donderdag 22 april 2021

 


 

In oktober 1965 gingen mijn ouders, toen 29 en 30 jaar oud, Kees ten Holt (1935 - 1990) en Ursula Roth (1934 - 1981) uit elkaar. Mijn moeder nam mij (5 jaar oud) mee naar Israel, om zich met mij in de nieuwe heilstaat te vestigen in kibboets Lahav in de Negev. Mijn ouders schreven elkaar dagelijks, en al snel werd duidelijk dat ze moeilijk zonder elkaar konden. De volledige correspondentie (in ca. zeventig brieven) is bewaard gebleven.
(afl. 59)

 

Lahav, 30 december 1965, Ursula

lieve Kees,  

het is nu 11.30 uur, dus erg laat voor mij maar ik schrijf je toch. Ik heb vanavond met Eri en Michal gesproken. Het was een pak van mijn hart, ik was ineens zo nerveus voor hun komst dat ik twee pilletjes uit een vol doosje heb genomen. Zij begrepen het volkomen, en vonden het het beste wat ik doen kon om ons gezin te herenigen. Eri sprak er wel over dat wij met z’n drieën konden komen en dat hij dan z’n best zou doen voor een goede kibboets, want het is inderdaad zo dat dit kinderhuis te kampen heeft met grote moeilijkheden. Ik durfde niet te zeggen dat het niet mijn wens is in een kibboets te wonen. Michal zei dat ze het ongelofelijk vond dat ik niet ontzettend teleurgesteld was in het leven, en dat ik me van niemand iets aan moest trekken, en dat zij dit het beste vond wat ik kon doen.
    Ik heb proberen uit te leggen waarom ik het deed, ik kan niet zo duidelijk zijn, liefje, ik vertel je alles nog wel precies. Ik kan alles wat ik wil opsturen. Nu ga ik dus de 28ste! Wil jij dan alsjeblieft zorgen dat ik alle reispapieren heb, en ook nog extra geld, want over mijn geld hebben we het niet gehad, ik durf er niet over te beginnen.
    Dit wordt een verwarde brief, maar ik ben erg moe. Ik heb toen ze weg waren en Klaas wakker was hem precies voorgerekend hoelang het nog zou duren. Hij was in de wolken, hij gelooft het nu pas echt, denk ik. Ik ben zo opgelucht, ik voel echt reiskoorts. Klaas wil niet slapen. Ik voel echt dat het een goed besluit is om terug te komen bij jou, ik heb ook een gevoel dat ondanks alle kritiek die er misschien zal zijn, iedereen het toch als iets verheugends moet zien als een huwelijk weer goed komt, als men er tenminste aan wil werken, denk je ook niet? Als ik er aan denk dat ik uit de trein stap en jij staat daar, voel ik me helemaal blij worden.
    Ik hoop (misschien uit gemakzucht) dat alles zonder moeilijkheden zal gaan. Ik voel me zo lui en dik en suffig. Maar toch tot veel in staat. Ik maak het niet helemaal waar, ik kan niet opstaan, niet naar bed gaan  ik wil steeds de matperah uit, ik ben onrustig. Ik doe alles zo goed ik kan. Liefje, ik ga nu slapen (of misschien nog wat lezen in On human bondage) Ik heb in één adem Nine stories (science fiction) van Isaac Asimov gelezen, ontzettend goed. Ik heb in een adem Russische verhalen gelezen, ik heb een leeshonger. Tussendoor lees ik Chassidische verhalen. Ik voel me een echte sufferd, een luilak in alle opzichten, heb jij dat ook wel eens?
    Ik wil werken, want dat moet ik wel, maar ik wil mijn eigen werktijd bepalen, daar kom ik niet meer van los. Ik vind het moeilijk om een afgebakende tijd te moeten werken. Ook met het opstaan gaat het zo, toen ik niet hoefde stond ik netjes om vijf à zes uur op, nu sta ik met de grootste moeite om zeven uur op. Enfin, zoals ik al zo vaak schreef, ik zie het wel weer, alles sal reg kom.
    Ik ben in een heel dubieuze stemming, opgewonden, luchtig en moe, liefje, tot gauw ziens, schrijf me ook gauw, veel veel liefs en omhelsd. Ursula.

Vrijdagochtend.
Liefje, dat is nu dus afgesproken, ik vaar met de Moledet de 28ste januari, maak jij het dan in orde?    









 


 

In oktober 1965 gingen mijn ouders, toen 29 en 30 jaar oud, Kees ten Holt (1935 - 1990) en Ursula Roth (1934 - 1981) uit elkaar. Mijn moeder nam mij (5 jaar oud) mee naar Israel, om zich met mij in de nieuwe heilstaat te vestigen in kibboets Lahav in de Negev. Mijn ouders schreven elkaar dagelijks, en al snel werd duidelijk dat ze moeilijk zonder elkaar konden. De volledige correspondentie (in ca. zeventig brieven) is bewaard gebleven.
(afl. 58)


 

Lahav, dinsdag 28 december 1965, Ursula

liefje, gistermiddag in de matperah was ik eventjes met Nomi alleen en toen heb ik tegen haar gezegd dat ik wegging. Het kwam allemaal heel brokkelig over, want ik werd er erg nerveus bij. Gister vroeg ik ook aan Michal of ik haar kon spreken. Zij zou vanavond komen. Zij en Eri zijn wel geweest, maar alleen om te zeggen dat ze donderdagavond pas kunnen. Tegen Nomi kon ik niet veel zeggen, voor zover ze eruit wijs kon begreep ze het wel. Ze was de hele dag en ook vandaag ontzettend vriendelijk tegen me. Je moet weten, zij is geloof ik een beetje uit haar humeur, ze spreekt tegen iedereen op ruzie toon behalve tegen mij.
    Ik houd me helemaal vast aan de 28ste januari, die dag moet het worden. Ik denk steeds aan de terugreis, ik kan er nauwelijks van slapen. Het is erg jammer dat ik niet met Michal en Eri heb kunnen spreken, ik ben een beetje bang dat ze zullen proberen me hier te houden. Dat zal niet lukken want ik ben vastbesloten. Het is nl. zo dat Nomi vandaag tegen me zei dat ik, nu ik wel zes uur werkte, een blouse en een lange broek kon krijgen en nog meer. Ik kreeg een mooie dikke deken met een laken er omheen, zoals hier de gewoonte is, tot nu toe hebben we altijd onder heel oude, dunne dekens en heel oude, soms kapotte lakens geslapen. Ik krijg voor Klaas ook zo iets. Het kan natuurlijk toeval zijn, maar misschien vinden ze het de moeite waard om te proberen ons hier te houden. Ik doe, al zeg ik het zelf, mijn werk heel goed. Ik onthoud wat me gezegd is en maak praktisch nooit fouten. Maar hoe het ook zij, ik houd de 28ste aan. Ik ben van plan om in Marseille tot ’s avonds een kamer te nemen in dat hotel naast het station, zodat we rustig kunnen zitten. Klaas houdt niet van sjouwen door een stad en zeker niet als het koud is. Dat zal wel kunnen denk ik, dan eten we er ’s avonds wat en ’s middags ook. Alleen, hoe kom ik aan Frans geld, hoe kom ik überhaupt aan los geld, en wat kost zoiets allemaal? Dus, b.v. op de boot cigaretten, iets extra’s, in Marseille, iets te eten voor onderweg in de trein, een taxi naar het hotel, misschien een kruier, 2 x eten, een kamer? Ik heb eigenlijk geen idee van prijzen en ik ben altijd bang dat ik te weinig geld heb.
    Ik hoop nu maar dat ze het me hier niet te moeilijk maken. Enfin, ik zie het wel weer. Klaas is erg lief. Hij wil alleen helemaal niet naar de Beet Jeladiem en hij komt ook steeds naar de matperah, daar zit hij dan zoet te schrijven, ellenlange verhalen in een zelfgemaakt boekje. Ik heb zijn haar zelf geknipt en het zit heel goed. Vandaag kwam je brief voor hem, hij was er dolblij mee. Hij dacht wel eerst dat de rode auto van ons was.

