donderdag 11 september 2025

 


Organisme

Ik werd op het matje geroepen door iemand zonder gezicht maar hoger in rang omdat ik mij in de publieke ruimte kritisch had uitgelaten. Het managementteam had zich mijn kritiek erg aangetrokken, in een ingelaste vergadering had men gehuild en geschreeuwd.
    Ik stelde voor de huilers te troosten, de schreeuwers om vergiffenis te vragen. Misschien als ik uitlegde wat ik had bedoeld met mijn kritiek, dat ze dan begrip konden opbrengen? De man zonder gezicht vond het geen goed idee, het kwaad was immers al geschied. Ondertussen schreef hij dingen op een groot vel papier die later mogelijk tegen mij konden worden gebruikt. Ik probeerde mee te lezen, maar het was in een jargon dat ik niet beheerste. Deze keer kreeg ik alleen nog een waarschuwing, zei hij, maar bij nieuwe kritiek zouden er disciplinaire maatregelen volgen. Het organisme verdroeg geen kritiek, waarom begreep ik dat niet? Iedereen snapte dat. Het waren moeilijke tijden, er moest op alles bezuinigd, dus ook op kritiek.
    Het organisme kon alleen overleven als alle medewerkers een volstrekte loyaliteit in acht zouden nemen, er mocht vooral niets naar buiten komen dat het zou kunnen schaden. Was me dat duidelijk?
    Ik begreep het volkomen. Het organisme, aan het einde van haar vijfjarige cyclus, was weer eens in gevaar, een gevaar dat alleen bezworen kon met een positieve instelling van alle medewerkers en unaniem begrip voor alle nieuwe maatregelen, hoe vreemd en raadselachtig misschien ook.
    Mijn superieur keek op de klok aan de wand en gaf aan dat het gesprek ten einde was. Een verslag ervan zou aan mijn dossier worden toegevoegd dat beschikbaar zou zijn voor iedereen die er belangstelling voor toonde. Het organisme streefde immers naar maximale transparantie, een aquarium zonder planten met uitsluitend het helderste water.
    Op het medewerkerstoilet waste ik mijn handen en bekeek mezelf eens goed in de spiegel. Oud was ik geworden, veel ouder dan ik mij herinnerde te zijn. Ik begreep de voordelen van een gezichtsloos uiterlijk, maar snapte ook dat zoiets voor mij niet weggelegd was. Ik was buiten de tijd gevallen, een anachronisme geworden, voor mij was er geen hoop meer in dit perfecte systeem, dat mij desondanks toch nog tot het einde wilde handhaven, als ik maar geen misstappen meer beging. Het beste was om vanaf vandaag zo weinig mogelijk contour aan te nemen. 
    Bijna dagelijks moesten er nu vanwege het bevoegd gezag nieuwe verbeteringen geïmplementeerd, moesten de door de medewerkers gemeten resultaten, behaalde doelen en competentieniveaus op nieuwe manieren ingevoerd worden in een al maar complexer en strenger beveiligd systeem, tot het al het andere ging overheersen, naar de achtergrond drukte en uiteindelijk zelfs overbodig maakte. 
    Het werd duidelijk dat het organisme nu bijna was voltooid, een staat waarin het eindeloos zou verkeren; er moest immers door de medewerkers nog wel naar perfectie gestreefd kunnen worden, een verbindend streven, een gezamenlijk gedroomde droom. Het organisme was hiermee eindelijk een volmaakte, autonome entiteit geworden die alleen nog naar zichzelf verwees. In het perfecte gebouw dat het organisme huisde, werd bijna alle ruimte ingenomen door positief ingestelde jongens en meisjes die er trots op waren deel uit te maken en bij te mogen dragen aan dit organisme. Zij droomden ervan dat dankzij hun inspanningen het lichaam weldra zo perfect en alomvattend zou zijn dat het onaantastbaar was geworden. Afnemers zouden dan niet meer nodig zijn. 
    

woensdag 10 september 2025

 


