dinsdag 27 november 2012

Jarig


Valentijn wordt 13 jaar. Hij is opgewonden, nerveus; een klein, niet meer zo heel klein jongetje. Ik heb flink uitgepakt, omdat ik vind dat hij wel een beetje verwend mag: eerst zijn moeder verloren, daarna gelijk een blindedarmontsteking, achterop geraakt op zijn nieuwe school, en nu een redelijk dramatisch eerste rapport. Hij is er niet blij mee. Heeft geen idee hoe hij het aan moet pakken.
Ik heb een ‘croquembouche’ besteld, een taart die knispert in je mond. Dat is een soort familietraditie geworden. Soms maakten we hem zelf, maar vaak ook niet, vanwege de bewerkelijkheid. En je kunt flink je handen branden aan die draden van caramel.
Ik heb samen met Lulu balonnen opgeblazen. Terwijl zij Valentijn’s stoel versierde met serpentines heb ik de slingers opgehangen en de tafel extra mooi gedekt. Dertien jaar! Dat vind ik nogal wat.
Het is verdrietig om dit nu voor het eerst zonder Bibian te moeten doen, maar het feestelijke overheerst. Er zijn ook nog schoenen gezet die de Sint straks niet moet vergeten te vullen. Het zal niet de eerste keer zijn dat de goedheiligman ‘s nachts wakker schrikt omdat hij nog kadootjes moet verdelen.
Ik verheug me nu al op Valentijn’s gezicht morgenochtend. Hij is altijd blij verrast met wat hij krijgt; geeft je nooit het gevoel dat je hem tekort hebt gedaan.
Zondag bereikte mij het nieuws dat Simeon is gestorven. Hij is negenentachtig geworden. We zagen elkaar niet vaak, en het initiatief moest meestal van mij komen, maar als we elkaar spraken was het toch altijd gezellig. Ik geloof dat hij vroeger nogal op mijn moeder gesteld was, misschien ziet hij haar in mij.
De laatste keer dat ik hem sprak was hij niet erg vrolijk. Hij was ongelukkig gevallen in dat piepkleine huisje van hem in Bergen en kon helemaal niet meer lopen. Hij zei dat hij geen negentig meer hoopte te worden; het was wel mooi geweest. Hij was bitter dat het altijd maar over Canto ging en nooit eens over zijn andere stukken. Pas toen we over de familie gingen roddelen klaarde hij weer een beetje op, kreeg ik hem aan het lachen. Vandaag sprak ik zijn vrouw Colette even, die ik erg aardig vind. Maandag wordt hij begraven. Ik denk dat ik de kinderen meeneem, tenzij ze echt niet willen. Ze hebben hem nooit ontmoet.
Bibian hield niet van zijn muziek, het werkte haar op de zenuwen. Wel de bagatellen, die ik zelf trouwens ook het mooiste vind, maar niet Canto. Als ik het wel eens opzette moest het meteen weer af.
De eerste verjaardag en de eerste begrafenis zonder Bibian.



