maandag 8 maart 2021

 

                                    Illustratie voor N.I.W. van Ursula Roth

 

In oktober 1965 gingen mijn ouders, toen 29 en 30 jaar oud, Kees ten Holt (1935 - 1990) en Ursula Roth (1934 - 1981) uit elkaar. Mijn moeder nam mij (5 jaar oud) mee naar Israel, om zich met mij in de nieuwe heilstaat te vestigen in kibboets Lahav in de Negev. Mijn ouders schreven elkaar dagelijks, en al snel werd duidelijk dat ze moeilijk zonder elkaar konden. De volledige correspondentie (in ca. zeventig brieven) is bewaard gebleven.
(afl. 26)


Lahav, zaterdag 20 november 1965, Ursula

Lieve Kees,

ik zou eigenlijk wel eens willen weten of je alle brieven die ik schrijf ontvangt, ik kan niet precies zeggen waarom, maar soms denk ik dat je sommige brieven niet gekregen hebt. Maar het lijkt me onwaarschijnlijk dat je ze niet allemaal krijgt.  Vanmorgen toen ik met Klaas in de eetzaal zat, werd ik zonder dat daar nu juist een speciale reden voor was, overvallen door een hevige vlaag van heimwee en wanhoop, het was naar, want de tranen begonnen hoger en hoger te zitten en toen moest ik er echt uit, ik bracht mijn bord en glas weg naar de afwas ketel (dat doen ze hier zo) en daar stond Nomi. Ik zei in mijn verwarring in het Hollands ‘Hallo, hoe gaat het ermee?’ en zij zei zoiets van ‘Wat zeg je?’ Ik mompelde nog iets en liep weg de achterdeur uit met Klaas, mijn tranen begonnen te stromen en ik liep de kibboets uit.
    Wij liepen een eindje en gingen op een paar stenen zitten, Klaas trok er zich tot mijn verbazing niet veel van aan, wij keken naar de velden, waarop vlak bij de grens tractoren en landbouwmachines bezig waren, ik hoorde stemmen en dacht ‘dat is onmogelijk’, want ze kwamen duidelijk van de grens en niet van de tractors. Toen ik nog eens heel scherp keek, zag ik heel, heel in de verte twee kamelen (denk ik) met kerels erbij, die onder geroep van ‘ho’ of zoiets ook een piepklein stukje grond tussen twee heuvels in aan het beploegen waren over de grens in Jordanië. Jordaniërs dus.
    Het fascineerde me enorm, het was ook een romantisch gezicht, vooral ook de intimiteit, in vergelijking met de Israëlische tractors die enorme lappen grond beploegden. Het kalmeerde me helemaal. Het is onbegrijpelijk dat je zo ver kunt zien (omdat wij veel hoger zaten en omdat er niets tussen is dan akkers) en dat je zo ver kunt horen. Toen we terugkwamen liepen we weer langs de eetzaal, ik vroeg koekjes, limonade en thee, en ging met Klaas naar huis, we zaten daar nog heel gezellig, tot we moesten eten.
    In de eetzaal werd ik aangesproken door een soldaat die later erg vervelend bleek te zijn, hij liep met ons mee na het eten, hij vertelde dat hij niet bij de grote groep soldaten hoorde die net gekomen waren, maar dat hij hier een deel van zijn diensttijd vervulde als ‘Schomer’ bovenop de heuvel bij een waterreservoir. ik was er al meer geweest met Klaas. Hij begon me al tegen te staan, boven kwamen we nog een andere soldaat tegen die even met hem praatte en toen verdween. Onze soldaat, hij heet Amnon, kwam veel te dicht naast me lopen, ik werd ineens wantrouwig, ik dacht, misschien is het wel geen Israeli, misschien is het wel een Arabier en wil hij ons doodmaken, ik begon steeds harder de heuvel af te lopen, maar hij kan geen Arabier zijn omdat hij in de kibboets woont. Beneden bij mijn huis gekomen ging hij niet weg hoor, alleen eventjes om iets voor me te halen, hij was zo terug. Ik nog ‘nee, ik hoef niks’, maar hij kwam al terug met een blik pruimen op sap en een blik mais. Enfin, ik dacht ‘vooruit maar’, en deed het in drie kopjes, hij kwam weer zo vervelend steeds heel dicht naast me zitten en ik ging steeds ergens anders zitten, maar alles buiten op de galerij, want ik wilde hem niet binnen. Toen kreeg ik er zo schoon genoeg van dat ik zei ‘wij gaan naar binnen, we gaan slapen, dag Amnon’. Hij ging meteen weg.
    Toen heb ik binnen voor Klaas een beeld van een locomotief (al zeg ik het zelf) gemaakt, van een schoenendoos, een W.C. (binnen) rol, twee doosjes, een stuk gegolft papier, stukjes zilverpapier, krijt, gekleurde papiertjes. Beeldig. Ik wist niet dat ik zoiets kon. Heel kleurig. Maar toen ging Klaas naar buiten en ik hoorde dat hij geroepen werd, ik pakte gauw mijn tas met een boek en liep de deur uit. Hij was het en hij vroeg of ik een kop koffie voor hem wilde maken want hij had geen keteltje. Ik zei ‘nou goed,’ want hij had koffie en suiker meegebracht. (je moet weten dat hij het me al eerder had gevraagd, maar toen had ik gezegd dat ik geen koffie had) Hij had ook handenvol snoep voor Klaas bij zich. Dus ik zette koffie, ondertussen praatte Klaas op de galerij met Moshé en maakte een tekening voor hem. Ik ging erbij staan en toen weer even binnen. Ik ging even op mijn bed zitten en hup, Amnon er naast. Ik stond op en ging op het andere bed zitten en zei dat hij zijn koffie moest opdrinken want dat ik weg moest. Na veel geteut was hij klaar, ik meteen weg, ik zei ‘ik ga naar de Gan Jeladiem’, maar hij liep mee, toen we er al vlakbij waren, zei ik dat hij niet mee kon. Eerst vond hij van wel, maar ik zei ‘nee’, hij vroeg nog wat ik morgen deed en hoe laat ik at. Ik zei ‘dat weet ik niet, ik moet morgen de hele dag weg.’ Hij hoepelde eindelijk op.
    Vind je zoiets nou niet ontzettend? Een engerd gewoon. Hij blijft gelukkig nog maar een week, ik ga morgen helemaal niet meer naar de eetzaal, ik woon hier gewoon in een soort achterbuurt. Ik zal blij zijn als ik in een stenen huis in het centrum zit. Ik lijk wel een soort prostitué. Van deze vent moet ik echt af, het is een  engerd. Enfin, maar ik heb nog wel iets leuks beleefd ook. Ik ben met Nomi en Motke, hun kinderen en nog een paar lui om vijf uur naar Be’er Sheva gereden, een fantastische rit per jeep door de woestijn. Van Be’er Sheva heb ik niet veel gezien want we gingen op bezoek bij kennissen van de Pelegs, maar het was fijn om er even uit te zijn. Om half acht waren we weer thuis.
    Gisteren wilde ik me ’s middags met Klaas douchen, maar de hele middag was het vol met naakte meiden. Eindelijk ging ik er dan maar tussen met Klaas, het was er bloedheet, vol stoom, net een Turks bad, en overal nudistes die allervriendelijkst lachten naar Klaas. Ik duwde hem ook maar onder een douche en ging zelf onder een andere. Zij zijn het allemaal gewend, maar ik heb de hele nacht van naakte vrouwen gedroomd. Ik begrijp toch echt niet waarom er geen hokjes zijn.
    Gisteravond (Moshé heeft zijn vrienden in het weekend bij hem in) begonnen hij en zij te zingen en gitaar te spelen, Israëlische liedjes, ik dacht ‘wat een vreemde muziek, mooi vind ik het echt niet’, maar vervolgens begonnen zij ‘Poupée de cire’ en nog meer bekende dingen te zingen, en toen hoorde ik dat ze ontzettend vals zongen.
    Liefje, ik ga slapen, het is half elf. Ik hoop dat ik me morgen niet al te down voel. Ik doe mijn best om het voor Klaasje zo gezellig mogelijk te maken, ik pep me ook op om met hem te stoeien, want dat wil hij graag, en hij wordt steeds wilder, het is gewoon al te wild soms met hem. Ik heb ook een stuk van een verhaal voor hem opgeschreven, dat vertel ik hem, en dan schrijf ik er weer wat bij. Ik heb gisteren ook een zaklantaren voor hem gevraagd, maar die is nu stuk. Ik breng hem wel terug en vraag een nieuwe,
Liefje, veel liefs, Ursula, schrijf me veel.  


