December is de moeilijkste maand. Teveel verplichte vrolijkheid. Je hoeft maar uit het raam te kijken om te zien dat daar geen enkele reden toe is.
Ik stond met Lulu aan de waterkant te wachten op de komst van de goedheiligman. Klasgenootjes - het blijft Amsterdam-Zuid - riepen om sushi naar de Pieten, die aan hun accent te horen zelf ook in Amsterdam-Zuid waren opgegroeid.
‘Volgens mij is het niet de echte Sinterklaas,’ zei Lulu wijs, terwijl ze opgewonden tussen haar vriendinnetjes heen en weer sprong.
Lulu gelooft weer. Ze heeft besloten dat de Sint toch maar wel bestaat. Ik denk dat het net zoiets is als met Konijn. Die bestaat ook echt.
‘Mag Konijn zijn schoen zetten, papa?’ vroeg ze eergisteren.
‘Ja hoor.’
Ik was het vergeten en realiseerde me even over zessen dat ik niets had om in Konijn's schoen te doen.
Ik geloof ook in Sinterklaas, maar heb voor alle zekerheid Valentijn om een winterpeen naar de Turkse kruidenier gestuurd, die tot zeven uur open is.
Maar Lulu was woedend de volgende ochtend.
‘Konijn is geen gewoon konijn, papa! Konijn is geen dier, dat weet je toch wel, Konijn kan toch ook praten!’
Ik zei dat ik vermoedde dat er een vergissing in het spel was. Konijn moest het nog maar eens proberen.
Deze keer zat er een chocoladeletter in. De K. Ik denk van Konijn.
‘Zat er een brief bij van de Sint?’
‘Ja papa, het was inderdaad een vergissing. Die wortel was voor Amerigo. Zie je wel!’ Ze kijkt me triomfantelijk aan.
Ik stond aan de waterkant tegen mijn tranen te vechten. Tevergeefs natuurlijk. Ik was zo boos op de Sint en die stomme Pieten van hem. Ik weet eigenlijk niet waarom. Misschien was het contrast te groot: al die uitgelaten kinderen, en mijn kleine meisje zonder haar moeder. Alsof hij er iets aan kon doen met zijn plastic staf en zijn aanplakbaard.
Toen ze me even uit het oog was verloren, stond de paniek op Lulu’s gezicht.
‘Ik zag je niet meer!’
We zijn dus maar samen naar haar lokaal gelopen, weg uit de drukte. Daar zaten we zwijgend naast elkaar op een tafeltje in de gang.
‘Nog niet weggaan papa.’
‘Nee, natuurlijk niet.’
‘Ik ben om twee uur uit vandaag.’
‘Ik weet het.’
‘Vergeet je het niet?’
‘Wat dacht je?’
Ze drukt me wat uitgedroogd suikergoed in mijn handen, dat ze kennelijk van een van de Pieten heeft gekregen.
‘Voor onderweg, papa.’
donderdag 5 december 2013
zondag 17 november 2013
Steen
Weer wordt het winter. De feestdagen. Ik denk nog altijd dat je terugkomt, dat onze scheiding niet definitief is. Het voelt als wachten, het leven dat ik leid. Alsof ik ergens op wacht: op jou.
Ik lees je boek, steeds trager, om het einde zo lang mogelijk uit te stellen. Het is prachtig, maar het loopt zo slecht af. Telkens begin ik weer opnieuw.
Ik heb eindelijk een steen besteld voor op je graf. Ik wilde iets simpels, gewoon een steen met je naam erop en het rode poesje dat je als logo voor je ontwerpbureau gebruikte. Dat was een idee van Swip, om dat poesje op je steen te zetten.
De verkoopster van de steenhouwerij wist van geen ophouden; het duizelde me. Zoveel steensoorten, zoveel keuze.
L. heeft me geholpen met de letters, ze vond dat je kroontje op de steen moest, dus nu krijg je een steen met behalve je naam een oranje poesje en een kroontje.
De levertijd was zes weken. De verkoopster hoopte dat dat geen bezwaar was.
Ik zei dat ik dacht van niet, je hebt immers alle tijd; ik ook. Als hij er maar komt.