maandag 26 november 2012

Donker

 
Het valt me zwaar, de laatste dagen, om de leuke vlotte, grappige weduwnaar/papa te spelen. Ik heb het druk – dat heb ik voor een gedeelte aan mezelf te danken, maar ik verdrink ook een beetje in de hoeveelheid kleinere en grotere dingen die mijn aandacht vragen. Ik wil het zo graag ‘allemaal’ doen, en liefst ook nog voorbeeldig. Dat is ook wel een beetje een thema bij mij. Het lijkt wel of ik mijn leven als één groot examen zie, met alle vrienden, familie, collega’s en anderen als een leger examinatoren en gecommiteerden. Klinkt als faalangst, zou je zeggen, maar dat dekt toch ook niet helemaal de lading. Masochisme? Verlatingsangst? Extreem Calvinisme?
Ik zou het zo graag los willen kunnen laten. Mijzelf ontremmen, eindelijk eens amok maken. Hopeloos.
In deze donkere dagen van verplichte gezelligheid voel ik de druk om de boel bij elkaar te houden meer dan ooit. Ik probeer wanhopig het iedereen naar de zin te maken, maar het komt niet over. Ik sta er alleen voor.
De een doet helemaal niets meer op school, moet steeds vaker nablijven, simuleert bloedneuzen en ergere verwondingen in de les en op het schoolplein met een flesje ‘nepbloed’ van de feestwinkel, vergeet het huiswerk mee te nemen of – als ik het alsnog ga halen – het te maken of in te leveren. Moet wel dit jaar nog even de Cito doen, is als hoogbegaafd gediagnostiseerd, maar wil alleen nog Minecraft spelen op de computer.
Als ik probeer uit te leggen hoe belangrijk een goeie schoolopleiding is krijg ik te horen dat je om deejay te worden aan HAVO meer dan genoeg hebt.
Ik bluf dat Tiësto gestudeerd heeft, dat Armin van Buuren doctorandus is, maar ik weet het niet overtuigend te brengen.
De ander doet wel zijn best op school maar verdwaalt hopeloos in alle nieuwe structuren, de hoeveelheid huiswerk en de organisatie daarvan. Ik zie hem worstelen met de lesstof, bied aan hem te overhoren, maar moet ondertussen ook koken, een wasje draaien en de vuilniszakken buiten zetten.
Lulu is vooral verdrietig. Ze leeft zich iets teveel in in het Sinterklaasjournaal, maakt zich zorgen om pakjesavond. Mist haar moeder.
En zo zitten we dan als vier eilandjes aan tafel aan het avondeten. De een kijkt naar links, de ander naar rechts. Ondertussen striemt de regen tegen de ramen. Ik draai Alabama Shakes, wat mij op nog meer onbegrip komt te staan.
Ik voel me hopeloos in de minderheid.
Na het eten sleep ik mij ontmoedigd naar de bank, laat de kinderen afwassen, de tafel dekken voor het ontbijt. En een toetje is er vandaag ook niet.
‘Slaap lekker jongens, poetsen jullie nog wel je tanden,’ roep ik vanaf de bank. Het wordt me niet in dank afgenomen.
Nee, zo’n vader wil ik niet zijn.

  

donderdag 22 november 2012

Vuur


Op de terugweg uit Groningen luister ik naar de cd van Alabama Shakes, die ik in mijn lunchpauze heb gekocht. Een combinatie van vroege soul – uit de tijd dat die nog erg op rock & roll leek – en punk. Een nieuw bandje, dat ik pas ontdekt heb. Ik denk dat Bibian ze ook erg leuk zou hebben gevonden. Het vuur en de passie spatten er vanaf. Het ligt wel een beetje in de lijn van The Black Keys, die we samen twee keer zagen spelen. We hadden altijd van die bandjes die we een tijdje bewonderden, en dan weer uit het oog verloren. Aan sommige van onze liedjes kun je dat goed horen: o ja, toen luisterden we naar The Bees. Ook zo’n alweer verdwenen bandje dat wij in Amsterdam in Bitterzoet zagen. Dat gevoel van opwinding: naar een nieuw bandje gaan kijken, hebben we altijd gekoesterd. Hoe klinken ze ‘live’, waar spelen ze op; dat heb ik al zolang ik me kan herinneren.
Bibian is nu bijna vier maanden dood. Ik mis haar vreselijk, ontzettend. Het gemis snijdt door mijn ziel. Steeds opnieuw dringt het tot me door dat het ‘echt’ is, en niet tijdelijk. Ik geloof dat ik het begrip ‘eeuwig’ niet begrijp. Het zegt me gewoon niets. Ik wil en kan het niet accepteren.
In een opwelling stop ik op een parkeerplaats om naar huis te bellen. Ik krijg een verbaasde Valentijn aan de telefoon. Alles is goed.
Ik vraag me soms af of het wel ‘normaal’ is dat ik haar nog steeds zo mis, nog steeds zo dol op haar ben. Ik vraag me af hoe andere weduwnaars daar over denken. Of die mij een beetje meewarig aanzien, denken: ach, die arme vent. Naïef. Hij is duidelijk nog in de eerste fase van zijn verdriet, straks gaat hij haar al een beetje relativeren. Dan krijgt hij een leuk vriendinnetje, en dan verdwijnt ze nog wat meer naar de achtergrond. Uiteindelijk gaat hij zijn huwelijk dan wel in het juiste perspectief zien.
Die gedachte benauwt mij. Ik wil deze pijn altijd blijven voelen. Ook als ik van iemand zou houden, een nieuw verbond zou sluiten. Mijn hart is groot genoeg.
Er wordt al genoeg gerelativeerd op deze wereld. Genivelleerd, gelijkgetrokken. Ik geloof dat ik dat niet kan, niet wil. Ik doe iets helemaal, of ik doe het niet. Niet maar half, en ook niet om wat het mij eventueel oplevert.
Je doet het omdat je erin gelooft, omdat het belangrijk is. Ik ben ook niet ‘zomaar’ met Bibian getrouwd. Ik wist wat ik deed, en wat de consequentie was. Ik was volstrekt zeker van mijn zaak. Ik vond het een uiterst intieme aangelegenheid. Reden voor een feestje achteraf, zeker, maar eerst en vooral iets tussen haar en mij. Een close-up.
Ik draag mijn trouwring nog altijd, en Bibian de hare. Vurig en met passie, zoals Alabama Shakes klinkt over de speakers in mijn busje.  