Schilderij

‘Ik denk aan de lange winteravonden waarin ik met mijn vader bij de kachel zat in onze halfduistere woonkamer, mijn moeder in het Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis, het was de laatste fase van haar ziekte, mijn vader eindeloos aan het woord, realtime zijn leven beschrijvend, alles wat hem overkwam en wat hem nog zou overkomen.
    ‘We hadden het zo goed.’ Hij liet zijn wijn in het glas in zijn hand ronddraaien. ‘Ik hield van je moeder, van mijn werk, van jou; we waren een gezin.’ Voor hem was het kennelijk al voorbij.
    Een gezin? Ik keek naar mijn lege glas, vroeg me af of hij mij nog zou bijschenken. Mijn vader staarde even naar de kachel en begon iets te citeren uit de Oud-engelse Ecclesiastical History of the English People van Bede. Dit had ik hem al zó vaak horen doen, het respect dat ik ooit voor zijn belezenheid en zijn eruditie had was allang verdampt en vervangen door irritatie. 
    Die was overigens wederzijds: ook ik was van mijn voetstuk gevallen. Het mooie, slimme, leuke, grappige, lieve jongetje dat het zo goed deed op de basisschool was veranderd in een kort aangebonden puber die zo min mogelijk thuis was en zijn schoolwerk verwaarloosde.
    ‘Ja, ik weet het,’ onderbrak ik mijn vader. ‘Over die mus, toch?’ Hij knikte en maakte het citaat toch maar af, overdreven articulerend in zijn bestudeerde engels. Nu begrijp ik het wel, - asperger - maar toen vond ik het onverdraaglijk. Mijn moeder had het er ook wel eens moeilijk mee, maar dat haar man ergens in het autistisch spectrum zat, wist ze natuurlijk niet, de woorden bestonden gewoon nog niet. ‘Ik snap het, lieverdje,’ zei ze wel eens, ‘de boodschap is duidelijk, hoor.’
    ‘Het blijft vreemd,’ vervolgde mijn vader, wijzend op het schilderij aan de muur achter de kachel: mijn vader, mijn moeder en ik in een Schots fantasielandschap met een boompje waarvan een tak is afgezaagd. Uit het stompje groeit een nieuwe twijg. De woonkamer hing vol met mijn vaders schilderijen, hij was een begenadigd Bob Ross’er.
    ‘Toen ik het schilderde zag ik die twijg juist als iets hoopvols, als een nieuw begin, een overwinning op je moeders ziekte.’ Ook dit verhaal had ik al heel vaak gehoord. ‘Maar nu zie ik het als een uitzaaiing en kan ik er eigenlijk niet goed meer naar kijken. Alles wat ik schilder wordt ziek of gaat dood.’ Peinzend masseerde hij de wijn voorin zijn mond. 
    ‘Heb je nog huiswerk?’ vroeg hij plotseling.
    ‘Ik weet het niet. Ik zal zo even kijken.’ Ik keek naar wat voor mijn moeder moest doorgaan aan de muur tegenover me: gezichten waren niet zijn sterkste kant. Het leek wel of hij er nog trots op was ook: niet alleen kunstenaar, maar ook nog heerser over leven en dood.
    ‘Dat zou ik maar doen,’ zei mijn vader. ‘Het is nu alleen wel een beetje laat, lijkt je ook niet?’ 
    Alsof ik dat zelf niet wist. Als om de zinloosheid van mijn vaders woorden te onderstrepen, kwam op dat moment met een rochelend geluid de antieke staartklok in beweging.
    ‘Je gaat morgen toch mee naar mama?’ 
    Ik knikte om er vanaf te zijn, hoewel we allebei wisten dat ik niet zou gaan. Meestal bleef ik zolang mogelijk op school hangen, vaak zelfs tot de deuren dicht gingen, alles beter dan naar huis te moeten. Ik miste mijn moeder wel, maar daar had ik háár niet voor nodig. Ze ging immers toch dood, ook al zei ze zelf halsstarrig van niet; wat viel er dan nog te bespreken?’

