zondag 30 december 2012

Wandelen

 
Mijn vader hield van wandelen. Niet de avondvierdaagse, maar over onverharde paden in de vrije natuur. Daar kwam nogal wat bij kijken, zoals dat gaat met hobby’s. Er werden speciale wandelschoenen aangeschaft, sokken met versterkte hielen, een wandelbroek, gaiters, een stok; het had iets militairs. Van te voren werden stafkaarten bestudeerd en van aantekeningen voorzien, en met een centimeter met een wieltje werd eerst het te lopen traject bemeten, het resultaat van inches naar centimeters omgezet, en dan – afhankelijk van de schaal van de kaart – de werkelijke afstand berekend. Er werden verrekijkers, compassen, politiefluitjes (om voorbijgangers te kunnen waarschuwen als er een ongeluk zou gebeuren), flinterdunne regenkleding, rare hoedjes, energierepen en multifunctionele zakmessen aangeschaft. Een hoop voorpret aan de kant van mijn vader.
In een klein schriftje werden alle gelopen wandelingen nauwgezet opgetekend, en van tijd tot tijd het totaal aantal afgelegde kilometers uitgerekend. In tientallen albums werden de onderweg geschoten foto’s netjes ingeplakt en van commentaar voorzien.
Mijn moeder gunde het hem allemaal van harte, maar deelde zijn passie niet.
In Nederland had mijn vader een paar wandelvrienden met wie hij zijn hobby naar hartelust kon botvieren, maar op vakantie in Schotland moesten mijn moeder en ik er aan geloven.
De overweldigende schoonheid van de Schotse hooglanden, waar wij om het jaar de zomervakantie doorbrachten, maakte veel goed. Toch herinner ik mij vooral de horzels – de Schotten noemen ze clegs – en de midges, kleine zwarte steekvliegjes die tegen de schemering verschijnen en gemeen jeukende bultjes veroorzaken. Ik was panisch voor beide, om nog maar te zwijgen van de wespen en ander rondzoemend ongedierte. Gillend van angst sprong ik van rots naar rots of rende ik wild met mijn armen zwaaiend rondjes terwijl mijn ouders hun lichtgewicht lunch zaten te verorberen. Vaak kreeg ik nog op mijn lazer ook omdat ik me zo aanstelde.
Mijn moeder genoot van het landschap maar maakte er geen religie van. Haar bekroop niet de euforie en het proselitisme dat zich gaandeweg van mijn vader meester maakte.
‘Die man is gewoon een fascist,’ verzuchtte ze een keer tegen mij, toen we een stuk achterop waren geraakt bij een wel erg lange wandeling. Hij had inderdaad iets van een ouderwetse hopman met zijn professionele wandeluitrusting en zijn rugzakje, zoals hij daar op een rotsblok stond, naar ons - zijn gezin - omkijkend en trots wijzend op een of ander object in de verte.
Ze kon er gelukkig zelf ook om lachen.
Het allerlekkerste vond ik het toch om na het wandelen, terug in onze gehuurde stacaravan, in een warm bad te liggen, tot de rand gevuld met bruin water (vanwege het hoge ijzergehalte), een klein glaasje drambuie op de rand – ik ben wat alcohol betreft naar hedendaagse maatstaven schandalig slecht opgevoed – en een spannend boek in mijn hand.