woensdag 21 november 2012

Eindmusical

 
Een week voor Bibian stierf had Valentijn zijn eindmusical als groep acht-er. Ze moest en zou erheen. Het ging haar niet om de productie zelf, een gelikt semi-geëngageerd verhaal uit de koker van een bureau dat musicals op maat aan basisscholen verkoopt, maar ze wilde haar oudste zoon laten zien dat ze er tot haar laatste snik voor hem was. Valentijn had een piepklein rolletje toebedeeld gekregen, niet meer dan een paar woorden tekst, maar voor hem was het het hoogtepunt van het jaar.
Na de Cito toets waren er nog maar weinig gewone lessen; er werd vooral gerepeteerd aan het stuk. Vanwege het ongewisse van de toekomst, de opwinding over de enorme veranderingen die op til waren, was de klas nu hechter dan ooit. Voor het laatst waren zij ‘oudsten’ om straks ergens weer helemaal onderaan de ladder te staan.
Bibian was op sterven na dood. Ze at alleen nog ijsklontjes en braakte alles uit. Maar ze had zich er zo op verheugd haar jongetje te kunnen toejuichen. Ze was zo ontzettend trots op hem, en ze wist dat ze hem niet meer op de middelbare school zou zien. Dat haar leven bijna voorbij was.
We hadden een rolstoel gehuurd, en ik had van de school de verzekering gekregen dat het theater voor ons toegankelijk was. Het leek ons beter naar de uitvoering voor de kinderen te gaan en niet naar die voor de ouders. Ze zou bedolven worden onder alle aandacht en elke fysieke aanraking was haar een marteling geworden.
Ik had grote twijfels, maar ze kleedde zich aan en zat met haar jas klaar in de gang.
‘Weet je het echt zeker? Kom je die trappen wel af?’
Ik hield mijn hart vast, gaf haar een extra dosis morfine en propte mijn tas vol met blauwe kartonnen kotsbakjes. Ze dronk nog wat ijswater en kotste het meteen weer uit.
‘Ik vind het geen goed idee. Als je ook nog van de trap valt... Het is onverantwoordelijk. Valentijn begrijpt het heus wel als je er niet bent.’
We gingen natuurlijk toch. Wat had ze te verliezen.
Drie trappen af was eigenlijk geen probleem. Het was vooral de terugweg die haar zorgen baarde. Ik hielp haar ons busje in en reed zo voorzichtig als ik kon, elke hobbel in de weg vermijdend.
Desnoods had ik haar naar de hel gereden; als ze maar naast me zat. Het werd ons laatste uitje.
Ze bleef de hele weg braken en leegde haar bakje uit het raam.
In haar stoel reed ik haar het theater binnen. Er werd een plek voor ons vrijgemaakt helemaal vooraan. Vanwege de inspanning en de morfine sliep ze het grootste gedeelte van de voorstelling, maar ze was er wel. Klasgenootjes van Valentijn vielen uit hun rol wanneer ze haar ontwaarden. Stootten elkaar aan: kijk daar, dat is de mama van Valentijn.
Het voelde of het eindapplaus voor haar was.

