maandag 30 maart 2020
De prins en de zegelring - Afl. 12
Klaas ten Holt
Hoofdstuk 4 (slot)
‘Ik... Ik had zo’n honger.’
‘Maar meisje, dit is helemaal geen plek voor kinderen. En zeker niet midden in de nacht. Wie ben je dan?’
‘Ik ben gravin Renée,’ zegt ze zelfverzekerd, ‘en mijn papa is graaf Guido van Normandië. Mijn papa moest iets bespreken met de baas van dit kasteel omdat die met mij gaat trouwen.’
‘Wat vertel je me nou, kind, je weet niet wat je zegt. Heeft je vader je uitgehuwelijkt aan Willem de la Roche? Dat geloof ik niet.’
‘Echt waar, daarom zijn we hier. Maar mag ik alstublíeft wat eten? Ik heb buikpijn van de honger.’
‘Maar waar zijn je ouders?’
‘Mijn papa is met twee meneren mee om iets te doen, en mijn mama slaapt. Ik kon niet slapen op dat natte stro.’
‘Op nat stro? Waar slapen jullie dan?
‘Dat weet ik niet. Ergens helemaal beneden.’
‘Och arme ziel, dan weet ik genoeg. Ik ben Lambert de kok, dit is mijn keuken, ik ga nu meteen wat lekkers voor je maken.’ Hij zet Renée op een hoge kruk aan de tafel nadat hij eerst wat plaats voor haar heeft gemaakt. Dan schept hij een bord vol uit de pannen die boven het vuur hangen. Hij breekt een flink stuk brood af en legt dat ernaast. ‘Voor wijn ben je nog een beetje te klein denk ik, maar ik heb wel een glas warme melk met honing voor je. Ziezo, eet dat maar eens lekker op!’
Voor zichzelf vult hij een glas uit een van de vaten langs de muur om er stukken brood in te soppen die hij vervolgens bedachtzaam in zijn mond steekt. ‘Dus Willem laat jullie gewoon in de kerkers slapen?’ mompelt hij. ‘Het verbaast me eigenlijk niet eens.’ Hij denkt even na. ‘Zal ik je eens wat vertellen?’ zegt hij dan, terwijl hij zijn glas bijvult. ‘Sinds de vroegere kasteelheer Theodor de la Roche is gestorven en zijn zoon Thom, Willems oudere tweelingbroer spoorloos is verdwenen, is alles op het kasteel veranderd. Ooit was dit een gastvrij en gelukkig slot, nu is het een rovershol. Een uitvalsbasis voor de nachtelijke strooptochten van Willem en zijn vrienden. Geen plaats voor fatsoenlijke mensen. En al helemaal niet voor kleine meisjes.’ Hij verzinkt in gepeins en begint zachtjes een liedje te neuriën.
‘Wat is dat voor liedje?’ vraagt Renée nieuwsgierig.
‘O gewoon. Die Thom waar ik het net over had, die kwam hier toen hij een jongetje was vaak ’s nachts nog iets eten of drinken halen als hij eigenlijk allang moest slapen, en dan verzonnen we samen gekke liedjes, zoals deze:
Twee kleine ridders
samen in één ei
toen zei de jongste:
dit ei dat is van mij!
Twee grote ridders
op een rotskasteel
toen zei de jongste:
één is hier teveel!
Toen zei de oudste:
stel je niet zo aan
dan bouw je maar je eigen slot
héél ver hiervandaan!
Dat twee broers zo verschillend konden zijn. En nu is er nog maar één!’
Renée eet ondertussen haar bordje leeg en drinkt van haar melk. ‘Mag ik een stuk brood en een paar appels mee voor mijn papa en mama,’ vraagt ze als ze alles op heeft.
‘Natuurlijk mag je dat. Ik knoop wel wat voor je in een doek, er is meer dan genoeg. En ik breng je weer terug naar je, eh, kerker. Kleine meisjes horen hier ’s nachts niet in hun eentje rond te zwerven. Vertrek morgen zo vroeg mogelijk en reis hier zo ver mogelijk vandaan. Kom nooit meer terug! Je hebt het vast verkeerd begrepen van dat trouwen met Willem. Als jouw papa van je houdt, zou hij je nooit hebben uitgehuwelijkt aan Willem de la Roche, dat moet een misverstand zijn.’ Op dat moment klinken er voetstappen in de gang naar de keuken. Lambert tilt Renée van haar kruk en duwt haar snel achter een gordijn.