Schrijven


Schrijven om de tijd sneller te laten gaan. Vooruitschrijven. Geen genoegen nemen met het beschrijven van het verleden, het al gebeurde, maar de grens van het nu willen naderen. Liefst overschrijden.
Dat te willen. Ik ken het gevoel heel goed van jaren geleden, toen ik nog een dagboek bijhield. Dat heb ik tien jaar vrijwel dagelijks gedaan. Eerst trots: wat voor een leuke jongen ik wel niet was, later ontevreden, tekortgedaan, en uiteindelijk gedeprimeerd. Heel soms kijk ik er nog wel eens in, als ik toevallig iets nodig heb uit de kast waar ze liggen. Die verhalen beschrijven een ander. Ik herken me er niet in. Ik herinner me vooral het verongelijkte gevoel tijdens het schrijven, en het gevoel van depressie gekoppeld aan het niet snel genoeg verstrijken van de tijd.
Doorschrijven om de tijd sneller te laten gaan. De eenzaamheid van je af schrijven.
Mijn vader hield ook een tijdje een dagboek bij totdat hij er genoeg van kreeg. Allemaal ijdelheid, verklaarde hij toen. Ik moest het op een dag maar eens lezen. Volgens een kennis heeft mijn stiefmoeder het na zijn dood in de haard gegooid omdat er allemaal lelijke dingen over haar in stonden. Ik kan het me nauwelijks voorstellen, maar gezien heb ik het nooit. Volgens haar was er helemaal geen dagboek.
Mijn opa hield ook een dagboek bij. Mijn vader probeerde het te lezen, maar het deprimeerde hem zo erg dat hij het na enige pagina’s voor gezien hield.
Wij zijn een familie van tobbers, zei mijn vader wel eens tegen mij. Dat zit in onze genen.
Misschien bedoelde hij dat hijzelf, net zoals mijn opa, niet deed wat hij eigenlijk wilde. En daar bedoelde hij dan het kunstenaarschap mee.
Maar ja, daarvoor moet je wel in de wieg gelegd zijn. Iemand is niet leraar Engels maar eigenlijk schilder of schrijver. Je doet het of je doet het niet.
Mijn opa, mijn vader en ik zijn alledrie onze vrouwen vroeg verloren, na een goed, maar veel te kort huwelijk. Mijn opa is daar de rest van zijn leven bitter over gebleven; mijn vader praatte na de dood van mijn moeder al snel niet meer zo aardig over haar en ik probeer nu op mijn beurt mijn gedachten over mijn leven met Bibian te ordenen.
Geen bitterheid in elk geval. Wel verdriet. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat ik Bibian ooit zou relativeren. Behalve dat vroege sterven heeft ze me nooit iets aangedaan.
Ik schrijf ook gewoon om de tijd door te komen, de lange eenzame uren als de kinderen in bed liggen. Soms rustig, als het gezellig was, en soms nog naschokkend als de sfeer explosief was.
Dan zou ik willen dat de tijd sneller verstreek. In feite een optimistisch gevoel; kennelijk verwacht ik dat het morgen beter zal zijn. Ik schrijf me er naartoe.

 

vrijdag 28 december 2012

Ongeduldig

 
Op tweede kerstdag aten we bij mijn stiefzusje M. Het was heel erg gezellig, er waren veel kinderen en M. had ontzettend haar best gedaan. Ik ontmoette haar vriendin J., die vier jaar geleden haar man verloor aan kanker.
J. had inmiddels haar leven redelijk op de rails en ook al een nieuwe liefde gevonden. Ik merk dat de schrik mij elke keer om het hart slaat als ik hoor hoe lang ‘ervaringsdeskundigen’ er over doen voor ze hun leven weer een beetje op orde hebben: enige jaren op zijn minst.
Dat wil ik niet, denk ik bij mezelf. Daar heb ik helemaal geen tijd voor. Ik ben al twee en vijftig en voor je het weet is het afgelopen. Ik wil nu leven, gelukkig zijn, verliefd zijn. Ik wil het allemaal. Nu.
Mijn tafeldame was een nichtje van M., een meisje van negentien jaar voor wie het leven niet al te royaal was geweest. We praatten. Op een gegeven moment schoot ik vol. Ze pakte mijn arm en zei: ‘Je moet er niet naar op zoek gaan. Het komt vanzelf. Als je er naar gaat zoeken vind je het zeker niet.’
Ik moest een beetje lachen omdat ze nog zo jong was en zulke wijze woorden sprak. ‘Dat is wel heel erg Zen, wat je daar beweert,’ zei ik streng.
Ik realiseerde me dat ze groot gelijk had.
Ik wil te veel, te snel. Dat gaat niet. Dat hoort niet. Mag niet.
Maar ik kan niet tegen stilstand. Bibian is dood, die komt nooit meer terug. Ik ben in de rouw, ben verdrietig en dat heeft tijd nodig. Alleen: die tijd heb ik dus niet. Ik wil in elk geval niet gaan zitten wachten tot het over is; tot ik alles braaf verwerkt heb. Ik wil het ook helemaal niet verwerken.
Ik wil Bibian en al mijn verdriet helemaal niet kwijt, maar juist meenemen naar mijn nieuwe leven. Wat dat ook moge zijn. Waarom zou dat niet kunnen; het permanent bij me dragen als een potje van vuur, een bron van energie.
Ik word vooral gek van dat wachten. Daar ben ik veel te ongeduldig voor. Wachten op wat, op wie?
Dat kan ik niet.
Ik ben altijd gewoon overal op afgestapt en heb dan ook vele malen mijn kop gestoten, blauwtjes gelopen en afwijzingen geïncasseerd. Maar het heeft me ook heel erg veel opgeleverd en voor een hoop turbulentie gezorgd.
Ondertussen breng ik de avonden vooral thuis op de bank door, al of niet achter mijn laptopje, schrijvend, lezend of in gedachten.
Dan is de stilte soms overweldigend. Maar van binnen stormt het zo hard dat ik mijn bloed kan horen ruisen in mijn oren.   