dinsdag 20 november 2012

Israël


Mijn moeder was onvoorwaardelijk voor Israël. De Palestijnen hadden hun misère aan zichzelf te danken, en de omringende landen werden bevolkt door potentiële moordenaars, vrouwenverkrachters en terroristen. Daarover viel niet te onderhandelen, wat eigenlijk wel zo makkelijk was.
De zomervakantie brachten wij afwisselend door in Schotland en in Israël.
Na verloop van tijd kreeg mijn vader er genoeg van om vrijwillig sinaasappels te moeten plukken in een kibbutz. Hij was kostwinnaar en wilde niet ook nog eens de hele zomer werken. Hij was bereid naar Israël te gaan - al vond hij het er eigenlijk veel te warm en de bevolking onbeschaafd en opgefokt - maar niet om dan de hele zomer vrijwilligerswerk te doen. Voortaan huurden ze een appartement in Jeruzalem en steunden ze de jonge heilstaat alleen nog financieel.
Ik werd zelf – op mijn eigen verzoek – wel in de kibbutz geparkeerd, waar ik halve dagen werkte in de uitgestrekte citrusgaarden. Ik was vijftien jaar, te oud om met de kinderen op te trekken, maar te jong voor de ‘volunteers’, een soort voorloper van de tegenwoordige backpacker; jongelui die in ruil voor wat werk op het land hun vakantie bij elkaar spaarden. Ik was smoorverliefd op beeldschone achttienjarige meisjes uit Amerika, Engeland en Australië, maar was kansloos. Ik probeerde me volwassener voor te doen door te roken als een ketter en ’s avonds flink mee te drinken met de hechte groep vrijwilligers, maar wekte daarmee vooral het medelijden van de meisjes en de lachlust van de jongens. Meestal eindigde zo’n avond met mij kotsend in de bosjes.
Op een nacht ging ik uit verveling mee met een Ierse jongen die nachtwaker was. Hij droeg een Uzi, en moest tot het licht werd op zijn post blijven, af en toe de ronde doen, en de omheining inspecteren op gaten. Hij leerde mij zijn Uzi laden en in en uit elkaar halen. Ondertussen rookten we de ene Time sigaret na de andere. Toen hij zijn geweer in elkaar had gezet, zette hij het plotseling tegen mijn slaap.
‘Ik heb er genoeg van, vuile bietser!’ zei hij, en haalde de trekker over. Ik hoorde het geluid van metaal dat op metaal ketste. Ik heb er geen trauma aan overgehouden, maar vergeten ben ik het ook niet. Hij had de kogels er natuurlijk uitgehaald.
Een paar dagen later zat ik met een oudere Israëlische soldaat aan tafel in de kantine van de kibbutz. Toen hij even niet oplette pakte ik zijn Uzi, die tussen ons op tafel lag, en haalde hem vakkundig uit elkaar. Toen hij zag wat ik gedaan had, gaf hij me tot mijn verbijstering een draai om m’n oren. Hij was woedend, wilde weten wie mij dit geleerd had. Geschrokken vertelde ik het verhaal van de nachtwacht.
Niet lang daarna zag ik hoe ze mijn Ierse vriend tot buiten het hek geleidden waar hij in de brandende namiddagzon op de bus ging zitten wachten. Hij had even naar me gekeken in het voorbijgaan, maar zonder blik van verstandhouding. Met de andere volunteers durfde ik er niet over te praten. Ik voelde me een verrader.
Een paar dagen later kwamen mijn ouders me ophalen om nog een week met hen in hun appartement in Jeruzalem door te brengen.


zondag 18 november 2012

Sint

 
Lulu wil vannacht bij mij boven slapen, niet bij mij in bed, maar op een matrasje ernaast. ‘Dan kom ik morgenochtend bij jou liggen’, belooft ze me. Het is een beetje onhandig dat ze juist vannacht bij mij wil slapen in verband met de komst van de goedheiligman, wiens kadootjes ik nog moet inpakken. Meestal valt Lulu snel in slaap, maar nu komt ze steeds opnieuw naar beneden.
‘Ik ben bang, papa’.
‘Waarvoor dan’.
‘Swip speelt een heel eng spel op de computer en nou durf ik niet te gaan slapen’.
‘Wat voor spel dan’.
‘Slender.’
Dat is inderdaad heel eng.
‘Maar ik ben toch vlakbij Lulu. Als er iets is roep je me gewoon’.
‘En ik heb de hele tijd Sinterklaasliedjes in mijn hoofd’.
Ik hoor haar zachtjes zingen in bed. Ze zingt heel goed maar neemt soms een verkeerde afslag, waardoor ze onbedoeld naar boven of naar beneden moduleert en dan onhandig uitkomt.
‘Ga je nog bloggen papa?’
Ze staat alweer onderaan de trap.
‘Ik denk van wel, maar ik weet nog niet waarover.’
‘Schrijf dan over die keer dat mama op iemand anders verliefd was geworden en jij van haar ergens anders moest gaan wonen. Toen we nog in het oude huis woonden.’
Met ‘we’ bedoelt ze niet haarzelf, want ze is pas in het nieuwe huis geboren. Toch hoort het voor haar bij de familiegeschiedenissen waar zij deel van uitmaakt. Het verhaal van onze crisis is een van de kroonjuwelen.
Pas veel later heeft Bibian mij verteld dat ze op iemand verliefd was geworden. Dat ze het daar heel erg moeilijk mee had. Ik wilde niet weten op wie, was veel te blij dat het allemaal weer goed was gekomen tussen ons. Ik nam het haar eigenlijk nauwelijks kwalijk; de omstandigheden zaten ook wel erg tegen: een veel te klein huis, geldzorgen en een depressieve man.
Vorige week zocht ik op haar computer wat bestanden die ik nodig had voor de belastingaangifte over het vorig jaar. Ik klikte wat files open en daar verscheen ineens een heel stuk dagboek van een jaar of tien geleden. Vermoedelijk niet voor mijn ogen bedoeld. Hoewel het pijn deed, kon ik niet stoppen met lezen. Het stond er allemaal. Haar wanhoop, haar vertwijfeling, en haar verliefdheid. Ze had het goed te pakken. Ze vocht er tegen, maar steeds opnieuw stak het de kop op.
Ik weet nu ook op wie. Dat is mijn straf voor het neuzen in andermans dagboek. Ik geloof dat ik het liever niet had geweten. Ze beschrijft vooral hoe ze ertegen vecht, hoe ze hoopt dat het overgaat, dat het weer goed komt tussen ons.
Het maakte me erg verdrietig, hoewel ik daar nauwelijks reden voor heb. Het overwinnen van onze crisis heeft ons huwelijk alleen maar beter en sterker gemaakt. Ons dichter bij elkaar gebracht. Het is niet de jaloezie die mij verdrietig maakte, hoewel ik die natuurlijk ook voelde, maar vooral de eenzaamheid die uit haar woorden sprak. En haar scherpe en rake analyse van onze situatie destijds.
Maar God, wat hebben we het daarna nog goed gehad samen. Het is het allemaal waard geweest.
Lulu is ook verliefd. Ze wordt boos als ik er naar vraag. Verliefdheid is ook wel erg privé; een pijnlijke aangelegenheid.
Ik zal de Sint er eens naar vragen. 

