We gaan naar het Boekenbal. L. en S. heb ik uit logeren gedaan, V. is - vind ik - nu wel oud genoeg om alleen thuis te kunnen blijven. Met een fles cola en een zak joppiechips zou hij de avond door moeten komen.
Het is voor mij de eerste keer. S. is uitgenodigd vanwege haar VSB-nominatie, en ik mag mee als haar introducé. Om even voor tienen staan we voor de Stadsschouwburg buiten in de rij te anticiperen op wat komen gaat. Eenmaal binnen krijgen we een glas champagne en moeten we opnieuw wachten tot het genodigdenprogramma is afgelopen en de zalen opengaan.
S. stelt mij voor aan een jonge dichter wiens naam ik niet versta.
‘Bij welke uitgever zit je?’ Ik probeer een praatje te maken, hij ziet er niet bedreigend uit. We blijken bij dezelfde uitgever te zitten.
‘Daar zit ik ook!’ zeg ik enthousiast.
‘Wie ben jij dan?’ vraagt hij wantrouwig.
Ik noem mijn naam nog maar een keer, maar het zegt hem niets.
‘Wat voor boeken schrijf je dan?’
Ik leg uit dat het een bundeling blogs is over mijn eerste jaar zonder Bibian.
‘O, jij bent die weduwnaar!’ Hij weet het weer. ‘Met dat hoedje!’
Ik vraag of hij alleen poëzie schrijft: nee, hij werkt aan zijn eerste roman, die dit najaar uit zal komen.
‘Wat leuk!’ Zou je nog een tweede glas champagne kunnen krijgen? Het duurt wel erg lang voor we naar boven mogen.
‘Ik ga even naar de W.C.,’ zegt S. ‘Don’t move.’ Ik kijk wel uit, ik ken hier helemaal niemand.
‘Is dat je vrouw?’ vraagt de dichter.
‘Ik schrijf ook een roman,’ zeg ik om aan te geven dat ik niet helemaal van de straat ben. Maar de mijne komt pas volgend najaar uit.
‘Is dat niet raar?’ wil de dichter weten, ‘Is het een sterk autobiografische roman, of zo?’
Ik geloof van niet. Waarom zou hij dat willen weten? ‘Hoezo?’ vraag ik dus maar.
‘Nou ja… een roman is toch wel wat anders dan een blog,’ meent hij.
‘Bedoel je dat ik een soort omhooggevallen blogschrijver ben?’ Ik begrijp waar hij op doelt.
Zo bedoelde hij het niet. ‘Vind je het niet moeilijk om nu ineens een roman te schrijven?’
‘Heel moeilijk,’ bevestig ik. ‘Vind jij het moeilijk?’
‘Wat precies?’
‘Een roman!’ De muziek staat inmiddels erg hard. ‘Om een roman te schrijven!’
Op dat moment komt men in beweging, kennelijk is het programma afgelopen. S. trekt me mee om muntjes te gaan kopen, zodat we aan de wijn kunnen.
‘Succes!’ roep ik nog, maar hij is al met iemand anders in gesprek.
zaterdag 7 maart 2015
vrijdag 6 maart 2015
Raar lampje
Er knippert een raar lampje op het instrumentenpaneel van de auto. Vorige week was dat ook al zo, maar toen hield het na een tijdje weer op. Kennelijk had het probleem zichzelf opgelost, dacht ik hoopvol. Als je met zo’n lampje naar de garage gaat, ben je meestal meteen een paar honderd euro verder, en die heb ik niet, op het moment.
Ik zette de radio aan en viel midden in een programma over Nederlanders die in de schulden waren geraakt. Dat waren er meer dan een miljoen, overwegende alleenstaande ouders met kinderen, die de huur niet meer konden betalen en vaak onder de armoedegrens leefden. Niet in India of Nairobi, maar gewoon in Nederland. Op het nieuws meldde men trots dat de economie juist aantrekt, dat de vooruitzichten gunstig zijn. Het is natuurlijk maar hoe je de economie definieert; die ruim een miljoen arme sloebers hoef je natuurlijk niet mee te tellen, daar heb je weer andere lijstjes voor.
Omdat ik er nerveus van wordt, zet ik de Queens of the Stone Age op. Nadeel daarvan is dat ik dan altijd ongemerkt te hard ga rijden en er een paar dagen later een acceptgiro van het Centraal Justitieel Incassobureau op mijn mat valt. Ik vraag me af of ik daar alleen last van heb, of dat dit een algemeen probleem is bij fans van Stoner Rock.
Opnieuw knippert het lampje. Wat zou het zijn? Ik kan het niet goed thuisbrengen, het ziet er uit als een walvis met een fonteintje. Ik had me voorgenomen deze week in de handleiding te kijken, maar ik durfde niet, heb het verdrongen. Zou het iets met de verwarming te maken hebben? Die doet ook raar de laatste tijd, gelukkig staat de lente voor de deur.