donderdag 27 december 2012

Trein


Bibian en ik zitten in de trein op weg naar Irkutsk, waar we een paar dagen zullen blijven om daarna door te reizen naar Peking. Het is voor mij de tweede keer dat ik deze reis maak, maar nu reizen we eerste klas. Dat betekent dat we een coupé voor ons tweeën hebben, maar de badkamer moeten delen met onze buren. Een piepklein kamertje dat je voor gebruik een stukje naar je toe moet trekken. De coupé bestaat uit twee smalle bedden boven elkaar, een tafeltje en een bagagerek. Voor het raam hangen bloemengordijntjes en er ligt een klein rond tafelkleedje.
Irkutsk is de stad waar Michael Strogoff zijn boodschap af moest leveren en onze route voert ons langs diverse tot de verbeelding sprekende steden die de ‘koerier van den czaar’ ook al aandeed. Hoewel Jules Verne zelf nooit buiten Frankrijk geweest schijnt te zijn wist hij mij met zijn beschrijvingen van het tsaristische Rusland en het uitgestrekte landschap tot deze reis te inspireren.
Dat ik naar China wilde had een andere oorzaak. Ooit vertelde mijn moeder mij – ze was toen al heel ziek – dat ze had gedroomd dat ze in China was. Ze las op dat moment ‘De droom in de rode kamer’, een klassieke Chinese roman. Ze zei dat ze dolgraag nog een keer naar China zou willen gaan, en voegde er aan toe dat je er gewoon over land kon komen.
Die droom was meteen haar erfenis aan mij. Toen ze gestorven was wist ik dat ik in haar plaats zou moeten gaan.
Af en toe als de trein om onduidelijke redenen een scherpe bocht maakte kon je zien hoeveel wagons er achter de locomotief aansleepten. Er kwam een dun pluimpje zwarte roet uit de schoorsteen, dat naarmate de dagen verstreken alles met een vettig laagje bedekte.
Ik las Anthony Trollope, Phineas Finn. Wat Bibian las weet ik niet meer, maar er was veel tijd om te lezen in de trein.
We raakten aan de praat met twee mannen die een coupé naast ons deelden. Moskovieten, businessmen, op weg naar een ‘job’ in Novosibirsk. Moskou is een gevaarlijke stad, drukten ze ons op het hart. Veel criminaliteit. Als we er ooit weer zouden komen waren we bij hun altijd welkom. Zij kenden alle gevaarlijke plekken en zouden ons wel beschermen. Ik was al vaker in Moskou geweest, ook in mijn eentje, en het leek mij er niet gevaarlijker dan in elke andere grote stad, maar daar vergiste ik me in: levensgevaarlijk! Vol met buitenlanders en criminelen.
De volgende ochtend om zeven uur naderde de trein Novosibirsk, waar zij er uitgingen. Ze kwamen afscheid nemen, en daar moest vodka bij gedronken; niet één glaasje voor de vorm, maar een hele fles. Ze gaven ons een potje door ‘moeders’ ingemaakte groenten en een stiletto. Die laatste hadden we absoluut nodig om ons te kunnen verdedigen tegen alle criminelen die Moskou, maar ook de rest van het land bevolkten. Ik weigerde beleefd, dook mijn Swiss Army Knife op uit mijn rugzak, maar tevergeefs. Een stiletto was essentieel in dit land.
De trein reed het station binnen en het tweetal verliet onze coupé. Wij zaten geheel daas van de vodka op onze bedden, terwijl zij in hun leren jassen in het gangpad stonden te wachten tot de trein stilstond. Veel gegrijns – gouden tanden - en opgestoken duimen. Vlak voor ze uitstapten greep de kleinste van de twee naar zijn binnenzak en haalde nog even een enorme revolver met knaldemper te voorschijn. Hij gaf mij een veelbetekenende blik, stopte het ding terug en volgde zijn partner het perron op. Bibian had het ook gezien. We keken ze na tot ze in de menigte verdwenen waren. Bagage hadden ze niet. Die hadden ze kennelijk niet nodig bij hun klusje.   