dinsdag 9 september 2025

Kunst

Wanneer je kunst maakt, componeert, schildert of schrijft en je dit niet in opdracht doet, heb je eigenlijk maar bitter weinig controle over het uiteindelijke resultaat. Meestal begint het met een idee dat in je opkomt, iets dat om de een of andere reden je aandacht trok en dat iets van je wil, je probeert te verleiden er jouw visie op te geven, jouw versie van te maken. In dit stadium kan het idee nog heel rudimentair zijn, het benodigde materiaal nog niet vaststaand, nog niet geordend, is er vaak niet meer dan een sfeer waarin je je zou willen begeven, en waarvan je je afvraagt hoe je die in een construct tot uitdrukking zou kunnen brengen, wat je daarvoor nodig zou kunnen hebben.
    Geen complete symfonie in je hoofd dus die je alleen nog maar even op papier hoeft te zetten, nee, niet meer dan een vaag gevoel van een richting waarin je je zou kunnen begeven. Wie is in dit stadium de auteur? Het ding dat je aandacht trok en waar je nu ineens iets mee moet, of jouw brein dat zich ervoor openstelde?
    Heel veel vragen moeten eerst nog beantwoord worden. Is het ding (ik noem het maar even ding, veel meer is het namelijk nog niet) interessant genoeg om mee verder te gaan? Is het uitdagend genoeg? Heeft het je iets te bieden als je je erdoor zou laten verleiden?
    Je schrijft misschien wat op, maakt wat aantekeningen, houdt het tegen het licht, bekijkt het van alle kanten op zijn mogelijkheden, probeert het te analyseren. Wat is het eigenlijk voor een ding? Dat is belangrijk, want soms blijkt het iets anders te zijn dan je eerst dacht, een heel andere potentie te hebben, en aan jou de taak die te ontraadselen, naar waarde te schatten.
    Dan komt het moment dat je besluit ermee aan de slag te gaan, vertrouwend op je intuïtie en je vakmanschap, maar zonder enig helder idee van het uiteindelijke resultaat, hooguit van het materiaal dat je zult gaan gebruiken, de vorm waarin je het ding gaat proberen te gieten. En altijd zijn er verrassingen, openen zich gaandeweg nieuwe, onvoorziene mogelijkheden die grote consequenties hebben voor je aanpak, blijkt er onder jouw handen iets te zijn ontstaan dat al het voorgaande in een nieuw daglicht stelt.
    Hoe meer je je hiervoor open durft te stellen, hoe meer je bereid bent jezelf en wat je van plan was te gaan doen gaandeweg steeds opnieuw ter discussie te stellen, hoe ongewisser daarmee het eindresultaat, hoe langer de weg, hoe ingewikkelder het proces.
    Kunst maken is precies dat: eeuwig bereid zijn alles ter discussie te stellen, te heroverwegen, steeds weer alles opnieuw te definiëren, ruimte te laten voor twijfel maar tegelijk zeker te weten dat wat je doet zin heeft, dat het je ergens zal brengen waar het beter is dan waar je nu bent, dat je het op de een of andere manier tot een goed einde zal brengen omdat je nou eenmaal niet anders kunt, omdat dat is wie je bent, waaruit je bent samengesteld.
    Lastig is het dat we in een tijd leven van extreem materialisme - en wat is materialisme anders dan de angst voor het onbekende? - waarin alles van te voren benoemd moet worden, en de kunstenaar wordt gedwongen net te doen alsof zij alles van te voren al weet, haar product marktconform precies kan omschrijven alvorens het alleen nog even uit het materiaal te hoeven bevrijden.  
      

maandag 8 september 2025

 