Ik luister naar het geluid van de motor: klinkt die ook niet een beetje anders dan anders? En hoor ik niet een raar pruttelgeluid, elke keer als ik gas terugneem? Gelukkig ben ik al op de ringweg van Amsterdam; wanneer mijn Vito het nu definitief begeeft, kan ik in elk geval te voet naar huis.
Het lampje knippert, het is duidelijk dat het mij iets probeert te vertellen. Ik kom er niet onderuit: ditmaal zal ik de handleiding mee naar huis moeten nemen om het op te zoeken. Ik kan toch moeilijk naar de garage gaan en dan zeggen: ‘ik weet het ook niet, maar er brandt een raar lampje in mijn Vito.’
Als de oppas is vertrokken en iedereen in bed ligt, ik mijzelf een borreltje heb ingeschonken en een gezellig muziekje heb opgezet, sla ik de handleiding open. Jawel hoor, bladzijde achtenveertig, linkerkolom onderaan: vloeistofniveau in ruitensproeier- en koplampreinigingsinstallatie te laag. Ruitensproeiervloeistof bijvullen.
Ik zette de radio aan en viel midden in een programma over Nederlanders die in de schulden waren geraakt. Dat waren er meer dan een miljoen, overwegende alleenstaande ouders met kinderen, die de huur niet meer konden betalen en vaak onder de armoedegrens leefden. Niet in India of Nairobi, maar gewoon in Nederland. Op het nieuws meldde men trots dat de economie juist aantrekt, dat de vooruitzichten gunstig zijn. Het is natuurlijk maar hoe je de economie definieert; die ruim een miljoen arme sloebers hoef je natuurlijk niet mee te tellen, daar heb je weer andere lijstjes voor.
Omdat ik er nerveus van wordt, zet ik de Queens of the Stone Age op. Nadeel daarvan is dat ik dan altijd ongemerkt te hard ga rijden en er een paar dagen later een acceptgiro van het Centraal Justitieel Incassobureau op mijn mat valt. Ik vraag me af of ik daar alleen last van heb, of dat dit een algemeen probleem is bij fans van Stoner Rock.
Opnieuw knippert het lampje. Wat zou het zijn? Ik kan het niet goed thuisbrengen, het ziet er uit als een walvis met een fonteintje. Ik had me voorgenomen deze week in de handleiding te kijken, maar ik durfde niet, heb het verdrongen. Zou het iets met de verwarming te maken hebben? Die doet ook raar de laatste tijd, gelukkig staat de lente voor de deur.
Ik luister naar het geluid van de motor: klinkt die ook niet een beetje anders dan anders? En hoor ik niet een raar pruttelgeluid, elke keer als ik gas terugneem? Gelukkig ben ik al op de ringweg van Amsterdam; wanneer mijn Vito het nu definitief begeeft, kan ik in elk geval te voet naar huis.
Het lampje knippert, het is duidelijk dat het mij iets probeert te vertellen. Ik kom er niet onderuit: ditmaal zal ik de handleiding mee naar huis moeten nemen om het op te zoeken. Ik kan toch moeilijk naar de garage gaan en dan zeggen: ‘ik weet het ook niet, maar er brandt een raar lampje in mijn Vito.’
Als de oppas is vertrokken en iedereen in bed ligt, ik mijzelf een borreltje heb ingeschonken en een gezellig muziekje heb opgezet, sla ik de handleiding open. Jawel hoor, bladzijde achtenveertig, linkerkolom onderaan: vloeistofniveau in ruitensproeier- en koplampreinigingsinstallatie te laag. Ruitensproeiervloeistof bijvullen.
donderdag 5 maart 2015
Bod
Ik probeer te werken aan mijn roman. S. komt naast mij zitten.
‘Moet je niet aan je huiswerk?
‘Ik heb geen huiswerk, papa.’
‘Ik open magister op mijn laptop en lees het huiswerk voor morgen op.’
‘Dat heb ik in de les al gemaakt, papa.’
Ik denk er het mijne van. ‘Hoe kan het dat V. vrijwel elke dag een uur huiswerk maakt en jij nog geen vijf minuten. Zijn school is niet moeilijker dan de jouwe.
‘Jawel, hoor,’ beweert S. ‘Het Amsterdams Lyceum is een hele moeilijke school.’
‘Dat is onzin.’
‘Ik haal het tóch niet meer.’
‘Natuurlijk wel! Als je vanaf nu alleen nog maar voldoendes haalt, ga je gewoon over.’
‘Dat kan niet, papa.’
‘Hoezo niet?’
‘Je hebt m’n computer afgepakt. Dan kan ik drie vakken niet doen, en blijf ik sowieso zitten.’
