woensdag 11 februari 2015
God
God wat zou ik graag een keer niet de tafel hoeven dekken, niet tijdens het koken snel nog even een wasje moeten uithangen, niet hoeven vragen of het lekker is wat ik heb gemaakt: ja papa, niet hoeven vragen of ze even willen helpen met afruimen omdat ze dat toch een keer moeten leren, en dan tegelijk denken: als ik het zelf doe, gaat het veel sneller en dan hoef ik ook niet naar hun stomme ruzies te luisteren, niet hoeven afwassen, niet na het eten hoeven ingrijpen: jongens! uit elkaar, kappen nou! omdat ze dan ineens weer energie hebben, niet vast de tafel hoeven dekken voor morgen, zodat ik dat ’s morgens niet hoef te doen en dus iets langer kan blijven liggen, niet vragen of ze geen huiswerk hebben: nee papa, wij hebben nooit huiswerk, niet die daverende leegte in me hoeven voelen, en me niet te hoeven te ergeren aan het lawaai van mijn jongens: ‘Zet dan tenminste een koptelefoon op’, ‘Ik héb een koptelefoon op’, ‘Mag ik nog wat langer computeren papa’, ‘Heb je je huiswerk al af?’ ‘Ik heb geen huiswerk papa’, ‘OK nog een half uurtje dan’, ‘Mag het niet iets langer?’ ‘Hoelang dan?’ ‘Een uurtje?’ ‘Maar het is al negen uur’, ‘Drie kwartier dan?’ ‘OK, als je me maar even met rust laat’, ‘Dank je papa’, Niet op de klok hoeven kijken of het al tien uur is zodat iedereen in bed ligt en ik misschien nog iets voor mezelf kan doen, niet denken: ziezo, weer een dag voorbij! Daar is het leven toch niet voor bedoeld? Het is alles wat ik heb, maar het sluit me in, het rukt van alle kanten op, lacht me uit. Het is kwart over tien en ik sta mijn tanden te poetsen, en die vent, die man met die opgepoetste wenkbrauwen, hij lacht me gewoon uit! Ik ben het verdomme zelf, waarom lacht hij me dan uit? Ik probeer het zó goed te doen allemaal, alle eindjes aan elkaar te knopen, te zorgen, te houden van, al weet ik nauwelijks nog wat dat is, O god: papa ik kan niet slapen, probeer het toch maar, lieverd, mag ik boven slapen? liever niet, ja goed, ik weet het niet, nog maar drie pillen over, laat ik er maar eentje nemen, dan slaap ik tenminste.
dinsdag 10 februari 2015
Tomatensoep
Al een paar dagen voel ik me grieperig, maar echt ziek ben ik niet. Dat kan ook eigenlijk niet, want ik ben alleen en ik draag nu eenmaal de zorg voor drie kinderen.
‘Voel je je al wat beter, papa?’
‘Nee, niet echt.’
‘Wat eten we vanavond?’
‘Dat weet ik nog niet.’
‘Gaan we nog iets leuks doen vanmiddag?’
‘Ik ben ziek, weet je nog?’
‘O ja. Is er wat lekkers?’
Met de moed der wanhoop sleep ik me om vijf uur van mijn bank naar de keuken. Tomatensoep is niet al te ingewikkeld, ook al weet ik dat het niet op prijs wordt gesteld. Het is sowieso onmogelijk iets te maken dat ze alledrie lekker vinden, behalve hotdogs of pannenkoeken, maar aangezien ik kook, bepaal ik wat er gegeten wordt.
Ik hak een uitje, knoflook, wat bleekselderij en een wortel fijn en doe olie in de pan. Vanuit mijn ooghoek zie ik dat S., mijn middelste van dertien, mijn plaats op de bank heeft ingenomen. Hoewel hij weet dat het niet mag, zit hij daar nu toch met zijn laptop en koptelefoon. Computeren moeten ze op hun eigen kamers, anders wordt het steevast oorlog.
Ik realiseer me dat ik er iets van moet zeggen, maar ik kan het niet opbrengen. Met de staafmixer pureer ik de inhoud van drie blikjes tomaten en giet die bij de ui en de andere groenten in de pan. Pepertje erbij, snufje gerookt paprikapoeder. Ik kijk achter me en zie dat mijn oudste zoon V. nu naast S. op de bank is komen zitten. Het ziet er gezellig uit. Hoewel er nu eigenlijk alarmbellen af zouden moeten gaan, besluit ik het er op te wagen - moet zolangzamerhand kunnen toch? - en niet in te grijpen.