 


 

In oktober 1965 gingen mijn ouders, toen 29 en 30 jaar oud, Kees ten Holt (1935 - 1990) en Ursula Roth (1934 - 1981) uit elkaar. Mijn moeder nam mij (5 jaar oud) mee naar Israel, om zich met mij in de nieuwe heilstaat te vestigen in kibboets Lahav in de Negev. Mijn ouders schreven elkaar dagelijks, en al snel werd duidelijk dat ze moeilijk zonder elkaar konden. De volledige correspondentie (in ca. zeventig brieven) is bewaard gebleven.
(afl. 25)

 

Lahav, donderdag 18 november 1965, Ursula

Lieve Kees,

(het is nu donderdag 18 november, ik heb me gisteren in de dag vergist) het is al elf uur en dus heel laat voor iemand die om vijf uur op moet, maar ik wil toch nog schrijven. Ik heb de hele avond bezoek gehad van Michal en Edna om over Klaas te praten. Ik moet zeggen dat Edna wel goed weet hoe zij met een kind moet omgaan, zij begrijpt heel goed wat er met Klaas is, de grote moeilijkheid is het contact. Ik heb wel weer het gevoel dat ik in alle opzichten gefaald heb, niet dat zij zoiets heeft gezegd, maar ik heb toch het gevoel dat ik alles verkeerd heb gedaan. Ik heb nu wel meer het gevoel dat ik iets meer houvast heb, dat ik iets beter begrijp wat mijn houding moet zijn.
    Gisteravond om ongeveer een uur of vijf zat ik in mijn kamer, Klaas was bij die jongelui die achter mij wonen, ik had de hele kamer met chloor gedweild om die ontzettende stank weg te krijgen, de kamer was brandschoon en kaal, er brandde alleen een bovenlicht, ik zat op mijn bed, met mijn jas aan, grote dikke schoenen aan mijn voeten en ik rookte een cigaret, en het was koud. Ik zag mijzelf zitten in de ongezellige kamer, Klaas ergens anders, en ik voelde me helemaal niet gelukkig. Je kon dit bepaald geen thuis noemen. Ik had ook geen zin om bij iemand op bezoek te gaan, ik vond het overal even ongezellig, ik dacht vooruit, ik ga even naar Nomi en Motke vragen over Be’er Scheva, ik liep naar het andere huisje en in deze kamer zaten op vier bedden vier mannen met Klaas. Ze hadden de grootste pret, dat moet gezegd. Deze kamer was nog erger dan een kazerne, heel klein, tegen iedere muur een bed, een houten krukje met een pick-up en een tafeltje met een aquarium waarin een zielig visje dat nooit eten kreeg. Mijn meubels zijn keurig, maar deze waren ontzettend aftands, enfin, ik kreeg wel lekkere Turkse koffie en Klaas kreeg thee. Ze waren heel lief voor Klaas. Wij gingen toen weg. Maar vandaag dacht ik, ik ga niet weg, ik blijf thuis en maak het gezellig. Het lukte wel aardig, ik heb een, al zeg ik het zelf, prachtig karretje voor zijn locomotief gemaakt, toen heb ik een groot vel wit papier tegen de muur geprikt, en hij is daarop gaan tekenen. Vervolgens hebben we motorbootje gespeeld. Ik zal proberen het iedere dag zo te doen en niet meer zoveel heen en weer te rennen.
    Om drie uur vanmiddag kwam ineens weer Charlie, ik heb hem zowat weggekeken, en zei dat ik weg moest, hij ging al gauw weg, het was wel zielig want hij had een grote zak snoep voor Klaas meegebracht, maar ik erger me aan hem, dat komt omdat hij me zo heeft lastiggevallen. Als hij weer komt zal ik wat vriendelijker zijn, maar je moet zo oppassen. Toen ik gisteren bij die lui koffie had gedronken, later op de avond, ik stond Klaas z’n schoenen te poetsen op de galerij, toen kwam er een vragen of ik bij hem op bezoek kwam. Na nog een poosje praten zei ik dat ik geen eten had voor de konijnen en hij beloofde het uit de keuken te zullen meebrengen, even later kwam hij kloppen om te zeggen dat hij het had, ik zei ‘hartelijk bedankt, geef het ze maar’, even later kwam hij kloppen om te zeggen dat hij het gegeven had. Hij wilde graag binnen, maar ik zei dat ik bezoek kreeg. Vanmiddag toen ik lag te slapen werd er tot twee keer toe op de deur gebonsd, dat moet hij wel geweest zijn want Michal of Nomi of Eri of Motke of Charlie roepen altijd hun naam.
    Maar ja, dit is niet het belangrijkste. Belangrijk is dat ik geen vaste grond onder de voeten heb. Hoe krijg je die? Je moet precies weten wat je wilt, en ik weet het niet. Ik ben ontzettend moe, ik lees niets. Ik leef nauwelijks. Op het moment weet ik niets meer. Er is nauwelijks iets leuks, er is een ontzettende sleur, zoals ik die nooit gekend heb, dat komt omdat ik me niet vrij bewegen kan. Ik kan niet zomaar weg, ook niet ’s avonds of op sjabbat, want er is geen bus, en je moet dat eerst vragen, en er moet iemand zijn die gaat, ik zal er allemaal wel achter komen, die jongens achter gaan twee maal per week naar Tel Aviv, ik kan met ze mee, maar daar heb ik helemaal geen zin in. Ik heb ook helemaal geen geld. Ik wou je trouwens nog vragen of je misschien in een brief eens een Israëlisch bankbiljet kunt sturen, dan kan ik iets voor Klaas kopen al ik in Be’er Sheva ben. Ik heb nog wel de twintig pond, daar wil ik ook iets voor kopen met Klaas. Een dezer dagen zal ik toch wel eens in Be’er Sheva komen, ik wil alleen zo graag op mezelf met Klaas gaan, niet eeuwig met iemand mee zijn. Ik wil hem iets van speelgoed kopen en een hele zak vol lekkers, maar ik kan het niet goed doen als er iemand bij is.
    Kees, al mijn problemen die ik je schrijf, die blijven tussen jou en mij, dit is allemaal veel te moeilijk en te intiem om iemand in te betrekken. Klaas is een groot probleem, hij moet rust hebben, hij is op het moment mijn hele aandacht en zorg, ik denk in alles het eerste aan hem, hierin word ik gelukkig ten volle gesteund door de kibboets, maar het is heel moeilijk. Ik wil ook graag rust en een thuis, om mijn kind op te voeden, en zelf gelukkig te zijn.
    Ik wilde dat ik een oplossing zag. Ik heb niet het gevoel dat ik in deze kibboets mijn hele leven wil blijven en er mijn kind wil laten wonen, hoewel het er heel goed is. Wat ik moet doen weet ik niet, voorlopig blijf ik hier, ik ga niet rondzwerven.
    Liefje, het is nu zo laat, ik ga echt naar bed, ik denk veel aan je, laten we de moed niet verliezen,, er moet een oplossing zijn, als je het echt wilt.
Ursula.