'Dat is onzin, S. Je mag je huiswerk op mijn iMac doen, als je dat wilt.’
‘Dat gaat niet, papa.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ik allerlei programma’s nodig heb die daar niet opstaan.’
‘Dan download je die toch?’
‘Dat kan niet.’
‘Wat voor programma’s dan?’ Ik geloof er niets van.
‘Nou… Photoshop.’
‘Dat staat er gewoon bij mij op, S.’
‘Mag ik even iets opzoeken op jouw computer?’ Hij hangt in mijn bureaustoel waar de vulling inmiddels uitstulpt.
‘Wat dan?’
‘Ik heb op Marktplaats een iPhone 6 gezien.’
‘OK, kijk maar even dan. Maar niet te lang, want ik wil ook nog iets voor mezelf doen.’
S. veert op en begint enthousiast op Marktplaats te zoeken.
‘Mag ik een bod doen, papa?’
‘Waarop dan?’
‘Zestig euro. Dat is echt helemaal niets voor een iPhone 6. Er zit alleen een barst in, verder is hij helemaal in orde!’
‘Maar S., je hebt geen zestig euro, en je moet eerst nog de schade in huis herstellen. Twee muurtjes witten, en een plankje kopen voor tegen de voordeur.’
‘Ik doe alleen een bod, papa. Mag dat alsjeblieft?’
‘Hoe ga je aan het geld komen dan?’
‘Kan ik bij jou een lening afsluiten?’
‘Zeker niet.’
‘Waarom niet, papa?’
‘Omdat je eerst nog…’ Hoe lang gaat dit nog duren? vraag ik me af. ‘Kun je niet op je eigen kamer gaan zitten?’
‘Ik heb een bod gedaan, papa. Ik krijg net een mailtje dat ik twee weken de tijd heb om te betalen. Twee weken papa!’
‘Wat fijn voor je. Misschien kun je wat meer werken bij de fietsenmaker?’
‘Hoeveel staat er op mijn giro, papa.’
‘Geen idee, S.’
‘Heb je m’n zakgeld van deze week al overgemaakt?’ Ik maak automatisch elke week drie-en-halve euro over naar zijn rekening.
‘Ja. Duurt het nog lang S.?’
‘Dan staat er zeker al een tientje. Ik ben mijn pasje kwijt, dus heb ik al een tijdje niets meer opgenomen.’
‘Dat zou kunnen, ja.’
‘Hoeveel rente krijg je eigenlijk bij de bank?’
‘Ben je nu klaar?’
‘Mag ik echt geen lening bij je afsluiten?”’
‘Welterusten S.’
‘Ik hou van…’ Hij slikt het op het laatste moment in.
‘Ik hou heel veel van jou, S.’
‘Welterusten, papa.’
‘Moet je niet aan je huiswerk?
‘Ik heb geen huiswerk, papa.’
‘Ik open magister op mijn laptop en lees het huiswerk voor morgen op.’
‘Dat heb ik in de les al gemaakt, papa.’
Ik denk er het mijne van. ‘Hoe kan het dat V. vrijwel elke dag een uur huiswerk maakt en jij nog geen vijf minuten. Zijn school is niet moeilijker dan de jouwe.
‘Jawel, hoor,’ beweert S. ‘Het Amsterdams Lyceum is een hele moeilijke school.’
‘Dat is onzin.’
‘Ik haal het tóch niet meer.’
‘Natuurlijk wel! Als je vanaf nu alleen nog maar voldoendes haalt, ga je gewoon over.’
‘Dat kan niet, papa.’
‘Hoezo niet?’
‘Je hebt m’n computer afgepakt. Dan kan ik drie vakken niet doen, en blijf ik sowieso zitten.’
'Dat is onzin, S. Je mag je huiswerk op mijn iMac doen, als je dat wilt.’
‘Dat gaat niet, papa.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ik allerlei programma’s nodig heb die daar niet opstaan.’
‘Dan download je die toch?’
‘Dat kan niet.’
‘Wat voor programma’s dan?’ Ik geloof er niets van.
‘Nou… Photoshop.’
‘Dat staat er gewoon bij mij op, S.’
‘Mag ik even iets opzoeken op jouw computer?’ Hij hangt in mijn bureaustoel waar de vulling inmiddels uitstulpt.
‘Wat dan?’
‘Ik heb op Marktplaats een iPhone 6 gezien.’
‘OK, kijk maar even dan. Maar niet te lang, want ik wil ook nog iets voor mezelf doen.’
S. veert op en begint enthousiast op Marktplaats te zoeken.
‘Mag ik een bod doen, papa?’
‘Waarop dan?’
‘Zestig euro. Dat is echt helemaal niets voor een iPhone 6. Er zit alleen een barst in, verder is hij helemaal in orde!’