Ik giet bouillon bij de tomaten, doe er nog een takje tijm, een takje rozemarijn en een laurierblaadje bij, en breng het geheel aan de kook. Nu vind ik dat ik wel een glaasje wijn heb verdiend, ook al ben ik officieel ziek. Ik blader wat door de krant en als ik de tafel dek, zie ik dat ze inmiddels alledrie op de bank zitten. Hoewel ze vrolijk tegen elkaar op zitten te bieden word ik nu toch nerveus. Een spanning die alleen ik lijk te voelen, een beetje zoals Rod Taylor in The Birds.
Als ik even mijn mail check, hoor ik S. ‘Hou op!’ roepen. Ik probeer het te negeren, ze zijn verdomme oud genoeg. Het hoeft toch niet elke keer uit de hand te lopen?
‘Doe effe rustig, gast.’ Mijn oudste noemt iedereen die jonger is dan vijftien ‘gast’. Het probleem met mijn oudste is dat hij het eigenlijk altijd goed bedoelt, zichzelf heel grappig vindt, en dat hij signalen niet zo goed oppikt.
‘Rot op.’
‘Rustig blijven, gast.’
Ik roer wat in de soep en besluit dat hij nu wel gepureerd kan. Ze moeten leren zelf hun conflicten op te lossen.
‘Ophouden jongens.’ Dat is mijn jongste. Omdat ik het niet doe, neemt zij als vanzelf mijn rol op zich. Inmiddels wordt er - nog steeds op de bank - flink geduwd en getrokken.
‘Papa, het gaat mis.’
Nu zou ik moeten ingrijpen, maar ik doe het niet. Ik ben te moe, te brak en te gedeprimeerd. Ik hou de staafmixer in de pan; het ruikt heerlijk, dat moet gezegd. Pas als mijn twee jongens onder mijn bureau op de grond liggen en mijn oudste me waarschuwt dat ik mijn Martin gitaar beter even weg kan zetten, realiseer ik me dat het is geëscaleerd.
Ik breng mijn gitaar in veiligheid, maar zeg niets tegen mijn jongens die elkaar nu met hun schoenen te lijf gaan.
‘Kappen, gast!’
‘Hou je bek, autist.’
Mijn dochter vindt dat ik iets moet doen. ’S. is begonnen,’ zegt ze kwaad. ‘Waarom doe je niets?’
S. voelt zich nu ook door zijn zusje verraden en duwt haar hardhandig tegen de muur. Hij pakt mijn halfvolle glas wijn van tafel. Ik zie hem twijfelen: hij gooit alleen de inhoud tegen de muur maar zet het glas weer terug op tafel. Daarna verschanst hij zich boven in mijn slaapkamer.
Dit wil ik niet, kan ik alleen nog denken. Ik wil zo niet leven, ik wil een ander leven. Ik voel dat ik nu iets krachtigs moet doen: een statement maken, maar ik weet bij god niet hoe.
Dus zet ik het gas uit onder de soep, giet hem over in een afsluitbare plastic doos, pak die in een tas en doe het stokbrood en de rest van de wijn erbij. ‘Trek je jassen aan,’ zeg ik tegen mijn dochter en mijn oudste zoon, ‘we gaan weg, S. zoekt het maar uit, ik pik het niet langer. We gaan bij A. logeren.’
Mijn dochter vindt het best spannend en doet wat ik haar vraag, maar mijn oudste wil niet mee. Hij heeft morgen een proefwerk Duits, zegt hij, en wil nog leren. Ik aarzel, maar besluit hem niet te dwingen.
‘Dan zijn jullie hier alléén vannacht,’ probeer ik nog.
Hij haalt zijn schouders op.
Me een zeer slechte en onverantwoordelijke vader voelend, fiets ik even later hoestend en rochelend met mijn dochter achterop en een pannetje overheerlijke tomatensoep aan het stuur de winternacht in naar A.
‘Voel je je al wat beter, papa?’
‘Nee, niet echt.’
‘Wat eten we vanavond?’
‘Dat weet ik nog niet.’
‘Gaan we nog iets leuks doen vanmiddag?’
‘Ik ben ziek, weet je nog?’
‘O ja. Is er wat lekkers?’
Met de moed der wanhoop sleep ik me om vijf uur van mijn bank naar de keuken. Tomatensoep is niet al te ingewikkeld, ook al weet ik dat het niet op prijs wordt gesteld. Het is sowieso onmogelijk iets te maken dat ze alledrie lekker vinden, behalve hotdogs of pannenkoeken, maar aangezien ik kook, bepaal ik wat er gegeten wordt.
Ik hak een uitje, knoflook, wat bleekselderij en een wortel fijn en doe olie in de pan. Vanuit mijn ooghoek zie ik dat S., mijn middelste van dertien, mijn plaats op de bank heeft ingenomen. Hoewel hij weet dat het niet mag, zit hij daar nu toch met zijn laptop en koptelefoon. Computeren moeten ze op hun eigen kamers, anders wordt het steevast oorlog.