vrijdag 5 maart 2021


 

 

In oktober 1965 gingen mijn ouders, toen 29 en 30 jaar oud, Kees ten Holt (1935 - 1990) en Ursula Roth (1934 - 1981) uit elkaar. Mijn moeder nam mij (5 jaar oud) mee naar Israel, om zich met mij in de nieuwe heilstaat te vestigen in kibboets Lahav in de Negev. Mijn ouders schreven elkaar dagelijks, en al snel werd duidelijk dat ze moeilijk zonder elkaar konden. De volledige correspondentie (in ca. zeventig brieven) is bewaard gebleven.
(afl. 24)


 

Lahav, donderdag 18 november 1965, Ursula

Lieve Kees,

vandaag kwam je brief van donderdag 11 november. Liefje, een sombere brief, hij past wel enigszins bij mijn stemming. het is zo, dat ik niet meer (althans nu niet) zo verschrikkelijk somber ben, maar toch heb ik een vaag gevoel van voortdurend onbehagen. Het is moeilijk uit deze verwarde situatie wijs te worden. Ik mis je ontzettend, en alle andere dingen, ons huis, onze vrienden en kennissen ook. Het ergste mis ik jou, en dan onze vrienden. De sociale omstandigheden mis ik geloof ik niet zo, d.w.z. een eigen huis, eten koken enz. Ik merk ook dat ik lang zo nerveus niet ben, en een ding is zeker, Israël is voor zover ik het heb gezien, hoe moet ik het zeggen, misschien ben ik te voorbarig, het is geloof ik een fijn land, niet zo comfortabel, maar zo kleurig. Ik heb wel een gevoel dat ik hier zou willen wonen, maar er zijn ook dingen die ik dan anders zou willen, b.v. ik wil niet alleen zijn met Klaas, het zou het allerbeste zijn om ons gezin te herstellen, als ik maar zeker wist dat ik het kon. Verder is de schoolopleiding geloof ik alleen op de landbouw en de veeteelt gericht, iets wat me ook niet bevalt. Het leven in de kibboets bevalt me wel, het is helemaal niet hard, of gedisciplineerd zoals jij denkt. Iedereen gaat rustig zijn gang, als hij weg wil, wordt het geregeld, ik heb het natuurlijk nog niet helemaal door, maar ik zie iedereen in rust zitten eten, koffie drinken, praten, spelen, en ook hard werken, iedereen is echt gelijk, en dat is iets ongelofelijks, iets heel bijzonders.
    Het is voor mij ook goed om er aan te wennen, rustig op je gemak te eten temidden van anderen, ook die je niet kent, en je dan niet onzeker te voelen. Of b.v. om alles te vragen wat je nodig hebt, ook al heb je het vage gevoel dat je er niets voor terugdoet, b.v. ik had schoenen nodig voor Klaas en mijzelf, ik heb ze meteen gekregen, heel mooie stevige, of b.v. in de keuken om fruit, koffie, thee, koekjes enz., deze mensen zijn namelijk echte sabre’s. (een jood die in Israel is geboren, KtH) Eerst denk je dat ze niet aardig zijn, omdat ze er ontzettend onverschillig bijlopen, maar ze zijn eigenlijk heel hulpvaardig. Ik vraag me wel eens af wat jij van deze mensen zou vinden, ons soort lievigheid b.v. alleen in het begin vriendelijkheid, kennen ze niet, bij hun krijg je eerst de stekels en dan de zoete inhoud.
    Jij vraagt alsmaar waarom ik niet werk, het zit zo, het is volslagen onmogelijk. Klaas is lief, en hij doet zijn best, maar hij is altijd bij me, ik kan ‘nooit’ van hem weg, zo is het, dan raakt hij in paniek, behalve soms, b.v. achter ons huisje wonen een stel jongens, daar is hij de hele avond geweest zonder mij, hij vertrouwde ze meteen, er was geen taalprobleem. Toen hij terugkwam kon hij vlot tellen tot 15 in het Iwriet. Vanavond mag hij er van mij weer naar toe.
    Hij praat heel veel over jou, hij wil hier wel blijven, maar jij moet erbij, daar wacht hij op. Een ding is  zeker, dat hij je erg mist.
    Ik ga mezelf niet beschuldigen, dat heeft geen zin, ik heb gedaan wat ik dacht dat het beste was, Het is voor mij ook allemaal niet zo grappig. Ik heb m’n handen vol aan hem, er hoeft maar een kleinigheid te gebeuren of hij barst los. Ben ik lief, dan is hij het ook, maar moet er iets gebeuren dat hij niet wil, b.v. wassen, slapen, melkdrinken, dan is het mis. Hij is net een rauw ei. Vooral het melkdrinken is een heel probleem. Ik sta erop, maar de melk is hier nooit goed heet, en hij zit vol vellen, dus ik moet zeven, cacao vragen enz. Ik pak alles maar gewoon uit de keuken, er is ook heus niemand die dat lastig vindt. Het is nu twee uur en Klaasje slaapt. Ik ga niet meer slapen ’s middags, dat is me teveel gedoe.
    Vanmorgen op school heb ik afgewassen en daarna gingen alle kinderen naar bed. Ita was trouwens stomverbaasd dat ik wilde afwassen. Je moet heus niet denken dat ik op school niks zit te doen. Voor het ontbijt van zeven tot acht uur heb ik met Klaas geschreven. Na de afwas heb ik met hem een geweer getimmerd, en daarna heb ik Iwriet gedaan. Toen Iwriet woordjes met hem gelezen. Dan heb ik alle materiaal voor de school tot mijn beschikking en dat is erg goed materiaal. Edna is een erg goeie juf, ze heeft geweldige ideeën, ze doet de leukste dingen met de kinderen, ze doet steeds iets met ze, en de kinderen hebben er echt plezier in. Als Klaas alles mee kan doen, zal hij het vast enig vinden. Ze maakt ook veel met ze en ze hebben alles.
    Op het moment drink ik thee met zalige koekjes die ik in de keuken gevraagd heb, als Klaas niet gauw wakker wordt, krijgt hij niets meer. Jawel hoor, ik heb een zak vol. Het is hier onmogelijk te vermageren, zodra ik aan tafel zit, prop ik me vol, tot ik niet meer kan. Ik vraag precies s wat ik lekker vind, n.l. zure room, dat is er jammergenoeg altijd, dat eet ik bij bakken vol plus bakken met suiker erin. Ik begrijp wel hoe het komt, eten is een van de weinige genoegens hier voor mij. Toen ik b.v. eergisteren met de bus uit was, taalde ik niet naar eten, maar hier wel, ik denk voortdurend aan eten, ik wacht op de maaltijden. Gelukkig dat ik zoveel moet lopen, ik loop me ook rot. Deze kamer stinkt ontzettend, er is iets mee, Moshé zegt dat zijn kamer ook stinkt, het is echt heel erg. Ik heb chloor gehaald, daar ga ik de vloer mee doen.
    Vanmorgen om tien over vijf stond ik onder de douche, toen er al iemand binnenkwam, ik zal me er maar niets van aantrekken, er is toch niets aan te doen, ik ga niet nog vroeger opstaan. Toch is het wel vervelend, je voelt je echt betrapt. Liefje, ik heb nu weer veel briefpapier, ik zal je veel schrijven, het kan me niet schelen of iemand het gek vindt. Ik heb enorme schoenen aan mijn voeten, soldatenlaarzen, kibboetsnikstiefels, toch staan ze leuk. Ik  heb je eigenlijk nog een heleboel te schrijven, maar er is weer geen plaats. Ik hoop dat je het niet al te naar hebt. Doe Jan de hartelijke groeten van me, vertel hem maar alles. Ik ben blij dat hij bij je woont. Schop Hub Mathijsen er maar uit, speelt hij mooi viool? Of studeert hij nooit? Het weer is hier omgeslagen, het regent, maar een heel klein beetje maar. Morgen zal het wel weer mooi weer zijn, alles is hier gericht op mooi weer, alles staat buiten, planten, handdoeken, schoenen enz. heel vrolijk.
Liefje, veel sterkte, ik denk aan je, Klaas denkt ook aan je, er zal wel iets gebeuren, dit is niet voor niets.
Ursula.