Woensdag 29 december.
Ik heb gewoon niets meer om mee te schrijven. Het is ’s ochtends 7.15 uur, ik kan helemaal niet meer opstaan van de kou, ik breng deze brief weg, hoewel er niet veel instaat. Ik schrijf je zo gauw mogelijk weer. Schrijf me alles wat je aan het doen bent. Veel liefs, omhelsd door Ursula.  











dinsdag 20 april 2021


 

 

In oktober 1965 gingen mijn ouders, toen 29 en 30 jaar oud, Kees ten Holt (1935 - 1990) en Ursula Roth (1934 - 1981) uit elkaar. Mijn moeder nam mij (5 jaar oud) mee naar Israel, om zich met mij in de nieuwe heilstaat te vestigen in kibboets Lahav in de Negev. Mijn ouders schreven elkaar dagelijks, en al snel werd duidelijk dat ze moeilijk zonder elkaar konden. De volledige correspondentie (in ca. zeventig brieven) is bewaard gebleven.
(afl. 57)


 

Amsterdam, maandag 27 december 1965, Kees

lieve Ursula,

het water druipt langs m’n neus, oren, haren en kin naar beneden. De meeste van mijn brieven ontstaan in het bad. Ik heb vanmiddag een heerlijke shampoo gekocht en een nieuwe aftershave, kleine maar belangrijke zaken in mijn bestaan. Soms tenminste. Vanmiddag heb ik mijn haar laten knippen, voor het eerst sinds je weg bent. John Lennon was kaal vergeleken bij mij. Echt waar. Ik ben naar de kapper van Jan Fontijn gegaan. Froukje vindt mijn haar nog lang, ’s lands eer, ’s lands wijs: ik ben geen Leienaar. De kapper heeft mij goed geknipt. Hij heeft een eenmansbedrijf in de Joh. Verhulststraat. Hij ziet er uit als een vriendelijke gangster. Een van de achtergrondfiguren uit een Eddie Constantine film. Hij was zo fysiek aanwezig dat ik de shampoo en de lotion maar bij hem gekocht heb. En dure. Er werd net opgebeld. Jan neemt de telefoon aan. Sim, of ik terug wil bellen. Vanmiddag belde Elly op om me uit te nodigen, woensdagavond, etentje met Sim, Elly, Hetje plus verloofde, Sim(metje), Heleen, Ben en Katrijn. Ik wist van Heleen dat ze me zouden uitnodigen. Ik had besloten niet te gaan, dus heb ik tegen Elly gezegd dat ik woensdag niet kon. Ik ben benieuwd wat Sim nu heeft. Ik moet hem terugbellen als ik uit het bad kom. Ik doe tegenwoordig voor zover mogelijk alleen nog maar waar ik zin in heb.
    Vanmorgen was er geen post van je. Vanmiddag om vier uur ook niet. Maar door de kerstdrukte was de post erg laat. Om half zes hoorde ik iets in de brievenbus vallen. Rekening van Herngreen (belastingadviseur van mijn vader, KtH), aantal kerstkaarten van leerlingen (allemaal meisjes), kerstkaart gericht aan K. ten Holt, van Joost en Joop van de Pol, Zwanenburgwal 39. Nog nooit van gehoord. Enfin, er wonen aardige mensen in deze stad. Ik zal ze eens opzoeken.
    En, helemaal onderop een brief van jou. Liefje, dit was geen vrolijke brief. (19 dec.) Ik ben blij dat mijn pakje eindelijk is aangekomen. Was Klaas wel blij met de autootjes? Ik heb Klaas vorige week een brief geschreven. Ik hoop dat die inmiddels is aangekomen. Hopelijk ook mijn brief met reismogelijkheden. Misschien zal dat je een beetje opvrolijken.
    Ik probeer al zuinig te worden om zoveel mogelijk voor je reis zelf bij te kunnen leggen. Ik kocht nog al eens lekkere dingetjes. Ik heb wat etenswaren betreft altijd alles in voorraad, 2 pakken koffie, twee pakken rijst, 2 kilo suiker enz. Als één op is, koop ik nieuwe, dat is erg handig. Alleen vindt Jan dat ook, en als ik m’n tweede pak koffie wil aanbreken, heeft Jan dat al voor me gedaan. Hij praat ook over ‘ons huis’. Op een dag gaat hij mij huur vragen, of zal hij in ieder geval de huur van Froukje innen. De sfeer in huis is erg goed en gezellig. Froukje doet erg haar best, Vandaag heeft zij voor Jan afgewassen, en laatst heeft zij boodschappen voor me gedaan.
    Ze probeert niet gechoqueerd te zijn door de, overigens keurige, gesprekstoon van Jan en mij. (“die jongen, ok, dat is een geweldige slappeling, hij heeft geen kloten”) Dit was Jan. Mijn bad wordt koud. Ik ga eruit, ik schrijf je straks verder.

straks.
Ik heb Sim opgebeld. Omdat ik woensdag niet kon hebben ze het hele gedoe naar donderdag verplaatst. Daar zit ik mooi aan vast. Ik had niet het hart om te zeggen dat ik donderdag ook niet kon.

Woensdag 29 dec. 1965
Lieve Ursula, ik zit aan tafel in de kamer. Ik rook een cigaret. M’n hand trilt. Het is twaalf uur (overdag). Het is binnen behaaglijk warm, buiten mooi weer, maar koud. Twee verwarrende, drukke, maar wel fijne dagen achter de rug. Maandagavond begon ik je verder te schrijven onder het hoofd Straks, toen ik de eerste zin op papier had kwam Jan de kamer binnen. Ga je mee naar de film? Nee. Waarom niet? Er is een nieuwe film van Godard in de Uitkijk (bioscoop aan de Prinsengracht, KtH). Ik heb geen zin. Toe, ga nou mee. Nee. Breng me dan een eindje weg. Nou goed. Jassen aan, de kou in. Bij de Uitkijk. Je gaat nu zeker wel mee? Nee. Ik heb geen zin om alleen te gaan. Nou, dan ga je niet. Toe nou. Nee.
    Jan alleen naar de bioscoop. Ik even een glas bier drinken, dan naar huis, verder schrijven, op tijd naar bed. Eén glaasje bier. Nou ja, misschien twee. Niet méér. Ik kom Hoppe binnen. Er wordt aan mijn arm gerukt, ik val om. Schrok enorm. Hans van Rij. Hé, hallo, sorry, ik was alleen blij dat ik je zag. Ik ben hier al vanaf vier uur, heb nog niemand gezien tegen wie ik kan praten. Neem een glas bier. Graag. Hans dronken. Lisette komt binnen. (Lisette Lewin, KtH) Terug uit de Sinaïkliniek. Lisette komt bij ons zitten. Dit is Hans, dat is Lisette. Wil je een glas tonic? Nee, bier. O. Drie bier. Nog drie bier. Praten. Hans praat aan een stuk door hoewel z’n tong niet helemaal meer meewerkt. Half twaalf. Ik wil weg. Jan komt binnen. Somber van sombere film. Je gaat nog niet weg. Je kan best even wachten. Vier bier. Nog vier bier. Een uur. Oude herberg. Willem Royaards. (neef van Kees, KtH) Vijf bier. Nu zijn we allemaal dronken. Willem met de auto. Brengt ons thuis. (Jan, mij, Lisette, die nu vlakbij ons in de buurt woont) Willem neemt meisje mee. Jan herinnert zich een fles Beaujolais die van ons kersteten is overgebleven. Wil Lisette ook nog een glaasje wijn? Lisette wel. Goed. Tot vier uur ’s nachts gedronken en gepraat.