Ik realiseer me dat ik er iets van moet zeggen, maar ik kan het niet opbrengen. Met de staafmixer pureer ik de inhoud van drie blikjes tomaten en giet die bij de ui en de andere groenten in de pan. Pepertje erbij, snufje gerookt paprikapoeder. Ik kijk achter me en zie dat mijn oudste zoon V. nu naast S. op de bank is komen zitten. Het ziet er gezellig uit. Hoewel er nu eigenlijk alarmbellen af zouden moeten gaan, besluit ik het er op te wagen - moet zolangzamerhand kunnen toch? - en niet in te grijpen.
Ik giet bouillon bij de tomaten, doe er nog een takje tijm, een takje rozemarijn en een laurierblaadje bij, en breng het geheel aan de kook. Nu vind ik dat ik wel een glaasje wijn heb verdiend, ook al ben ik officieel ziek. Ik blader wat door de krant en als ik de tafel dek, zie ik dat ze inmiddels alledrie op de bank zitten. Hoewel ze vrolijk tegen elkaar op zitten te bieden word ik nu toch nerveus. Een spanning die alleen ik lijk te voelen, een beetje zoals Rod Taylor in The Birds.
Als ik even mijn mail check, hoor ik S. ‘Hou op!’ roepen. Ik probeer het te negeren, ze zijn verdomme oud genoeg. Het hoeft toch niet elke keer uit de hand te lopen?
‘Doe effe rustig, gast.’ Mijn oudste noemt iedereen die jonger is dan vijftien ‘gast’. Het probleem met mijn oudste is dat hij het eigenlijk altijd goed bedoelt, zichzelf heel grappig vindt, en dat hij signalen niet zo goed oppikt.
‘Rot op.’
‘Rustig blijven, gast.’
Ik roer wat in de soep en besluit dat hij nu wel gepureerd kan. Ze moeten leren zelf hun conflicten op te lossen.
‘Ophouden jongens.’ Dat is mijn jongste. Omdat ik het niet doe, neemt zij als vanzelf mijn rol op zich. Inmiddels wordt er - nog steeds op de bank - flink geduwd en getrokken.
‘Papa, het gaat mis.’
Nu zou ik moeten ingrijpen, maar ik doe het niet. Ik ben te moe, te brak en te gedeprimeerd. Ik hou de staafmixer in de pan; het ruikt heerlijk, dat moet gezegd. Pas als mijn twee jongens onder mijn bureau op de grond liggen en mijn oudste me waarschuwt dat ik mijn Martin gitaar beter even weg kan zetten, realiseer ik me dat het is geëscaleerd.
Ik breng mijn gitaar in veiligheid, maar zeg niets tegen mijn jongens die elkaar nu met hun schoenen te lijf gaan.
‘Kappen, gast!’
‘Hou je bek, autist.’
Mijn dochter vindt dat ik iets moet doen. ’S. is begonnen,’ zegt ze kwaad. ‘Waarom doe je niets?’
S. voelt zich nu ook door zijn zusje verraden en duwt haar hardhandig tegen de muur. Hij pakt mijn halfvolle glas wijn van tafel. Ik zie hem twijfelen: hij gooit alleen de inhoud tegen de muur maar zet het glas weer terug op tafel. Daarna verschanst hij zich boven in mijn slaapkamer.
Dit wil ik niet, kan ik alleen nog denken. Ik wil zo niet leven, ik wil een ander leven. Ik voel dat ik nu iets krachtigs moet doen: een statement maken, maar ik weet bij god niet hoe.
Dus zet ik het gas uit onder de soep, giet hem over in een afsluitbare plastic doos, pak die in een tas en doe het stokbrood en de rest van de wijn erbij. ‘Trek je jassen aan,’ zeg ik tegen mijn dochter en mijn oudste zoon, ‘we gaan weg, S. zoekt het maar uit, ik pik het niet langer. We gaan bij A. logeren.’
Mijn dochter vindt het best spannend en doet wat ik haar vraag, maar mijn oudste wil niet mee. Hij heeft morgen een proefwerk Duits, zegt hij, en wil nog leren. Ik aarzel, maar besluit hem niet te dwingen.
‘Dan zijn jullie hier alléén vannacht,’ probeer ik nog.
Hij haalt zijn schouders op.
Me een zeer slechte en onverantwoordelijke vader voelend, fiets ik even later hoestend en rochelend met mijn dochter achterop en een pannetje overheerlijke tomatensoep aan het stuur de winternacht in naar A.
vrijdag 25 juli 2014
Twee jaar
Vandaag ben je twee jaar dood. Ik had met de kinderen pintxos willen gaan eten in San Sebastiaan, geen betere plek om aan jou te denken, maar alles is anders gelopen. Ik heb gisteren bij het straatjekeren de achterruit van ons busje verbrijzeld en nu zitten we wat langer vast op een camping in midden Frankrijk. De tranen stroomden me over de wangen van woede en frustratie.
