maar vast vooruit, we komen er zó aan. En als ik je een tip mag geven jongeman,’ voegt hij er aan toe, ‘je hebt je maliënkolder binnenstebuiten aan.’
    ‘Wat is er aan de hand?’ vraagt Ivar, die probeert verbaasd te kijken.
    ‘Ze hadden het over verraad,’ antwoordt Lambert laconiek. Er zal wel iets gebeurd zijn, laten we maar even gaan kijken.’
    Ivar kleedt zich aan en volgt Lambert naar de binnenplaats van het kasteel, waar zich inmiddels de wacht en het voltallige personeel hebben verzameld. Niemand spreekt een woord. Op een verhoging staan ridder Willem en Matthis; de eerste lijkbleek en met een vreemde blik in zijn ogen, de ander ernstig, de armen over elkaar.
    ‘Ik geloof dat iedereen er nu wel zo’n beetje is, heer,’ zegt Matthis.
    Willem neemt het woord. Hij opent zijn mond een paar maal, maar er komt geen geluid uit. ‘Ik... Er is een verrader onder ons!’ weet hij uiteindelijk uit te brengen. Het wordt zo mogelijk nog stiller op de binnenplaats. ‘Er is... men heeft...’ hakkelt hij.
    ‘Dit is een zéér ernstige zaak.’ benadrukt Matthis.
    ‘Een provocatie!’ schreeuwt Willem.
    Het begint zachtjes te regenen, maar niemand durft zich te verroeren.
    ‘Dit zal tot op de bodem worden uitgezocht,’ verzekert Matthis na een lange stilte. ‘Tot op de bodem.’
    Lambert schraapt zijn keel. ‘Nemen jullie mij niet kwalijk,’ zegt hij rustig, ‘maar wat is er dan gebeurd?’
    ‘Wat er gebeurd is? Jij durft te vragen wat er gebeurd is?’ briest Willem.
    ‘Ja, dat vraag ik: wat is er dan gebeurd?’
    Er volgt opnieuw een stilte, het begint iets harder te regenen.
    ‘Een lied,’ sist Willem uiteindelijk. ‘Een lied.’
    Niemand zegt wat.
    ‘Een lied!’ herhaalt Matthis dreigend.
    ‘Een lied?’ herhaalt Lambert, zijn wenkbrauwen fronsend. ‘Het zal wel aan mij liggen,’ zegt Lambert om zich heen kijkend, ‘maar ik begrijp er niets van. Wat voor een lied? Kan iemand mij misschien vertellen waarom wij midden in de nacht bij elkaar zijn geroepen?’
    Stilte op het platform.
    ‘Ik weet niet of het jullie opgevallen is,’ vervolgt Lambert boos, ‘maar het regent. Ik heb het koud. Ik wil graag weer naar mijn bed.’
    Ridder Willem staat op het punt iets te zeggen, maar plotseling verandert zijn gezichtsuitdrukking. Hij wordt zo mogelijk nóg bleker, springt van het podium, stormt de binnenplaats over en rent naar de toren waar hij zijn vertrekken heeft, Matthis, Lambert en iedereen verbaasd achterlatend. Met vier treden tegelijk beklimt hij de smalle stenen trappen naar zijn kamer, schuift het gordijn opzij en haast zich de trap op naar de cel van zijn broer. Eenmaal binnen kijkt hij gejaagd in het rond, maar Thom ziet hij nergens.
    ‘Gevlogen...’ mompelt hij met trillende lippen. Bevend van woede en angst haalt hij de sleutel uit het slot en steekt die bij zich. ‘Het spel is uit, hoe kan ik zo stom geweest zijn.’
    ‘Willem!’ klinkt het plotseling vrolijk uit de fauteuil bij de haard. Van schrik laat hij de sleutelbos uit zijn handen vallen.
    ‘Je wordt slordig, broertje, je had de deur open laten staan. Drinken we nog een glaasje?’

zaterdag 2 mei 2020





De prins en de zegelring - Afl. 45
Klaas ten Holt

Hoofdstuk 17  (vervolg)