Volgende dag (dinsdag) om 11 uur op. Daniëlle komt met broodjes en paté. Twaalf uur aan het werk. ’s Avonds komt Heleen hier eten. Heleen, Jan, Daniëlle en ik. Ik heb gekookt. (lever, uien, tomaten, champignons, knoflook,, mandarijntjes, spaghetti, erwtjes, ik word een goede kok)
    Om acht uur naar Daniëlles huis. Kijken naar Toon Hermans op de T.V. Elf uur naar huis. Jan, Heleen en ik. Nog een glaasje wijn. Telefoon. Hans van Rij. Mag ik naar je toe komen, de muren van m’n kamer komen op me af, ik heb hallucinaties. Natuurlijk, tot zo dadelijk. Vijf minuten later is hij hier, met een taxi en een fles wijn. Heleen slaapt in haar stoel. Jan, Hans en ik praten. Wij zijn bezorgd dat Paul McCartney de Beatles zal verlaten om alléén meer geld te kunnen verdienen. Dat zou een ramp zijn. Wijn, meer wijn. Heleens hoofd is opzij gezakt. Froukje komt thuis. Froukje wil je ook een glas wijn? Nou, eh, graag. Froukje vindt ons maar gekke jongens. Een hoop van onze ideeën vindt ze ‘helemaal fout, zeg’. Toch constateren wij dat ze wat soepeler aan het worden is. Wij vinden dat onze invloed een relativerende werking heeft op haar (Marks) ideeën. Mark is het prototype van rechtlijnig burgerlijk fatsoen. Volgens Jan heeft hij geen kloten. Wijn is op. Kom op, Froukje, jij hebt vast nog wel iets lekkers in huis. Na enige aarzeling komt er een fles sherry op tafel. Binnen een half uur is de fles leeg. Bel een taxi voor Heleen. Froukje naar bed. Wij praten nog wat. Bied Hans aan te blijven slapen. Hij wil naar huis. Jan en ik lopen nog een eind met hem op. Vier uur in bed, vanmorgen om elf uur gaat de bel. Willem Royaards. Koffie. Opstaan. Willem weer weg. Toen dit relaas over de afgelopen twee dagen.
    Vanavond ga ik met Hans in de stad eten. Hij kan mij maar fl. 250,- lenen omdat hij een grote rekening van zijn psychiater heeft gekregen. Maar ik mag een paar maanden wachten met hem terug te betalen, zodat ik nu vrij gemakkelijk de rest van iemand anders kan lenen en dat dan eerst terugbetalen.
    Je brief van vanmorgen is een stuk opgewekter dan je vorige brief. Fijn dat het met Klaasje beter gaat nu. Zodra we het eens zijn over een datum zal ik naar juffrouw Acohen gaan. Een aantal mensen weet nu wel dat je terugkomt. Ik zeg niet wanneer. Ik neem aan dat we geen behoefte hebben aan al te grote belangstelling. Ze merken het wel als je er weer bent. Ik blijf maar wat vaag. Waarschijnlijk eind februari, zeg ik. Ik zal alleen tegen Hans en Jan zeggen wanneer je terugkomt, en misschien zelfs niet eens tegen hen. Maar je géén zorgen. Het gaat erom of wij gelukkig kunnen worden, en wat anderen denken of willen denken is niet relevant. Bovendien is wat ons is overkomen zo ‘gewoon’ dat er geen enkele reden tot gene hoeft te bestaan. Binnen een uur na je aankomst weet heel Amsterdam dat je terug bent, en binnen twee uur is iedereen het alweer vergeten. Ik verbied je hierbij om nog één gedachte te besteden aan de gedachten van anderen. Veel belangrijker lijkt me Jet. Hoe wil je die in godsnaam meenemen? Ze is van harte welkom, maar ik zou het toch maar uit m’n hoofd zetten. Je zult meer dan genoeg zorgen en zorgjes hebben op je terugreis, en een week lang reizen met een volwassen poes lijkt me een lastige en onnodige extra taak. Bovendien is er een zwartwit gevlekte poes in de buurt die zich hier binnen probeert te dringen. Marietjes verzet tegen zijn plannen wordt al wat zwakker, en drie katten vind ik wel genoeg. Probeer maar om een goed tehuis voor haar te vinden in Lahav.
    Ik heb vorige week op de T.V. een film gezien over Israël. Een bus op weg naar Jeruzalem. Ik heb goed gekeken, maar je was niet bij de mensen in de bus. Misschien was het wel dezelfde bus waarmee jij ook geweest bent. Ik vind het zo vreemd als ik eraan denk dat je beweegt, rondstapt, ademhaalt, eet, naar de W.C. gaat op een vierkante kilometer van deze aarde, terwijl ik hetzelfde doe, ook op een klein plekje van de wereld, maar zo ver weg. Het is geen erg diepe gedachte, maar toch vind ik het gek.
    Klaas z’n rode muts met kwast is terecht. Hij zat onder in de slaapzak van Deborah. Op 16 maart trouwt Claus von Amsberg met Beatrix. Het gerucht doet de ronde dat Claus een homo is. Sim is katholiek geworden. Ik zit in m’n kamer en schrijf een brief aan mijn vrouw in Israël. Jan draait een plaat van Bach. Froukje zet krulspelden in. De planten zeuren een beetje verlept om water. Er komt een vliegtuig over dat gaat landen op Schiphol. Hoeveel verdriet en vreugde, vaarwels en verwelkomingen brengt dat met zich mee? De klok tikt verder, straks gaat de zon onder. Kom maar gauw terug.
    Voor me liggen de drie foto’s van Klaas uit Israël, ik heb ze van de muur bij m’n bed gehaald om ze aan Willem te laten zien. Ik verlang erg naar Klaas. Vanmorgen kwam Folkert (buurjongen uit de straat, KtH) vragen wanneer hij nu eindelijk terugkwam. Ook de Brouwerkinderen vragen regelmatig naar hem. Een van de heldjes van de straat. Daniëlle breit een trui voor hem. Ik zie Mathijsen nooit. Ik hoop dat hij gauw opdondert. Maar we moeten ons geen zorgen maken.
    Liefje, deze brief gaat per expresse naar het beloofde land, al krijg ik niet de indruk dat het veel sneller gaat. Het is nu een uur of twee. Ik ga me wassen en wat eten. Houd je goed en wees blij. Er is nog een hoop voor ons te doen. Je mag best zo nu en dan somber zijn, daar is voldoende reden voor, maar gelukkig is er zo nu en dan ook wel enige reden tot blijdschap.
    Kus Klaasje van me en wees omhelsd door mij. Kees.










 

 

In oktober 1965 gingen mijn ouders, toen 29 en 30 jaar oud, Kees ten Holt (1935 - 1990) en Ursula Roth (1934 - 1981) uit elkaar. Mijn moeder nam mij (5 jaar oud) mee naar Israel, om zich met mij in de nieuwe heilstaat te vestigen in kibboets Lahav in de Negev. Mijn ouders schreven elkaar dagelijks, en al snel werd duidelijk dat ze moeilijk zonder elkaar konden. De volledige correspondentie (in ca. zeventig brieven) is bewaard gebleven.
(afl. 56)


 

Lahav, zondag 26 december 1965, Ursula

lieve Kees,

Terwijl ik dit schrijf, lieve Kees, ben jij op een feestje of je zit nog te eten met Jan en Daniëlle. Dat we hier niets van de kerstdagen merken? Dat denk je maar, we hebben in de kibboets een kerstboom, die is van Odie en Marscha. Marsha is een Amerikaans meisje dat met een Israëli van de kibboets getrouwd is, ze is niet joods, en ze is hier pas. Ze hebben slingers en ballen en cadeautjes gekocht en een dennenboom uit de heuvels gehaald. De hele kibboets is naar hun huisje gegaan om hem te bekijken, ik heb hem zelf niet gezien, ik weet niet waar ze wonen, en bovendien ken ik ze niet. Ik hoop dat jij prettige dagen gehad hebt. O ja, ik kreeg trouwens nog een kerstkaartje van mijn vader en Rucki.
    Liefje, vandaag kreeg ik je brief van 23 december. Allereerst ga ik nu even dus wat bespreken met je. Ik zal denk ik met de Moledet op 28 januari gaan, dat lijkt me een geschikte datum, dan arriveren we 3 februari in Amsterdam. Ik heb nog niet met Michal en Eri gesproken, maar ik zal het morgen of overmorgen doen, en dan stuur ik m’n boeken vast weg, dan heb ik niet veel meer te dragen, want aan gesjouw heb ik een reuzehekel. Ik hoop nu alleen maar niet dat ze het erg vinden en dat ze me ook niet zullen pressen dan maar zo gauw mogelijk op te krassen, regel jij dan ondertussen als het kan alles. Zo gauw ik met ze gesproken heb schrijf ik je en ik zal vragen of het nu eens expresse kan. Ik zeg trouwens wel dat het niet eerder kan omdat jij het huis hebt verhuurd en de mensen er niet eerder uit zijn. Kun jij me nog schrijven wat de vertrekdatum uit Israël van de Moledet is? Moledet betekent geboorte, thuis, geboorteland, dat lijkt me voor mij toepasselijker dan Bilu, dat betekent Huis van Jacob, komst en laat ons gaan. De Bilu was een groep van jonge pioniers in Israël, en ik ga juist weg. Hoewel ik blij ben dat ik naar huis ga, vind ik het heel erg Israël te moeten verlaten. Ik beschouw het nog steeds als een groot geluk en geschenk dat ik hier ben. Ik hoop dat we er samen nog eens zullen komen, en misschien, wie weet, nog eens kunnen wonen. Op het moment ben ik er kennelijk nog niet aan toe, ik heb een beetje het gevoel van een gladde wand af te glijden. Dit was ook geen Alyah, (term voor de Joods-Zionistische emigratie naar Palestina en later Israel, KtH) dit was een sprong en een genezing, een gunst.
    Ik hoop dat je me nu geen kwezel vindt, maar dit is zo’n mooi en wonderlijk land. Er gaat een sfeer van eeuwen vanuit, en heus niet alleen van de oude steden, maar juist van de heuvels. Het lijkt zo bekend, dat komt omdat ik ze ook ken uit de bijbel, uit verlangen ernaar. Kun je hier iets van begrijpen? Ik begrijp er zelf niets van, maar het heet niet voor niets het heilige land.
    Deze brief wordt niet zo lang, ik heb niet erg veel te schrijven, ik denk steeds aan jou, vannacht droomde ik dat ik thuis was en ik droomde ook dat ik met jou in bed lag en dat dat heel prettig was. Klaas spreekt voortdurend over je, hij wil je dolgraag weer zien, en toch zegt hij ook dat hij in Israël wil blijven, maar met jou erbij. Enfin, het is toch echt kindergepraat. Hij is ontzettend mooi en lief, het aanminnigste kindje dat ik ooit gezien heb. Ik heb vandaag zijn haar weer uit de greep van de kapper gered, het is behoorlijk lang, ik knip het zelf wel en dan kan hij in Amsterdam naar een goeie kapper. Is er eigenlijk nog iets van speelgoed voor hem, wil jij het dan uitzoeken? Liefje, ik ga nog even lezen, ik heb een spannend boek “War of the worlds” van H. G. Wells. Daaag, ik schrijf morgenochtend nog wat.