woensdag 26 december 2012

Vijf maanden


Vijf maanden slaap ik nu alleen; soms met een of meer kinderen, maar toch alleen. Het regent vandaag en het is koud. Ik word verdrietig bij het idee dat jij daar maar ligt, in je houten kist, diep onder de aarde; de natte, koude aarde. De zinloosheid daarvan.
We stonden bij je graf. Lulu en Swip gingen er al snel vandoor, achter konijntjes aan. Valentijn sloeg zijn arm om mijn schouder, om me te troosten. Hij is groot geworden.
Ik had bloemen voor je mee willen brengen, maar was vergeten die te kopen. Dat komt dan de volgende keer wel. Ik kan me moeilijk op je concentreren als de kinderen er zijn, maar wil ze toch ook graag bij me hebben. We waren niet de enigen die hadden bedacht op eerste kerstdag een bezoekje aan Sint Barbera te brengen. Kerst is een familiegebeuren.
Het is vakantie en de kinderen vervelen zich; maken veel ruzie.
Vanmorgen heb ik eerst iedereen met luizenshampoo behandeld, daarna gewassen en gecremespoeld. Al het beddengoed in de machine gestopt en alle knuffels voor een paar dagen in quarantaine in een grote plastic zak geknoopt. Lulu was woedend, maar uiteindelijk begreep ze het wel.
Ik probeerde wat dingen op te ruimen. Vandaag heb ik al je uitgeschreven baspartijen, oefeningen, toonladders, gekopieërde jazz standards en aantekeningen van baslessen naar de papierbak gebracht. Ik begrijp niet waar je de energie vandaan haalde om je in zoveel dingen zo serieus te verdiepen en zo hard te studeren op alles wat je bezielde. Je hebt me altijd verbaasd, en ik vond niets leuker dan toeschouwer te zijn van jouw strijd om iets onmogelijks onder de knie te krijgen. Steeds opnieuw, stukje bij beetje. Het ging je altijd om het leren, om het maken. Om de beweging ergens naartoe, nooit om de stilstand van het resultaat.
Overal zie ik sporen van jou; zinnige en onzinnige sporen. Aan mij de taak om die te scheiden.
Ik heb erg m’n best gedaan met koken. Swip wilde een kalkoen, maar dat vond ik overdreven met z’n vieren.
We zaten pas om acht uur aan tafel. Ik had kaarsen aangestoken en Lulu wilde een sterretje branden. Ik probeerde het gesprek te volgen, maar het lukte me niet erg, was er maar half bij. Het ging vooral over de keuze van de film die we zouden kijken. Ze konden het maar niet eens worden.
Ik kijk nooit meer naar films. Sinds jij ziek werd kan ik de concentratie niet meer opbrengen. Het medium boeit me gewoon niet meer, niet als consument in elk geval.
Maar voor de kinderen is dat natuurlijk heel anders, en zeker in de vakantie kom ik er niet onderuit van tijd tot tijd een film met ze te kijken.
Ik wil eigenlijk alleen nog maar zinnige dingen doen, geen tijd meer verdoen met trivialiteiten. Tegelijk realiseer ik me de onmogelijkheid en de onzinnigheid daarvan. Daarbij is het heel zinnig en belangrijk om af en toe met je kinderen naar een suffe film te kijken. Lulu die op de bank tegen me aanhangt, Swip daarnaast gelukzalig met een blikje cola, en Valentijn uitgestrekt op de fatboy met een kop thee.
Eerste kerstdag zit erop.