woensdag 3 maart 2021


 

 

In oktober 1965 gingen mijn ouders, toen 29 en 30 jaar oud, Kees ten Holt (1935 - 1990) en Ursula Roth (1934 - 1981) uit elkaar. Mijn moeder nam mij (5 jaar oud) mee naar Israel, om zich met mij in de nieuwe heilstaat te vestigen in kibboets Lahav in de Negev. Mijn ouders schreven elkaar dagelijks, en al snel werd duidelijk dat ze moeilijk zonder elkaar konden. De volledige correspondentie (in ca. zeventig brieven) is bewaard gebleven.
(afl. 23)

 

Lahav, 17 november 1965, Ursula

Lieve Kees,

gisteren kon ik je niet schrijven omdat ik eindelijk eens de kibboets uit ben geweest. Motke reed met de bus een paar mensen uit Lahav en een heel stel mensen uit Schoeval, dat is een andere kibboets ergens naar het noorden, naar een soldatenkamp, waar een soort reünie was van ouders en vrienden en familieleden van de dienstplichtigen. Het was een urenlange rit, maar ik kon eens goed rondkijken. Het is een vreemd land met veel tegenstellingen. Heel armoedige huisjes, werkelijk onvoorstelbaar, en hele mooie huizen, het is hier allemaal niet zo keurig als in Holland, de wegen niet, de bussen en auto’s niet. Het lijkt er niet op, misschien wel in grote dure steden, maar waar ik was dus niet. Je moet er wel even aan wennen, maar toch is al die luxe niet nodig eigenlijk. Ik heb bijvoorbeeld gemerkt hoe gauw ik aan mijn huisje was gewend. En b.v. gisteren kon het mij ook niet zoveel schelen om opgepakt met Klaas op schoot een hele tijd in de bus te zitten en zo een dikke boterham met ei zonder zout of kip met tomaat en appels te eten en in het soldatenkamp met Klaas eerst op mijn schouders te staan en later bovenop een huisje, en niet op een terras bier te zitten drinken. We kregen wel limonade later. Het was wel aardig zo’n soldatenkamp te zien, tenten en huisjes, en meisjes in elegante uniformen, we zagen ze langs marcheren, de meisjes liepen zoals alle meisjes van twintig lopen, en de jongens marcheerden echt.
    Verder was er een bonte verzameling van mensen, jongens met baarden en keppeltjes, jongens zonder baarden en met keppeltjes, jongens zonder keppeltjes, jongens met oorlokken, jongens met lange zwarte jas, breedgerande hoed en oorlokken, oude mannen met zwarte hoed en baard, vrouwen met een hoofddoek, een Jemenitische vrouw in volle klederdracht, joden zo zwart als roet. Er was alles en iedereen, alles waar je wel eens plaatsjes van gezien hebt. Het was heerlijk. Toen we teruggingen was het al donker, de zon was vlammend en indrukwekkend ondergegaan. Motke scheurde langs de weg, Klaas maakte grapjes met een heel aardig meisje dat naast me zat (van Schoeval) en na verloop van tijd sliep iedereen.
    In Petach Tikva stopte de bus, en iedereen stapte uit om ijs of iets lekkers te kopen, heel naar voor Klaas, maar gelukkig kwam Motke en nam hem mee, gaf hem ijs, gebak en nootjes en ook nog gebak voor mij. Heel lief, maar Motke is een heel aardig iemand, die niet erg gelukkig is, geloof ik, want het is nu wel duidelijk dat Motke en Nomi voortdurend en voortdurend ruzie maken. Dat komt geloof ik ook wel omdat Nomi altijd moe is en dus prikkelbaar.
    Er is hier vandaag (woensdag 17 nov.) een heel leger soldaten en soldates aangekomen. Ik moest uit mijn kamer, want in de voorste huisjes komt het leger bij elkaar. Dat moet, want er mogen geen civiele personen tussen wonen. Wij, Klaas, Moshé en ik moesten helemaal naar achteren verhuizen, en wie zijn kamer kreeg ik? Juist! Die van Charlie. Het is in sommige opzichten een hele achteruitgang, ik zit nu ontzettend ver van de W.C.’s en de douche af, en ook van de rest van de kibboets. De kast is van boven stuk, maar het ergste was de smerigheid van de kamer en de stank die er bijna niet uit te krijgen is, volgens mij van Charlie z’n zweetvoeten. Eerst was ik wel boos, ik kon geen tent meer maken voor Klaas, en de stopcontacten waren ook heel onhandig. En wat vond ik in de kamer? Alle vaasjes, schilderijtjes en rotzooi die ik naar Charlie had teruggebracht.
    Maar er zijn ook een hoop voordelen. Ik heb aan Moshé een rustige buur, niets te horen, de deur klemt niet, de kast is veel ruimer en Eri heeft er nieuwe planken in gedaan, en verder is de kamer handiger in te delen, en ik heb op de tent van Klaas al iets gevonden, verder is dit galerijtje erg mooi, hoog, begroeid, en er is een keurig tuintje en een paar mooie, hoge bomen. En verder is het hier heel rustig en stil, het ligt echt helemaal achteraf. Ik heb ook een veel beter bed, het is zachter en breder. Ik heb alle muren en de vloer en de kast afgesopt, dus het ziet er heel keurig uit. Er staat een heel mooie, uitgeholde steen voor de deur, met een plant erin en die heb ik binnen gezet. Onze tuin zal wel gauw weer rommelig worden want ik heb er geen tijd voor, en Moshé zal het ook wel niet doen. Charlie heeft het allemaal zo keurig gemaakt.
    O ja, wat ik je nog wilde vertellen over gisteren. Er reed een auto langs, vol Arabieren en ook vrouwen, die zagen er prachtig uit, helemaal behangen met munten, en opgemaakt tot en met, met schitterende zwarte ogen. We reden ook een hele tijd achter een legerwagen vol met jongelui die een heel eigenaardig spel speelden. Ze zaten in twee rijen tegenover elkaar, en dan begonnen ze in hun handen te klappen en op hun knieën te slaan, precies gelijk en in steeds sneller tempo, ineens hielden ze dan op en onder dolle pret werd er van plaats verwisseld en dan begon het weer van voren af aan. Het fascineerde me zo dat ik een hele tijd vergat ergens anders naar te kijken. Vervolgens reden we achter nog een klein legerwagentje waarin ook al weer zeer interessante mensen zaten, alle mannen met keppeltjes en de meisjes hadden lange dikke vlechten, maar wel broeken aan, ze waren zeker van een kibboets, ze zaten ook heel opgewekt naar ons te kijken.
    Ik heb mijn ogen uitgekeken naar de mensen, het is niet voor te stellen wat voor een types je hier ziet. Toen ik op het dak van het huisje stond heb ik geen ogenblik naar de exercerende soldaten gekeken, maar alleen naar de mensen. Achter me werd Spaans gesproken, en op de grond stond een elegante, orthodoxe familie met Swissair op hun tassen. De grond daar, en voor zover ik het gezien heb bijna overal, is rood. Fijn roodbruin tot helder roodoranje stofzand. Nu begrijp ik ook waarom het Hebreeuwse woord voor grond ‘Adama’ is, en het woord voor rood ‘Adom’, en het woord voor mens (die immers van stof is gemaakt) ‘Adam’.
    Ik weet nu ook hoe ze een moeras droogmaken, ze planten Eucalyptusbomen, want die zuipen water. Er zijn hier helemaal geen muggen, dat komt natuurlijk omdat er geen water is. ’s Avonds kun je je deur wijd openzetten, overdag niet, dan zwermen er honderden vliegen binnen. Waar die ’s avonds zijn, weet ik niet, misschien gaan ze dan dood en komen er ’s morgens weer nieuwe. Die vliegen zijn walgelijk, ze zitten voortdurend op je.
    Overmorgen kan ik meerijden naar Be’er Sheba, daar verheug ik me erg op. Dan kan ik, denk ik, gewoon rustig met Klaas daar rondlopen en alles op m’n gemak bekijken. Moshé is niet zo rustig als ik dacht, het is nu elf uur en hij zet nu de radio hard aan. The Beatles, Help, of zoiets. Ja, het is Help. Had ik nooit achter hem gezocht, met z’n konijntjes. En hij speelt accordeon, maar die Israeli’s spelen dat zoals de Fransen, en het is een Arabisch programma. Maar nu heeft hij dan ook iets heel afschuwelijks op, een soort Engels slaaplied of zo. Hij mag hem wel aan hebben, maar dan moet hij iets behoorlijks opzetten.
Liefje, ik ga slapen als het kan.
Veel liefs,
Ursula.