Lulu wilde uitstappen om het muurtje te schoppen waar ik tegenaan was gereden, maar dat kon er ook niets aan doen.
Het is hier warm en stil.
Gisteravond heb ik met onze buren, die ons ten eten hadden gevraagd vanwege de autopech, veel rosé gedronken en over je gepraat. Ik heb ze het filmpje laten zien waar je Ophelia zingt in ‘De Nieuwe Anita’; moeilijk om in te schatten of dat ook voor mensen die jou niet hebben gekend zo indrukwekkend is.
De jongens zijn groot geworden, je zou ze niet herkennen. Ze hebben hun prachtige lange haar kort laten knippen, want dat is nu eenmaal de mode. Pubers onderscheiden zich door er precies als andere pubers uit zien.
Valentijn heeft de baard in de keel en praat in raadselachtige korte zinnen, afgewisseld met afgemeten lachjes achter in zijn keel. Swip wisselt bewondering voor zijn oudere broer af met grote irritatie. Ik probeer - niet altijd met succes - boven de partijen te staan.
Lulu is vrolijk en uitgelaten; ze lijkt met de dag méér op je. Ze wil actrice worden en heeft al veel praktijkervaring opgedaan. Haar laatste wapenfeit is een glansrol in een Amerikaanse commercial voor het wasmiddel ‘All’, waarin ze de rol van Lucy uit ‘Peanuts’ vertolkt. Ze deed dat zo goed dat ik haar niet meteen herkende toen ik haar kwam ophalen op de set.
Ik ben doorgegaan met schrijven, werk hard aan mijn roman die ‘Hotel Alfabet’ moet gaan heten. Na twee jaar stilte heb ik nu ook wel weer zin om te gaan componeren.
Ik denk dat we het redelijk goed hebben met elkaar. We zijn je niet vergeten, praten over je, kijken naar de filmpjes die we hebben gemaakt en proberen net zo lekker te koken als jij deed.
Ik kom je regelmatig opzoeken op Sint Barbera om je op de hoogte te houden van alles wat we meemaken, ook al zeg je nooit iets terug. Maar dat hoeft ook niet; wat zou je moeten zeggen?
Straks gaan we met z’n vieren eten in La Cantina in Chateau-Gontier. Zo leef je in ons voort.
Lulu wilde uitstappen om het muurtje te schoppen waar ik tegenaan was gereden, maar dat kon er ook niets aan doen.
Het is hier warm en stil.
Gisteravond heb ik met onze buren, die ons ten eten hadden gevraagd vanwege de autopech, veel rosé gedronken en over je gepraat. Ik heb ze het filmpje laten zien waar je Ophelia zingt in ‘De Nieuwe Anita’; moeilijk om in te schatten of dat ook voor mensen die jou niet hebben gekend zo indrukwekkend is.
De jongens zijn groot geworden, je zou ze niet herkennen. Ze hebben hun prachtige lange haar kort laten knippen, want dat is nu eenmaal de mode. Pubers onderscheiden zich door er precies als andere pubers uit zien.
Valentijn heeft de baard in de keel en praat in raadselachtige korte zinnen, afgewisseld met afgemeten lachjes achter in zijn keel. Swip wisselt bewondering voor zijn oudere broer af met grote irritatie. Ik probeer - niet altijd met succes - boven de partijen te staan.
Lulu is vrolijk en uitgelaten; ze lijkt met de dag méér op je. Ze wil actrice worden en heeft al veel praktijkervaring opgedaan. Haar laatste wapenfeit is een glansrol in een Amerikaanse commercial voor het wasmiddel ‘All’, waarin ze de rol van Lucy uit ‘Peanuts’ vertolkt. Ze deed dat zo goed dat ik haar niet meteen herkende toen ik haar kwam ophalen op de set.
Ik ben doorgegaan met schrijven, werk hard aan mijn roman die ‘Hotel Alfabet’ moet gaan heten. Na twee jaar stilte heb ik nu ook wel weer zin om te gaan componeren.
Ik denk dat we het redelijk goed hebben met elkaar. We zijn je niet vergeten, praten over je, kijken naar de filmpjes die we hebben gemaakt en proberen net zo lekker te koken als jij deed.
Ik kom je regelmatig opzoeken op Sint Barbera om je op de hoogte te houden van alles wat we meemaken, ook al zeg je nooit iets terug. Maar dat hoeft ook niet; wat zou je moeten zeggen?