‘Je verbaast me Wim,’ zegt hij na een tijdje, ‘ik dacht dat je daar allang overheen was.’
    Ridder Willem werpt een woedende blik op zijn broer. ‘Je begrijpt er niets van,’ zegt hij, ‘jij weet niet hoe het is.’
    ‘Hoe wát is?’
    ‘Om altijd de tweede te zijn, niet gewenst te zijn, genegeerd te worden. Hoe hij naar me keek! Heb je daar wel eens op gelet, hoe vader altijd naar me keek? En hoe hij naar jóu keek? De vreugde, de trots in zijn ogen, Thom dit en Thom dat, maar ik? Ik was altijd te veel, overbodig.’
Ridder Willem staat voor de open haard en staart somber in het vuur.
    ‘We hebben het hier al zó vaak over gehad.’
    ‘Maar het is wél de waarheid!’
    ‘Ik heb het altijd voor je opgenomen.’
    ‘Lekker makkelijk.’ Willem draait zich om. ‘Als je toch alles al krijgt zonder er ook maar iets voor te hoeven doen, alleen omdat jij toevallig een half uur eerder geboren bent.’
    ‘Maar nu heb jij toch alles wat je wilt?’
    ‘Ja,’ zegt Willem somber, ‘maar toch voel ik me gevangen.’
    ‘Wat zeg je nou? Jíj gevangen?’
    ‘Ja, gevangen. Omdat ik geen kant op kan. Overal heb ik vijanden, zelfs mijn eigen personeel kan ik niet meer vertrouwen. En altijd het gevoel dat ik er geen recht op heb, dat alles wat ik bezit niet van mij is.’
    Thom kijkt zijn broer verbijsterd aan. Mokkend gaat Ridder Willem weer aan tafel zitten. ‘Ik zal nooit zoals jij zijn,’ zegt hij dan.
    ‘Opgesloten in een torenkamer?’
    ‘Dat bedoel ik niet.’
    ‘Maar wat bedoel je dan, broertje?’
    Willem vouwt zijn handen om zijn glas en staart somber in de donkerrode vloeistof. ‘Gewoon, de rust. Het lijkt wel of jij je nooit ergens druk om maakt. Een soort vrijheid die jij altijd hebt.’
    ‘Hoor je wel wat je zegt?’
    ‘Toch heb jij iets dat ik niet heb,’ gaat Willem koppig door. ‘Jij kon ook altijd met iedereen opschieten, zelfs Matthis vindt je aardig!’
    ‘Ach, ik weet niet. Ik neem de mensen gewoon zoals ze zijn. Ik deed er nooit speciaal moeite voor.’
    ‘Maar dat is nou precies wat ik bedoel, mij vindt niemand aardig. Ik zit gevangen in mijn eigen kasteel. Overal worden complotten tegen mij gesmeed. Altijd moet ik op mijn hoede zijn. Zelf Matthis heeft de laatste tijd een vreemde blik in zijn ogen.’
    ‘Je ziet spoken, broertje.’ Even is het stil. Het rommelt nog wel, maar het onweer is nu verder weg. Thom schenkt de glazen nog eens vol. ‘Kan ik je misschien verleiden tot een spelletje triktrak?’
    ‘Ik háát spelletjes.’
    ‘Eén spelletje? Je zult zien dat het je ontspant.’
    Willem zwijgt en staart langs zijn broer in het niets. Af en toe knapt er een blok hout in de haard. Thom haalt het spel tevoorschijn en legt de stenen op de rand van het bord. ‘Kom op, doe niet zo flauw. Eén spelletje.’
    ‘Ik hou er niet van. En bovendien win jij toch altijd.’ Willem blijft mokken.
    ‘Niet zeuren, het gaat om het spel, niet om het winnen.’ Hij schudt en werpt de dobbelstenen. Ze spelen een tijdje zonder iets te zeggen. Willem is er duidelijk met zijn gedachten niet bij.
    ‘Zó heeft het geen zin Wim, waar zit je met je hoofd?’
    ‘Ik...’
    Plotseling fluit iemand op de binnenplaats zachtjes een liedje. Of is het de wind die om de toren blaast? ‘Hoorde jij dat ook Wim?’
    ‘Ik... Wat?’
    ‘Ssst, stil!’ Weer horen ze iemand fluiten, onmiskenbaar nu. Ergens beneden op de binnenplaats fluit iemand zachtjes de eerste regels van een liedje.