 









dinsdag 2 maart 2021

 

 


 

In oktober 1965 gingen mijn ouders, toen 29 en 30 jaar oud, Kees ten Holt (1935 - 1990) en Ursula Roth (1934 - 1981) uit elkaar. Mijn moeder nam mij (5 jaar oud) mee naar Israel, om zich met mij in de nieuwe heilstaat te vestigen in kibboets Lahav in de Negev. Mijn ouders schreven elkaar dagelijks, en al snel werd duidelijk dat ze moeilijk zonder elkaar konden. De volledige correspondentie (in ca. zeventig brieven) is bewaard gebleven.
(afl. 22)

 

Amsterdam, 15 november 1965, Kees

Lieve Oersoela,

nauwelijks heb ik m’n vorige brief op de bus gedaan, of ik zit je alweer te schrijven. Het is nu half acht. Ik zal je zo nu en dan wat vertellen, en zo eens in de paar dagen m’n brief sturen. Ik heb net gegeten met Jan en Froukje. Ze vroeg een boterham te leen en toen heb ik haar maar uitgenodigd. Ze is en voelt zich een beetje een outsider in dit huis, omdat Jan en ik zo goed met elkaar overweg kunnen. Ik probeer haar wat meer te betrekken bij het huishoudelijk gebeuren. Zo nu en dan vraag ik haar op de koffie. Zij apprecieert dit wel, geloof ik. Vanavond had ze zich mooi gemaakt voor het een of ander, toen ik haar vroeg of ze het voor mij had gedaan kleurde ze zichtbaar. The battle of the sexes. Waarom? Waarom kunnen mannen en vrouwen niet gewoon met elkaar leven? Zonder frustraties en toch min of meer kuis. Ik bedoel niet preuts, maar kuis.
    In m’n laatste brieven staan achter veel zinnen vraagtekens. Misschien weet jij zo hier en daar het antwoord. Het liefste zou ik in mijn brieven aan jou tot een soort gesprek komen.
    Ik ga dadelijk koffie drinken bij Daniëlle. Dan ga ik corrigeren en daarna naar Hans en daarna naar bed en dan is er weer een dag voorbij en dan komt er weer een nieuwe enzovoorts. Is dit leven waard geleefd te worden? Ik ben niet dodelijk óngelukkig, zeker niet gelukkig, meer indifferent, maar dat is in feite al negatief.
    Ik moet ophouden met volleyballen. Ik heb het te druk. Ik moet tijd overhouden om te studeren, na te denken en te schrijven. Dan maar niet volleyballen. Ik ga wel bij een van m’n chauffeurs na de Engelse les autorijles nemen. (tegen normale betaling) Ik houd ervan naast m’n intellectuele besognes wat manuaal te doen. Morgen eet ik bij de Hobijns. (Joop wil m’n zoomlens lenen) en woensdag bij Jan en Janneke. (van Wensveen, vrienden van mijn ouders, KtH) Ook voor de film heb ik eigenlijk geen tijd. Afstuderen moet maar het belangrijkste zijn. Bij jou is het nu kwart voor negen. Klaas ligt in bed. De zon ging hier onder als een enorme gloeiende bal achter de nieuwe torenflats in Osdorp. Heb jij het ook gezien?
    Het is hier prachtig weer, maar koud. De Russen sturen vorst, sommige sloten en plassen zijn bedekt door een dun laagje ijs. De laatste bladeren zijn gevallen. Het is winter. Mijn kachel brandt en verwarmt de twee kamers met daarin mij en de twee poezen. De Beatles zingen heel opgewekt ‘You’re gonna loose that girl’ en ‘why she went she wouldn’t say’. De grootste zonde die ik jegens mezelf bega is roken. Ik rook als een ketter. Herinner jij je dat blauw met gele kleedje dat Moesje nog eens heeft geknoopt? Dat vond ik in de kelder onder de poep van Marie en de psychopaat. Ik heb het grondig gereinigd. Nu hangt het te drogen bij de kachel. Ik zal het voor m’n bed leggen. Misschien uit piëteit. En waarom niet? Tot morgen, slaap goed.

