dinsdag 12 augustus 2025

 

  
 

A day in the life

een minidrama 
spelers:
Josje: psychologe, recent afgestudeerd, net terug van vakantie en nog niet helemaal in de werkmodus. Zit in een kleine kamer met plastic planten en een systeemplafond achter haar computer e-mails en appjes te beantwoorden.
Jaqueline: hulpverleenster, is al helemaal ingevoerd in het vakjargon. Werkt graag volgens vaste protocollen. Stuurt haar appjes via haar werktelefoon.
K.: vader, zit achter een piano een opera te componeren, maar wordt steeds afgeleid door meldingen op zijn telefoon van de diverse hulpverleners.
S.: zoon, ligt in bed op een hoogslaper. Slaapt.

Appjes worden op een scherm boven het toneel geprojecteerd, er wordt niet gesproken. K. slaat af en toe een akkoord aan op de piano en noteert dan iets in de partituur. 

31 juli, 4.36 uur
Hoi Josje, het gaat helemaal niet goed met middelste zoon. Hij is nu bij mij thuis, met zijn broer en zus. Ik ben zelf op vakantie.
S. heeft ketamine gebruikt en zegt dat hij stemmen in zijn hoofd hoort die zeggen dat hij een eind aan zijn leven moet maken. Ik heb hem vanmiddag kort aan de telefoon gehad, en vond hem ook warrig. Ik heb vannacht de crisisdienst gebeld, en oudste zoon 112. 112 vond hem niet acuut genoeg om hem mee te nemen, de crisisdienst moet nog komen. (hoop ik)
Ik denk dat hij tot alles in staat is, en accuut hulp nodig heeft. Maar ik weet niet of hij daar open voor staat, hij lijkt ver weg.
Ik hoop dat iemand van jullie morgen langs kan gaan en dat er hulp voor hem is.
Hoop van jullie te horen, K.

11 aug.10.06 uur
Josje: Hai K., vanwege mijn zomervakantie was ik afwezig en heb ik dit bericht niet eerder kunnen lezen. Ik begrijp van mijn collega's dat er ondertussen wel actie is ondernomen. Met vriendelijke groet, Josje

11 aug.10.13 uur
Hoi Josje, ja, een klein beetje actie. S. is nu bij mij, omdat hij aangeeft niet naar zijn eigen huis te willen/kunnen vanwege het gevaar van terugval. Maar hij kan hier echt maar beperkt blijven. Ik ben geen therapeut en mijn huis is geen opvanghuis. Ik heb zelf ook rust nodig na een turbulent jaar.
Hartelijks,
K.

11 aug. 11.56 uur
Josje: Hai K., ja dat begrijp ik. Ik zal hem vandaag bellen en hij kan morgen starten met zijn opname begreep ik. Veel sterkte. Groeten, Josje

12 aug. 11.22 uur
Hoi Josje, S. heeft vandaag om 15.00 uur een intakegesprek (intake, dat is niet hetzelfde als een opname) bij Jellinek.
Hij vertelde me zojuist dat hij gisteren weer ketamine heeft gebruikt. Dat dacht ik zelf ook al, en ik vermoed ook al eerder, al zegt hij zelf van niet.
Ik hoop dat hij vanmiddag naar die intake gaat, want hij zit volgens mij slecht in zijn vel. Kunnen jullie hierin nog iets doen? Hem begeleiden?
Groetjes,
K.

12 aug.11.21uur
Josje: Ha K., we hebben hem aangeboden om mee te gaan naar de intake maar dat wilde hij niet. We hebben hem zojuist geprobeerd te bellen maar hij neemt niet op. Gister gaf hij bij mij aan wel gemotiveerd te zijn voor de intake en te willen gaan.

12 aug. 12.16 uur
Jaqueline: Ha S. ik probeerde je net te bellen om je succes te wensen met je intake zo!

12 aug. 12.43 uur
Hij ligt te slapen. Hij heeft gisteren gebruikt. Ik hou mijn hart vast of hij zal gaan of niet. Ik kan hem niet dwingen, maar ik denk tegelijk na over consequenties als hij niet gaat. Dan vind ik eigenlijk niet dat hij hier nog langer kan blijven.
Het zou fijn zijn als er iemand met me meedacht.
Groetjes,
K.