    ‘Twee kleine ridders, samen in één ei…’

Verrast zingt Thom de woorden mee. Zijn broer verbleekt. Als door een adder gebeten springt hij op en trekt zijn zwaard. ‘Zie je wel!’ schreeuwt hij, ‘zelfs in mijn eigen kasteel ben ik niet veilig meer. Verraad!!’
    ‘Stel je niet aan Willem,’ lacht Thom. ‘Iemand fluit een liedje, meer niet.’ Maar ridder Willem is niet te houden. Met trillende handen opent hij met zijn loper de deur van Thoms cel en stormt briesend van woede de trappen af.
    Thom is ondertussen onder het kleine getraliede raam gaan staan en fluit als antwoord de rest van de melodie. De onbekende muzikant herhaalt de melodie nog éénmaal en zwijgt dan. Vlak daarna is te horen dat Willem, nog altijd luid ‘verraad!’ roepend, de binnenplaats heeft bereikt. Al snel beginnen ook anderen hem na te roepen en komt het hele kasteel in rep en roer.
    Thom blijft nog een tijdje onder zijn raam staan luisteren. Eén ding weet hij héél zeker: degene die floot is niet Lambert de kok, die klinkt heel anders. Maar wie dan wél? Jaren geleden heeft ook al eens een kinderstem onder zijn raam datzelfde liedje gezongen. Toen heeft hij zijn zegelring in een doek geknoopt en naar beneden gegooid. Nooit meer iets van vernomen. En nu dit… Zou men hem tóch niet vergeten zijn?
    Hij loopt terug naar de tafel om het afgebroken triktrak spel op te bergen. Pas dan ziet hij dat Willem zijn celdeur open heeft laten staan met de sleutels in het slot. Even weet hij niet wat te doen. ‘Nu! Vluchten!’ zegt een stem in zijn hoofd. Maar hij doet het niet; waar zou hij heen moeten? Ontsnappen is niet iets dat je zomaar even doet, zoiets moet goed voorbereid, en bovendien is het al laat en heeft hij zijn boek nog niet uit. Hij schenkt zichzelf nog een glas port in en gaat rustig in zijn fauteuil bij de haard zitten lezen.