Maandag 27 december
Liefje, jammergenoeg heb ik niet veel tijd meer om te schrijven. We moeten weg, ik wil deze brief nu posten, dus hij blijft vrij kort. Ik heb het boek van Wells gister helemaal uitgelezen, het hele boek in één dag. Ik heb me een ongeluk gelezen. Ik begin nu aan een boek met Russische verhalen. Als ik weer thuis ben ga ik ook ontzettend veel lezen, ik heb op het ogenblik een echte leesrage, ’s morgens kan ik niet opstaan.
    Liefje, nu moet ik ophouden, heel, heel veel liefs. Omhelsd en sterkte en schrijf me gauw en gauw. Ursula.

LIEVE PAPPIE WEET JIJ DAT IK AL KAN SRIJVEN
LIEVE LIEVE PAPPIE
VAN KLAAS





zondag 18 april 2021


 

 

In oktober 1965 gingen mijn ouders, toen 29 en 30 jaar oud, Kees ten Holt (1935 - 1990) en Ursula Roth (1934 - 1981) uit elkaar. Mijn moeder nam mij (5 jaar oud) mee naar Israel, om zich met mij in de nieuwe heilstaat te vestigen in kibboets Lahav in de Negev. Mijn ouders schreven elkaar dagelijks, en al snel werd duidelijk dat ze moeilijk zonder elkaar konden. De volledige correspondentie (in ca. zeventig brieven) is bewaard gebleven.
(afl. 55)


 

Amsterdam, donderdag 23 december 1965, Kees

lieve Ursula,

gister kwamen je twee brieven van woensdag 15 en vrijdag 17 dec. Ik heb gister geen rust gehad om terug te schrijven. Laatste schooldag, boodschappen, mensen, telefoon. Nu is het donderdagmiddag drie uur, ik heb mij teruggetrokken in de badkamer. Ik zit in een heerlijk vol, warm bad. Ik heb een droge handdoek over de plank gelegd, en nu kan ik je op m’n gemak gaan zitten schrijven. Ik was erg blij met je twee lange brieven. Mijn antwoord ga ik indelen in een paar hoofdstukken, zodat alles zo duidelijk mogelijk overkomt.

                                Je terugreis.

De reis per boot waarover ik je schreef, is ruim fl. 600,- voor jou, Klaas, boot en trein inbegrepen. Dit is dus veel goedkoper dan het vliegtuig, dat exclusief bijkomende kosten fl. 1060,- gaat kosten. Mijn financiële toestand is niet rooskleurig. In het voorjaar vervalt de cursus voor de buschauffeurs, de huur gaat omhoog, de huur voor Klaas z’n kamertje vervalt, ik moet weer schoolgeld voor Klaas betalen en ziekteverzekeringen voor jullie beiden. Als jij iets van je fl. 600,- terugkrijgt, moet je dat dus niet aan vliegen uitgeven, maar mee naar huis nemen. De kaartjes zal ik van hieruit regelen en betalen. Hans van Rij is bereid mij nog fl. 500,- te lenen, de rest zal ik ergens anders vandaan halen. Vind je dat niet geweldig van Hans dat hij ons weer wil helpen? Ik ben vanmorgen naar Near East Tours geweest om alles te informeren. Hieronder stuur ik je een lijstje met vertrekdata van schepen en aankomsten in Marseille en Nice, treinaansluitingen etc. voor de maand januari en begin februari.
    Er varen twee boten, de “Moledet” van Haifa naar Marseille, en de “Bilu” van Haifa naar Napels en Nice. Eerst de “Moledet”.

De “Moledet” vaart op de volgende data:

vertrek                        aankomst Marseille

16 jan. 1966                        21 jan. 1966 (± 11.00 uur)
28 jan. 1966                        2 febr. 1966
9 febr. 1966                        14 febr. 1966

de trein uit Marseille vertrekt om 23.39 uur (’s avonds) en komt in Amsterdam aan de volgende middag om 16.28 uur Centraal Station. Bij de prijs inbegrepen een couchette (slaapcoupé, voor jou en Klaas).
De kaart van Marseille waarover je schreef, heb je natuurlijk niet nodig, want je neemt gewoon een taxi van de haven naar het station. Daar deponeer je je bagage. Naast het station is een hotel plus restaurant. Daar eten jullie wat en wacht je op het vertrek van de trein. Als het mooi weer is kijk je wat rond in Marseille. Ik haal jullie van het station in Amsterdam. Aan boord van de “Moledet” zijn de maaltijden bij de prijs inbegrepen. Dit is niet het geval op de “Bilu”.

                de “Bilu”

vertrek                        aankomst in Nice

9 jan. 1966                        13 jan. 1966
21 jan. 1966                        25 jan.. 1966
2 febr. 1966                        6 febr. 1966

de trein uit Nice vertrekt om 19.52 uur ’s avonds en komt ook de volgende middag om 16.28 uur in Amsterdam aan. Het is namelijk dezelfde trein. Op de “Bilu”, die iets goedkoper is, moet je dus je eigen maaltijden betalen, wat misschien een nadeel is. Als je deze boot neemt, stap dan niet per ongeluk in Napels uit. Eventueel zou je vanuit Nice, waar een vliegveld is, naar Amsterdam kunnen vliegen. Dit is wel weer wat duurder, maar bespaart je een lange treinreis met Klaasje. Het scheelt ongeveer fl. 70,- De bootreis zal Klaas waarschijnlijk prachtig vinden. Je moet natuurlijk wel erg goed op hem passen, maar dat moet je toch. Vergeet niet te vragen om zeeziekte pillen voor jullie allebei. Bang hoef je nergens voor te zijn. Bovendien ben je nu zo’n wereldreizigster geworden dat je toch wel iets gewend bent, en je weet nu ook waar je naartoe gaat, wel naar een nieuw avontuur, maar ook naar huis. Als je de data die ik je gestuurd heb te vroeg vindt, zal ik je te zijner tijd nieuwe data sturen. Ik zelf zie niet zo het nut van in om je terugkeer nog erg lang uit te stellen.

                        Mensen en buren.

Lieve Ursula, er bestaat geen enkele reden om je wat voor zorgen dan ook te maken over wat andere mensen en buren zullen denken of zeggen. In de eerste plaats zijn wij wij, en hebben we sowieso niets te maken met anderen of wat ze misschien wel denken, en in de tweede plaats wéten de buren gewoon niets. Ik heb er nooit een woord met ze over gesproken, en als wij heel gewoon doen, valt er niets voor ze te denken. Ze hebben mij nooit wat gevraagd, en ik heb me ook nooit wat van ze aangetrokken. Ik zeg ze dag en ze zeggen dag tegen mij, en daar is het mee afgelopen. Waarom zou jij niet twee of drie maanden naar Israël gaan? Als ik ’s nachts Brouwer (buurman uit de Heinzestraat, KtH) met een mij onbekende vrouw naar boven zie gaan is het natuurlijk leuk om te denken dat hij z’n vrouw ontrouw is, maar het kan net zo goed zijn nicht uit canada zijn, of z’n moeder.
    Wat de anderen betreft, die kunnen we verdelen in twee groepen. Onze vrienden, die ons allemaal het beste zullen toewensen, en onze “niet vrienden”, die mij niet interesseren, en die dat jou ook niet moeten doen. Wij lijden ons eigen leven en daar heeft niemand een pest mee te maken.

                                Wij

Natuurlijk ben ik ook vol hoop en verwachting over onze toekomst. Jij hebt zoals je schrijft erg veel nagedacht over onze seksuele probleempjes. Ik weet niet precies of seks voor jou en voor mij hetzelfde is. Ik heb je al eerder geschreven hoe ik hierover denk. Seks is op zichzelf voor mij geen probleem. Ik houd van vrouwen en van vrijen en voel me hierbij weinig of niet gefrustreerd. (niet meer, tenminste) De moeilijkheden beginnen pas als de een de ander niet wil, om wat voor reden dan ook, of als je een egoïstisch en slecht minnaar zou zijn, wat ik geloof ik, niet ben.
    Lieve Ursula, wat mijn gevoelens voor jou betreft kan ik je het volgende zeggen, ik houd van je, ik vind je lief en ik vind je mooi. Dit zijn voor mij drie voorwaarden die het voor mij mogelijk maken het prettig te vinden met je te vrijen. Als ik je niet lief zou vinden, of niet van je zou houden, zou ik het technisch ook nog wel kunnen, maar het zou het plezier aanmerkelijk verminderen. Mooi heb ik je altijd gevonden, en hoewel je lichaam misschien ronder, vaster, steviger is dan je geest, past het toch helemaal bij je. Ik zie in de schoonheid van je lichaam iets van de integriteit van je geest. De verwarring waarin we verkeren, moeten we misschien doormaken om uiteindelijk tot harmonieuze mensen te worden.
    Wie heeft ons op al deze moeilijkheden voorbereid? Niemand, onze ouders zeker niet. Toch komt er een moment dat we de ‘anderen’ niet meer de schuld moeten blijven geven. We moeten onze moeilijkheden en verwarring erkennen, en er zelf iets aan gaan doen. Ook bij fundamenteel normale mensen komen abnormaliteiten voor, en als we maar vitaal genoeg zijn, moeten we hier iets aan kunnen doen, en het liefste zelf, door, zoals je zelf ook al schrijft, ons niet te veel van anderen aan te trekken, maar te handelen, te doen, te leven, zo integer en vitaal mogelijk.