12 aug. 12.46 uur
Hoi Jaqueline, S. heeft vandaag om 15.00 uur een intakegesprek (intake, geen opname nog) bij Jellinek.
Hij vertelde me zojuist dat hij gisteren weer ketamine heeft gebruikt. Dat dacht ik zelf ook al, en ik denk ook al eerder, al zegt hij zelf van niet.
Ik hoop dat hij vanmiddag naar die intake gaat, want hij zit volgens mij slecht in zijn vel. Kunnen jullie hierin nog iets doen? Hem begeleiden?
Groetjes,
K.

12.aug. 12.55 uur
Jaqueline: Ha K., dank voor je bericht. Ik heb het aan mijn collega gevraagd. Wat balen zeg.

12 aug. 12.57 uur
Ik kan hem niet dwingen naar die intake te gaan, maar ik denk tegelijk na over consequenties als hij niet gaat. Dan vind ik eigenlijk niet dat hij hier nog langer kan blijven.
Het zou fijn zijn als er iemand met me meedacht.
K.

12 aug. 12.59 uur
Jaqueline: Dat snap ik. Helaas ga ik een training in tot 17.00 uur. Dus ik heb het doorgegeven aan een collega.

12 aug. 13.27 uur
Josje: Hoi, ik heb hem net gesproken en hij zegt dat hij om 15.00 uur naar de intake gaat. Groetjes, Josje

12 aug. 15.25 uur
K.: Hoi S., is het nog gelukt om te gaan? 

Foto: E. Morton Jellinek (1890 - 1963)  

maandag 11 augustus 2025

 


Antisemitisme

De meeste van mijn vrienden en kennissen zijn gelukkig geen antisemiet. Ze zijn wel antizionist en ervan overtuigd dat Israel genocide pleegt op de Palestijnen. Een enkeling wil zelfs liever geen contact meer omdat ik vanwege mijn afwijkende mening over de oorlog in Gaza medeplichtig aan genocide zou zijn. Dat krijg ik dan weer te horen via appjes of via messenger, verzonden van een iPhone of MacBook die draait op Israëlische technologie. Dat dan weer wel.
    Ik geloof dat de consensus inmiddels is dat Israël inderdaad genocide pleegt en erop uit is alle Palestijnen uit Gaza (ik heb het even niet over de westbank) te verdrijven of te vermoorden. Het maakt niet uit met welke argumenten je komt, het is alsof je tegen een muur praat: Israël pleegt genocide. En dat is natuurlijk heerlijk om te kunnen zeggen, want dan sta je automatisch aan de goede kant van de geschiedenis, en het woord rolt ook zo lekker van de tong, al heeft het eerst wel een kleine betekenisverandering moeten ondergaan om op Israël van toepassing te kunnen zijn.
    De massamoord door de Nazi’s en anderen op zes miljoen joden of de doelstellingen van Hamas ten aanzien van Israël zijn meer old school genocide (het volledig uitroeien en verdrijven van het joodse volk), en wat Israël in Gaza doet (en ja, er gebeuren daar ongetwijfeld verschrikkelijke dingen, maar het is dan ook oorlog) is genocide 2.0. 
    Als je wat er in Gaza gebeurt genocide noemt, dan toch ook wat Rusland in Oekraïne doet, China in Tibet en met de Oeigoeren of Nederland in Indonesië tijdens de politionele acties. Alleen mag je dat niet zeggen, want dan maak je schuldig aan een whataboutism; je mag namelijk niet het een met het ander vergelijken want het gaat hier om Israël, en Israël alleen.
    Het verbod op whataboutism geldt andersom trouwens niet, want als je met redelijke argumenten die beschuldiging van genocide in twijfel trekt, word je meteen met de situatie in de westbank om de oren geslagen.
    Ik ben geen antisemiet, ik ben alleen antizionist hoor ik voortdurend. Dat je daarmee het bestaansrecht van een legitieme staat ontkent, er kennelijk geen probleem mee hebt dat haar bevolking dan maar weer in de diaspora moet, doet even niet ter zake. Met antisemitisme heeft het niets te maken. Dat het zionisme in de tweede helft van de negentiende eeuw is ontstaan als reactie op het Europese antisemitisme en de pogroms vergeten we gemakshalve maar even. 
    Wij zien hier in het Westen (op de linkerflank) de Palestijnen nu eenmaal graag als de underdog, en zelfs als een bijzonder soort über-underdog, want al die andere underdogs die het net zo moeilijk of soms nog veel moeilijker hebben, zijn om onduidelijke redenen minder interessant of relevant.
    Overigens vonden de Nazi’s en hun sympathisanten zichzelf indertijd ook geen antisemieten. Zij hadden een boeman nodig om de schuld te kunnen geven van alle ellende in Duitsland en de rest van de wereld en als bliksemafleider voor de werkelijke problemen (als er geen joden bestonden, zouden ze moeten worden uitgevonden, schreef der führer al). Dat is overigens al eeuwen zo: de pest, hongersnood, overstromingen, economische malaise, daar hebben we de joden voor.
    Ik vrees dan ook dat de schrikbarende heropleving van het Europese antisemitisme een signaal van iets anders is, waar we liever de ogen voor sluiten, omdat het zo groot en bedreigend is, en zo onoplosbaar en verweven met alles waar onze westerse maatschappij op is gestoeld. Het gaat hier bij ons namelijk op alle fronten heel erg mis; de tekenen zijn er al lang en worden steeds pregnanter, maar we willen er niet aan; het is te ingrijpend, te globaal, te complex. En dus maken we ons liever druk om Israël, die eeuwige en ideale bliksemafleider voor elke onheilstijding. En dat is dus geen antisemitisme. 