‘Maar S., je hebt geen zestig euro, en je moet eerst nog de schade in huis herstellen. Twee muurtjes witten, en een plankje kopen voor tegen de voordeur.’
‘Ik doe alleen een bod, papa. Mag dat alsjeblieft?’
‘Hoe ga je aan het geld komen dan?’
‘Kan ik bij jou een lening afsluiten?’
‘Zeker niet.’
‘Waarom niet, papa?’
‘Omdat je eerst nog…’ Hoe lang gaat dit nog duren? vraag ik me af. ‘Kun je niet op je eigen kamer gaan zitten?’
‘Ik heb een bod gedaan, papa. Ik krijg net een mailtje dat ik twee weken de tijd heb om te betalen. Twee weken papa!’
‘Wat fijn voor je. Misschien kun je wat meer werken bij de fietsenmaker?’
‘Hoeveel staat er op mijn giro, papa.’
‘Geen idee, S.’
‘Heb je m’n zakgeld van deze week al overgemaakt?’ Ik maak automatisch elke week drie-en-halve euro over naar zijn rekening.
‘Ja. Duurt het nog lang S.?’
‘Dan staat er zeker al een tientje. Ik ben mijn pasje kwijt, dus heb ik al een tijdje niets meer opgenomen.’
‘Dat zou kunnen, ja.’
‘Hoeveel rente krijg je eigenlijk bij de bank?’
‘Ben je nu klaar?’
‘Mag ik echt geen lening bij je afsluiten?”’
‘Welterusten S.’
‘Ik hou van…’ Hij slikt het op het laatste moment in.
‘Ik hou heel veel van jou, S.’
‘Welterusten, papa.’
woensdag 4 maart 2015
Boos
S. is woedend. Gisteravond lag hij in bed nog laat op zijn iPhone filmpjes te kijken; L., met wie hij een kamer deelt, kwam klagen over het geluid. Ik zei hem dat hij moest gaan slapen en dat hij zijn telefoontje aan mij moest geven. Hij werd steeds bozer, maar toen ik voet bij stuk hield, gooide hij het plotseling met een ferme zwaai door de kamer tegen de muur. Einde telefoon. Ondanks de toneelmatige dramatiek in feite een vrij loos gebaar: het ding was toch al op sterven na dood vanwege de vele jailbreaks en min of meer succesvolle pogingen van S. hem uit, en weer in elkaar te schroeven.
Toen ik hem vanmorgen wekte, hulde hij zich in een dreigend stilzwijgen. Iedereen voelde wel aan dat we S. beter met rust konden laten, zodat we zwijgend aan de ontbijttafel zaten.
Toen iedereen naar school was, bleef S. nog dralen. Hij wil toch wel even praten, ‘ook al is dat met jou volstrekt zinloos, papa’.
We gaan samen op de bank zitten. Ik zie een hele kleine, hele boze S. Hij praat zacht en snel, zodat ik hem bijna niet versta en hij kijkt me niet aan.
Hij beklaagt zich dat hij altijd van alles de schuld krijgt, en dat hij de enige in het gezin is die straf krijgt als hij zich misdraagt. Mijn straffen zijn bovendien buitenproportioneel zwaar (hij moet de schade die hij in huis heeft aangericht herstellen om zijn laptop terug te krijgen) en volstrekt onredelijk. Hij kent niet één andere vader die laptops afpakt.
Ik laat hem zijn verhaal doen, en probeer niet met hem in discussie te gaan. Ik vertel dat ik het niet onredelijk vind dat zijn broer andere rechten heeft dan hij: V. is ouder en doet bovendien regelmatig zijn huiswerk, daarom ben ik bij V. minder streng over zijn computergebruik.
S. ratelt nog een tijdje door, maar hij klinkt al minder boos.
‘Waarom ga je altijd met L. naar de Pels en nooit met mij?’ zegt hij plotseling.
‘Je wil zelf nooit mee. Als ik je vraag, zeg je altijd nee.’
‘Dat is omdat L. dan ook altijd meegaat.’
Dat is waar. Het is inderdaad al weer een tijdje geleden dat ik iets alleen met S. heb gedaan. Ik had hem beloofd dat in de vakantie te zullen doen, maar het is er niet van gekomen.
‘Zullen we vrijdagochtend koffie gaan drinken in de Pels? Dan ga je gewoon iets later naar school.’ S. heeft dan ’s morgens eerst een doktersafspraak.
‘Het hoeft al niet meer.’
‘Kom op, S. Laten we dat doen.’
‘Mag ik dan ook binnenkort een echte spijbeldag met jou alleen, papa?’
‘Dat is goed, afgesproken. Lijkt mij ook heel erg leuk.’
‘Wanneer krijg ik mijn laptop terug?’
