dinsdag 14 augustus 2012

Bibian

Bibian, Bibian, Bibianotschka, Bibianovitsch, Biebski, B., Biebschen, das Biebschen, Bieb, Bibian (opnieuw), liefste, lieveling, vrouw, (neemt gij?... ja, ik wil), vrouwtje, schatje, moedertje, meisje, engeltje, kindje, ohnekindje, poppedijnekindje, allerliefste, my dear, echtgenote, mijn vrouw, mijn geliefde, wat heb je nou gedaan? waar ben je toch gebleven? ik kan het niet begrijpen, nooit meer je sterk geurende haar, je haar, je dikke haar (je wordt al grijs), je lange haar, drie lokken in drie envelopjes voor de kinderen en een vlechtje voor mij voor om mijn arm, een vol jaar lang, een band van rouw, berouw, rauw is mijn verdriet, totdat de dood u scheidt (nee, dat niet! niet doen! niet zeggen!), ik wil dit niet, te snel, veel te snel, soms lees ik je woorden maar ik kan het niet, het dringt niet tot me door, nog niet mijn liefste, tijd, de tijd, hij is mijn grootste vijand nu, ik hoor je stem, je zingt te zuiver en te mooi, ik kan het niet verdragen, ik dacht dat we er goed aan deden alles vast te leggen, voor later, weet je wel, dan zou het blijven, maar nu is alles anders, Bibian, Bibian, alles was vergeefs, ik dacht het al, voor anderen misschien, tot troost misschien, leuk voor de kinderen, weet ik veel, wat schiet ik er mee op, ik! ik wil je terug, geen stemmetje uit een doosje, geen woorden uit een boek, O God de filmpjes! die zijn er ook nog allemaal, de doodsangst die we voelden, het koppige verzet (vergeefs! vergeefs!), de trots, de ijdelheid, de wekelijkse gesprekken met de oncoloog, hoe we hem niet geloofden, zo’n jonge vent, nu al professor, wat weet die er nou van, steeds minder was er van je over voor me, maar koppig baande ik mij een weg door slangetjes en pleisters, port-a-cath en verband, voorzichtig liefste, doe voorzichtig, het doet zo’n pijn, hou mijn hand maar vast, niet praten, praten is te veel, niet knijpen, water, mag ik nog wat water, vandaag kom ik maar niet aan tafel, je moet toch eten liefste, nee, niet eten, water wil ik, water, ik kom al, nee te koud, te warm, ik weet het niet, ik wil dit niet, hier heb ik toch niet om gevraagd, waarom? waarom ik? ik weet het ook niet liefste, hier is water voor je, ijs wil ik er in, ijsklontjes kan ik verdragen, alles kan ik verdragen maar dit niet, water Klaasje, geef me water, geef me ijsklontjes en water.  