zondag 10 augustus 2025

 



Ciclo

Toen ik in 2004 mijn appartement aan de Johannes Vermeerstraat betrok, bracht ik mijn fiets voortaan naar rijwielhandel en fietsenmaker Ciclo in de Ruysdaelstraat, tegenover café Loetje (van de paardenbiefstukaffaire).
    Ciclo werd eeuwig bestierd door Paul en Wil, beiden nooit om een praatje verlegen, en bevolkt door een nogal divers team van hulpfietsenmakers van wisselende kwaliteit en soms wat aan de erg jonge kant. Zo werkte mijn middelste zoon er een jaar, zogenaamd om het vak te leren, maar vermoedelijk ook omdat Paul en Wil, begaan met de buurt als zij waren, wisten dat fietsen repareren soms een goede therapie kan zijn voor pubers met hun ziel onder de arm. 
    Een paar deuren verder zat een Bulgaarse supermarkt die lekkere broodjes verkocht en waar het ook altijd gezellig was met aanloop van buurtgenoten. Nog wat verder had je De Zaailing, een antroposofische winkel met iets te duur antroposofisch kinderspeelgoed, maar verder wel vriendelijke mensen.
    Toen Paul van Ciclo een jaar geleden stopte met werken, moest Wil de winkel voortaan alleen bestieren. Dat ging prima, totdat de nieuwe huisbaas, een overzeese projectontwikkelaar die langzaam maar zeker het hele blok in handen had gekregen er lucht van kreeg dat Paul was vertrokken. Wil werd op kantoor ontboden en kreeg te horen dat omdat Ciclo nu een eenmanszaak was, de rechtsvorm van het bedrijf was gewijzigd en als gevolg daarvan het oude huurcontract niet meer van toepassing. Geen speld tussen te krijgen. Wil mocht best fietsen blijven repareren, maar vanaf nu zou de huur vier keer zo hoog worden. 
    Dat was afgelopen november. 
    Wil vroeg of hij dan tenminste tot het nieuwe jaar mocht blijven, dan zou hij per 1 januari vervroegd met pensioen gaan. Met de oude huur redde hij het tot nog toe net, maar de nieuwe huur kon hij onmogelijk voldoen. De projectontwikkelaar lachte hem vierkant uit, gunde hem zijn laatste anderhalve maand; einde Ciclo.
    Inmiddels zijn ook de Bulgaarse supermarkt en De Zaailing verdwenen. In het hele blok staan er winkelpanden leeg met lelijke, schreeuwerige raamadvertenties om nieuwe huurders te lokken; ook wordt er constant verbouwd. Soms zit er kortstondig iets vaags om dan weer te verdwijnen. Alleen de voorbeeldige gitarenhandel Sacksioni houdt dapper stand, maar ik hou mijn hart vast.
    Dat het stadsbeeld verandert lijkt me normaal, dat winkels en bedrijfjes komen en gaan eveneens, maar dan wel vanuit de behoefte van de bewoners en bestierd door mensen uit de buurt, of in elk geval uit de stad. Nu zijn complete wijken in handen van mensen die geen enkele affiniteit met de buurt of de stad hebben, vaak grote Chinese of Amerikaanse projectontwikkelaars met maar een doel: geld verdienen en nog meer geld verdienen. Dat hebben we o.a. te danken aan het liberale beleid van linkse jongen en burgemeester Eberhard van der Laan die het buitenlandse investeerders en expats zo aantrekkelijk mogelijk wilde maken om in Amsterdam neer te strijken. Daar zouden we allemaal beter van worden.
    Als ik tegenwoordig boodschappen ga doen op de Albert Cuypmarkt ben ik snel weer thuis, geen tussenstop meer om een praatje te maken over de verloedering van de buurt, de expats met hun eeuwige verbouwingen en die verdomde projectontwikkelaars. 
       