                            Klaas z’n kamertje.

Ik heb vandaag tegen Hub Mathijsen gezegd dat hij zo ongeveer half januari weg moet zijn. Ik hoop dat ik met hem geen moeilijkheden krijg. Ik wil hem sowieso kwijt. I don’t like him. Jan ook niet. Froukje vindt hem eng. Hij leeft in z’n kamer als een dik, log beest in z’n hok. Achteraf blijkt nu dat Joost en Ria, waar hij eerst woonde, op het bovenkamertje, hem kwijt wilden. Nu is Joost kwaad op mij dat ik Hub de huur op zeg, waarschijnlijk uit angst dat hij hem terugkrijgt. Met Joost heb ik alleen nog maar ruzie. Over alles. Een normaal gesprek is niet meer mogelijk. Hij verdraait mijn woorden en komt met de onzinnigste insinuaties en beschuldigingen. Jammer. Ik zal in ieder geval m’n uiterste best doen om het kamertje zo gauw mogelijk leeg en schoon te hebben. We zullen er dan iets gezelligs voor Klaas van gaan maken. Het is opnieuw behangen, dat is alvast iets.
    Vandaag was mijn eerste vakantiedag. Heerlijk. Ik heb niet kunnen uitslapen, want om negen uur werd er gebeld door een man van de belastingen met een dwangbevel voor Froukje. Het was dezelfde man die hier wel geweest is met dwangbevelen voor Moesje en mij. Ik liet hem binnen in de warmte, gaf hem een cigaret, en toen wilde hij niet meer weg. Hij sprak me over z’n eigen schooljaren en over de schoolproblemen van z’n zoontje. Een aardige man. Hij zal mij geen dwangbevelen meer brengen als het aan hem ligt. Toen ben ik weer gaan slapen. Verrukkelijk. Ik laat tegenwoordig ’s nachts de kachel branden op 1, als het erg koud is. Alle deuren dicht. Opstaan in een warm vertrek, heerlijk. Ik hoop dat je op dit punt geen moeilijkheden zult maken, please. Het is zo lekker warm, please. Toen ik wakker werd ben ik gaan liggen lezen in Isherwood. Isherwood is geen tzadik, (een rechtschapen mens, KtH) maar wel een warm, vitaal, genereus en tolerant mens. Hij beschrijft met enorm veel liefde en humor zijn avonturen in Berlijn voor de oorlog, in de jaren dertig. De politieke ontwikkeling beschrijft hij als een camera. Hij registreert het vergif, maar de mensen, artiesten, schrijvers, homoseksuelen, kleine misdadigers etc. beschrijft hij met zo’n inzicht en liefde dat het hartverwarmend is.
    Vanavond heeft Jan gekookt. Vies. Ik kook veel lekkerder, maar het is altijd gezellig. Je moet je wel vast voorbereiden op zijn grenzeloze slordigheid, die zelfs mij opvalt. Als hij gekookt heeft is in de keuken alles onvindbaar, en wat vindbaar is, is bedekt met lagen vet en vuil. Alle pannen zijn aangebakken, en waarschijnlijk mede hierdoor: van afwassen houdt hij niet zo. Ik ben erg op hem gesteld. Jij zult het vast ook goed met hem kunnen vinden. We moeten hem wel zo nu en dan te eten vragen, want hij zal zich misschien wel een beetje alleen voelen. We eten bijna iedere dag samen, behalve als hij of ik ergens anders eten, en ook dat doen we soms samen. Zo werden we laatst samen uitgenodigd bij Chaim en Heleentje Levano, en een andere keer bij kennissen van hem. Op tweede kerstdag gaan we bij Daniëlle eten. Zij is de kerstdagen alleen met Eran, alle andere Goedels en Sajets vieren de kerstdagen buitenshuis. Op de avond van tweede kerstdag, na het eten dus, gaan we met z’n allen naar een feestje bij Nic en Kiki. Daniëlle voelt zich niet zo gelukkig. Zij is een scheidingsprocedure tegen Micha begonnen, om op die manier tenminste iets te doen. Misschien zal dit hem uit zijn inertie losschudden, als hij geconfronteerd wordt met de feiten. Zo niet, dan zou een scheiding toch de enige oplossing zijn geweest. Als ze nu niet iets doet, zitten ze over een jaar nog zo. Als je zelf niet iets doet, of besluiten neemt, doen anderen, of de omstandigheden dat voor je, en je kunt het volgens mij beter zelf doen, met het risico natuurlijk dat je iets verkeerds besluit. Daarom was het ook goed dat jij besloot naar Israël te gaan. Vanuit dat besluit is nu een nieuw besluit geboren, dat veel meer kans geeft op positieve resultaten dan wanneer we in de oude toestand waren blijven hangen.
    Voor eerste kerstdag heb ik verschillende uitnodigingen gekregen, maar ik heb ze allemaal afgeslagen. Ik schreef je al dat ik niet in familiekring wil verkeren. Ik zal wat koken voor Daniëlle, die dan ook in d’r eentje thuiszit. Ze kan de deur niet uit door Eran die bovendien ziek is (mazelen). Met oudjaar ga ik misschien naar Nic en Kiki. Na 12 uur geeft Jan weer een rouletteavond. Ik denk dat ik daar naartoe ga, maar ik weet het nog niet zeker. Heleen (zuster van Kees, KtH) vertelde me dat we de 27ste zijn uitgenodigd bij Sim en Elly (broer en schoonzuster van Kees, KtH). Ze hebben mij (nog) niet persoonlijk uitgenodigd, maar ik ga trouwens toch niet. Ik ben erg huiselijk. Ik lees of schrijf wat (aan jou), werk wat en slaap veel, met de kachel aan (please!) of ik rook wat. (veel)
    Door de kerstdagen zal de post wel extra vertraagd zijn. Vreemd dat jullie helemaal niets merken van deze dagen en oud jaar. Amsterdam is versierd, kerstbomen op het museumplein en op de dam. De winkels zijn ’s avonds open en het is erg druk en gezellig in de stad.
    Hier volgt een stukje Bijbel voor je, uit Prediker:

    Weer zag ik iets nutteloos onder de zon: Een vrijgezel, met niemand naast            
    zich, geen zoon, geen broer, en toch houdt hij niet op te zwoegen; zijn            
    ogen krijgen niet genoeg van te kijken hoeveel hij al heeft.
    Denkt hij nooit: ‘voor wie sloof ik mij uit en ontzeg ik mijn ziel al het                
    goede?’ Wat een lege kwalijke zaak!
    ‘Twee is beter dan één alleen, want samen verdienen zij goed met hun            
    
zwoegen’
    Ge bedoelt: als de een komt te vallen zet de ander hun weer op zijn            
    
benen, maar wee wie alleen komt te vallen, want wie helpt hem weer op            
    de been?
    En: als iemand er één overweldigt kunnen twee het tegen hem houden.
    En: een driestrengs koord trekt men zeker niet dadelijk stuk…..


Zo’n 600 jaar voor het begin van onze jaartelling, of liever zo’n 2600 jaar geleden wisten ze het ook al.
    Het is nu avond, half acht. Ik ga deze brief per expresse versturen, zo dadelijk nog. Ik heb ook een brief aan Klaasje geschreven. Zal je hem kusjes van me geven? We zullen er al onze krachten en intelligentie aan geven hem weer evenwichtig en rustig te maken. Ik denk aan jullie, aan mijn mooie vrouw en zoon. Omhelsd door mij.
Kees.