Moe

‘O lieveling, soms kan ik er zo naar verlangen dat het voorbij is, dat ik eindelijk voorgoed bij je kan komen liggen. De koude winters in de bevroren grond neem ik graag op de koop toe, als jij het kan, kan ik het ook. Moe. Ik ben zo godallejezus moe de laatste dagen. Ik raak ervan in paniek. Het is niet echt een fysieke moeheid, hoewel ik soms ook nauwelijks de trap op kom, meer een soort overweldigende, allesomvattende uitputting. Mijn ex en eerste grote liefde R. zei toen we koffie dronken in park Frankendael nadat ik haar had geadviseerd bij het uitzoeken van een nieuwe bril dat ik er uitzag alsof ik elk moment in huilen kon uitbarsten. Dat was precies hoe ik me voelde, besefte ik op dat moment.
    Volgens haar was mijn emotionele reservoir vol en veroorzaakte dat de oververmoeidheid. Dat klonk redelijk. Ik kan me alleen niet herinneren of ze ook tips had om mijn reservoir weer te legen. Hoe pak je dat aan? En over wat voor emoties hebben we het dan eigenlijk?
    Het eerste dat me te binnenschiet is onze middelste zoon en het eeuwige schuldgevoel waar hij mij mee opzadelt. Hoe vaak ik mezelf ook voorhoud: het is zíjn depressie, zíjn ketamine verslaving, hij is vierentwintig, hij kan niet alles bij jou neerleggen, hij kan best zelf iets ondernemen, met zijn broer en zijn zus gaat het wél goed, zo goed als het kan gaan op hun leeftijd die niet de gemakkelijkste is; het voelt als ouderlijk falen, als iets waar ik persoonlijk verantwoordelijk voor ben, of in elk geval verantwoordelijkheid voor zou moeten nemen. En daarbij komt dan de angst voor een nieuwe zelfmoordpoging wanneer ik me niet meteen over hem ontferm als hij weer eens totaal in de put zit na overmatig drugsgebruik. Dit jaar was het de derde keer dat mevrouw Janssen en ik voortijdig onze vakantie moesten afbreken vanwege een nieuwe depressie en onze zorgen daarover. Ik had me voorgenomen hem nu maar eens zijn eigen boontjes te laten doppen, voet bij stuk te houden, maar voor ik het wist hadden we onze koffers gepakt en waren we op weg naar huis. Ik heb niet de indruk dat het veel verschil heeft gemaakt, hij heeft gewoon opnieuw zijn zin gekregen zonder daar zelf iets constructiefs tegenover te stellen.
    Verder leek het er even op dat de kanker van mevrouw Janssen was teruggekeerd, een week waarin wij hierover in grote onzekerheid verkeerden en ik in mijn dromen opnieuw een begrafenisspeech moest houden met die voor jou nog vers in mijn geheugen. Ik probeerde de moed niet te verliezen, maar vreesde het ergste. En toen alles in orde bleek te zijn, was er eigenlijk nauwelijks tijd om er nog bij stil te staan omdat S. geroutineerd alle aandacht naar zich toetrok.
    Zou dit mijn vermoeidheid verklaren? Misschien. Ik drink geen alcohol, slik vitamine supplementen en draai mijn rondjes in het Vondelpark zonder veel problemen, steeds een kilometer erbij, dus met mijn conditie lijkt niet heel veel mis, maar ondertussen zie ik overal tegen op, is eigenlijk alles me teveel. Emotioneel reservoir overvol? Wie zal het zeggen. En het (school)jaar moet nog beginnen.
    Soms denk ik wel eens dat het iets in de lucht is. Dat er ergens illegaal giftige rotzooi in de lucht wordt gespoten die mijn gezondheid aantast. Maar misschien is dat vergezocht, ben ik gewoon moe, heel erg ontzettend moe, for no particular reason.’ 
    
      

zondag 7 september 2025

 