Ik merk dat ik het prettig vind iets voor je te doen. Met je bezig te zijn. Het zou nog leuker zijn als ik met je kon overleggen. Jij had ongetwijfeld die andere steensoort mooier gevonden, en ook nog wel iets op het lettertype aan te merken gehad. Maar misschien is het niet zo belangrijk. Als je naam maar goed gespeld wordt en de jaartallen kloppen.
Ik schrijf weer liedjes. Je blijft een rijke bron van inspiratie. De kinderen zeggen dat ik veel beter ben gaan zingen. Zo verzin ik steeds iets nieuws om met je bezig te blijven. Je hebt weinig materiële sporen achtergelaten, maar wel een ongelofelijke rijkdom aan herinneringen en verhalen.
Ook de kinderen zullen je niet vergeten, ze zijn doordrenkt van je liefde en je inspiratie.
Ik ben verdrietig, maar niet gedeprimeerd, geloof ik. Ik begin al te wennen aan het alleen zijn, alleen slapen, alleen wakker worden. Bovendien liggen er regelmatig kinderen in mijn bed, of op een matrasje ernaast.
Ik denk dat ik alles aardig op de rails heb, maar het zou zo leuk zijn als jij er was om het mee te delen. Om samen met jou op te zien tegen de feestdagen.
Ik lees je boek, steeds trager, om het einde zo lang mogelijk uit te stellen. Het is prachtig, maar het loopt zo slecht af. Telkens begin ik weer opnieuw.
Ik heb eindelijk een steen besteld voor op je graf. Ik wilde iets simpels, gewoon een steen met je naam erop en het rode poesje dat je als logo voor je ontwerpbureau gebruikte. Dat was een idee van Swip, om dat poesje op je steen te zetten.
De verkoopster van de steenhouwerij wist van geen ophouden; het duizelde me. Zoveel steensoorten, zoveel keuze.
L. heeft me geholpen met de letters, ze vond dat je kroontje op de steen moest, dus nu krijg je een steen met behalve je naam een oranje poesje en een kroontje.
De levertijd was zes weken. De verkoopster hoopte dat dat geen bezwaar was.
Ik zei dat ik dacht van niet, je hebt immers alle tijd; ik ook. Als hij er maar komt.
Ik merk dat ik het prettig vind iets voor je te doen. Met je bezig te zijn. Het zou nog leuker zijn als ik met je kon overleggen. Jij had ongetwijfeld die andere steensoort mooier gevonden, en ook nog wel iets op het lettertype aan te merken gehad. Maar misschien is het niet zo belangrijk. Als je naam maar goed gespeld wordt en de jaartallen kloppen.
Ik schrijf weer liedjes. Je blijft een rijke bron van inspiratie. De kinderen zeggen dat ik veel beter ben gaan zingen. Zo verzin ik steeds iets nieuws om met je bezig te blijven. Je hebt weinig materiële sporen achtergelaten, maar wel een ongelofelijke rijkdom aan herinneringen en verhalen.
Ook de kinderen zullen je niet vergeten, ze zijn doordrenkt van je liefde en je inspiratie.
Ik ben verdrietig, maar niet gedeprimeerd, geloof ik. Ik begin al te wennen aan het alleen zijn, alleen slapen, alleen wakker worden. Bovendien liggen er regelmatig kinderen in mijn bed, of op een matrasje ernaast.
Ik denk dat ik alles aardig op de rails heb, maar het zou zo leuk zijn als jij er was om het mee te delen. Om samen met jou op te zien tegen de feestdagen.
zaterdag 21 september 2013
Rood Hoedje
Vlak voor Bibian dood ging, kreeg ik van haar een hoedje.
In de mei-vakantie van 2012 waren we vanuit Meerle een dagje met z’n allen naar Antwerpen gegaan. In een ‘Western Shop’ lag een rood hoedje in de etalage. Volgens Bibian was het een dameshoedje, maar de verkoper legde uit dat dit soort hoedjes in de jaren veertig in de Verenigde Staten werden gedragen door Jazz- en Bluesmuzikanten.