    I.S. (interscriptum) Vind je het vervelend als ik je zoveel schrijf?
    P.I.S. (post-inter-scriptum) Ik ben m’n rode ballpoint kwijt en ik moet corrigeren. In dat opzicht ben ik nog niets veranderd.
    P.P.I.S. (post-post-inter-scriptum) Kees.

Lieve Ursula, nog even. Het is nu half elf, ik heb koffie gedronken bij Daniëlle en heb daarna gecorrigeerd. Als ik niet sterf aan longkanker, wie dan wel? Vrouwen: laat een vrouw merken dat je haar leuk vindt en ze zal het leuk vinden. Laat het haar (te) veel of (te) vaak merken en ze wordt coquet en krijgt kuren. Wees onverschillig en ze komt achter je aan. Heb ik jou soms te veel zekerheid gegeven? Ik vind het geen leuk spel. Op den duur tenminste niet. Nu ga ik naar Hans. Tot morgen.

Toch nog even. Het is nu kwart voor een. Ik ben net terug. Hans van Rij, Jan Fontijn, Joost Mathijsen en ik waren bij Hoppe. (voor mij de 2e maal sinds jullie weg zijn). We hebben druk gepraat en het was erg gezellig. We hebben het ‘plan’ gemaakt met kerstmis met z’n allen naar Londen of Parijs te gaan. Het plan is leuk. Als het doorgaat nog leuker. Ik wil een vrouw, liefst jou.
Kees.

dinsdag 16 november
Lieve Ursula, het is half vijf ’s middags. Vanmorgen, vlak voor ik naar school ging lag je brief van donderdag 11 nov. in de bus. Ik begrijp hoe moeilijk je het hebt op het ogenblik, hoewel je laatste brieven iets minder in mineur zijn dan die daarvoor. Ik vind het alleen moeilijk om ze precies te interpreteren. Je schrijft veel over feitelijkheden en omstandigheden, maar niet zoveel over wat je denkt en voelt. Is dit een bewuste poging om je gevoel niet te laten gaan, of voel je op het ogenblik niet zo veel? Mijn gevoelens ten aanzien van jouw toestand zijn een beetje ambivalent. Aan de ene kant hoop ik natuurlijk dat je het goed kunt aanpakken allemaal en dat je je kunt aanpassen, maar omdat we elkaar beloofd hadden eerlijk te zijn, schrijf ik je toch dat ik ook hoop dat je je níet zult aanpassen en dat je je zult realiseren dat je plaats hier is, en niet daar. Ik voel geen triomfantelijkheid als je schrijft dat het niet zo goed gaat, maar wel een bevestiging van mijn idee dat jij en Klaas inderdaad hier horen en daar niets te zoeken hebben. Straf alsjeblieft mijn eerlijkheid niet door mij niets meer te laten merken van je eventuele twijfel of verdriet. Als jullie (of beter gezegd jij) werkelijk willen blijven, dan kan ik niet anders dan hopen dat het goed zal gaan en jullie het naar je zin hebben.

Het is nu nacht, kwart over twaalf. Ik lig in bed. Ik ben erg moe en kwaad en gedeprimeerd. Ik heb het gevoel dat ik gedeeltelijk ‘have lost my way’, niet ‘forever’ hoop ik. Je moet het niet erg vinden dat ik je dit schrijf. Ik wil tegen iemand eerlijk kunnen zijn. Ik moet me hier voortdurend tegen iedereen groothouden. Ik ben wel flink, d.w.z. ik doe normaal wat ik doen moet, maar ‘mijn hart huilt’. Dit is geen poging tot pathos, maar ik schrijf je nu wat ik nú voel. Er zijn ook momenten dat ik me goed voel en blij ben, en dat schrijf ik je ook.
    Ik zal zien of ik voor Klaas een fiets kan krijgen. Praat er nog maar niet over met hem, want het kan wel even duren voor ik er een heb en dan duurt het minstens nog een maand voor hij aankomt.
    Liefje, ik ga nu slapen. Morgen verstuur ik deze brief. Moet ik jou ook minder schrijven, of minder vaak versturen met het oog op je situatie in Lahav? Schrijf me dit en probeer op sommige van mijn vragen te antwoorden. Ik denk aan jullie. Ik weet niet precies wat ik wil. Ik weet niet precies wie ik ben, maar hij wenst je alles wat goed en prettig is.
Kusjes voor jou en Klaasje,
Kees.

 

                                    goochelaar Charles 'Thoraldo' Thors met Klaas

 

In oktober 1965 gingen mijn ouders, toen 29 en 30 jaar oud, Kees ten Holt (1935 - 1990) en Ursula Roth (1934 - 1981) uit elkaar. Mijn moeder nam mij (5 jaar oud) mee naar Israel, om zich met mij in de nieuwe heilstaat te vestigen in kibboets Lahav in de Negev. Mijn ouders schreven elkaar dagelijks, en al snel werd duidelijk dat ze moeilijk zonder elkaar konden. De volledige correspondentie (in ca. zeventig brieven) is bewaard gebleven.
(afl. 21)

 

Amsterdam, zaterdag 13 november 1965, Kees

LIEVE KLAAS,

TOEN IK ZONET OP MIJN STOEL WOU GAAN ZITTEN OM JOU EEN BRIEF TE SCHRIJVEN ZAG IK DAAR DE TWEE POEZEN, DIE ANDERS ALTIJD VECHTEN HEEL LIEF NAAST ELKAAR LIGGEN. IK HEB ER TOEN GAUW EEN TEKENING VAN GEMAAKT VOOR JOU. DE KLEINE MARIE IS EIGENLIJK AL NIET ECHT KLEIN MEER. JIJ ZAL OOK WEL WEER EEN STUK GROTER ZIJN GEWORDEN. VRAAG EENS AAN MAMMIE OF ZE JE WIL METEN. DAN MOET JE ME SCHRIJVEN HOE LANG JE NU BENT. IK WAS VRESELIJK BLIJ MET AL JE MOOIE TEKENINGEN. DE MOOISTE HEB IK OPGEHANGEN BIJ MIJN BED. IK HOOP DAT MIJN PAKJE NU GAUW AANKOMT. DAARIN ZIT WAT LEKKERS VOOR JOU EN OOK EEN BOEK. IK ZAL JE GAUW WEER SCHRIJVEN.
1000 KUSJES VAN PAPPIE.