 

donderdag 15 november 2012

Zwart gat


Het lukt me niet aan je te denken. Ik denk aan van alles, maar niet aan jou. Niet aan ons samen, de dingen die we deden, meemaakten. Soms zie ik je ineens op het omslag van je boek dat bij mijn bed ligt, of op die prachtige foto van Sue die bij Lulu en Valentijn op de kamer hangt, en dan schrik ik. Het is bijna of ik je vermijd. Of ik iets te verbergen heb, me ergens voor zou moeten schamen. Of ik je verraad door gewoon maar door te leven zonder jou.
Ik denk eigenlijk nooit aan vroeger – vroeger ook al niet - altijd aan wat nog komen zal. Nieuwe plannen, nieuwe avonturen. Ik heb nooit terugverlangd naar een eerdere periode uit mijn leven. Weer kind zijn, puber, adolescent, ik moet er niet aan denken. Ik wil verder, vooruit.
Ik probeer me op je te concentreren, maar het lukt me gewoon niet. Mijn gedachten schieten alle kanten uit. Waar jij zou moeten verschijnen, zie ik een zwart gat, alsof iemand je uit de foto heeft geknipt. Je bent er niet. Leeg. Afwezig.
Ik vraag me af waarom. Misschien doet het gewoon nog teveel pijn. Is het mijn eigen afweersysteem dat me verbiedt te kijken.
Als ik over je praat schiet ik vrijwel altijd vol. Ik ben er al aan gewend, schrik er niet meer van. De tranen lopen me elke dag over mijn gezicht, mijn bril beslaat ervan.
‘Ja sorry hoor, ik schiet even vol’. Niemand vindt het gek.
Maar je bent er dus wel.
Ik heb het gevoel dat ik het erger voor jou vind, dan voor mezelf. Ik had het je gewoon zo ontzettend gegund nog wat meer te kunnen verwezenlijken van al je plannen en je dromen. Je was eindelijk een beetje klaar met je jeugd en die afschuwelijke ouders van je, klaar om aan je eigen leven te beginnen. Klaar om te stoppen met je baan en alleen nog te doen wat je echt belangrijk vond. Schrijven, zingen, gitaarspelen, koken, de kinderen, en waar je verder allemaal nog van droomde. Ik geloof dat ik daar het verdrietigst om ben, om de onrechtvaardigheid van je lot: maar zo kort te hebben geleefd, en nu voor eeuwig niet meer te kunnen ‘zijn’.
Misschien denk ik ook niet aan je omdat ik er niets mee opschiet. Ik krijg je er niet mee terug. Ik word er niet vrolijk van. Het brengt me niets.
De herinnering is bovendien lang niet zo leuk als de echte Bibian. Is eindig, net zoals jij dat bleek te zijn.
Het eindigt altijd met het besef dat je er niet meer bent, en dan sterf je opnieuw. Als ik niet aan je denk, ben je er nog. Kan ik net doen of je er nog bent.
Het is de herinnering die me je keer op keer ontneemt.