maandag 13 augustus 2012

Stout

‘Ja maar toen kon ik het me nog niet herinneren.’ zegt Lulu met een schuldige blik.
‘En nu wel weer?’
‘Ja, nu kan ik het me wel weer herinneren papa.’
De badkamer was een ravage van badschuim en kletsnatte handdoeken (niet zo erg) en er was kauwgum uitgesmeerd in het ligbad.
Ze waren alledrie net in bad geweest, maar niemand wist er van en alledrie wezen ze naar elkaar. Ik meende vrij zeker te weten dat Lulu de hoofdschuldige was omdat zij kauwgum had en de jongens niet, maar ik wilde dat ze het me zelf vertelde.
Dat ze stout zijn lijkt me normaal en ook wenselijk gedrag, maar ik wil wel dat ze eerlijk zijn. Ik vind dat we elkaar moeten kunnen vertrouwen, helemaal nu we het met z’n vieren moeten redden. Ik heb ze alledrie hun pyama’s aan laten trekken, tandenpoetsen en naar bed. Het was net acht uur geweest. Beetje vroeg dus voor in de vakantie. Het kwam mij eerlijk gezegd ook wel goed uit. Ik was moe en wilde zelf ook wel eens vroeg naar bed. Ik zou zeggen: geen buitenproportionele straf. Niets iets om voor te gaan zitten liegen.
Als jongetje heb ik met mijn jeugdvriend I. (later bekend onder zijn pseudoniem Dr. Rat) stapels stripboeken gestolen in de boekhandels en kiosken van Amsterdam Zuid. Wij waren bezeten van strips en runden – zoals wel meer kinderen bij ons in de buurt - een strip-o-theek die wij op deze manier bevoorraadden. We zijn nooit betrapt, maar liepen door eigen loslippigheid toch tegen de lamp.
Mijn geschokte vader liet mij stapeltjes maken naar herkomst van de boeken. Ik had allang geen idee meer en gokte maar wat, maar mijn vader was tevreden.
’s Avonds na sluitingstijd togen wij naar de diverse gedupeerde winkels waar mijn vader enveloppes met geld en een anoniem begeleidend schrijven door de brievenbus duwde. Ik moest zelf in de auto blijven zitten. De afspraak was dat I. met zijn ouders (armlastige kunstenaars die toch al een rotleven hadden) dezelfde tocht zou maken. Geen idee of dat ook gebeurd is.
Een en ander heeft geen verpletterende indruk op me gemaakt. Het heeft me er ook niet van weerhouden nog andere misstappen te begaan tijdens mijn pubertijd, maar ik vind wel dat mijn vader het goed heeft aangepakt. Ik werd op mijn nummer gezet, maar niet publiekelijk te schande gemaakt. Zoiets.
Hij heeft me in elk geval laten zien dat ik op hem kon vertrouwen, en precies dat zou ik nu heel graag aan mijn eigen kinderen doorgeven. 

zondag 12 augustus 2012

Zondag


Ik fietste langs de 
smetteloze blanke
voortuintjes
van morgen te koop staande 
villa's,
onder cumuli en streepwolken
ingehaald door zondag's
uitgelaten wielerbond publiek
nog nadruipend van de 
zonnesmeer,
rijdende frituur,
wees gegroet en vervloekt,
vlug aan de kant jongens,
voor die norse kerels
op hun grote trekkers,
nergens klinkt hier nog muziek
behalve te luid uit autoradio's
van uitgesproken
tweeverdieners.

Een dooie vogel van onbestemde 
vederdracht
benam mij plots de adem.
Weten jullie dan niet,
schreeuwde ik onhoorbaar
tegen wie maar horen wilde,
maar vooral
tegen de kille roerloze zon,
tijdverdeler en heler,
ja, ja, dat zal wel,
ik wil het niet, ik wil haar terug!
Alles! Niets!
Klootzakken!
Geef terug!
Ik ging onder
en kwam weer boven.