‘Hup naar school jij! Ik bel wel even naar de conciërge om te zeggen dat het niet jouw schuld is dat je te laat bent.’
‘Dag papa.’
‘Dag S.’
Toen ik hem vanmorgen wekte, hulde hij zich in een dreigend stilzwijgen. Iedereen voelde wel aan dat we S. beter met rust konden laten, zodat we zwijgend aan de ontbijttafel zaten.
Toen iedereen naar school was, bleef S. nog dralen. Hij wil toch wel even praten, ‘ook al is dat met jou volstrekt zinloos, papa’.
We gaan samen op de bank zitten. Ik zie een hele kleine, hele boze S. Hij praat zacht en snel, zodat ik hem bijna niet versta en hij kijkt me niet aan.
Hij beklaagt zich dat hij altijd van alles de schuld krijgt, en dat hij de enige in het gezin is die straf krijgt als hij zich misdraagt. Mijn straffen zijn bovendien buitenproportioneel zwaar (hij moet de schade die hij in huis heeft aangericht herstellen om zijn laptop terug te krijgen) en volstrekt onredelijk. Hij kent niet één andere vader die laptops afpakt.
Ik laat hem zijn verhaal doen, en probeer niet met hem in discussie te gaan. Ik vertel dat ik het niet onredelijk vind dat zijn broer andere rechten heeft dan hij: V. is ouder en doet bovendien regelmatig zijn huiswerk, daarom ben ik bij V. minder streng over zijn computergebruik.
S. ratelt nog een tijdje door, maar hij klinkt al minder boos.
‘Waarom ga je altijd met L. naar de Pels en nooit met mij?’ zegt hij plotseling.
‘Je wil zelf nooit mee. Als ik je vraag, zeg je altijd nee.’
‘Dat is omdat L. dan ook altijd meegaat.’
Dat is waar. Het is inderdaad al weer een tijdje geleden dat ik iets alleen met S. heb gedaan. Ik had hem beloofd dat in de vakantie te zullen doen, maar het is er niet van gekomen.
‘Zullen we vrijdagochtend koffie gaan drinken in de Pels? Dan ga je gewoon iets later naar school.’ S. heeft dan ’s morgens eerst een doktersafspraak.
‘Het hoeft al niet meer.’
‘Kom op, S. Laten we dat doen.’
‘Mag ik dan ook binnenkort een echte spijbeldag met jou alleen, papa?’
‘Dat is goed, afgesproken. Lijkt mij ook heel erg leuk.’
‘Wanneer krijg ik mijn laptop terug?’
‘Hup naar school jij! Ik bel wel even naar de conciërge om te zeggen dat het niet jouw schuld is dat je te laat bent.’
‘Dag papa.’
‘Dag S.’
dinsdag 3 maart 2015
Chatlokaal
Een van de minder leuke kanten van de grote rol die de computer in het dagelijks leven van onze kinderen speelt, en dan vooral de draagbare varianten daarvan zoals de laptop, de iPhone, de iPod en de iPad, is dat je als ouder niet goed weet waar ze mee bezig zijn. Het is vrijwel ondoenlijk om ze hierin te controleren; je kunt toch moeilijk elke tien minuten hun kamers binnenlopen om even mee te kijken op het scherm. En bovendien: hoe meer je ze controleert, hoe sneller ze in staat zullen zijn hun sporen uit te wissen.
Ik open met enige regelmaat de laptop van S. - om wie ik mij nu eenmaal het meeste zorgen maak - maar als ik inlog en zijn geschiedenis doorzoek, is het pikantste filmpje dat hij heeft bekeken: ‘Hoe krijg je een meisje zover dat je haar mag zoenen’, een weinig overtuigende ‘cursus’ op YouTube van Amerikaanse makelij. Verder eindeloze meligheid, bloopers en andere ongein, maar als gezegd: ik vermoed dat S. zeer goed in staat is zijn sporen uit te wissen, dus helemaal gerust ben ik niet.
Ruim een jaar geleden werd ik gebeld door de moeder van een klasgenootje van L. of ik wist dat onze dochters op een site zaten waar oudere jongens hen onzedelijke voorstellen deden. Ik wist van niets en sprak L. er meteen op aan. Ze vertelde - in tranen - dat het inderdaad klopte. De puberdochter van vriendin S. had haar op ‘chatlokaal’ geattendeerd, lachen!, een behoorlijk ranzige site waar pubers hun obsceniteiten uitwisselen, en L., die toen acht jaar was en het allemaal niet overzag, was daar met haar klasgenootje mee aan de slag gegaan. Er was niets onherstelbaars gebeurd, behalve dan die onzedelijke voorstellen van een of andere gefrustreerde puber die kennelijk op achtjarige meisjes viel, maar L. was wel erg geschrokken en had de app meteen weer verwijderd.