Het was niet mijn eerste hoed. Jaren geleden kocht ik in een warenhuis in Moskou een ‘vaskresenje’, wat zondag betekent in het Russisch: een zondagse hoed. Het was een soort Soviet versie van de Stetson, een fraai zwart exemplaar. Helaas ben ik die kwijtgeraakt. Later kocht ik een soortgelijk vilten model bij The English Hatter in Amsterdam, dat ik nog steeds bezit.
Ik heb ook nog een fraaie, zeer zwierige donkerpaarse Borsalino, handgemaakt door mijn tante M., en een blauwe ‘Mao’ pet uit China, die ik beide nooit draag.
Omdat ik had bedacht dat ik het eerste jaar na Bibians dood een teken van rouw wilde dragen, vroeg ik haar om een lok van haar prachtige lange haar.
Ze knoopte een vlechtje en knipte dat voor me af. Ik maakte er zilveren sluiters aan, zodat ik het als armband zou kunnen dragen. Het haar bleek alleen te springerig en de sluiters niet stevig genoeg. Omdat ik bang was de lok te verliezen, heb ik er toen maar van afgezien.
Zo kwam ik op het idee van mijn rode hoedje als ‘rouwhoed’. Voor mij had het alles met Bibian te maken: zij haar kroon, ik mijn hoed.
Ik heb mijn rode rouw-hoedje vier seizoenen gedragen, en nu is het genoeg geweest: ik heb het afgezet. Soms droeg ik het met plezier, maar op sommige dagen moest ik mezelf dwingen hem op te zetten, omdat ik er zo verdrietig van werd. Ik was een beetje ‘die man met dat rode hoedje’ geworden. Soms werd ik ermee herkend op straat: Hé, u bent toch Klaas? Ja, dat zie ik aan uw hoedje!
Ik weet niet hoe lang rouw duurt; ik ben er in elk geval nog lang niet klaar mee, maar ik heb gedaan wat ik me had voorgenomen, en ik denk dat het goed is dat ik het nu niet meer draag.
Eigenlijk heb ik het gevoel dat ik nu pas ben begonnen met rouwen. Het eerste jaar is als in een roes voorbijgegaan, en nu de rook is opgetrokken, ben ik er klaar voor: rouw.
In de mei-vakantie van 2012 waren we vanuit Meerle een dagje met z’n allen naar Antwerpen gegaan. In een ‘Western Shop’ lag een rood hoedje in de etalage. Volgens Bibian was het een dameshoedje, maar de verkoper legde uit dat dit soort hoedjes in de jaren veertig in de Verenigde Staten werden gedragen door Jazz- en Bluesmuzikanten.
Het was niet mijn eerste hoed. Jaren geleden kocht ik in een warenhuis in Moskou een ‘vaskresenje’, wat zondag betekent in het Russisch: een zondagse hoed. Het was een soort Soviet versie van de Stetson, een fraai zwart exemplaar. Helaas ben ik die kwijtgeraakt. Later kocht ik een soortgelijk vilten model bij The English Hatter in Amsterdam, dat ik nog steeds bezit.
Ik heb ook nog een fraaie, zeer zwierige donkerpaarse Borsalino, handgemaakt door mijn tante M., en een blauwe ‘Mao’ pet uit China, die ik beide nooit draag.
Omdat ik had bedacht dat ik het eerste jaar na Bibians dood een teken van rouw wilde dragen, vroeg ik haar om een lok van haar prachtige lange haar.
Ze knoopte een vlechtje en knipte dat voor me af. Ik maakte er zilveren sluiters aan, zodat ik het als armband zou kunnen dragen. Het haar bleek alleen te springerig en de sluiters niet stevig genoeg. Omdat ik bang was de lok te verliezen, heb ik er toen maar van afgezien.
Zo kwam ik op het idee van mijn rode hoedje als ‘rouwhoed’. Voor mij had het alles met Bibian te maken: zij haar kroon, ik mijn hoed.
Ik heb mijn rode rouw-hoedje vier seizoenen gedragen, en nu is het genoeg geweest: ik heb het afgezet. Soms droeg ik het met plezier, maar op sommige dagen moest ik mezelf dwingen hem op te zetten, omdat ik er zo verdrietig van werd. Ik was een beetje ‘die man met dat rode hoedje’ geworden. Soms werd ik ermee herkend op straat: Hé, u bent toch Klaas? Ja, dat zie ik aan uw hoedje!