vrijdag 1 mei 2020





De prins en de zegelring - Afl. 44
Klaas ten Holt


Hoofdstuk 17 - Waarin Willem en Thom de la Roche een nachtelijk gesprek in een torenkamer van het kasteel voeren.
Het regent dat het giet in La Roche. Van tijd tot tijd ritst het hemeldak open en wordt het kasteel beschenen door een grillig patroon van wit licht dat wel van achter de inktzwarte duisternis lijkt te komen. Na enkele seconden volgt een dof gerommel dat langzaam wegsterft. Alleen in de toren waar ridder Willem zijn kamers heeft, branden nog kaarsen. Verder is alles donker. Twee mannen zitten aan tafel. Ze praten en drinken bier.
    ‘Dat weet je zeker? Een kistje juwelen?’ zegt de ene.
    ‘Ik heb het van de rentmeester van het klooster van Saint-Hubert zelf,’ verzekert de ander, ‘met maar een paar soldaten in burger om geen argwaan te wekken. Hij wil tien procent voor de informatie.’
    ‘Als het waar is, zal ik hem zeker goed belonen,’ zegt de ander op een toon die het tegendeel lijkt te suggereren, ‘maar het lijkt me niet erg waarschijnlijk. Zo stom kan iemand toch niet zijn?’
    ‘Volgens de rentmeester doen ze het al jaren zo. Tot nu toe is het altijd goed gegaan, en ze sparen er de kosten van een gewapend escorte mee uit.’
‘Hm. Inderdaad wel iets voor die gierige monniken om daarop te bezuinigen. Volgende week vrijdag zeg je?’
    ‘Ze vertrekken vroeg in de ochtend, om aan het eind van de middag in Marche te kunnen zijn.’
    Willem staat op, loopt naar het raam en staart de zwarte nacht in.
    ‘Verraden door je eigen rentmeester,’ mompelt hij. ‘Waar moet dat heen met de wereld? Zoiets zou jij toch nooit doen, Matthis?’
    Matthis voelt dat hij een kleur krijgt. ‘Natuurlijk niet, heer.’
    ‘Wij kennen elkaar al bijna ons hele leven. Als kleine kinderen speelden we al samen. Weet je nog, Matthis?’
    ‘Ja zeker, heer.’
    ‘Mijn God, wat een streken haalden we uit! En altijd draaide jij er voor op, een plezier dat we hadden.’
    ‘Ja, heer.’
    ‘Maar goed, die overval. hm, nu ja, wat hebben we te verliezen. Goed werk Matthis.’ Ridder Willem schenkt de glazen nog eens vol en de mannen klinken. ‘Ik ga zo mijn kanariepietje voeren,’ zegt Willem met een knipoog als Matthis zijn glas heeft geleegd, ‘sluit jij beneden af als je weggaat?’
    ‘Jawel heer.’
    Eenmaal alleen blijft Willem nog een tijdlang somber voor zich uit staren. Het onweer is nu vrijwel recht boven het kasteel. Onweer in de winter: geen goed voorteken, denkt hij bij zichzelf. Hij neemt een laatste slok uit zijn glas, staat op en haalt een sleutel tevoorschijn die hij aan een ketting om zijn nek draagt. Daarmee opent hij een metalen kistje dat op het kabinet achter zijn bureau staat. Behalve enige documenten bewaart hij daarin een bos met diverse grote en kleine sleutels. Hij opent een deur die verborgen zit achter een met goud gestikt roodfluwelen gordijn. Deze geeft toegang tot een smalle trap naar een hoger gelegen verdieping. Op een dienblad op zijn bureau staat wat er over is van zijn avondmaal. Hij pakt het op, schuift het gordijn opzij en bestijgt langzaam de treden. Bovenaan de trap is een zware met ijzer beslagen eikenhouten deur. Willem schuift de grendel opzij, steekt één van de grotere sleutels van zijn bos in het slot en draait twee maal om. Met zijn schouder duwt hij tegen de deur, die toegang geeft tot een ruime ronde kamer met twee kleine getraliede ramen waarvan er één uitkijkt op de Ourthe, en het andere, dat vlak onder het plafond tussen twee zware steunbalken geplaatst is, op de binnenplaats. Een grote luchter met twee rijen kaarsen verlicht het vertrek dat verwarmd wordt door een aangenaam vuur in de open haard. Langs de wanden staan enige goed gevulde boekenkasten en een dressoir. Op een donkerbruin gebeitste lange houten tafel liggen nog veel meer boeken gestapeld. Er staat een hemelbed met daarnaast een stoel met daarop ook weer boeken. Op de vloer liggen diverse tapijten en voor de open haard staat een met leer bekleedde fauteuil met voetenbank en kussens.
    ‘Zo, broertje, je zult wel honger hebben,’ zegt Willem wanneer hij het vertrek betreedt. Hij zet het dienblad met het eten op het dressoir en doet de deur weer op slot.
    ‘Ik moet toegeven dat ik trek begon te krijgen,’ zegt een opgeruimde stem uit de fauteuil bij de haard. ‘Je was druk zeker?’
    ‘Altijd, broertje, altijd.’
     ‘Mag ik je wat inschenken, of moet je meteen weer weg?’ Thom de la Roche staat op uit zijn fauteuil, legt het boek dat hij aan het lezen is met de rug naar boven op een van de brede armleuningen en loopt naar het dressoir. Hij schenkt twee glazen port in en houdt ze even tegen het licht van de kaarsen in de luchter. Hij dekt voor zichzelf en wijst zijn broer een stoel tegenover hem aan de andere kant van de tafel. ‘Je ziet er uit of je zorgen hebt, Wim. Of ben je alleen vermoeid?’
    ‘Eet, broertje, eet,’ zegt ridder Willem. ‘Zorgen? Ach, zorgen.’ Een tijdje zitten de tweelingbroers zwijgend tegenover elkaar terwijl Thom eet.
    ‘Je klinkt weer zo triest Wim. Ik vind dat je er de laatste tijd vermoeid uitziet, dat is wel eens anders geweest. Je hebt nu toch alles wat je wilt?’
    ‘Ik?’ zegt ridder Willem somber, ‘alles wat ik wil?’ Een enorme donderslag klinkt recht boven de toren.
    ‘Ja natuurlijk. Je hebt alles waar je recht op meende te hebben: het kasteel, de titel, je bent de machtigste en meest gevreesde man uit de hele omgeving.’
    ‘Gevreesd, dat wel. Gevreesd en gehaat.’
    ‘Maar dat is toch precies wat je wilde?’ Thom kijkt zijn broer verbaasd aan.
    ‘Ik weet het,’ verzucht Willem. ‘Eerst dacht ik dat ik onaantastbaar was, ik was voor niets en niemand bang; Willem de la Roche, alleen het uitspreken van die naam bezorgde de mensen koude rillingen.’
    ‘De gevreesde roofridder in zijn onneembare rotskasteel!’
    ‘Lach me maar uit, maak me maar belachelijk.’
    ‘Ik lach niet. Ik bewonder je, heus. Ik respecteer je. Ik keur je daden natuurlijk af, maar toch heb ik respect voor je, voor je grenzeloze ambitie. En ik hou ondanks alles van je, van mijn jongere broertje dat door vader zo slecht behandeld werd.’
    ‘Zwijg daarover.’ Willem staat op en begint met grote passen door het vertrek te ijsberen.
    Thom gaat verder met zijn maaltijd.