Straks gaan we met z’n vieren eten in La Cantina in Chateau-Gontier. Zo leef je in ons voort.
dinsdag 22 april 2014
Slaap
Als ik Lulu naar bed breng, wil ze dat ik even bij haar kom liggen. ‘Breng je me eerst nog thee, papa?’ Ze wil er suiker en melk in; ik vind dat ze dan eigenlijk nóg een keer haar tanden moet poetsen, maar omdat ik weet dat ze haar thee toch nooit opdrinkt, maak ik er geen punt van.
Zodra ze slaapt haal ik het kopje weer weg omdat ik bang ben dat ze het anders misschien omstoot.
‘Kijk papa, dit zijn mijn dagboeken.’ Er staan er een stuk of zes op een rijtje op de boekenplank aan het hoofdeinde van haar bed. ‘Welke denk je dat het oudste is?’ Ik ga het rijtje af: fout, fout, fout, fout, fout, goed.
Ik vraag of ze al schreef vóór Bibian ziek werd.
‘Nee, want ik kreeg het eerste dagboek van mama.’
‘Heb je ook over mama geschreven?’ Ze zegt van niet. ‘Dat wilde ik niet.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ik daar verdrietig van word.’
Ik wil haar uitleggen dat het juist goed is om over je verdriet te schrijven, dat het je kan helpen het te verwerken, maar ik weet me in te houden.
‘Ik wil dat je tegen me aan komt liggen, papa.’ Ik kruip bij haar en konijn onder de deken. Ze draait zich van me af. ’Nu moet je zacht over mijn rug aaien.’ Dat is iets nieuws: volgens Lulu deed Bibian dat ook bij haar. Ik doe het heel zachtjes, steeds min of meer de zelfde cirkelvormige beweging met mijn vingers. Ik tel daarbij tot honderd, maar dat weet Lulu niet. Het is precies lang genoeg: als ik stop slaapt ze al bijna. Ongemakkelijk lig ik op mijn zij in het smalle bed.
Zo lag ik bijna twee jaar geleden ook met Bibian in haar ziekenhuisbed, ingeklemd tussen mijn lief en de centrale verwarming, de laatste nacht dat we samen waren. Hoewel ik in een onmogelijke houding gedwongen was, en niet wilde verliggen, omdat elke aanraking haar een marteling was geworden, viel ik toch in slaap. De droomloze slaap van de ter dood veroordeelde, al was ik het niet die moest sterven de volgende dag.
Ik probeer me op Lulu te concentreren en niet af te dwalen met mijn gedachten. De afspraak was dat ik zou proberen binnen een half uur naast haar in slaap te vallen, net zoals Bibian soms deed toen ze al ziek was. Maar ik krijg mijn kop niet stil; in mijn hoofd ben ik dit stukje al aan het componeren. Na een paar minuten laat ik me zachtjes uit bed glijden.
‘Ga je nu al weg?’
‘Slaap lekker, lieverdje, ik ben te onrustig.’
‘Is het half uur al voorbij?’
‘Ja, bijna.’
Zodra ze slaapt haal ik het kopje weer weg omdat ik bang ben dat ze het anders misschien omstoot.
‘Kijk papa, dit zijn mijn dagboeken.’ Er staan er een stuk of zes op een rijtje op de boekenplank aan het hoofdeinde van haar bed. ‘Welke denk je dat het oudste is?’ Ik ga het rijtje af: fout, fout, fout, fout, fout, goed.
Ik vraag of ze al schreef vóór Bibian ziek werd.
‘Nee, want ik kreeg het eerste dagboek van mama.’
‘Heb je ook over mama geschreven?’ Ze zegt van niet. ‘Dat wilde ik niet.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ik daar verdrietig van word.’
Ik wil haar uitleggen dat het juist goed is om over je verdriet te schrijven, dat het je kan helpen het te verwerken, maar ik weet me in te houden.
‘Ik wil dat je tegen me aan komt liggen, papa.’ Ik kruip bij haar en konijn onder de deken. Ze draait zich van me af. ’Nu moet je zacht over mijn rug aaien.’ Dat is iets nieuws: volgens Lulu deed Bibian dat ook bij haar. Ik doe het heel zachtjes, steeds min of meer de zelfde cirkelvormige beweging met mijn vingers. Ik tel daarbij tot honderd, maar dat weet Lulu niet. Het is precies lang genoeg: als ik stop slaapt ze al bijna. Ongemakkelijk lig ik op mijn zij in het smalle bed.
Zo lag ik bijna twee jaar geleden ook met Bibian in haar ziekenhuisbed, ingeklemd tussen mijn lief en de centrale verwarming, de laatste nacht dat we samen waren. Hoewel ik in een onmogelijke houding gedwongen was, en niet wilde verliggen, omdat elke aanraking haar een marteling was geworden, viel ik toch in slaap. De droomloze slaap van de ter dood veroordeelde, al was ik het niet die moest sterven de volgende dag.