Ik weet niet hoe lang rouw duurt; ik ben er in elk geval nog lang niet klaar mee, maar ik heb gedaan wat ik me had voorgenomen, en ik denk dat het goed is dat ik het nu niet meer draag.
Eigenlijk heb ik het gevoel dat ik nu pas ben begonnen met rouwen. Het eerste jaar is als in een roes voorbijgegaan, en nu de rook is opgetrokken, ben ik er klaar voor: rouw.
maandag 12 augustus 2013
Thuis
Ik verlang naar huis. Dat lijkt me goed. Ik
kan me de keren herinneren dat ik, op de laatste vakantiedag, ergens halverwege
de terugreis, ons busje een rustplaats opstuurde, parkeerde en uitstapte, om
vervolgens tot verbijstering van de kinderen tegen een betonnen vuilstortbak te
gaan schoppen, roepend: ‘Ik wil niet naar huis! Ik haat dat kuthuis van ons!’
Ik wilde altijd zo lang mogelijk van huis;
elke zomer opnieuw. Ver weg van onze benauwde etagewoning in Amsterdam. Teveel
mensen op een te klein oppervlak. Geen buiten. Nooit echte stilte.
Bibian had er geen probleem mee. Ze voelde
zich er thuis, ergerde zich niet aan het onvermijdelijke burengerucht, het
geluid van de tram, het vrachtverkeer dat het huis deed trillen. Ze was trots
op haar huisje in Amsterdam, de stad waar ze altijd al wilde wonen.
Nu Bibian dood is, voel ik me er ook thuis.
Misschien omdat ik me realiseer dat de kans niet groot is dat ik ooit nog een
voor mij betaalbare ruime, hoge en lichte etage zal vinden midden in de stad,
die me beter zal bevallen.
Het is een huis met een redelijk turbulente
geschiedenis, dat haar bewoners over het algemeen weinig geluk heeft gebracht.
Ooit was het eigendom van mevr. De Roy van
Zuydewijn, de moeder van Edwin, die er gedeeltelijk opgroeide. Hij stond een
keer met zijn hond bij ons voor de deur naar boven te kijken. Omdat ik hem
herkende vroeg ik of hij misschien even binnen wilde komen, maar hij bedankte.
Later woonden mijn oom en tante er met hun
drie zoons, waarvan de jongste er is blijven wonen tot wij het van hem konden
overnemen. Ondertussen is het vele malen geheel en gedeeltelijk onderverhuurd
geweest. Toen wij er introkken was het feitelijk compleet uitgewoond.
Maar sinds Bibian dood is, voel ik me er
veilig en thuis. Het is mijn huis, ons huis. Het huis waar ik met Bibian bijna
acht veel te korte jaren heb doorgebracht, vele, vele etentjes heb gegeven,
verjaardagen gevierd, heb gewoond en gewerkt. Dat we samen verfraaiden en
versierden tot we het precies zo hadden als we het wilden hebben. Waar we onze
plannen smeedden, onze verlangens formuleerden. Waar Lulu is geboren.
Het huis waar Bibian ziek werd, en we samen
die laatste ongelofelijke maanden doorbrachten tot ze er op die hete zomerdag
in juli haar laatste adem uitblies, en ze haar, rechtop, in een dichtgeritste lijkzak, vastgesnoerd op een brancard, de trappen afdroegen, in een auto
schoven, en meenamen, terwijl wij haar onnozel uitzwaaiden vanaf de stoep.
zaterdag 10 augustus 2013
Wally
Ik zit voor mijn tent onder de tarp in een
vouwstoel. Het is bewolkt, maar van tijd tot tijd breekt de zon door. Een
rustig dagje, de kinderen vermaken zich met elkaar. Af en toe komt er eentje
kijken of ik er nog ben.
We zijn nu vier weken van huis, langer dan ik
voor mogelijk had gehouden.
Ik doe ongeveer de dingen die we vroeger met
z’n vijven deden. Elke dag iets ondernemen. Een beetje rondhangen in de stadjes
in de buurt. Overbodige aankopen doen. Bezoek aan een bezienswaardigheid. Naar
zee. Nu we weer met z’n vieren zijn is het overwegend gezellig.