woensdag 19 december 2012

Konijn


‘Mag ik uitnodigingen schrijven papa.’
‘Ja hoor Lulu.’
Ik had maar half geluisterd, lag op de bank in mijn boek verdiept.
‘Aan welke kant moet je ook alweer schrijven waar de brief naartoe moet.’
‘Aan de voorkant, waar je ook de postzegel plakt.’
Even later staan er zes enveloppen voorzien van adressen en een postzegel op de piano.
‘Wat is dat Lulu.’
‘Dat zijn de uitnodigingen.’
‘Hoe kom je aan die enveloppen.’
‘Uit jouw kastje.’
‘En de postzegels.’
‘Uit de doos. Ik had het gevraagd papa, ik mocht toch uitnodigingen schrijven.’
‘Wat voor uitnodigingen,’ vraag ik ongerust.
‘Voor het feestje van Konijn.’
‘Pardon?’
‘Voor Konijns verjaardag. Zes januari.’
Konijn is een lappenpop waarvan de verjaardag al sinds jaar en dag inderdaad op zes januari wordt gevierd. Twee jaar geleden heeft Bibian voor de gelegenheid nog een taart gebakken met cakevulling en gekleurd marsepein aan de buitenkant met een portret van Konijn. Volgens Lulu is Konijn ons eerste kleinkind, hoewel Konijn ouder is dan Lulu. Sommige raadsels behoeven echter geen oplossing.
‘Wie heb je dan uitgenodigd.’
Lulu noemt de namen van zes klasgenootjes.
‘Die heb je allemaal uitgenodigd voor Konijns verjaardag. Had je dat niet even met me kunnen overleggen.’
‘Dat heb ik gedaan.’
Ik kan me er niets van herinneren, maar Lulu vertelt me ook zoveel. Soms mis ik wel eens iets.
‘Wat voor dag is zes januari eigenlijk.’
‘Dat weet ik niet papa.’
‘En moeten die kinderen dan allemaal een kadootje voor Konijn meenemen.’
‘Ja natuurlijk.’
‘Maar Konijn is een lappenpop Lulu.’
‘Helemaal niet. Konijn is een echt konijn. Konijn kan praten.’
De tranen springen haar in de ogen. En ze heeft gelijk: Konijn kan praten. Bibian wist er ook van.
‘Lieve Lulu, ik ga echt geen feestje met zes kinderen geven omdat Konijn jarig is. We moeten Valentijns verjaardag nog vieren.’
‘Je had het beloofd papa.’
‘Dat is niet waar Lulu.’
‘Wel waar. Zou jij het leuk vinden om je verjaardag niet te vieren.’
‘Ik weet heel zeker dat jouw klasgenootjes geen kado voor een konijn gaan kopen. Dat is onzin Lulu.’
‘Echt wel papa.’
‘En bovendien gaan we misschien naar België in de eerste week van januari. Dan zijn we er dus helemaal niet.’
Nu komt Swip me te hulp: ‘We kunnen het toch in België vieren. Dan kopen we daar een taart bij die lekkere bakker, weet je nog wel Lulu.’
Lulu weet het nog, maar is niet overtuigd.
‘En de slingers dan.’
‘Slingers kunnen we gewoon van thuis meenemen, en balonnen ook. Dan vieren we het met z’n vijven.’
‘Hmm,’ zegt Lulu.
Ze heeft haar jas aangetrokken en is nu klaar om naar school gebracht te worden.
‘Je hebt Konijn trouwens boven bij mij in bed laten liggen,’ zeg ik belerend, als om te bewijzen dat Lulu, als het haar zo uitkomt, Konijn meteen weer vergeten is.
‘Helemaal niet papa. Konijn was nog moe en wilde nog even blijven liggen.’