Ik heb L. er nooit meer over gehoord, maar een jaar later kreeg het verhaal een staartje toen de moeder van het klasgenootje alsnog naar de directrice van de school bleek te zijn gegaan met beschuldigingen aan L.’s adres. Toen ik haar er op aansprak, vertelde ze dat het haar nog steeds hoog zat, en dat ze het toch maar op school had gemeld.
Het net kan voor ouders heel bedreigend zijn, zeker als je er zelf de weg niet kent, en die angst kan gemakkelijk leiden tot stemmingmakerij, roddel en achterklap. Ik denk dat het goed zou zijn als scholen het fenomeen serieus zouden nemen, en zowel ouders als kinderen adequaat zouden voorlichten over de leuke kanten ervan, maar ook over de gevaren.
L. volgt ondertussen trouw haar favoriete YouTube kanalen over make-up en nagellak en overweegt een eigen vlog over haar ervaringen als kindsterretje op de set bij Sams Kerst, een nieuwe eindejaarsjeugdserie in wording, waarbij de kijkertjes uitgebreid geïnformeerd zullen worden over de juiste lip gloss, nagellak, geurtjes en andere belangrijke zaken.
Ik open met enige regelmaat de laptop van S. - om wie ik mij nu eenmaal het meeste zorgen maak - maar als ik inlog en zijn geschiedenis doorzoek, is het pikantste filmpje dat hij heeft bekeken: ‘Hoe krijg je een meisje zover dat je haar mag zoenen’, een weinig overtuigende ‘cursus’ op YouTube van Amerikaanse makelij. Verder eindeloze meligheid, bloopers en andere ongein, maar als gezegd: ik vermoed dat S. zeer goed in staat is zijn sporen uit te wissen, dus helemaal gerust ben ik niet.
Ruim een jaar geleden werd ik gebeld door de moeder van een klasgenootje van L. of ik wist dat onze dochters op een site zaten waar oudere jongens hen onzedelijke voorstellen deden. Ik wist van niets en sprak L. er meteen op aan. Ze vertelde - in tranen - dat het inderdaad klopte. De puberdochter van vriendin S. had haar op ‘chatlokaal’ geattendeerd, lachen!, een behoorlijk ranzige site waar pubers hun obsceniteiten uitwisselen, en L., die toen acht jaar was en het allemaal niet overzag, was daar met haar klasgenootje mee aan de slag gegaan. Er was niets onherstelbaars gebeurd, behalve dan die onzedelijke voorstellen van een of andere gefrustreerde puber die kennelijk op achtjarige meisjes viel, maar L. was wel erg geschrokken en had de app meteen weer verwijderd.
Ik heb L. er nooit meer over gehoord, maar een jaar later kreeg het verhaal een staartje toen de moeder van het klasgenootje alsnog naar de directrice van de school bleek te zijn gegaan met beschuldigingen aan L.’s adres. Toen ik haar er op aansprak, vertelde ze dat het haar nog steeds hoog zat, en dat ze het toch maar op school had gemeld.
Het net kan voor ouders heel bedreigend zijn, zeker als je er zelf de weg niet kent, en die angst kan gemakkelijk leiden tot stemmingmakerij, roddel en achterklap. Ik denk dat het goed zou zijn als scholen het fenomeen serieus zouden nemen, en zowel ouders als kinderen adequaat zouden voorlichten over de leuke kanten ervan, maar ook over de gevaren.
L. volgt ondertussen trouw haar favoriete YouTube kanalen over make-up en nagellak en overweegt een eigen vlog over haar ervaringen als kindsterretje op de set bij Sams Kerst, een nieuwe eindejaarsjeugdserie in wording, waarbij de kijkertjes uitgebreid geïnformeerd zullen worden over de juiste lip gloss, nagellak, geurtjes en andere belangrijke zaken.
maandag 2 maart 2015
Ho Thanatos
We kijken naar de derde episode van The Hunger Games, vrij deprimerend wat mij betreft, ondanks de uitstekende acteerprestaties van o.a. Philip Seymour Hoffman die vorig jaar een einde aan zijn leven maakte. Ik merk dat ik ondanks mijzelf toch geraakt wordt door het nogal kitscherig gearrangeerde lied van Katniss, The Hanging Tree, dat misschien wel verwijst naar Strange Fruit van Billy Holliday. Ik vond Hangin’ Tree van QOTSA ook al zo mooi, kennelijk heb ik iets met het onderwerp.
Hoewel ik er relatief veel mee te maken heb gehad, heb ik me nooit veel gelegen laten liggen aan mijn eigen sterfelijkheid, de onvermijdelijkheid daarvan. Ik heb het leven altijd als een romantisch avontuur willen zien, en het idee om er uit vrije wil uit te stappen als volslagen ondenkbaar. Nu ben ik daar niet meer zo zeker van; het is niet dat ik geen zin meer heb, daar heb ik het veel te druk voor, maar voor het eerst kan ik me voorstellen dat je een punt bereikt van verzadiging.