zaterdag 9 augustus 2025

 


ChatGPT

If you sang out of tune, I’d think you’re human—and probably having fun. Singing well isn’t a requirement for enjoying music. It's the intention, emotion, or connection behind it that usually matters more. So, sing however you want.

When your love is away, it’s normal to feel the absence deeply. What you do during that time depends on what helps you feel grounded and connected. A few things that might help:     

Stay connected: Message, call, or write to them if possible. Even small check-ins can make a difference.     

Channel your energy: Dive into creative projects, work, hobbies, or something that fulfills you.
    
Lean on others: Friends, family, or even solo time in community spaces can help ease the loneliness.
    
Take care of yourself: Rest, eat well, move your body, and do things that make you feel whole.

Missing someone is a sign of deep care—but it doesn't mean you have to sit in that emptiness the whole time. Would you like to talk about what kind of “away” you mean—physically, emotionally, or something else?

How you feel by the end of the day? That depends — are we talking emotionally, physically, or philosophically?

If you mean in the everyday sense:

Physically: You might feel tired, drained, or pleasantly worn out, depending on how busy your day’s been.

Emotionally
: You could feel satisfied if you’ve accomplished things, or restless if you haven’t.

Socially: Some people feel more connected after interacting with others, while introverts might feel the exact opposite.

Do you want me to answer this as a self-check question for you personally, or more as a universal observation?

I’d believe in an attraction at first sight — that instant spark when someone catches your attention and your brain does a little happy cartwheel.

Love, though, usually needs a bit more time to grow — more like “love at first few great conversations and shared snacks.”

I’d say:

With eyes open: just darkness (plus maybe the faint glow of a phone you forgot to turn off).

With eyes closed: swirling afterimages and random shapes your brain invents.

Do I need anybody? 
In the broad human sense, yes. We all need somebody — not necessarily romantic, but people to connect with, share experiences, and rely on. Humans are wired for relationships; even the most independent among us thrive better with a few trusted bonds.

So my short answer: yes, but “anybody” isn’t enough — it matters who.

vrijdag 8 augustus 2025

 