Oorbellen

Een van de eerste dingen die ik voor Bibian kocht in mijn pogingen indruk op haar te maken, was oorbellen. Geen gouden, zoals je die bij Surinaamse juweliers vindt, daar hield ze niet van – en ik ook niet trouwens – maar altijd van zilver. Niet groot en protserig, maar van simpel, sierlijk smeedwerk, met of zonder een druppel Onyx of Lapis Lazuli. Die allereerste oorbelletjes zijn er nog steeds, in een rood fluwelen Antwerps juwelenzakje in een kast in de slaapkamer.
In de jaren daarna heb ik nog vele oorbellen voor Bibian gekocht. Op elke vakantie wel één of meerdere paren, maar ook in Amsterdam, vaak bij de Headshop, een hele ‘foute’ toeristenwinkel in de Damstraat waar ze toch wel mooie bellen verkopen.
Oorbellen en bloemen zijn wat mij betreft ideale ‘tussendoor’ kadootjes.
Ook Lulu had al jong een fascinatie voor bellen en wilde gaatjes. Toen ze vijf werd nam ik haar mee naar een chique juwelier in de Cornelis Schuyt. Mij werd gemaand haar stevig vast te houden. Toen de man hoofdschuddend en met onvaste hand een gaatje wilde gaan schieten zag Lulu er vanaf. Ik ben meteen met haar naar een juwelier bij de Albert Cuypmarkt gefietst waar een stevige Surinaamse matrone Lulu meer vertrouwen inboezemde. Ze gaf geen kik, niet links en niet rechts, koos voor roze bloemetjes en verklaarde dat ze over een jaar pas ‘echte’ hangers wilde. Die waren nu immers nog te zwaar voor haar kleine oortjes.
Kort voor Bibian dood ging heb ik met vriendin E. de kleren uitgezocht om haar in te begraven. Daar hoorde de fraaie Oekraïnse handgeborduurde blouse bij - waarvan Bibian eerst dacht dat het een lijkwade was, en die dat nu ook zou worden. Maar natuurlijk ook oorbellen.
Ik koos het paar dat ik zelf altijd het mooiste vond. Toen Bibian stierf hebben we haar gewassen en aangekleed; wat vroeger afleggen heette. De jongens hielden zich groot en keken van een afstandje toe. Lulu, klein en dapper als ze is, kwam ons al snel helpen. Ze was het eens met mijn keuze en stond erop dat zij mama haar oorbellen in zou doen. En zo is het ook gegaan: met vaste hand duwde ze de hangers door de gaatjes en zette daarna de vleugeltjes erop.
Ik verwacht niet dat ze hier een trauma aan over gaat houden. Lulu houdt gewoon erg van oorbellen en vond het daarom belangrijk dat Bibian ze in zou hebben in haar kist.

zaterdag 11 augustus 2012

Hoogtevrees

Toen Valentijn tien jaar werd ben ik een paar dagen met hem naar Parijs geweest. Dat hadden Bibian en ik zo afgesproken. Wanneer een van de kinderen tien jaar werd zouden ze met één van ons een paar dagen naar een Europese hoofdstad naar keuze gaan. Valentijn was de eerste en koos Parijs.
We reisden met de TGV en bleken bij aankomst een prettig hotel geboekt te hebben, niet ver van Montmartre en de Sacré-Cœur
Voor Valentijn was Parijs vooral een bezoek aan de Eiffeltoren die enorm tot zijn verbeelding sprak. Hij had er thuis van alles over opgezocht en hield niet op mij over het lelijke stalen ding te onderrichten.
‘Hoe hoog denk jij dat de Eiffeltoren is papa?’
‘Hmm weet niet.’
‘317 meter! En je kunt helemaal naar de top!’
En dat was nou precies wat mij zorgen baarde; ik realiseerde mij dat ik er niet onder uit zou komen met Valentijn het ding te bestijgen, maar... ik heb vreselijke, verschrikkelijke en verlammende hoogtevrees. Ik had me voorgenomen me er overheen te zetten, geen laffe smoesjes te zullen verzinnen, mij een man te betonen en met mijn oudste zoon helemaal mee naar boven te gaan. Het leek mij het beste dit dan ook maar meteen de eerste dag te doen.
Een bevriend psychiater had mij hier iets interessants over verteld dat mij een beetje hoop gaf, het leek in elk geval de moeite van het uitproberen waard: hoogtevrees komt in golven. Als je er vreselijke last van hebt moet je gewoon even wachten tot het zakt. Het piekt en dan daalt het weer. Kennelijk zitten er zekeringen in je hersens om bepaalde ongewenste emoties binnen de perken te houden.
En inderdaad, toen ik met Valentijn hoog in de toren (niet op de top, want die bleek – de Heer zij geloofd en geprezen – wegens werkzaamheden gesloten) op een veel te smal houten platform stond merkte ik dat de blinde paniek na een tijdje afnam. Ik durfde zelfs voorzichtig van het uitzicht te genieten en een fotootje van mijn trotse en gelukkige tienjarige Valentijn te maken.
En zo is het ook met verdriet, ontdek ik nu. Het komt in golven. Toen ik hier met de kinderen in Meerle aankwam kon ik het eerste halfuur alleen maar onbedaarlijk janken. We waren hier zo ontzettend gelukkig met elkaar de afgelopen veel te korte maanden.
Al die prachtige liedjes die we hier schreven en opnamen hingen nog in de lucht.
De kinderen keken mij verbaasd aan: we gingen toch op vakantie?
Maar daarna zakte het weer. Ik ging mijn koffer uitpakken, eten maken, over tot de dingen van de dag.
Af en toe krijg ik het weer even te kwaad. Eigenlijk helemaal geen onaangenaam gevoel.