Ik geniet van het rijden in ons busje over de
kleine kronkelige wegen, de eeuwige strijd van de kinderen om wie er ‘voorin’
mag zitten. Ik draai onze liedjes en schiet vol, en dat is ook precies hun
functie. Onze eigen zelfgemaakte tearjerkers.
Ik vraag me af of je me gadeslaat. Of je ziet
hoe ik je mis, maar je toch ook al verraden heb. Of je begrijpt wat ik doe, wat
ik probeer te doen. Meestal begreep je me beter dan ikzelf; met het overzicht
van de buitenstaander, de blik van de ander.
Er is een jaar voorbij gegaan. Ik kan nog
altijd niet geloven dat ik je nooit meer zal zien, dat je nooit meer met die
licht spottende blik naar me zal kijken, mij bij mijn naam zal noemen. Dat ik
nooit meer je stem zal horen.
Ik heb geprobeerd open te staan voor een
nieuwe liefde, maar ik geloof dat ik nu al jammerlijk heb gefaald. Ik ben er
nog niet klaar voor. Ik dacht dat het één naast het ander zou kunnen bestaan:
liefde naast verdriet, vervulling naast gemis, maar ik denk nu dat het een
illusie is. Ik heb een ander niets te bieden.
Ik voel je overal om me heen. Het is alsof ik
maar een klein stapje moet doen om je ook werkelijk te kunnen zien. Een stap
die ik nooit zal kunnen nemen; niet zolang ik besta.
Ik luister naar het ruisen van de bladeren in
de wind. Het gekwetter van de vogels, het getjirp van een krekel, geritsel in
de bosjes om mij heen. Een vliegtuig met zijn langgerekte aan- en weer
afzwellende gerommel, een auto op het landweggetje verderop. En ergens in al
die beelden en geluiden zit jij verstopt. Als ik maar goed genoeg mijn best
doe, zal ik je zeker ontdekken.
Waar is Wally voor gevorderden.
vrijdag 9 augustus 2013
Pintxos
Het regent in Zuid-Frankrijk. Donkere wolken
hangen laag boven de tent. Het lot heeft ons naar een camping gebracht waar we
drie jaar geleden ook stonden. De enige plek die nog vrij is, is dezelfde van
toen. Het is een wijdse camping, en ik zie het niet meteen, maar wanneer we bij
het kantoortje staan krimpt mijn hart ineen.
Ik ben alleen met de kinderen. Ze voelen mijn
angst, mijn onzekerheid en mijn verdriet. Het maakt ons ongedurig. En – als
gezegd – het regent.
Omdat ik hoop dat aan de andere kant van de
Pyreneeën de zon zal schijnen, besluiten we naar San Sebastiaan te gaan. Ik
meen me te herinneren dat dat drie jaar geleden ook het geval was.
Ik vraag me af waarom ik dit doe. Het doet
zo’n pijn. Is het zelfkwelling, zelfmedelijden? Ik moest en zou hier naar toe.
Het is een klein uurtje van Herm naar de
Spaanse grens. Ik weet niet waarom, maar er valt een last van me af. Ik hou
niet van Frankrijk. Niet van de taal, niet van de keuken, niet van de Fransen.
In Spanje voel ik me thuis.
Het is iets in de kleuren, in het licht, iets
in het perspectief dat zich er lijkt te verbreden. De mensen kijken anders. In
Frankrijk voel ik me altijd bekeken, gewogen. In Spanje verdwijn ik, los ik op.
Ik weet precies waar ik heen wil. Die ene
tapas bar, in een steegje uitkomend op de kerk. Eén lange bank langs de muur,
achterin een paar eenvoudige houten tafels en de bar helemaal volgestapeld met
‘pintxos’ zoals je ze nergens anders krijgt. Je neemt wat je wilt en rekent af
met de houten prikkertjes die overblijven op je bord. Een zaak van vertrouwen.
We zitten naast elkaar met onze bordjes op
schoot; de muur achter ons behangen met vergeelde posters van helden uit de
zestiger jaren: Toreadors in de arena.