Alcohol

Al jaren doe ik armpje drukken met koning alcohol. Het liefst zou ik helemaal niet drinken, maar dat lukt dus niet. Soms drink ik een heel jaar geen druppel, en dat gaat eigenlijk zonder veel problemen, maar dan begin ik toch weer. Mijn ouders, die zelf ook van een glaasje hielden, vonden het belangrijk mij al op jonge leeftijd aan de alcohol te laten wennen, dan zou ik er later ongetwijfeld verstandig mee omgaan. Als kind mocht ik aan tafel dagelijks een slokje uit het glas van mijn vader en omdat hij nogal een wijnsnob was, kende ik al vroeg de namen van Gevrey Chambertin, Côte de Beaune en Pouilly Fumé en wist ik zelfs dat Vignelaure een biologische wijn was, al wist ik dan weer niet wat dat betekende.
    Ik herinner me - ik zal een jaar of vier, vijf zijn geweest - dat mijn ouders me ’s nachts wakker maakten nadat ze de oppas hadden betaald; ze waren uit geweest en hadden vrienden meegnomen om bij ons nog een afzakkertje te halen. ‘Hij drinkt al wijn!’, zeiden ze trots, en dan moest ik een paar slokjes nemen.
    ‘Is dat wel verstandig, Kees?’ zei het bezoek. Maar omdat iedereen toch al aangeschoten was, werd er verder geen aandacht aan besteed.
    Eenmaal op de middelbare school, in de tijd dat er op schoolfeesten nog gewoon alcohol werd geschonken, ging het regelmatig mis. Ik herinner me dat ik een keer op weg naar huis op mijn racefiets tegen een geparkeerde 
Citroën DS aanbotste en languit op het dak belandde. Gelukkig sliepen mijn ouders en kon ik thuis gewoon in mijn bed gaan liggen. Waarom mijn voorwiel was verbogen zou ik de volgende dag wel verzinnen.
    Op mijn vijftiende belande ik voor het eerst wegens openbare dronkenschap (ik geloof dat ‘kennelijke staat’ de technische term is) in een politiecel. Het is me later verteld, want toen ik wakker werd en me afvroeg waarom ik helemaal onder het braaksel zat, kon ik me niets meer herinneren. Toen ik te horen kreeg dat ik de hele achterbank van een politieauto had ondergekotst heb ik bureau Lijnbaansgracht gebeld om aan te bieden het allemaal weer schoon te maken.
    ‘O ben jij dat,’ zei de dienstdoende agent. ‘Gaat het weer een beetje?’ De auto was inmiddels schoongemaakt. Hij raadde mij aan voortaan iets voorzichtiger met alcohol om te gaan.
    De laatste keer dat het uit de hand liep was vijf jaar geleden, ergens rond mijn zestigste verjaardag. Mevrouw Janssen en ik hadden bij een bevriend echtpaar gegeten. Ze hadden flink hun best gedaan, maar al snel bleek dat het eten maar bijzaak was: het ging om de drank. De ene na de andere fantastische fles uit hun kelder werd ontkurkt en hoewel er uit voorzorg ook een karaf water op tafel stond, bleef die onaangeroerd.
    Toen mevrouw Janssen en ik op de terugweg met onze fietsen op het Surinameplein bij het stoplicht stonden te wachten, verloor ik mijn evenwicht en voor ik het wist lag ik in het mooie pak dat ik van mevrouw Janssen voor mijn verjaardag had gekregen op de stenen onder mijn eigen fiets. Toen ik weer overeind stond zat er een grote winkelhaak bij mijn rechterelleboog en een scheur in de knie van mijn broek. Zestig jaar had ik hiervoor moeten worden. Volgens mevrouw Janssen zou de Turkse kleermaker in de Ferdinand Bolstraat er vast nog wel iets mee kunnen, maar toen ik mijn pak bij hem op de toonbank legde, schudde hij van nee.
    Wat ik er in elk geval van heb geleerd is om mijn eigen kinderen nooit aan tafel te laten drinken om ze er alvast aan te laten wennen.
     

donderdag 7 augustus 2025

 