En dan bedoel ik niet murw geslagen door rampspoed of van desillusie, maar gewoon voldaan, oud en der dagen zat, omdat bijna iedereen van wie je hield of die belangrijk voor je was er niet meer is, omdat je de snel veranderende wereld om je heen niet meer begrijpt en je de taal van je kinderen of klein-kinderen niet verstaat.
‘Hoe gaat het?’
‘Weet ik niet, niet op gelet,’ is het standaard antwoord van mijn cafévriend S., die eeuwig aan het afbouwen is.
Ik weet het zelf eigenlijk ook niet. Als ik me afvraag wanneer ik het gelukkigste was, dan is dat zonder meer die laatste acht maanden met Bibian. We leefden van dag tot dag, de toekomst was zo onvoorstelbaar dat hij niet bestond, en we ontdekten noodgedwongen wat voor ons echt telde: ons gezin, en dan vooral de kinderen. Dat door haar vroege dood haar veelbelovende schrijverscarrière in de kiem gesmoord werd, en dat ze niet meer zou doorbreken met Emma Peel, daar heeft Bibian niet van wakker gelegen. Maar dat ze haar kinderen niet zou zien opgroeien, maakte haar wanhopig.
En zo is het ook voor mij: ik geloof dat ik niet meer zo aan het leven hecht als vroeger, ik vind de wereld om mij heen vaak hard en koud, maar alleen al vanwege de kinderen zal ik er nooit vrijwillig uitstappen. Ik neem trouwens aan dat dit gewoon evolutionair zo bepaald is, ik doe precies waarvoor onze lieve heer mij heeft geprogrammeerd.
Hoewel ik er relatief veel mee te maken heb gehad, heb ik me nooit veel gelegen laten liggen aan mijn eigen sterfelijkheid, de onvermijdelijkheid daarvan. Ik heb het leven altijd als een romantisch avontuur willen zien, en het idee om er uit vrije wil uit te stappen als volslagen ondenkbaar. Nu ben ik daar niet meer zo zeker van; het is niet dat ik geen zin meer heb, daar heb ik het veel te druk voor, maar voor het eerst kan ik me voorstellen dat je een punt bereikt van verzadiging.
En dan bedoel ik niet murw geslagen door rampspoed of van desillusie, maar gewoon voldaan, oud en der dagen zat, omdat bijna iedereen van wie je hield of die belangrijk voor je was er niet meer is, omdat je de snel veranderende wereld om je heen niet meer begrijpt en je de taal van je kinderen of klein-kinderen niet verstaat.
‘Hoe gaat het?’
‘Weet ik niet, niet op gelet,’ is het standaard antwoord van mijn cafévriend S., die eeuwig aan het afbouwen is.
Ik weet het zelf eigenlijk ook niet. Als ik me afvraag wanneer ik het gelukkigste was, dan is dat zonder meer die laatste acht maanden met Bibian. We leefden van dag tot dag, de toekomst was zo onvoorstelbaar dat hij niet bestond, en we ontdekten noodgedwongen wat voor ons echt telde: ons gezin, en dan vooral de kinderen. Dat door haar vroege dood haar veelbelovende schrijverscarrière in de kiem gesmoord werd, en dat ze niet meer zou doorbreken met Emma Peel, daar heeft Bibian niet van wakker gelegen. Maar dat ze haar kinderen niet zou zien opgroeien, maakte haar wanhopig.
En zo is het ook voor mij: ik geloof dat ik niet meer zo aan het leven hecht als vroeger, ik vind de wereld om mij heen vaak hard en koud, maar alleen al vanwege de kinderen zal ik er nooit vrijwillig uitstappen. Ik neem trouwens aan dat dit gewoon evolutionair zo bepaald is, ik doe precies waarvoor onze lieve heer mij heeft geprogrammeerd.
zondag 1 maart 2015
Avond
Ik lig op de bank aan mijn roman in wording te werken. V. komt erbij zitten en even later verschijnt ook S. Omdat ze allebei een koptelefoon ophebben is ‘gezellig’ niet helemaal het juiste woord. Mijn eerste reactie is om ze weg te sturen, want ik ben immers aan het werk.
‘Waarom kom je hier zitten als je toch alleen maar op die stomme iPod van je zit?’ V. antwoordt niet.
‘Mogen we chips, papa?’ zegt S. luid. Hij heeft zijn koptelefoon nogal hard staan.
Als ik ja zeg, weet ik zeker dat ik niet meer kan werken. Dan zit ik hier met twee chips etende pubers met koptelefoons op naar het scherm van mijn laptop te staren.