P.S.
Schrijf zo gauw mogelijk iets over je plannen wat de datum van je terugreis betreft. Als je het om bepaalde reden beter vindt nog wat langer te blijven, schrijf dat dan.




vrijdag 16 april 2021

 


 

In oktober 1965 gingen mijn ouders, toen 29 en 30 jaar oud, Kees ten Holt (1935 - 1990) en Ursula Roth (1934 - 1981) uit elkaar. Mijn moeder nam mij (5 jaar oud) mee naar Israel, om zich met mij in de nieuwe heilstaat te vestigen in kibboets Lahav in de Negev. Mijn ouders schreven elkaar dagelijks, en al snel werd duidelijk dat ze moeilijk zonder elkaar konden. De volledige correspondentie (in ca. zeventig brieven) is bewaard gebleven.
(afl. 54)

 

Lahav, 22 december 1965, Ursula

lieve Kees,

Vandaag eindelijk twee brieven van je en nog een van Deborah en Daniëlle. Ik zal Daniëlle terugschrijven, ik moet nog heel goed over alles nadenken, d.w.z. hierover weet ik het niet precies, aan de ene kant vind ik haar echt aardig, dat weet je, en ik wil haar ook best blijven kennen (als kennis) en aan de andere kant vind ik dit nu weer gek, niet gek in de zin van wat anderen vinden, maar in de zin van onbekend, niet aan te pakken, maar ik zou zeggen, laten we dan maar proberen hoe het gaat, stoort het me al te zeer dan laat ik het je wel weten. Ik denk helemaal niet met een soort wrevel aan haar, ik denk heel aardig over haar, heus.
    Ik heb vandaag een brief aan Henny geschreven met de mededeling dat ik terugkom, ik ga van nu af aan langzamerhand iedereen inlichten, dan zijn ze er tegen de tijd dat ik terug ben net aan gewend. Je schreef of we eind januari, begin februari als streefdatum aan zouden houden, dat is goed. Ik heb hier niet veel meer te zoeken, ik voel me volkomen in staat alles, tot impertinente vragen van wie dan ook, aan te kunnen. Israël hoop ik met jou samen nog eens goed te bekijken en misschien wonen we er nog wel eens, het is een fijn land geloof ik, en de mensen zijn wél aardig, laat je niets wijsmaken door zuurpruimen.                
    Vandaag liep ik door de kibboets met mijn armen vol zakken en kleren, onmiddellijk nam iemand de helft van mij over. Ik geneerde mij wel, wat het was een zak met koekjes en een met fruit, ik had alles gewoon gekregen hoor, ik pak eigenlijk nooit iets zomaar. Ik denk dat het erg aan jezelf ligt, ik ben altijd vriendelijk, en niet ál te vriendelijk, ik ga gewoon mijn eigen gang, daar houden ze van, dat doen ze zelf ook.
    Naar Musaph ga ik niet meer, het is voor zover ik het zelf beoordelen kan in de huidige situatie niet nodig. Ik heb er geen enkele behoeft meer aan, ik praat wel tegen jou. Daarmee wil ik allerminst zeggen dat ik niet ontzettend veel aan Musaph te danken heb, hij heeft me zeker de eerste, tweede en derde stoot tot zelfstandigheid gegeven. (even tussendoor) Ik heb het ontzettend koud, mijn kacheltje is stuk. Als mijn handschrift wat bibberig wordt, ligt het aan de kou. (deze laatste letters zijn met een Hollandse ballpoint geschreven, zie je het verschil? Die ballpoints hier zijn slecht)
    Je vroeg of ik met Henny correspondeerde, ja zeker, en het gaat geloof ik niet zo goed met haar, haar brieven zijn zo somber. Ik geloof niet dat zij mij nog zenuwachtig kan maken, tenminste niet als wij (jij en ik) het samen goed kunnen vinden. Ik hoop dat ik haar een beetje helpen kan, zij is wel echt een beetje ziek, geloof ik.
    Ik zit nu met mijn voeten in het KLM-tasje van Jan, waar ik wat vuile kleren in heb gedaan, want de stenen vloer is zo koud. Ik heb ook pijn in mijn maag, zeker van de zure room die ik weer in grote hoeveelheden heb gegeten.
    Ik ben niet bruin meer, maar wel erg dik, heel heel vervelend. Ontbijten doe ik toch echt niet meer. Ik heb Klaas vanmiddag niet in bed gedaan, hij heeft lief bij mij in de matperah gezeten. Vanavond is hij inderdaad gaan slapen, het is heel naar als hij niet slaapt, want dan kan ik niets doen, geen licht, geen geluid, en ook geen rust, hij praat steeds tegen me, wil limonade, ik moet hem de poes brengen of hem juist weghalen, of hij wil uit bed en met me spelen.
    Ik ga zo meteen ook naar bed, ik slaap zo slecht, het kamertje is ook zo benauwd door de stank van de kachel en de rook. Ik heb mijn hoofd vol van “thuis”, ik moet echt niet zo aan thuis denken want dan houd ik het hier gewoon niet uit. O, als ik denk aan het afgelopen jaar, krijg ik het benauwd, hoe het verpest geworden is, we hebben heel wat in te halen.
    Liefje, nog weer eens iets tussendoor, ik vrees dat we Jet toch echt mee moeten nemen als het kan, want het is zo’n schatje, en zo’n dikke vriendin van Klaas. Ik heb de kattenbak in de kamer gezet (een nieuwe) en zij doet het er keurig op. Als ze nu bijvoorbeeld een keer kinderen heeft gehad, is er misschien wel iets aan te doen, kun jij niet vragen of het pijn doet of wreed is? Als het niet kan, laten we haar hier, hier kan ze zoveel jongen als ze maar wil.
    Ik wil het nog even over Musaph hebben, ik kreeg een brief van hem, waarin hij schreef dat hij jou gesproken had, het was een soort brief waaruit ik min of meer distilleerde dat hij zijn handen van mij aftrekt, ik vind het niet erg, het moest toch eindigen. Misschien schrijf ik hem voordat ik terugga nog een keer, gewoon om afscheid te nemen en te zeggen dat ik erg blij ben met alles wat ik aan hem te danken heb, meer niet. Ik heb verder niets meer te bespreken. Als je beter bent, ga je toch ook niet meer naar de dokter uit angst dat je het nog een beetje hebt, of weer krijgt, of zomaar omdat het gezellig was? Hij heeft me over een grote moeilijkheid heen geholpen, mijn onzelfstandigheid, dat heb ik echt aan hem te danken, het was een pijnlijk proces, en het is nog niet afgelopen, maar ik kan het nu verder aan, ik weet de weg. Israël heeft ook een boel goeds gedaan, achteraf bezien (hoewel het nog niet achteraf is) was het niet voor niets. Stel je voor dat we waren blijven doormodderen, er moest gewoon iets gebeuren.
    Jij bent trouwer dan ik, of tenminste, ik ben ook trouw, maar jij bent toch echt heel trouw, arf arf! Woef woef woef! Ik ga nu echt maar eens naar bed.

Het is nu vijf uur, het wordt donker, de soldaten zijn de heuvel op geklommen, gehuld in lange jassen, roepend ‘Klaas! Dag Klaas!’ Nu zitten ze in kou op de heuvel de hele nacht lang, om op de watertank te passen, het is een soort heel groot reservoir een watertoren om de druk te regelen, en hij moet beschermd worden tegen de Arabieren die hem graag willen vernielen.
    Klaas zit nu met Moshe buiten onder de bomen, Moshe zijn twee konijnen hippen over het gras en Jet klimt in de bomen. Vanmorgen was het zo koud dat ik mijn kachel heb schoongemaakt (er zit een sproeier in en ook een naald) alles zat vol met dat fijne woestijnzand. Nu brandt hij weer slecht, hij sputtert, een vervelend gehoor. Vanmiddag in de matperah zette ik de radio op Arabische muziek, Marilla, dat is een meisje dat daar werkt, zei ‘hé, dat is Arabisch,’ ik zei ‘dat geeft toch niet?’ Maar ze werd helemaal onrustig en zette het uit. Ieder doet wat hij wil, zij naait op een Duitse naaimachine en ik luister naar Arabische muziek. Duitse muziek maakt mij nerveus, en haar misschien niet.