Opera - 1

Hoewel ik eigenlijk vind dat ik vakantie heb, componeer ik elke dag, voor zover de thuissituatie dit toelaat, aan mijn opera. Ik ben inmiddels ongeveer op de helft en heb ruim vijftig minuten muziek op (virtueel) papier.
    Mijn vorige opera, Tamerlan, twee uur muziek voor groot orkest, solisten en koor, eveneens met een libretto van Carel Alphenaar is nooit uitgevoerd, behalve dan in de vorm van een symfonische suite die ik ervan maakte op verzoek van de Nederlandse Muziekdagen (een soort instrumentale pitch van aan elkaar geplakte highlights) en die met succes werd gespeeld door het Radio Symfonie Orkest, maar die toch niet tot een integrale uitvoering leidde.
    Ook toen al raadde iedereen me af zoveel tijd in een dergelijk megalomaan project te stoppen; als het geen opdrachtwerk is, is de kans op uitvoering in Nederland namelijk vrijwel nihil. Gelukkig heb ik me daardoor niet laten tegenhouden en heb ik Tamerlan gewoon voltooid. Natuurlijk wil je als componist dat je werk wordt uitgevoerd, maar voor mij is het maakproces toch wat me het meest interesseert. Bij uitvoeringen word ik altijd zenuwachtig omdat ik er dan wat van moet vinden, en dat is bijna onmogelijk als je iets zolang met je mee hebt gedragen. Ik vind het ook veel te particulier om er tegen anderen iets zinnigs over te kunnen zeggen, behalve misschien over wat ik van de kwaliteit van de uitvoering zelf vond.
    Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan, en hoewel ik me had voorgenomen zoiets nooit meer te doen, ben ik nu toch opnieuw zonder opdracht en zonder uitvoeringsgarantie aan het componeren. Op de een of andere manier hou ik erg van theater en muziektheater (niet per se van opera) en schrijf ik graag voor stemmen. Misschien helpt het ook dat ik nogal wat filmmuziek heb gecomponeerd, al is de muziek daar over het algemeen minder autonoom en meer dienend dan bij muziektheater.
    Het begon eigenlijk toen ik Fin de Partie zag, een fenomenale opera van György Kurtag naar een stuk van Beckett. Een curieus, vervreemdend stuk, met al even curieuze muziek. Zoiets wil ik ook, dacht ik toen ik weer naar buiten liep, hoewel ik registreerde dat het publiek overwegend teleurgesteld en soms zelfs boos was. Maar waar haalde ik een tekst vandaan met dezelfde kwaliteit, diepgang en originaliteit? En wie ging mij dan helpen die tekst naar een libretto om te werken?
    Een kennis zette mij op het spoor van de roman De Joden van dichter/schrijver Nachoem Wijnberg. Ik kende Nachoem al een beetje via mevrouw Janssen, maar had tot dan toe alleen nog zijn poëzie gelezen; maar ik was meteen verkocht: dit moest het worden. Een soort antiroman zonder traditioneel plot, met rollen voor Stalin, Heidegger, Walter Benjamin, de rabbijn van Birobidjan, met wereldomvattende complotten, een huwelijk, een scheiding en een nieuw huwelijk, een wereldbrand, surrealistische talmoedische en filosofische gesprekken (o.a. tussen Hitler en Benjamin) en een alternatieve afloop van de tweede wereldoorlog. Briljant, hoogst origineel, talig, poëticaal en provocerend. Wat wil je nog meer als componist!
    Carel Alphenaar vond de roman aanvankelijk totaal ongeschikt om een libretto van te kunnen maken, maar draaide langzaam bij en werd uiteindelijk net zo enthousiast als ik.
    Voor de muziek heb ik me o.a. laten inspireren door de Instant Composers Pool, ooit opgericht door Misha Mengelberg, door het Art Ensemble of Chicago, de opera’s Wozzeck en Lulu en door de grote Bach, om wie nu eenmaal niemand heen kan. Ik verwacht niet dat dit voor anderen ook hoorbaar is, maar zelf weet ik precies wat en waar.
    Vanwege de intimiteit van het drama en de setting die vooral binnenskamers is, schrijf ik voor een kamerorkest maar misschien ook omdat ik sowieso niet zoveel heb met het symfonieorkest als apparaat. In plaats van hobo en fagot heb ik een sopraan sax (ook alt) en een tenorsax, waardoor de klank meteen al minder ‘klassiek’ wordt, en heb ik een piano en veel slagwerk, waaronder het een en ander uit de Chinese opera, maar géén vibrafoon en marimba (die kennen we nou wel, en bovendien houdt mevrouw Janssen daar niet van).
    Ook nu verklaren sommige collega’s (cultureel ondernemers zoals ze zich tegenwoordig noemen) mij voor gek om opnieuw zo’n risico te nemen, maar hoewel ze ongetwijfeld gelijk hebben, werk ik er als gezegd elke dag aan, en maakt dat mij onuitsprekelijk gelukkig. Behalve misschien Louis Andriessen is er namelijk geen componist in Nederland met zo’n briljant en origineel libretto. Ik vind het een geweldige uitdaging en ik ga hem graag aan. 