vrijdag 10 augustus 2012

Schuld

 
Toen ik dertien jaar oud was logeerde ik in de zomervakantie met mijn ouders in Haifa in het huis van een veelbelovende Israëlische dirigent. Het type dat het op de bok vooral van zijn doorwrochte mimiek moest hebben en minder van zijn interpretatie. Hij leek wel wat op Leonid Brezjnev. Ik herinner me vooral zijn geluidsinstallatie met imposante speakers die nog het meest leken op gestoffeerde verwarmingsradiatoren, die je apart op het lichtnet moest aansluiten. Zoiets hadden wij nog niet gezien. Mijn vader noemde hem achter zijn rug een snob. Ik denk terecht.
Op een morgen ontdekte mijn moeder een knobbeltje in haar linkerborst. Mijn vader voelde het ook. In het ziekenhuis van Haifa gaven ze ons het advies zo snel mogelijk terug naar Amsterdam te gaan. In het A.V.L.* hadden ze de meest actuele kennis op het gebied van borstkanker.
Mijn gelovige moeder zag het als een straf van God. Ze biechtte op dat ze een affaire had met onze gastheer.
Mijn vader had mij een dag eerder beloofd dat ik ‘Exile on Main Street’ van The Rolling Stones met hem mocht gaan kopen, dat toen net verschenen was. Ik was heus begaan met mijn moeder vanwege haar tumor en met mijn vader vanwege het overspel, maar: beloofd is beloofd. Ik hield voet bij stuk en kreeg mijn zin. In de brandendhete namiddagzon ben ik met mijn radeloze vader in de trolley bus naar een platenwinkel in het centrum gegaan om het album aan te schaffen. Hij kon er geen begrip voor opbrengen. Ook later heeft hij zich er nog wel eens verontwaardigd over uitgelaten en mij daarmee met een ongemakkelijk gevoel opgezadeld.
Toen Bibian haar diagnose kreeg zag ze dat niet als een straf voor wat dan ook. Er viel van beide kanten weinig op te biechten ‘in het aangezicht van de dood.’ Voor zover ik weet zijn we elkaar altijd trouw gebleven.
De kinderen waren ontzettend geschrokken, en alledrie van meet af aan zeer betrokken. Toch moest er ook gespeeld worden, thuis en bij vriendjes. Extra computertijd werd bevochten en nieuwe aps moesten onverwijld aangeschaft. Dat kwam niet altijd even goed uit en heeft mij wel eens tot wanhoop gedreven. ‘Hoe kunnen jullie juist nu...’, maar ik heb het altijd ingeslikt. Kinderen bekijken de wereld nou eenmaal vanuit een ander perspectief.
Ik geloof dat ik wel genoeg heb aan mijn eigen schuldcomplex.
 
A.V.L. = Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis

donderdag 9 augustus 2012

Taal

Waar ben je toch gebleven liefste;
ik lag in bed en riep je aan.
Mijn ogen had ik dicht.
Wat heb ik je gedaan
dat je me niet meer wilde,
zomaar hebt laten gaan? zei ik,
je wordt al anekdote,
heel anders dan je was
toen je nog was
en zei:
jij, niemand kent me zoals jij.
Gevlei.
Nu zoek ik je vergeefs,
zet ik je bij
in mijn herinnering,
een teken.