Gender

Ik las twee romans, eigenlijk novelles, kort na elkaar. De ene van een jonge Nederlandse debutant en de andere het debuut uit de jaren tachtig van de vorige eeuw van een Turkse schrijfster. Het tweede sprak me veel meer aan dan het eerste en ik vroeg me af waardoor dat kwam. Het zette me aan het denken over feminien en masculien schrijven en of er eigenlijk wel zoiets bestaat, en zo ja, wat dat dan zou zijn, of ik dat zou kunnen benoemen, misschien aangezwengeld door die hele discussie over gender. 
    Dan moet je natuurlijk eerst die twee begrippen helder definiëren, alleen lijkt me dat ondoenlijk. Ik zie het ook meer als een gedachte-experiment, ervan uitgaande dat je ook wel ergens over kunt nadenken zonder eerst precies alle parameters te definiëren. Ik ben geen filosoof. Maar ik vind het belangrijk om te proberen mijn gedachten te ordenen over de wereld om mij heen, de dingen die ik tegenkom. Zie het als een gevecht tegen de oppervlakkigheid.
    ‘Heeft literaire stijl een geslacht?’ vraagt mevrouw Janssen mij. De eerste roman treft mij als vlot geschreven, ondubbelzinnig, expliciet over de materiële aspecten van sex - de erectie, het klaarkomen - handelend over het onvermogen met een vrouw te zijn, werkelijk samen te gaan, zowel de ik als zijn vader en het vergeefse zoeken naar bevestiging van die vader, het ontraadselen van het enigma dat die vader is. Doe ik de roman hiermee tekort? Een woest boek, staat er op de achterkant van het omslag. Nee, hiermee doe ik de roman niet tekort. Goed geschreven, dat wel, maar toch ook aan de oppervlakte blijvend, zich misschien te bewust van de lezer en daardoor niet werkelijk open en eerlijk. Is dat mannelijk?
    Mevrouw Janssen vind dit te simplistisch. Zij zegt dat het ook kan samenhangen met het feit dat het hier een debutant betreft die nog niet zo radicaal kan of durft te zijn.
    Die tweede roman is totaal anders. Vlot geschreven? Nee, eerder experimenteel, spelend met de vorm, springend door de tijd, soms binnen één zin. Beide romans zijn autobiografisch te noemen, hoewel gefictionaliseerd, maar wat de schrijver van de eerste roman bezighoudt, zijn queeste, interesseert me niet bovenmatig: succes krijgen met schrijven. Hij lijkt vooral bezig te zijn zich de kleren van een schrijver aan te meten, in de hoop dat het schrijven dan vanzelf wel komt.
    In die tweede roman is iemand aan het wóórd, geen pretentie van autoriteit, eerder zoekend dan bevestigend, maar trefzeker en zonder enig effectbejag vertelt ze bijna achteloos een gruwelijk verhaal - háár verhaal - vraagt ze zich af hoe te leven in haar wereld, toont ze zich - haar personage - een volleerd psycholoog en reflecteert ze ook nog op de literatuur en haar eigen schrijven. Is dat vrouwelijk?
    Mevrouw Janssen is inmiddels afgehaakt.  ‘Mijn eerste roman vonden ze te mannelijk,’ zegt ze, ‘en dat was geen compliment.’
    Enfin, ik kom er niet uit. Schrijft Connie Palmen als een vent en Marcel Proust als een vrouw? Misschien bestaan er alleen goede en slechte romans en is dat ook wel genoeg. Maar als ik zou mogen kiezen met wie ik zelf vergeleken zou willen worden, dan wist ik het wel. 

zaterdag 6 september 2025

 