woensdag 6 augustus 2025

 

Walm

Als ik ’s middags thuiskom nadat ik een vriendin heb geholpen wat spullen te verhuizen in mijn Volvo 850 station automaat, hangt er een dikke, blauwe walm in mijn appartement. Middelste zoon heeft een toastje laten aanbranden. Een van de knoppen van het tosti-apparaat blijft soms hangen, dus moet je er altijd bij blijven staan. In de walm onderscheid ik twee blonde meisjes die ik niet ken aan mijn eettafel tegenover S. die zijn gezicht onder een petje verbergt. Tegelijk gaat mijn telefoon; het is dochter die een ingewikkeld verhaal begint over shifts op haar werk die ze wel of niet mag ruilen en wat ik daarvan denk. In de deuropening onderscheid ik nu ook oudste zoon in een rode boxershort, ik vermoed dat hij net is opgestaan.
    De meisjes stellen zich netjes voor, ik dacht eerst dat het vriendinnen van mijn dochter waren, maar ze zijn van de hulpverlening. Ik had eigenlijk gehoopt nog een uurtje aan mijn opera te kunnen werken, maar ik besluit dan maar aan te schuiven. Terwijl de rook optrekt gaat het over een mogelijke detox die wel of niet zou moeten aansluiten op een rehab in de Jellinek. S. blijkt dinsdag een intakegesprek te hebben, maar of hij dan ook meteen wordt opgenomen kunnen de meisjes me niet vertellen. Er zijn overal wachttijden, weet de oudste van de twee.
    ‘Hij kan hier nog wel een paar dagen blijven,’ leg ik uit, ‘maar niet een paar weken. Ik ben zijn vader, niet zijn behandelaar of therapeut en ik wil die rol ook niet.’
    'Goed dat u dat aangeeft,' zegt de oudste.
    S. is boos, merk ik. Hij is kortaf op het botte af. Ik vermoed dat hij gisteren toch weer gebruikt heeft, toen ik bij mevrouw Janssen was, maar hij zegt zelf van niet. Hij is in elk geval heel erg laat thuisgekomen. Later zegt hij dat hij vooral boos is omdat hij het nut van dit soort bijeenkomsten niet inziet. Hij krijgt er stress van en het levert helemaal niets op. Dat er overal wachttijden zijn weet hij zelf ook wel.
    Maar de meisjes tonen zich optimistisch. Ze vinden het goed dat S. nu alweer vijf dagen clean is. De lichamelijke klachten zijn dan voorbij, leggen ze uit, maar de trek natuurlijk nog niet. Daar is therapie voor nodig, alleen zijn er dus overal wachttijden. 
    S. zucht van onder zijn petje.
    Opnieuw gaat mijn telefoon. Mevrouw Janssen is haar zolder aan het opruimen en wil weten of ik haar kan helpen wat vuilniszakken bij de vuilstort neer te zetten en of ik denk dat ze haar oude printer in de straatboekenkast kan zetten of dat we die met de auto naar de milieustraat moeten brengen. Straatboekenkast, zeg ik. En ik til geen zware dingen, want ik heb last van mijn knieën.
    Het oudste meisje vindt dat ik mooi woon. ‘Wat een prachtig huis hebt u, meneer ten Holt.’
    ‘Ja, he,’ zeg ik geroutineerd, terwijl ik de deur voor ze openhoud.
    ‘Heel erg mooi,’ beaamt de andere. 
    Ik heb al zoveel van dit soort meisjes voorbij zien komen, ik probeer hun namen niet eens meer te onthouden.
    Ik zie dat Poekie, de kat van middelste zoon die hier voorlopig logeert, zich breeduit op mijn bank genesteld heeft, terwijl huiskat Vlo met een angstige blik vanonder diezelfde bank de kamer in loert. Gelukkig is de walm nu weer opgetrokken.