Ik probeer me op Lulu te concentreren en niet af te dwalen met mijn gedachten. De afspraak was dat ik zou proberen binnen een half uur naast haar in slaap te vallen, net zoals Bibian soms deed toen ze al ziek was. Maar ik krijg mijn kop niet stil; in mijn hoofd ben ik dit stukje al aan het componeren. Na een paar minuten laat ik me zachtjes uit bed glijden.
‘Ga je nu al weg?’
‘Slaap lekker, lieverdje, ik ben te onrustig.’
‘Is het half uur al voorbij?’
‘Ja, bijna.’
zondag 6 april 2014
Sterfdag
(voor de dichteres S. J.)
Op de eerste sterfdag van mijn moeder, 19 april, vree ik voor het eerst met B. Ik studeerde Engels maar voerde weinig uit. In de lift van het Amsterdamse Bungehuis waar de faculteit Engels destijds gevestigd was, stond B., die ik nog kende van de kleuterschool. ‘Hé jij bent Klaas,’ riep ze door de overvolle lift, ‘ik was vroeger altijd zó verliefd op jou.’ Ik bleek een makkelijke prooi. We spraken af om op haar kamer samen een tentamen te leren en later die avond poetste ik mijn tanden met een borstel die niet van mij was. In de wastafelspiegel keek ik naar B., die heel wat zelfverzekerder leek dan ik. Haar kamer was op de eerste etage van een prachtige villa aan het Vondelpark, die ze huurde, naar later bleek, bij de ooit veelbelovende dirigent O., die weer een goede vriend van mijn ouders was. Maar dat wist ik toen nog niet.
Nadat we gevreeën hadden - B. maakte veel lawaai, waardoor ik nog stiller werd dan ik toch al ben - realiseerde ik me dat het de eerste sterfdag van mijn moeder was. Dat leek me een slecht voorteken.
Of dit terecht was of niet, valt moeilijk te zeggen, maar tussen B. en mij is het nooit wat geworden. Ze maakte het al snel uit om weer terug te gaan naar haar vorige liefde, waarna ik nog drie jaar wanhopig verliefd op haar bleef.
Mijn vader stierf op 23 december; rare datum: de dag vóór de avond vóór. Meestal denk ik er wel aan, maar behalve de kinderen zijn er niet veel mensen in mijn omgeving die het wat zou zeggen.
‘Vandaag is het de sterfdag van mijn vader,’ zeg ik dan bijvoorbeeld tijdens het avondeten, en dan monsteren ze me zo’n beetje. Maakt hij een grap? Is dit heel zielig? Ik laat het er verder maar bij.
Mijn kinderen hebben mijn ouders nooit gekend, en ik vermoed dat ze zich sowieso geen voorstelling kunnen maken van mij, hun vader, als kind met ouders van vlees en bloed, nog onwetend van zijn eigen - in de sterren geschreven - vaderschap en weduwnaarschap en alles waar ik nu voor hen voor sta.
Nu is 25 juli erbij gekomen als datum om nooit te vergeten voor mij als achterblijvend echtgenoot, en voor de kinderen als datum om ‘er even bij stil te staan’ en soms per ongeluk te vergeten in de hectiek van het toekomstige bestaan.
En onvermijdelijk zal daar straks nog een datum bijkomen.
Op de eerste sterfdag van mijn moeder, 19 april, vree ik voor het eerst met B. Ik studeerde Engels maar voerde weinig uit. In de lift van het Amsterdamse Bungehuis waar de faculteit Engels destijds gevestigd was, stond B., die ik nog kende van de kleuterschool. ‘Hé jij bent Klaas,’ riep ze door de overvolle lift, ‘ik was vroeger altijd zó verliefd op jou.’ Ik bleek een makkelijke prooi. We spraken af om op haar kamer samen een tentamen te leren en later die avond poetste ik mijn tanden met een borstel die niet van mij was. In de wastafelspiegel keek ik naar B., die heel wat zelfverzekerder leek dan ik. Haar kamer was op de eerste etage van een prachtige villa aan het Vondelpark, die ze huurde, naar later bleek, bij de ooit veelbelovende dirigent O., die weer een goede vriend van mijn ouders was. Maar dat wist ik toen nog niet.
Nadat we gevreeën hadden - B. maakte veel lawaai, waardoor ik nog stiller werd dan ik toch al ben - realiseerde ik me dat het de eerste sterfdag van mijn moeder was. Dat leek me een slecht voorteken.
Of dit terecht was of niet, valt moeilijk te zeggen, maar tussen B. en mij is het nooit wat geworden. Ze maakte het al snel uit om weer terug te gaan naar haar vorige liefde, waarna ik nog drie jaar wanhopig verliefd op haar bleef.