En plotseling realiseer ik me: hier komt alles
samen. Wij, ons kleine gezinnetje, ver van huis, los van alle balast, alle
zorgen, ambitie. Spanje, de taal, de mensen en het ongelofelijke eten. Hier
vonden we wat we zochten, hier waren we compleet.
Ik weet het zeker; als Bibian ooit echt
volmaakt gelukkig is geweest, dan was het hier, in restaurant Casa Alcalde met
ons, haar familie.
Ik probeer het de kinderen uit te leggen, maar
die worden teveel afgeleid door het enorme televisiescherm waarop zich een
Spaanse versie van GTST afspeelt.
‘Zullen jullie je het herinneren, jongens,’
benadruk ik. ‘Beloven jullie me dat.’
‘Ja,’ knikken ze braaf. Ze zullen het zich
herinneren.
Drie mensen waar ik het allermeest van hou,
met een oversentimentele vader.
Ze zullen het zich herinneren.
dinsdag 6 augustus 2013
Het begin
Lulu wil weten waar het begin van de snelweg
is.
‘Papa wil je me waarschuwen als we bij het
begin zijn,’ vraagt ze ernstig.
Ik beloof het.
‘Hoe ziet het begin er dan uit,’ wil ze weten.
Ik probeer me er een voorstelling van te
maken. Is er wel een begin? Er zijn overal op- en afritten, maar waar begint
het.
Ik zou het haar zo graag laten zien. Kijk
Lulu: hier is het officiële begin. Het maakt me verdrietig.
We rijden in ons busje door Frankrijk; vier
individuen die een gezin proberen te zijn. Ik hamer er steeds weer op: we zijn
een gezin hoor jongens. Wij horen bij elkaar.
Swip hoort me niet omdat hij een koptelefoon
op heeft en naar electronische muziek luistert. Valentijn kraamt eindeloos
onzin uit; denkt dat hij grappig is. En toegegeven: vaak is hij dat ook, maar
doceren is niet zijn sterkste kant.
Lulu zit naast me met konijn op schoot, trots
dat ze ‘voorin’ mag zitten, en let op de weg.
We zijn nu drie weken van huis, en ik wil het
nog even volhouden.
Een gezin.
Overal om ons heen op campings staan gezinnen
met kinderen. Het maakt me onrustig. Ik wil verder, dóór.
In het zwembadje maken mijn kinderen snel
vrienden. Kunnen we hier langer blijven papa?
Ik lig langs de kant in een plastic ligstoel
naar mijn kinderen te kijken. Wordt het ruzie? Nee, het gaat goed.
Lulu komt af en toe vragen waarom ik zo sip
kijk.
‘Kom je ook zwemmen papa.’
‘Ik kom zo.’
‘Mis je mama.’
‘Ja.’
‘Ik ook.’
Ze neemt een aanloopt en springt het water in.
‘Kijk papa,’ roept ze vrolijk.
Op haar handen loopt ze over de bodem van het
bad. Haar benen steken boven het wateroppervlak uit.
‘Heb je het gezien papa?’
Ik heb het gezien.
Ondertussen bestudeer ik de kaart. Misschien
geeft de kaart me het begin; op de tomtom zal ik het nooit vinden.
Ik wil zo dicht mogelijk tegen de Spaanse
grens aan camperen, en het liefst ergens waar het rustig is - ver van huis –
zodat we dagtochtjes naar San Sebastiaan kunnen maken, waar ze de
allerlekkerste ‘pintxos’ hebben.
Een enkele keer zie je nog wel eens een ouder
echtpaar in een auto waarvan er één een grote kaart, half uitgevouwen op schoot
heeft liggen, en de ander aanwijzingen geeft welke afslag er genomen moet
worden, maar meestal wordt er op de tomtom gereden.
Ik hou van kaarten. Misschien omdat ik
componeer; een partituur is ook een soort kaart, die je de weg door een
compositie wijst.
Maar Lulu vertrouwt op mij als wegwijzer.
‘Zijn we al op de snelweg papa?’
‘Nee nog niet.’
We zijn op zoek naar het begin.
Abonneren op:
Posts (Atom)