‘Waarom gaan jullie niet naar je eigen kamers?’
‘Wat?’ S. zet zijn koptelefoon af.
‘Het is goed,' zeg ik, 'neem maar chips.’
‘Waar is L. eigenlijk?’
‘Die is aan het filmen.’ L. heeft een rol in een nieuwe kinderserie en komt pas laat thuis. Het valt me mee dat het hem opvalt. Ik klap mijn laptop dicht en kijk naar mijn jongens met hun bakjes chips en hun apparaten. Elke keer verbaas ik me weer hoe verschillend twee broertjes kunnen zijn. Ze maken de vreselijkste ruzie, en vijf minuten later zitten ze gebroederlijk naast elkaar op de bank een spelletje te doen.
Ik probeer te lezen maar kan me niet concentreren vanwege het gekraak van de chips.
‘Heb je nog nagedacht over wat je met je school gaat doen?’ vraag ik aan S. Als hij mij van mijn boek houdt, kan ik hem ook best van zijn game houden, lijkt me.
‘Moet dat nú, papa?’
‘Ik was gewoon benieuwd. Ga je nog proberen om over te gaan, of laat je het erbij zitten.’
‘Ik weet het niet… Overgaan, denk ik.’ Hij hoopt dat dit het goede antwoord is, zodat hij weer verder kan gamen.
‘Gast!’ roept V. enthousiast. ‘Moet je dit zien: echt chill.’ Ze kijken naar iets op het scherm van V.’s iPod.
‘Mag ik het ook zien?’
‘Hahaha, hahaha.’ Ze zitten samen te lachen. V. met korte stoten, omdat hij nog maar net de baard in de keel heeft, en S. nog gewoon voluit. Ik voel me buitengesloten.
‘Waar kijken jullie naar?’
‘O, The living dead, papa. Wil je het ook zien?’ Hij houdt het minischermpje voor mijn ogen; ik probeer te begrijpen wat ik zie: autowrakken en diverse afgekloven lijken.
‘Dit is echt zó chill,’ zegt V.
Ze beginnen weer te lachen. ‘Geef mij ook maar een bakje chips,’ mompel ik.
‘Waarom kom je hier zitten als je toch alleen maar op die stomme iPod van je zit?’ V. antwoordt niet.
‘Mogen we chips, papa?’ zegt S. luid. Hij heeft zijn koptelefoon nogal hard staan.
Als ik ja zeg, weet ik zeker dat ik niet meer kan werken. Dan zit ik hier met twee chips etende pubers met koptelefoons op naar het scherm van mijn laptop te staren.
‘Waarom gaan jullie niet naar je eigen kamers?’
‘Wat?’ S. zet zijn koptelefoon af.
‘Het is goed,' zeg ik, 'neem maar chips.’
‘Waar is L. eigenlijk?’
‘Die is aan het filmen.’ L. heeft een rol in een nieuwe kinderserie en komt pas laat thuis. Het valt me mee dat het hem opvalt. Ik klap mijn laptop dicht en kijk naar mijn jongens met hun bakjes chips en hun apparaten. Elke keer verbaas ik me weer hoe verschillend twee broertjes kunnen zijn. Ze maken de vreselijkste ruzie, en vijf minuten later zitten ze gebroederlijk naast elkaar op de bank een spelletje te doen.
Ik probeer te lezen maar kan me niet concentreren vanwege het gekraak van de chips.
‘Heb je nog nagedacht over wat je met je school gaat doen?’ vraag ik aan S. Als hij mij van mijn boek houdt, kan ik hem ook best van zijn game houden, lijkt me.
‘Moet dat nú, papa?’
‘Ik was gewoon benieuwd. Ga je nog proberen om over te gaan, of laat je het erbij zitten.’
‘Ik weet het niet… Overgaan, denk ik.’ Hij hoopt dat dit het goede antwoord is, zodat hij weer verder kan gamen.
‘Gast!’ roept V. enthousiast. ‘Moet je dit zien: echt chill.’ Ze kijken naar iets op het scherm van V.’s iPod.
‘Mag ik het ook zien?’
‘Hahaha, hahaha.’ Ze zitten samen te lachen. V. met korte stoten, omdat hij nog maar net de baard in de keel heeft, en S. nog gewoon voluit. Ik voel me buitengesloten.
‘Waar kijken jullie naar?’
‘O, The living dead, papa. Wil je het ook zien?’ Hij houdt het minischermpje voor mijn ogen; ik probeer te begrijpen wat ik zie: autowrakken en diverse afgekloven lijken.
‘Dit is echt zó chill,’ zegt V.
Ze beginnen weer te lachen. ‘Geef mij ook maar een bakje chips,’ mompel ik.
Abonneren op:
Posts (Atom)