zondag 16 december 2012

Kerstboom


Lulu wil een kerstboom: ‘Je had het beloofd, papa.’
Dat is waar.
We gaan samen kijken bij een stal op het Gerard Douplein maar daar zijn de bomen ons te klein. Op het Heinekenplein vinden we precies wat we willen hebben: niet te groot, maar ook niet al te petitterig. Voor vijftig Euro is hij van ons. ‘Daylight robbery,’ zou mijn anglofiele vader gezegd hebben.
Met de boom op het rekje voorop mijn fiets en Lulu achter op de bagagedrager (ze vindt zichzelf te groot voor een kinderstoeltje en voor het eerst in dertien jaar rijd ik weer op een fiets zonder) fiets ik naar huis.
Samen tillen we hem naar boven. Voor Lulu is het in elk geval een hele grote boom. Nu moet hij nog opgetuigd.
Ik til de grote plastic doos van de Blokker met de ballen, de engeltjes, de kransen, de lampjes en de piek van de bovenste plank van de stellingkast. Lulu kan niet wachten.
‘Hoeveel ballen mag ik doen papa?’
‘Net zoveel als je wilt.’
‘Echt waar?’
Als ik de deksel van de doos haal moet ik even slikken. Dit zijn niet de ‘gewone’ kerstballen die wij al jaren hergebruiken. Vorig jaar, de laatste kerst met Bibian, hebben Lulu en Swip de boom omgeduwd waarbij de meeste ballen en engeltjes sneuvelden. De hele woonkamer lag bezaaid met flinterdun flijmscherp kerstballenglas. Swip en Lulu vond ik dodelijk geschrokken in de hoek van de kamer achter het tafeltje waar de boom op had gestaan.
‘We konden er echt niets aan doen papa...’
Klasgenootjes van onze kinderen hebben toen een prachtige collectie kerstboomversieringen voor ons gemaakt. De fraaiste ballen, engeltjes en fantasiehangers. Volgeschreven met kerstwensen voor Bibian en ons allemaal: beterschap, sterkte, ik hoop dat je niet dood gaat, word snel beter. De mooiste en pijnlijkste boom die we ooit hadden. Ook de grootste trouwens.
Lulu pakt de eerste bal uit de doos.
‘Doe die maar niet, Lulu.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat... omdat ik er verdrietig van word.’
‘Maar hij is zo mooi.’
‘Jawel maar... hij is eigenlijk voor mama. En die is er niet meer.’
Lulu begrijpt het niet helemaal.
‘En deze?’
Ze pakt een felgekleurde waar ‘Bibian Rocks’ op staat.
‘Eh... zijn er ook gewone, waar niets op staat?’
Niet zo heel veel.
Wat te doen. Lulu beleeft het heel anders, en die boom is er toch vooral voor de kinderen.
‘Hmmm. Misschien moet jij maar gewoon kiezen Lulu. Laten we afspreken dat jij de baas over de kerstboom bent.’
‘OK papa.’
Ik weet er nog één of twee, die al te expliciet aan ziekte en dood refereren, te diskwalificeren. En toegegeven: het wordt een prachtige boom.
Maar na de kerst zal ik de collectie op slinkse wijze laten verdwijnen en een geheel nieuwe aanschaffen. Met een beetje geluk tik ik nog wat fraaie restpartijen op de kop in de uitverkoop.