Mijn vader stierf op 23 december; rare datum: de dag vóór de avond vóór. Meestal denk ik er wel aan, maar behalve de kinderen zijn er niet veel mensen in mijn omgeving die het wat zou zeggen.
‘Vandaag is het de sterfdag van mijn vader,’ zeg ik dan bijvoorbeeld tijdens het avondeten, en dan monsteren ze me zo’n beetje. Maakt hij een grap? Is dit heel zielig? Ik laat het er verder maar bij.
Mijn kinderen hebben mijn ouders nooit gekend, en ik vermoed dat ze zich sowieso geen voorstelling kunnen maken van mij, hun vader, als kind met ouders van vlees en bloed, nog onwetend van zijn eigen - in de sterren geschreven - vaderschap en weduwnaarschap en alles waar ik nu voor hen voor sta.
Nu is 25 juli erbij gekomen als datum om nooit te vergeten voor mij als achterblijvend echtgenoot, en voor de kinderen als datum om ‘er even bij stil te staan’ en soms per ongeluk te vergeten in de hectiek van het toekomstige bestaan.
En onvermijdelijk zal daar straks nog een datum bijkomen.
zondag 30 maart 2014
Scheltema
Ik loop met Lulu op de Herengracht in de richting van boekhandel Scheltema. Lulu mag een boek uitzoeken en dan kunnen we meteen kijken of mijn boek er wel ligt. De zon schijnt. In de schaduw is het nog wat frisjes, maar we bevinden ons aan de goeie kant van de gracht.
Ik denk aan Bibian met wie ik hier ontelbare keren gelopen heb. ‘Ik ben blij dat de zon schijnt,’ zeg ik tegen Lulu, ‘ik vind het zo’n naar idee dat mama daar dood ligt te zijn in haar kist als het regent of sneeuwt.’
‘Mama is niet dood,’ zegt Lulu boos.
‘Hoezo niet?’ zeg ik geïrriteerd. ‘Natuurlijk is ze dood.’
‘Niet waar, ze is in een kasteel. Ik heb het zelf gezien.’
‘Bedoel je dat kasteel waar alleen maar meisjes wonen?’ Daar had ze over gedroomd. Ik zie dat ze zelf ook moet lachen.
‘Ja papa.’
Ik ben een beetje aan het bijkomen van een flinke griep en een golf van pijn en verdriet die plotseling op kwam zetten en me totaal overspoelde. Het is een egocentrische pijn, die meer over mij dan over Bibian gaat. Verontwaardiging over het leed dat mij is aangedaan, het geluk dat mij is afgenomen. Ik geloof niet dat ik hier te lang bij stil wil blijven staan; dat lijkt me niet gezond en ook weinig constructief, maar nu het me zo overspoelt laat ik me meevoeren en merk ik dat het me op een rare manier manier ook wel goed doet: lekker hangen in mijn verdriet.
Lulu zegt dat ze weer een keer naar mama’s graf wil. Ik vind het wonderbaarlijk hoe goed ze in staat is met haar verdriet om te gaan. Als ze Bibian erg mist komt ze bij me zitten en praten we erover, maar als ik er over begin op een moment dat ze er geen zin in heeft zegt ze dat ook.
‘Nu niet, papa, want nu mis ik mama niet.’ Hoewel het me soms wat rauw op mijn dak valt, kan ik er eigenlijk alleen maar bewondering voor hebben. Lulu is absoluut niet sentimenteel, haar gevoelens zijn volkomen oprecht, en ze schaamt zich er ook niet voor.
In Scheltema kijken we bij de H. Bibians boek staat er al lang niet meer, maar van mijn boek hebben ze nog één exemplaar op voorraad. Ik ben een beetje teleurgesteld, maar volgens Lulu komt het omdat ze er al heel veel verkocht hebben.
Ik denk aan Bibian met wie ik hier ontelbare keren gelopen heb. ‘Ik ben blij dat de zon schijnt,’ zeg ik tegen Lulu, ‘ik vind het zo’n naar idee dat mama daar dood ligt te zijn in haar kist als het regent of sneeuwt.’
‘Mama is niet dood,’ zegt Lulu boos.
‘Hoezo niet?’ zeg ik geïrriteerd. ‘Natuurlijk is ze dood.’
‘Niet waar, ze is in een kasteel. Ik heb het zelf gezien.’
‘Bedoel je dat kasteel waar alleen maar meisjes wonen?’ Daar had ze over gedroomd. Ik zie dat ze zelf ook moet lachen.
‘Ja papa.’