Zondag 14 november 1965,

lieve Ursula,
Ik lig in bed, het is kwart over elf. In het kastje aan het hoofdeind van m’n bed ligt alles dat ik nodig heb. Cigaretten, lucifers, asbak, fles sherry, glas, paar boeken, foto van Klaas plus tekeningen. Brouwer (buurman, KtH) belde gistermiddag aan: ‘want a bottle of sherry neighbour?’ ‘Wat zeg je?’ ‘Here is a bottle of sherry for good neighbourliness.’ ‘Oh zeg fijn dank je wel.’ Nu lig ik dus in bed en drink sherry. Ik had geen zin om te lezen. I am not happy. En jij? Hoe laat is het nu bij jou? Tien voor half een. Slaap je al, en Klaas? Sinds je weg bent heb ik niet meer goed geslapen. Ik slaap moeilijk in en word meestal om vier of vijf uur ’s ochtends wakker en dan slaap ik ook niet meer. De tekenen hiervan zijn onder m’n ogen te zien. Ik zie er niet erg goed uit, maar wel interessant, denk ik. Ik weet het niet, want ik zie niet veel mensen, behalve Jan.
    Cocky is niet zwanger. Vanmiddag heb ik een brief en een tekening gemaakt voor Klaas. Morgen gaat hij per expresse naar het beloofde land. Ik hoop dat er morgen post is van je. Ik vind het naar dat de post er zo lang over doet.
    Daniëlle is terug uit Spanje. Micha is vertrokken. Ze is erg ongelukkig en huilerig. Ze heeft hier vanavond gegeten. Ik, als ongelukkige, verlatene, zit haar te vertellen dat ze moet proberen niet al te ongelukkig te zijn en wat er nog allemaal voor moois is op de wereld. Een oude vrouw zei laatst: ‘naarmate je ouder wordt, ga je meer van dieren houden, en tenslotte houd je eigenlijk alleen nog maar van planten.’ Als ik zestig ben, ga ik met een mooie anemoon naar bed.
    Ik neem nog een slokje sherry, op jouw gezondheid en die van de mooie, kleine Klaas. Ik kijk vaak naar zijn foto. Ik heb vanavond alle planten water gegeven. Wat moet ik met de geraniums doen? Moeten die in de winter water hebben? Ik heb ze in de kamer gehaald. Het is hier net de hortus, erg mooi, alleen ben ik nog geen zestig.
    Het huis is trouwens erg mooi geworden. Heb je m’n tekeningen gekregen? Kan je daar iets op zien? Liefje, ik heb het zo druk dat ik nauwelijks tijd heb om na te denken, en dat is misschien wel goed. Als ik werk, ben ik niet ongelukkig. Ik moet wat slaappillen halen bij de dokter, want ik word zo langzamerhand erg moe. Michel Lachman heeft verteld dat hij ons naar Schiphol heeft gebracht en dat ik daar door mijn tranen geen woord kon uitbrengen, begrijp jij iets van mensen?
    Charles Thors (als goochelaar bekend onder de naam Thoraldo, zoon van de nieuwslezer Frits Thors, KtH) kwam hier laatst zonder bellen binnen. Hij deed erg meewarig, vroeg of ik je trouw was en nodigde me vervolgens uit, zonder een antwoord af te wachten, voor een ‘vies feestje’ met verpleegsters en verkoopsters en zo, begrijp jij iets van mensen?
    Liefje, er zit nog een bodempje sherry in de fles, ik ga dit nu, wederom denkend aan jullie, opdrinken. Jullie slapen nu, bij jou is het nu kwart voor een, en jullie zijn je er in de verste verte niet van bewust dat ik hier nu in bed lig, denkend aan jullie. Ik wacht met het versturen van deze brief even af of er post is van jullie. Ik zal deze brief ook per expresse versturen. Let eens op hoe lang hij er dan over doet en schrijf het me. Lieverdjes, slaap rustig en goed en veel sterkte. Als ik je schrijf heb ik toch het gevoel dat ik een beetje met je praat, dag liefje.

maandag 15 november 1965

Vanmorgen de buschauffeurs, vanmiddag tot half vijf vergadering in Osdorp. Ik krijg iets van die vergaderingen. Nu is het weer achter de rug, maar m’n middag is weg. Het is nu half zes. Ik zit aan tafel onder het groene lampje. Er was vandaag geen post uit Israël. Als er morgen weer geen post is, kan je rekenen op een boze brief. Ik wil weten hoe het gaat met jullie. Door je brieven voel ik me minder alleen. Jij hebt het misschien moeilijker dan ik, nieuwe omgeving, aanpassing, taalbarrière etc. maar jij hebt het je zelf op de hals gehaald. Ik zou er veel voor voelen als jullie terugkwamen naar Holland. Dat schrijf ik je nu, want zo voel ik het nu. Veel beter voor Klaas (en voor jou) en prettiger voor mij. Ik mis mijn zoon erg. Tussen de middag heb ik Deborah naar school gebracht. Maar half prettig. Deborah is erg lief maar tegelijkertijd onmogelijk. Ook daar ontbreekt rust en harmonie. Klaas zal het moeilijk krijgen. Wie zijn wij dat wij kinderen mogen opvoeden? We zijn zelf nog onvolwassen en halfkinderen, niet alleen ik, jij ook. Op z’n dertigste zou een mens moeten weten wat hij wil. Maar al weet je min of meer wat je wilt, de ander hoeft er nog niet zo over te denken. Ik wil getrouwd zijn, in rust en vrede. Ik wil naar bed met de vrouw met wie ik getrouwd ben, en niet met die en die en die. Je moet een zekere mate van orde in je leven brengen, voor het te laat is en je geen weg meer weet uit de chaos die er sowieso al is, en die je bovendien nog verergert door niet een zekere mate van orde om jezelf heen te scheppen.
    It is our business to see what beings like us may perform; each labouring for his own happiness, by promoting within his circle, however narrow, the happiness of others. Johnson.
    Lieve Ursula, ik ga nu koken. Het is tegen zessen. Ik heb nog een stapel correctiewerk te doen en om om elf uur heb ik een afspraak met Hans van Rij. Omhels Klaasje van me. Waarschijnlijk komt het pakje dat ik gestuurd heb net tegen Sinterklaas. Hier is iedereen al weer in de sinterklaas rage. Wim en Effie (schoonbroer en schoonzuster van Kees, KtH) zullen me ongetwijfeld vragen. I won’t go, en wacht rustig thuis af of de echte sinterklaas me wat brengt. Omhels Klaas nog maar een keer. Ik hoop het op een dag zelf te kunnen doen. Jij ook omhelsd en veel liefs en al het beste van
Kees  









maandag 1 maart 2021

 

                                (illustratie van Ursula ten Holt - Roth voor N.I.W.)

 

In oktober 1965 gingen mijn ouders, toen 29 en 30 jaar oud, Kees ten Holt (1935 - 1990) en Ursula Roth (1934 - 1981) uit elkaar. Mijn moeder nam mij (5 jaar oud) mee naar Israel, om zich met mij in de nieuwe heilstaat te vestigen in kibboets Lahav in de Negev. Mijn ouders schreven elkaar dagelijks, en al snel werd duidelijk dat ze moeilijk zonder elkaar konden. De volledige correspondentie (in ca. zeventig brieven) is bewaard gebleven.
(afl. 20)