‘Hé Lambert, Willem vraagt of je alles klaar hebt voor vannacht,’ roept een wachter nors.
‘Bijna, bijna. Ga maar vast vooruit, ik kom zo achter jullie aan,’ antwoordt de kok. ‘O jee, dat was ik helemaal vergeten.’ Hij schuift het gordijn opzij en komt naast Renée op zijn knieën zitten. Hij legt zijn grote handen op haar schouders en kijkt haar ernstig aan. ‘Vannacht gaat Willem er op uit met een paar van zijn mannen. Ik moet een tas met proviand voor ze klaarmaken. Je zult zelf de weg terug naar de kerkers moeten vinden. Het is niet zo moeilijk, je kunt het best, je bent hier ook helemaal alleen gekomen, maar zorg dat niemand je ziet!’
Lambert loopt met haar mee tot aan de grote hal met de zuilengalerij en wijst haar welke gang ze moet nemen. ‘En denk erom: jullie vertrekken morgen zo vroeg mogelijk en je komt hier nóóit meer terug!’
Renée kijkt hem na tot hij verdwenen is en loopt dan de gang in. Ze daalt de eerste trap af maar daar gaat het al meteen mis: stemmen en gelach komen haar van om een hoek tegemoet. Ze draait zich om, rent de trap weer op terug naar de grote hal waar ze zich achter één van de pilaren verstopt.
Drie mannen komen aanlopen. Vanuit één van de deuren komen er nog twee die zich bij hen voegen. In het midden van de hal blijven ze staan. Het klinkt alsof ze ruzie maken.
Renée maakt zich zo klein als ze maar kan en durft bijna niet meer te ademen. Ze hebben haar niet gezien.
‘Zeg tegen Lambert dat hij op moet schieten!’ hoort ze iemand zeggen. Eentje neemt de gang naar de keuken om even later samen met Lambert terug te keren.
‘Zat je weer te slapen, ouwe? Wacht maar tot Willem komt, dan zwaait er wat voor je!’ zegt een van hen. De anderen staan er bij te lachen.
Lambert haalt zijn schouders op. ‘Hier is brood, fruit en kippenpasteitjes. In deze tassen zitten nog vier zakken met port en brandewijn, daar zouden jullie de nacht mee door moeten komen,’ zegt hij rustig. ‘Ik ga terug want ik heb nog meer te doen.’
Een paar minuten gaan voorbij, maar er gebeurt niets. Het is koud in de grote stenen hal en Renée wil niets liever dan weer bij haar mama en papa zijn. Eindelijk komt dan degene op wie ze kennelijk al die tijd hebben staan wachten: de kasteelheer zelf, Willem de la Roche, de man met het woeste rode haar, baard en snor, die hen eerder die avond zo onbeschoft heeft behandeld in de koets, en die zijn gasten gewoon in de kerkers van zijn kasteel laat slapen.
‘Is alles klaar voor vannacht?’ vraagt hij.
‘Jawel heer.’
‘Hebben we fakkels?’
‘Alles.’
‘Mooi. We hebben een flinke rit voor de boeg. De waard van herberg De Woeste Walmen moet een lesje geleerd. Hij denkt dat hij wel zonder onze bescherming kan. We zullen hem eens laten zien wat er gebeurt als je geen vrienden hebt om het voor je op te nemen.’
Er wordt gelachen.
‘En dan nog iets: we dragen onze zwarte mantels met kap als we de herberg overvallen. We mogen niet herkend worden. We nemen de achteruitgang, volg me.’
Tot haar schrik ziet Renée dat ze de gang nemen naar de kerkers. Ze weet niets anders te doen dan hen zo stil als ze kan op een afstandje te volgen. Er is kennelijk ergens nog een afslag die ze op de heenweg niet heeft gezien. Ze volgt ze de eerste gang door, een trap af, nog een gang door. De schrik slaat haar om het hart: ze gaan toch niet naar haar ouders. Wanneer ze bij de kerkers komen, ziet ze nog net de laatste van Willems mannen in de achterste kerker verdwijnen en de deur achter zich dicht trekken. Daar is kennelijk een geheime uitgang uit het kasteel.
Ze wacht een paar minuten tot het helemaal stil is geworden. Terug in de kerker, wanneer haar ogen een beetje aan het donker gewend zijn, ziet ze dat haar vader nog niet terug is. Gravin Isabella ademt rustig en is niet wakker geworden.