Struikrover

‘Van mijn familie van vaderskant weet ik redelijk veel, zijn er verhalen, foto’s, brieven, dagboeken, documenten, maar van die van moederskant weet ik haast niets. Van jouw familie weet ik ook bijna niets, behalve dan het een en ander van je ouders, maar ik zou het toch wel fijn vinden om onze kinderen iets mee te geven, al hebben ze nog lang niet de leeftijd om daar belangstelling voor te hebben.’
    Met mijn telefoon maak ik een foto van het graf, zoals ik meestal doe als ik bij Bibian op bezoek ga. Het is lekker weer, en terwijl ik haar bijpraat, trek ik meteen wat onkruid tussen de stenen vandaan.
    ‘Ik weet dat Nicholas Roth, mijn opa, met zijn broer George en hun vader aan het begin van de vorige eeuw vanuit Budapest - toen nog twee steden, het rijkere en hoger gelegen Buda en het armere Pest waar zíj woonden en dat uitkeek op de 
puszta - naar Londen verhuisden. Waarom alleen met hun vader? Leefde hun moeder niet meer? Bleef zij achter? En waarom kon of wilde die dan niet mee? Wat het beroep van hun vader was (laat staan van hun moeder): geen idee. Mijn opa speelde viool en zijn broer cello. Toen zij oud genoeg waren om naar het conservatorium te gaan, bleek dat in Engeland te duur en keerden zij terug naar Budapest waar zij bij de beroemde pedagoog Jenő Hubay studeerden, Bartok leerde kennen en samen en apart in strijkkwartetten en pianotrio’s speelden. Deze informatie is bij stukjes en beetjes via mijn moeders zusters en wat ik zoal op het internet heb kunnen vinden tot mij gekomen; mijn moeder praatte nooit over haar vader. Ze haatte hem, verfoeide hem, maar noemde desondanks haar enige zoon Nikolaas. Niet naar hém, verzekerde ze, maar naar Nicholas Nickleby, hoofdpersoon uit de gelijknamige roman van Dickens die ze tijdens haar zwangerschap zou hebben gelezen. 
    Ik heb mijn opa twee keer ontmoet, beide keren in het huis van mijn tante May, oudere zuster van mijn moeder, maar verzuimd hem toen de vragen te stellen die ik nu zo graag beantwoord zou zien. Hij was charmant, veinsde belangstelling tot we aan tafel gingen, vertelde wat grappige anekdoten over zijn vioolstudenten aan het Trinity college waar hij lesgaf en speelde met verve de rol van opa. ‘Ursie was allways my favorite,’ zei hij meteen nadat ik aan hem was voorgesteld. Ursie was Ursula, mijn moeder, die hij niet kwam opzoeken toen ik was geboren, niet toen haar borst was afgezet in Het Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis, en niet toen ze op haar zesenveertigste werd begraven op het Gan Hashalom, de liberaal joodse begraafplaats. Ik herinner me tussen alle grotere en kleinere bossen bloemen op haar kist één enorme grafkrans met een lint dat tot mijn vaders en mijn verbijstering zijn naam bleek te dragen.
    Mijn moeder is al jaren dood en ook haar zusters leven niet meer. Er zijn wel neefjes, maar die hebben helaas ook niet veel toe te voegen. Dan is er nog mijn half-tante Rucky, een dochter uit zijn tweede huwelijk die tegenwoordig in Australië woont en die ik meer dan veertig jaar geleden een keer in Amsterdam heb ontmoet. Met enige moeite wist ik haar gegevens te achterhalen, waarna we wat heen en weer appten. Zij meende te weten dat mijn opa alleen een joodse moeder had, dat hij inderdaad goed bevriend was geweest met Bartok, maar veel meer wist ze ook niet te vertellen. Wel stuurde ze me twee vergeelde foto’s van portretten van zijn ouders. Ik heb ooit begrepen dat mijn overgrootvader schoenlapper was, dat nog een generatie eerder iemand is opgehangen wegens struikroverij en dat we in de verte familie zijn van de schrijver Joseph Roth.
    Dat mijn moeder het thuis niet leuk had, is me wel duidelijk geworden. Alles draaide om de carrière van mijn opa, en toen hem dat beter uitkwam liet hij het gezin in de steek en vertrok met zijn nieuwe, jonge vrouw, de pianiste van zijn pianotrio naar Londen om nooit meer terug te keren. Maar toch is het familie en moet ik me op de een of andere manier tot hem verhouden, al was het maar omdat ik niet alleen zijn naam draag, maar nu ik ouder word uiterlijk ook steeds meer op hem ga lijken, en dan zou iets meer informatie wel helpen, vind je ook niet, lieveling?’

vrijdag 5 september 2025

 