23 December ’s avonds.
Ik zit hier met koffie die ik op een heel eigenaardige manier gekookt heb. Ik heb nl. naast mijn bed een stopcontact, maar daar zit mijn lamp in, en ik heb ook geen kaarsen, boven Klaas zijn bed zit ook een stopcontact, nu moet ik eerst een krukje op het voeteneinde van zijn bed zetten, en daarop de koemkoem (ketel) want hij heeft maar een kort snoer. Ik heb er ook een soort Berliner bol bij, uit de eetzaal meegenomen. Ik nam ook soep voor Jet mee in een kommetje, ik smeet er een heleboel van over de tafel, veegde het er weer in en deed er wat brood bij. Ik ben benieuwd wat mijn tafelgenoten die niet weten dat het voor de kat is, ervan gedacht zullen hebben, waarschijnlijk niks.
    Klaas heeft vanmiddag van een stevige kartonnen doos een huis gemaakt, met deuren en ramen erin, hij zette het midden in de kamer op de grond en ik zette er onze zaklantaarn in, deed het licht uit, toen scheen uit alle vensters licht. Vervolgens ging Jet erin, stak haar kop door de deur en poten door de vensters, het leek net Alice in Wonderland in het te kleine huisje. Nu staat het huis op het krukje naast Klaas zijn bed, zijn muts erin en Jet er ook in op de muts, ze slapen nu allebei heel tevreden. Jet is zo'n schatje om te zien met dat zwarte maskertje, heel grappig, nu ze zindelijk is en niet meer zo nodeloos schreeuwt, vind ik haar erg lief, zo’n gezellig lief kameraadje, als we thuiskomen schreeuwt ze ons al tegemoet en komt aanlopen, ze begint meteen te spinnen en is echt blij. Ze komt ook overal bij zitten.
    Vandaag heb ik hard gewerkt in de matperah, ik heb wel Klaas om acht uur naar de Beet Jeladiem gebracht en heb bij zijn ontbijt gezeten, maar toen ben ik gaan werken. Nomi is een paar dagen weg, ze had veel, moeilijk werk achtergelaten, dat overigens helemaal niet af hoeft, maar ik heb dan altijd de neiging om zoveel mogelijk af te maken. Die neiging heb ik vandaag volkomen bedwongen omdat die in vele opzichten verkeerd is. Ik ga haastig werken, werk dan slordig, slecht, word nerveus en raak uit m’n humeur, verder realiseerde ik me dat ik alleen maar zoveel wil doen om een goed figuur te slaan en me in feite beter voor te doen dan ik ben (dit is geen gekwebbel, dit zijn overdenkingen en overwinningen en karaktervormingen die ik graag aan jou vertel, het zijn ervaringen die erg belangrijk voor me zijn). Ik heb dus in mijn eigen tempo met plezier gewerkt, ik heb er zelfs bij zitten zingen.
    Ik heb mezelf gedwongen, meteen na het eten weer te gaan werken. Klaas speelde lief buiten de hele middag, toen hij om half drie naar me toe kwam ben ik wel opgehouden, want hij gaat in ieder geval voor. Ik heb namelijk sterk de neiging om b.v. door te werken als hij me nodig heeft, omdat ik dan het gevoel heb dat anderen het onsportief vinden als ik met hem naar huis of naar de Beet Jeladiem ga. Maar ik vind dat hij voorgaat en bovendien vinden de anderen dat ook. Ik moet alleen niet b.v. ’s morgens laat opstaan omdat ik te lui ben, en ook niet naar huis gaan om b.v. lekker koffie te drinken als het niet nodig is.
    Eigenlijk realiseer ik me meer en meer dat ik mijn tijd verantwoorder moet besteden, en ik zie ook steeds beter wat de meest verantwoorde handelswijze is. Ik ga ook steeds beter met Klaas om, ik zie meer en meer wat ik ook in Holland fout gedaan heb, hij wordt al steeds liever, vrolijker, rustiger, hij wordt niet meer woedend als ik iets wil doen, b.v. hem wassen, of zalf op zijn kin doen, die ruw is. Een paar dagen geleden las ik een verhaal van Tsjechov over een vrouw die een jongetje onder haar hoede kreeg, en zo blij was met dat kind en zó alles en alles voor hem deed, en toen bedacht ik dat je je kind zo moest behandelen alsof je het net gekregen had na jaren van eenzaamheid, dat je er iedere dag opnieuw dolblij mee moest zijn en het als een kostbare schat behoeden. En zo ook je levenspartner en alles wat je ten deel valt in het leven.
    O ik ben zo vol goede moed en zo vol verwachting over onze toekomst. Ik doe er ook echt mijn best voor om goed bewapend te zijn en open te staan en te leren om te leven en niet vol kritiek te zitten. Ik dacht vanmiddag aan mijn moeder en ik dacht niets vriendelijks over haar en toen ineens bedacht ik me dat dit wel de hel moest zijn, na je dood te weten en te horen hoe anderen lelijk en minachtend over je denken en ik neem me voor geen lelijke gedachten meer over haar te hebben. Ik bedenk me dat deze gedachte van mij niet nieuw is, we hebben toch Huis Clos gezien? Daar zit deze gedachte ook in.
    Liefje, het is nu tien uur, ik ga nog even lezen en dan naar bed. Ik heb 's avonds zo weinig tijd voor mezelf, het is negen uur voor ik rustig kan gaan zitten, de tijd vliegt, dat is maar goed ook.
    Veel sterkte en liefs, omhelsd door Ursula.

woensdag 14 april 2021

 


 

In oktober 1965 gingen mijn ouders, toen 29 en 30 jaar oud, Kees ten Holt (1935 - 1990) en Ursula Roth (1934 - 1981) uit elkaar. Mijn moeder nam mij (5 jaar oud) mee naar Israel, om zich met mij in de nieuwe heilstaat te vestigen in kibboets Lahav in de Negev. Mijn ouders schreven elkaar dagelijks, en al snel werd duidelijk dat ze moeilijk zonder elkaar konden. De volledige correspondentie (in ca. zeventig brieven) is bewaard gebleven.
(afl. 53)


Lahav, 19 december 1965, Ursula

lieve Kees,

Vandaag kwam je pakje dan eindelijk, nu kun je uitrekenen hoelang het erover gedaan heeft. Het is kwart voor negen, Klaas slaapt allerminst en Moshe plus vrienden maken muziek met veel lawaai. Dat hadden ze best in de middag kunnen doen, maar ze doen het nu. Ik heb voor Jet een mooi kistje als kattenbak en ze ging er meteen keurig op, ze had wel binnen mogen blijven, maar Klaas gaat gewoon niet slapen met Jet in bed. Nog over je pakje, toen ik de eetzaal inkwam werd me van links en rechts meegedeeld dat er een pakje voor me was. We waren heel blij en haastten ons naar huis om het open te maken, de chocolade is al weer op. Klaas heeft meteen ijverig geschreven in een van de schriften. Daantje heb ik hem de hele middag voorgelezen, het is wel een enig boek, hè, het is echt Hollands geschreven, grappig is dat toch, dat je zo de sfeer van een land proeft uit een boek.
    Het pakje was bijna helemaal uit elkaar gevallen, maar alles zat er nog in tot alle pepermuntjes aan toe die uit een rolletje waren gevallen. Jammergenoeg was er geen brief van je.
    Eigenlijk heb ik op het ogenblik een beetje genoeg van mijn verblijf hier, hoe dat komt weet ik niet precies. Of eigenlijk weet ik het wel, we zitten veel thuis, het is vrij koud, hoewel de zon wel schijnt. Ik vind het op de een of andere manier ongezellig, vooral voor Klaas, dit kleine kamertje, ik ben een beetje moe, ik heb behoefte aan aanspraak, ik denk eraan hoe gezellig we thuis zaten. Bij alles denk ik eraan hoe gezellig we het met z’n drieën zouden kunnen hebben en omdat ik toch naar huis ga, zie ik de zin van dit enigszins ongezellige bestaan niet, en ik denk er nu vooral aan hoe ik het thuis ga doen.
    Je begrijpt natuurlijk wel dat ik hiermee aanduid dat ik liever niet meer lang blijf als het op de een of andere manier kan. De onbehaaglijkheid komt ook, omdat ik me innerlijk aan het afscheiden ben van alles hier, en ik doe ook geen enkele poging om Klaas te integreren. Doordat hij een paar dagen thuis is geweest, wilde hij vanmorgen eerst niet opstaan, toen heb ik hem rustig tot acht uur laten liggen, vervolgens ging hij wel naar de Beet Jeladiem, maar kwam al gauw terug met de mededeling dat ze gingen wandelen en of ik meeging. Dus ik ging eerst mee naar school, en daar zei Edna dat ze nog niet gingen maar dat ze eerst de beesten gingen voeren, toen ben ik naar de eetzaal gegaan om eten voor de kat en de konijnen te halen, en toen ik nog oliebollen zag heb ik daar ook een paar van meegenomen, plus zure room. Onderweg liet ik de zure room over mijn jas vallen en merkte ik meteen hoe geprikkeld ik eigenlijk was, want ik werd woest en de tranen sprongen me in mijn ogen. Ik beheerste me snel. Ik probeerde rustig een kop koffie met een oliebol te nemen en me wat opgewekter te voelen, maar tot veel meer dan onverschilligheid breng ik het niet.
    Ik kon de hele dag niet werken en het kon me niets schelen, ik had er ook geen zin in vandaag. Ik heb wat kleren van Klaas versteld en iets gewassen en een brief aan mevrouw Rohatin (uit de Banstraat) geschreven om tenminste nog iets goeds te doen. Het was een dag van helemaal niets, misschien gaat het morgen beter. Vanmiddag had ik trek in koekjes. Ik vroeg aan Schlomiet of ik ze kon nemen, ze zei dat zij ze me wel zou geven, met gerechtvaardigde achterdocht, want ik was juist van plan om er een heleboel mee te nemen. Maar zij gaf me toch ook wel.
    Kees, op het moment vind ik het maar niets hier, ik wil eigenlijk het liefste weg. Het komt tot uiting in een soort afkeer van alles en iedereen hier, zelfs de kinderen - behalve natuurlijk Klaas - staan me niet aan. Ik voel me onvrij. Nu ben je hier ook niet echt vrij, je moet er tegen kunnen dat je alles en alles moet vragen. Soms heb ik de grootste bewondering voor de mensen hier, die het allemaal toch zo doen. Wat voor een mentaliteit zou dat toch zijn, en waarom kan ik het niet, zelfs niet voor een poosje? Want hoewel ik weet dat ik wegga, irriteert die onvrijheid me soms zeer.
    Ik voel het absoluut niet als een verdienste van mij dat ik me niet in het gareel kan schuiven, maar ik ben ook gewoon te oud. Al die anderen zijn veel jonger gekomen. Ik zou me eventueel kunnen voorstellen dat je met een stel vrienden en gelijkgestemden een kibboets opricht uit idealistische overwegingen, als je je b.v. zou voorstellen dat wij, Jan Fontijn, de Mathijsens, de van Wensveens, de Brinken, Hans van Rij enzovoorts dat zouden doen, dat zou heel iets anders zijn, je bent dan onder gelijkgestemden. Deze mensen (tenminste de ouderen) hebben het zo gedaan, dat weet ik van Nomi. Maar ik kom er nieuw tussen, ik ben helemaal niet zoals zij, ik voel me er niet thuis.
    Enfin, het is goed om je uit te spreken, al is het dan maar op papier, met pas over veertien dagen (wat een eindeloze tijd) antwoord. Ik heb ook gewoon zin om alvast te zeggen dat ik wegga. Als je het kunt, zie dan toch maar aan geld te komen. Je kunt me gerust geloven als ik zeg dat ik zal helpen om het terug te betalen. Alleen in het begin geen baantje, dat kan echt niet. Wel thuiswerk. Ik ga dit jaar geen cursussen volgen, niet tekenen, alleen huisvrouw zijn. Ik ga wel naar sjoel, maar niet meer zo vaak, en ook geen koor, dat in ieder geval niet. Ik heb me een duidelijke taak gesteld, Iwriet houd ik thuis wel bij voorlopig. Ik wil het wel bijhouden. Veel uit hoeven we niet, dat kan zo af en toe, en dat komt wel weer als we wat meer geld hebben. Ik ben al aan het bedenken hoe ik alles zo goedkoop mogelijk kan doen. Al dit denken aan de toekomst maakt me ook vrij ongeduldig, dat begrijp je ook wel.
    Dit is eigenlijk geen lieve brief, geloof ik, maar ik ben echt niet onverschillig tegen jou, ik denk aldoor aan je, en ik praat veel over je met Klaas, dat moet je niet stom vinden, je weet zelf ook wel hoe moeilijk het is te zwijgen over waar je vol van bent.
    Ik wou dat ik deze brief ook eens expresse kon sturen, maar ik kan het gewoon niet vragen, het scheelt al enorm dat jij het doet. Ik kom wel met de boot, het zal best gaan, het is een kwestie van van hier naar jou komen hoe dan ook. Hoe lang zou die reis in het geheel duren, weet jij dat? Hoe lang zit ik in de trein? Die trein benauwt me wel een beetje, maar daar kom ik wel overheen. De boot doet er geloof ik een week over of zo.
    Liefje, ik houd op met schrijven, ik ben erg moe, het is kwart voor tien, ik moet morgen op tijd op want ik wil een douche nemen en mijn haar wassen. Dat betekent dat ik om vijf uur op moet.