Renée kruipt naast haar moeder in het stro en kijkt in het duister boven haar. Ze wil wakker blijven tot haar vader veilig terug is gekomen. Om de tijd te doden probeert ze tot honderd te tellen, maar nog voor ze bij vijf-en-twintig is, slaapt ze al.
zondag 29 maart 2020
Gerrit Krol - De ziekte van Middleton
Belangrijk thema in De ziekte van Middleton is borsten en vrouwenkonten, die volgens Krol tot doel hebben om mannen aan te trekken teneinde de vrouw te bevruchten. De Middleton uit de titel is Margaret Middleton, een naaktmodel met enorme borsten dat de hoofdpersoon, Janus, Jan of ook wel John Pipper, fascineert. Hij ontdekt haar in de blaadjes met foto’s van blote vrouwen die hij koopt, Busty e.a., en het lukt hem uiteindelijk haar ware naam te achterhalen en zelfs om haar graf te localiseren. Over Middleton, die Nancy Parker blijkt te heten, komen we vrijwel niets te weten. Pipper achterhaalt haar adres via de jonge blootfotograaf Spritzer met wie hij een tijdje optrekt en die haar kent. Van haar buren verneemt hij dat ze dood is.
De onbereikbaarheid van Middleton staat denk ik voor de onbereikbaarheid van de vrouw voor de man, of in elk geval voor de hoofdpersoon van het boek, iemand die veel overeenkomsten met Krol vertoont.
Deze Pipper werkt als computerprogrammeur en verblijft voor zijn werk steeds weer in andere landen en steden. In de avonduren werkt hij aan een catalogus, die hem een studiebeurs verschaft om een jaar in Berkeley te studeren. Overal waar hij verblijft, knoopt hij relaties aan met vrouwen die meestal rampzalig eindigen.
Het meest dramatisch is die met Kathy, die getrouwd is met Ken. Hij ontmoet haar in San Francisco en raakt met het echtpaar bevriend, hoewel het hem alleen om háár te doen is. Ken is vaak weg voor zijn werk, waardoor Pipper veel met Kathy alleen is. Hij biecht haar zijn liefde op, maar ze lijkt dit niet erg serieus te nemen. Ze vindt hem hooguit aandoenlijk, grappig. Pipper raakt meer en meer door haar geobsedeerd en bezoekt zelfs Kathy’s ouders in New York. Volgt een dramatische ontknoping in een restaurant waar Pipper Kathy in het bijzijn van haar man zijn liefde verklaart en haar herinnert aan toezeggingen die ze hem gedaan zou hebben. Hij maakt geen schijn van kans, vraagt tenslotte om de rekening en vertrekt doodongelukkig.
De ziekte van Middleton is rijk geïllustreerd met foto’s van de vrouwen die erin voorkomen, foto’s die uit modeblaadjes of andere tijdschriften lijken te zijn gekopieerd en daardoor vervreemdend werken. Met zijn gebruik van illustraties als een soort extra laag die niet per se de handeling of het betoog illustreert, zou je Krol een voorloper van Sebald kunnen noemen. Het indrukwekkendst is een paginagrote afbeelding van Middleton, die in vol ornaat, uitdagend in de lens kijkend, haar enorme boezem toont. ‘Een van de laatste foto’s van Margaret Middleton’ staat eronder.
Van stad naar stad en van land naar land maakt Pipper een steeds onthechter en eenzamer indruk. Naast de vriendschappen die hij met vrouwen aanknoopt, papt hij soms ook met mannen aan, maar ook deze contacten leiden alleen maar tot onbegrip en misverstanden. Aan ene Ferry vraagt Pipper of hij ook wel eens naar naaktfoto’s van vrouwen kijkt. Ferry antwoordt ontkennend, met als verklaring ‘dat je ze dan niet kunt beetpakken’. Ferry belooft Pippers catalogus te zullen lezen, maar doet het niet. Geen van zijn medestudenten leest Pippers catalogus, (die vermoedelijk onleesbaar is, wie leest er nu een catalogus?) waaruit hij concludeert dat elke gedachte zijn eigen klimaat heeft.
De ziekte van Middleton is vormgegeven als een verzameling losse notities, zou je kunnen zeggen. Er zijn voortdurend zijsprongen en tussendoortjes in de vorm van definities, korte opstellen, wiskundige redeneringen, formules, cartoons, reclameuitingen, lijsten, een door Pipper ontworpen bordspel, dromen, etc. Een verhandeling over het kiezen tussen het goede en het slechte wordt tot tweemaal toe met steeds meer nadruk herhaald. Deze nogal springerige en verbrokkelde stijl doet soms denken aan Multatuli en diens Ideeën en zijn vermenging van literaire stijlen en conventies.