Ik ben een beetje aan het bijkomen van een flinke griep en een golf van pijn en verdriet die plotseling op kwam zetten en me totaal overspoelde. Het is een egocentrische pijn, die meer over mij dan over Bibian gaat. Verontwaardiging over het leed dat mij is aangedaan, het geluk dat mij is afgenomen. Ik geloof niet dat ik hier te lang bij stil wil blijven staan; dat lijkt me niet gezond en ook weinig constructief, maar nu het me zo overspoelt laat ik me meevoeren en merk ik dat het me op een rare manier manier ook wel goed doet: lekker hangen in mijn verdriet.
Lulu zegt dat ze weer een keer naar mama’s graf wil. Ik vind het wonderbaarlijk hoe goed ze in staat is met haar verdriet om te gaan. Als ze Bibian erg mist komt ze bij me zitten en praten we erover, maar als ik er over begin op een moment dat ze er geen zin in heeft zegt ze dat ook.
‘Nu niet, papa, want nu mis ik mama niet.’ Hoewel het me soms wat rauw op mijn dak valt, kan ik er eigenlijk alleen maar bewondering voor hebben. Lulu is absoluut niet sentimenteel, haar gevoelens zijn volkomen oprecht, en ze schaamt zich er ook niet voor.
In Scheltema kijken we bij de H. Bibians boek staat er al lang niet meer, maar van mijn boek hebben ze nog één exemplaar op voorraad. Ik ben een beetje teleurgesteld, maar volgens Lulu komt het omdat ze er al heel veel verkocht hebben.
dinsdag 18 februari 2014
De complete weduwnaar
‘Het voelt vreemd genoeg ook een beetje alsof ik een kans heb gekregen. De kans om een totaal ander leven te beginnen. Mezelf opnieuw uit te vinden, nieuwe kleren te dragen, opnieuw een beginner te zijn, een amateur.’
Klaas ten Holt woont met Bibian Harmsen en hun drie kinderen in Amsterdam. Samen treden ze op met hun band Emma Peel en zijn ze ‘simpelweg’ gelukkig. Tot Bibian te horen krijgt dat ze ongeneeslijk ziek is. In een roes beleven ze de intense maanden die volgen, waarin Bibian een boek schrijft, Paniekspinnen, en ze samen liedjes schrijven en cd’s opnemen.
Op 25 juli 2012 sterft Bibian thuis, in het bijzijn van Klaas en de kinderen. Moegestreden.
Na de begrafenis, wanneer Klaas met zijn kinderen voor een tijdje naar België vertrekt, is er pas ruimte om na te denken over hoe nu verder, als weduwnaar en als vader van drie opgroeiende kinderen van zeven, elf en twaalf. Klaas begint over zijn nieuwe leven te bloggen en wordt door vele lezers in het hart gesloten.
De complete weduwnaar is het tragikomische verslag van het eerste jaar zonder Bibian, waarin hij er alles aan doet om er met zijn kinderen iets moois van te maken. Tegelijkertijd beschrijft hij het gemis, dat telkens van kleur verandert, blikt hij terug op zijn eigen familiegeschiedenis, en is er ten slotte een nieuwe liefde.
Klaas ten Holt is componist, gitarist, en geeft les aan het conservatorium in Groningen. Hij schreef een veelgelezen column in Het Parool.
‘Dit boek raakt je diep.’
Jeroen Krabbé
Klaas ten Holt woont met Bibian Harmsen en hun drie kinderen in Amsterdam. Samen treden ze op met hun band Emma Peel en zijn ze ‘simpelweg’ gelukkig. Tot Bibian te horen krijgt dat ze ongeneeslijk ziek is. In een roes beleven ze de intense maanden die volgen, waarin Bibian een boek schrijft, Paniekspinnen, en ze samen liedjes schrijven en cd’s opnemen.
Op 25 juli 2012 sterft Bibian thuis, in het bijzijn van Klaas en de kinderen. Moegestreden.
Na de begrafenis, wanneer Klaas met zijn kinderen voor een tijdje naar België vertrekt, is er pas ruimte om na te denken over hoe nu verder, als weduwnaar en als vader van drie opgroeiende kinderen van zeven, elf en twaalf. Klaas begint over zijn nieuwe leven te bloggen en wordt door vele lezers in het hart gesloten.
De complete weduwnaar is het tragikomische verslag van het eerste jaar zonder Bibian, waarin hij er alles aan doet om er met zijn kinderen iets moois van te maken. Tegelijkertijd beschrijft hij het gemis, dat telkens van kleur verandert, blikt hij terug op zijn eigen familiegeschiedenis, en is er ten slotte een nieuwe liefde.
Klaas ten Holt is componist, gitarist, en geeft les aan het conservatorium in Groningen. Hij schreef een veelgelezen column in Het Parool.
‘Dit boek raakt je diep.’
Jeroen Krabbé
Abonneren op:
Posts (Atom)