Maandag 20 december.
Lieve Kees, ik ben hier precies twee maanden, zie ik. Ik kan niet zeggen dat ze omgevlogen zijn, integendeel, ik heb het gevoel dat ik een soort prestatie geleverd heb. Maar vandaag niet. Het was een moeizame dag, pas tegen de middag, na een boze uitbarsting, werd hij wat hebbelijker (de dag). Ik stond vanmorgen om vijf uur met de beste voornemens bezield op (dat moet je nooit doen). Ik nam een douche en er waren voortdurend mensen, veel trok ik me er niet van aan trouwens, maar toen ik Klaas uiterst vriendelijk wekte omdat hij aan het schreeuwen was, sloeg hij me keihard in m’n gezicht. Eerst dacht ik dat hij nog droomde, maar hij riep dat hij door wilde slapen en sloeg weer naar me, dat was niet bepaald opwekkend, maar ik zette koffie voor mezelf en ging zitten lezen. Later werd Klaas met thee en sinaasappel toch nog lief wakker. s 'Middags poepte Jet de hele kamer weer eens onder en verbrandde ik mijn vinger op een ontzettende manier, enfin, het is nu tenminste avond, ik heb rust.
    Ik kreeg op aanvraag voor Klaas een muts, maar hij was zo kapot en oud, dat ik maar aan het borduren geslagen ben. Hij wordt erg mooi en Klaasje is er verrukt van. Er was weer geen post, heel, heel vervelend.

Dinsdag 21 december
Liefje, allereerst was er vandaag tot mijn grote teleurstelling weer geen post. Ik wacht al de hele ochtend op de post, dus als er niets is, geloof ik het gewoon niet. Er was wel een kerstkaart van mijn vader. Ik moet echt proberen mijn gedachten aan thuis in bedwang te houden, op de een of andere manier heb ik er zo genoeg van, het gaat iets beter, maar toch voel ik me onverschillig ten aanzien van alles hier.
    Klaas is heel moeilijk sinds hij ziek is geweest, vannacht sliep hij om half elf nog niet, hij zei alsmaar dat hij zo naar droomde en dat hij aan zulke nare dingen dacht, aan oorlog en zo, en tenslotte dat hij zo ongelukkig was. Nu moet je dit niet te ernstig zien, toen ik hem uit bed liet komen, straalde hij. Hij deed allerlei spelletjes, hij heeft bij mij in bed geslapen vannacht, vreselijk, ik deed geen oog dicht, gezellig met Jet er snorrend of piepend tussen, ze heeft bijzonder weinig lucht nodig, ze slaap onder onze voeten, helemaal getikt.
    Ik heb Klaas vanmiddag nadat we thee hadden gedronken gewoon zo’n beetje de deur uit gepraat, ik word soms zo nerveus van hem, hij is me doorlopend aan het kriebelen, ik kan niet zitten of staan of hij kietelt me, of blaast in m’n gezicht. Ik kietel hem terug, want dat wil hij graag, maar Kees, het is gewoon niet normaal meer, ik word er stapel van. Ik houd er toch al niet zo van, maar hij wil dat ik hem vastpak, kietel, onder z’n voeten kietel enz. tot in het oneindige, hij is het zeker nog van jou gewend, ik doe het heus wel en ik knuffel hem ook veel en ik besteed echt veel aandacht aan hem, maar hier vraagt hij iets dat ik hem met de beste wil van de wereld niet geven kan, dit is mannenwerk, ik word er dolzenuwachtig van, ik kan me gewoon niet opschroeven tot dit gestoei.
    Op het moment zit ik voortdurend met mezelf in de knoop, b.v. vanmorgen stond ik veel te laat op, ik had wel het gevoel dat ik nu eens op moest schieten om nog iets in de matperah (naaizaal) te doen, maar ik had er gewoon geen zin in, ik begon al met al (ik moest nog met Klaas naar de dokter) pas om half elf te werken, tot kwart over twaalf, dan weer van half twee tot drie, dus niet bepaald veel, en ik had gewoon mijn tijd lopen te verklungelen, eten voor de kat, koffie enz. Ik zeg steeds bij mezelf, wat moet ik nu doen? Want het is ook moeilijk, ik kwam eerst in de matperah, maar Nomi was er niet, en ik wist niet wat ik moest doen. Ik wachtte een paar minuten en ging toen maar naar huis koffie drinken, met het gevoel dat Nomi er misschien allang was, maar toen ik terugkwam was ze er nog niet. Toen ben ik pas na de dokter weer teruggegaan. Het kan me eigenlijk allemaal niet veel schelen, het is niet goed, ik moet echt aanpakken, maar ik heb het een beetje benauwd. Ik probeer echt wel mijn gedachten in bedwang te houden, op het moment, als ik aan Amsterdam denk, krijg ik een wee gevoel in mijn maag van verlangen, echt heimwee; een kwaal waar ik mijn hele leven al mee behept ben, een echte kwaal hoor, met maagpijn. Behalve toen ik van mijn ouders ben weggelopen, daarnaar heb ik nooit en te nimmer heimwee gehad, integendeel, ik ben steeds dankbaar geweest dat ik eruit was. Maar ja, dat was ook heel iets anders.

Woensdagochtend 22 december.
Liefje, deze brief gaat nu meteen op de bus, anders krijg je hem niet meer zo vlug, d.w.z. dan ben je zolang zonder brief. Klaas sliep gisteravond weer pas om elf uur. Dan kan zo niet langer, hij moet ’s middags niet meer slapen. Ik schrijf je in de volgende brief, die hopelijk wat opgewekter is, meer. Klaas vraagt ook om een brief, hij belooft jou ook te schrijven. Liefje, sterkte en veel liefs, omhelsd door Ursula en Klaas.

LIEVE PAPPIE KLAAS.