Lahav, vrijdag 12 november 1965, Ursula

lieve Kees,

gisteravond kwamen Eri en Michal mij opzoeken, wij hebben een paar uur zitten praten in een lege kamer naast de mijne, ik verwachtte al een gesprek en ik was blij dat ze kwamen. Er is enorm gepraat, ik weet niet eens precies hoe ik het je allemaal moet uitleggen. Er is inderdaad in een vergadering over gesproken of ik misschien beter naar een andere kibboets kan gaan. De reden is deze, er is hier in deze kibboets (lach niet) in ieder geval nooit een man voor mij te vinden, om de eenvoudige reden dat er alleen nog maar ongetrouwde mannen van in de twintig zijn. Ik had dat trouwens allang wel gezien en Michal had het al een keer tegen mij gezegd. Nu zul je zeggen, dat is niet direct aan de orde, maar zij zeggen dit: als jij hier niet trouwt, dan word je niet gelukkig, en dan wordt je kind het ook niet.
    Nu is het zo dat ze me niet meteen willen overhevelen, maar ze gaan wel eens informeren, maar tegelijkertijd het hier ook proberen, ik weet niet precies wat ze willen, maar ik heb gezegd ‘doe maar’. Ze zijn echt heel verantwoordelijk hoor, het is wel duidelijk dat ze de verantwoording op zich nemen, omdat ze me hier hebben laten komen. Ik zou dan b.v. eens hier en daar kunnen gaan kijken, en als het me ergens bevalt (dus in een grotere kibboets) dan b.v. zeggen ‘ik wil hier wel blijven’. De moeilijkheid zit hem ook niet in mij, maar in Klaas. Niet dat hij zo moeilijk is, maar toevallig zijn de omstandigheden in deze kibboets niet zo gunstig, in het kinderhuis van Klaas is een groepje kinderen dat erg lastig is, dat heb ik zelf nu zo langzamerhand ook wel door. Ze zijn niet allemaal van dezelfde leeftijd, de helft leert en de andere helft niet. Edna heeft haar handen vol.
    Nu komt er binnenkort iemand, een meisje van een andere kibboets, en die kan misschien het grootste deel van haar tijd aan Klaas geven, om hem Hebreeuws te leren en hem te assimileren. Gaat het niet, dan is het beter dat ik niet eerst een jaar hier blijf zitten en dan pas naar een andere kibboets ga, maar dat ik b.v. over twee maanden als we iets meer kunnen zien, het in een grotere kibboets met meer kinderen en betere schoolaccommodatie en meer ervaring en b.v. Hollanders in de kibboets, het probeer. In ieder geval gebeurt het niet van vandaag op morgen, er wordt eerst gekeken of het hier gaat.
    Ik kan wel zeggen dat het met Klaasje nu iets beter gaat, hij verstaat iets meer Iwriet, hij is er trots op als hij iets in het Iwriet weet, hij zegt ook uit zichzelf Shalom en Lajla Tov (goeie nacht). Hij heeft al gezegd dat hij hier best wil wonen en hij is al een beetje bevriend met Raneen Doron. Het jongste zoontje van Eri en Michal. ‘Ofer’ is dol op mij. Michal vertelde me gisteren dat, als hij ’s middags thuiskomt uit zijn kinderhuis, dan roept hij altijd, ‘waar is pappie?’, maar sinds een paar dagen roept hij ‘waar is Oersoelah?’. Hij is een schatje, hij lacht allerliefst en onweerstaanbaar. Klaas wil ook altijd graag naar Eri en Michal toe. Hij speelt daar heel lief met de bouwdoos, hij bouwt heel keurig Lahav, met alles erin.
    Weet je Kees, als ik nu in deze kibboets niet kan blijven, wat ik aan de ene kant erg jammer zou vinden, want het is geloof ik een fijne kibboets, rustig, klein, een mooie omgeving, aardige mensen, maar als ik er toch weg moet, dan zou ik liever naar een kibboets gaan waar b.v. geen varkensvlees gegeten wordt en waar men niet zo enorm a-religieus is. Want ik voel het als een groot gemis en als iets heel onrustigs. Je kunt b.v. gewoon niet zeggen dat je wel eens naar Sjoel wilt, ik durf er niet eens over te beginnen. Maar ik durf ook niet te zeggen dat ik misschien liever niet meer in een Mapam kibboets wil (Mifleget HaPoalim HaMeuhedet ‘Verenigde arbeiders partij' was een Marxistische politieke partij in Israël, KtH), want dan kan Eri me ook niet meer helpen.
    Ik had het er met Charlie over, over dat a-religieuse, wat hem ook erg stoorde, hij is ook naar een andere kibboets gegaan, hij eet ook geen varkensvlees, maar dat vlees zit hier overal in, in alles, in de soep, in rijst of iets dergelijks, je eet het toch. Vanavond lagen er plakken duidelijk varkensvlees en plakken tong, ik nam tong, maar het was ook varkenstong. En in het kinderhuis eet Klaas het ook, hij eet wel nooit vlees, maar op een ogenblik gaat hij het toch eten. Het is erg verwarrend. Het enige wat ze wel doen is de vrijdagavond echt vieren. Er is altijd iets bijzonders, voor de kinderen spelletjes, taart en film en voor de volwassenen heel lekker eten en daarna een concert of film of een lezing en er wordt gezongen. Naar het concert kon ik vanavond niet gaan, natuurlijk. Ik heb trouwens ook geen zin, ik heb erg veel rust nodig, ik ben doorlopend moe, hoewel ik me aan de andere kant ook heel goed voel. Wat wel erg is, is dat ik zo veel eet, ik eet continu, ik heb ook altijd honger, maar ik voel me dikker worden en het is niet prettig, het is benauwd. Ik neem me telkens voor minder te eten, maar zodra ik aan tafel zit, eet ik me ziek.
    O ja, ik ga werken, ik krijg werk bij de kinderen, dat zal een hele verbetering in de situatie brengen, want ik ben ervan overtuigd, dat als Klaas ziet dat ik moet werken, hij dan minder aandacht zal opeisen en wel zelfstandiger zal worden. Een ding is me van mezelf erg meegevallen, n.l. dat ik me zo gauw heb aangepast aan de gewijzigde omstandigheden, b.v. geen eigen spullen, niet zelf koken, geen geld, niet zomaar weg kunnen gaan, b.v. als ik iets niet heb, het niet kunnen kopen en het dan maar niet hebben. B.v. ik heb geen bloes, ik draag nu rustig mijn blauwe pyjamajasje als bloes. Ik ben er allang aan gewend om voor alles een eind te moeten lopen, ik vind het zelfs prettig. In mijn huisje voel ik me echt thuis, ik vind het heel prettig dat het zo klein en leeg is, het is in een ommezien brandschoon, aan alle muizen, torren, vliegen, hagedissen, slangen ben ik al gewend, en ook aan de miljoenen en miljoenen mieren. Het stikt hier van de beesten, als je een plank of steen opraapt, zit er van alles onder. Het doet me niets.
    Als ik geen heimwee heb zoals op het moment, en Klaas doet zijn best, zoals nu, heb ik een makkelijk leven, maar ik werk ook nog niet. Ik leer wel veel Iwriet, maar verder heb ik niets te doen. Ik moet wel steeds met Klaas dingen doen, maar ik deel mijn tijd wat beter in, er is regelmaat, en dat is erg gezond. Ik voel me ook veel en veel rustiger worden. Het is zo wonderlijk, Kees, om in dit land te wonen, waar ik zoveel over heb gedacht en ook naar verlangd. Vanmiddag stond ik bij de electricien ‘Gaby’ te wachten op mijn lamp, hij was hem aan het maken, ik keek naar het zonovergoten landschap, de huisjes, de werkplaatsen, het leek zo onwerkelijk dat dit nu Israël is, dat ik hier ben, hier loop. Het is toch een heel ding om hier zomaar te zijn en iedereen vindt het best dat je komt, en doet maar van alles voor je, en dit land is zo oud en het is weer nieuw en echt en levend, het is echt een wonder. Het is gewoon een land met mensen erin, en het is ook anders, iets bijzonders, ik kan het niet goed zeggen. Ik sta nog steeds met verbazing te luisteren naar hun spreken, in het Iwriet, ze spreken het gewoon en het is al zo lang niet meer gesproken, maar het is gewoon hun taal. Heel wonderlijk.
    Liefje, ik schrijf je gauw weer, veel liefs,
Ursula.