St. Barbara

‘Dag lieverdje, ik loop een beetje met mijn ziel onder mijn arm en daarom kom ik even bij jou zitten. Het is hier op St. Barbara altijd zo heerlijk rustig, en het idee dat ik op een dag naast je zal liggen, hoewel ik eigenlijk vind dat mevrouw Janssen dat maar moet bepalen - al heb ik niet het gevoel dat zij er erg mee zou zitten - vind ik op een gekke manier hoopgevend. Het is niet dat ik er genoeg van heb, of dat ik niets meer heb om nog voor te leven, maar dat concept van de sterfelijkheid vind ik een groot goed, het idee dat het op een dag gewoon is afgelopen, voorbij is. Daar is over nagedacht.’
    Ik kijk naar de roos die ik hier kortgeleden plantte en die nu al is uitgebloeid. Zou het slechte kwaliteit zijn, of was het gewoon te laat in het seizoen? Van planten heb ik geen verstand.
    ‘Maar wat ik je wilde vertellen is dat ik de laatste tijd veel nadenk over Israël, me een mening probeer te vormen en me niet gek te laten maken door de stortvloed van anti-Israël propaganda, vooral uit linkse hoek, mijn eigen bubbel, biotoop. Vrijwel iedereen is het er daar over eens dat Israël de Gazanen aan het uitmoorden is, maar ik ben daar zelf helemaal niet van overtuigd. Ik denk dat Israël voor eens en voor altijd korte metten wil maken met Hamas. Of dat realistisch is, kan ik natuurlijk niet beoordelen, maar na 7 oktober is er geen andere optie meer, Hamas moet verwijderd, definitief verslagen. Het heeft me al vrienden gekost, soit, daar zit ik niet mee. Vriendschap overstijgt politieke kleur, de waan van de dag, meningen over zaken waarvan we als we eerlijk zijn het fijne helemaal niet kunnen weten, vriendschap gaat over iets anders, dient een ander doel. Wie dat niet begrijpt, hoeft mijn vriend niet te zijn.
    Maar het is lastig je een mening te vormen over wat er in Gaza nu werkelijk aan de hand is omdat het nieuws, de kranten en de televisie, duidelijk niet aan objectieve en gecontroleerde nieuwsgaring willen doen. Ze schrijven gewoon waarvan ze hopen dat ze hun lezers er een plezier mee doen, tegenstemmen worden niet op prijs gesteld. Zelfs Theodor Holman, een columnist zoals we er in Nederland maar weinig hebben - weet je nog dat hij een film over jou wilde maken? - hebben ze het zwijgen opgelegd. 
    Binnen achtenveertig uur zouden er veertigduizend kinderen sterven in Gaza, las je overal. Maar al een paar dagen later hoorde je er niets meer over, ook geen rectificatie, gewoon niets. Er zou een ziekenhuis zijn gebombardeerd, iedereen schreeuwde moord en brand; het bleek niet zo te zijn. Maar het had zo kunnen zijn, dat was kennelijk al genoeg. Foto’s van uitgemergelde baby’s moesten bewijzen dat Israël Gaza uithongert maar bleken heel ergens anders vandaan te komen of totaal uit de context te zijn gehaald. En nu waren er weer honderden genocide-experts allemaal overtuigd dat Israël genocide aan het plegen is. Alleen bleken die experts niet te achterhalen of zelfs helemaal geen genocide-experts te zijn. En zo is er steeds wel een nieuwe vermeende gruweldaad van het Israëlische leger om de jodenhaat - want dat is het natuurlijk gewoon, je hoeft niet heel erg slim te zijn om dat te begrijpen - smeulende te houden of liever nog aan te wakkeren. Want het gaat slecht met de wereld, en dan is het wel zo fijn om een zondebok te hebben. Misschien is dat wel wat onze lieve heer bedoelde toen hij ons het uitverkoren volk noemde, was dat wat hij voor ons in petto had.
    Gelukkig is niet iedereen gek geworden en zijn er ook onder mijn vrienden nog genoeg die Israël steunen zonder meteen al hun socialistische idealen te laten varen. Wel hebben we straks met de verkiezingen een probleem: waar moeten we op stemmen?    
    Maar goed, lieveling, rust zacht, ik moet er weer vandoor, boodschappen doen voor het avondeten, koken voor onze kinderschaar, het leven raast genadeloos voort, ik meld me wel weer.’