Krol bedient zich van een mengeling van zakelijke, filosofische, wiskundige, boekhoudkundige en poëtische taal. Over het uittrekken van een broek, in De ziekte van Middleton als een soort prozagedicht of stelling gebracht, heeft Krol later in exact dezelfde woorden, maar met een andere lay out als gedicht in de bundel Polaroid opgenomen.
Krol noemt zijn boek zelf één reeks van goedaardige spotternijen ten aanzien van de vrouw, en spreekt van ironie, maar daarmee doet hij zichzelf tekort, en dat weet hij heel goed. Soms balanceert hij op de rand van een soort jaren zestig Playboy idioom, waarin vrouwen een ‘scheur’ of ‘spleet’ hebben, onnozel zijn en alleen als lustobject dienen, maar in feite maakt dit Pipper vooral zelf belachelijk en beklagenswaardig in zijn eenzaamheid.
Het boek eindigt met een lange engelstalige verhandeling over het ontstaan en de ontwikkeling van de beha van ene Garrett Williams, gevolgd door een stukje over de hoeveelheid slechtheid om ons heen.
Het is al met al geen vrolijk wereldbeeld dat Krol ons voorschotelt. Mensen leven langs elkaar heen, communicatie loopt stuk op misverstanden, en als er al zoiets als intermenselijk contact (of wederkerige liefde) mogelijk is, dan zeker niet voor de wat autistische, maar hyperintelligente Pipper.
In mijn exemplaar staat voorin dat ik het op 21 juni 1977 heb gekocht. Van die eerste lezing is mij vooral de zoektocht naar Margaret Middleton bijgebleven, en Krols volstrekt unieke literaire stem, die hem wat mij betreft tot een van de grootste, eigenzinnigste en interessantste Nederlandse schrijvers maakt.
Klaas ten Holt
De prins en de zegelring - Afl. 11
Klaas ten Holt
Hoofdstuk 4 (vervolg)
‘Zijne hooggeborenheid graaf Guido van Normandië.’ antwoordt de koetsier op de bok. ‘Aan de kant, maak de weg vrij voor mijnheer de graaf!’
De ruiter begint te grijnzen. ‘Graaf Guido, wat een verrassing! En je hebt je dochtertje voor me meegenomen!’ Hij springt van zijn paard en trekt het portier van de koets open. ‘Oh, ze slaapt. Wat schattig! Stel je me niet voor aan je charmante vrouwtje? Madame de gravin, wees welkom, Willem is mijn naam, Willem de la Roche, eigenaar van die lelijke steenklomp achter jullie, en van die paar huizen in de verte. Waarom heb je niet laten weten dat je langskwam? Nu heb ik helemaal niets voorbereid. Nou ja, geen nood, we verzinnen wel wat.’
‘Schoft,’ sist Guido, ‘je wist donders goed dat we zouden komen.’
Op dat moment wordt Renée wakker en begint te huilen.
‘Kijk nou toch,’ roept Willem met gespeelde bezorgdheid, ‘nou heb je mijn kleine meisje wakker gemaakt.’ Willems mannen staan er bij te lachen.
‘Ze is nog niet van jou,’ bijt Guido hem toe. ‘Breng dat contract nou maar, dan zal ik het hier ter plekke tekenen. Je hebt mijn dochter nu gezien, over tien jaar kun je haar komen halen.’
‘Kalmeer, graaf,’ zegt Willem met een grijns, ‘je denkt toch niet dat ik mijn aanstaande schoonfamilie in de kou laat staan? Jullie zijn mijn gasten, dit is een onverwacht genoegen! Mevrouw de Gravin, gravin Renée, jullie zullen wel trek hebben? Geef mij een paar minuten om een en ander in orde te laten brengen en dan zullen jullie eens zien hoe Willem de la Roche gewend is zijn gasten te ontvangen.’ Na deze woorden geven Willem en zijn zijn twee metgezellen hun paarden de sporen. Ze slaan een smal pad in aan de voet van de rotsen en zijn al snel uit het zicht verdwenen. Het kasteel heeft dus nog een andere ingang.
‘Er is niets aan te doen,’ zegt Guido, ‘we zullen hier moeten blijven. Dat contract teken ik vanavond nog; morgen vertrekken we zodra het licht wordt.’ Gravin Isabella kijkt hem woedend aan, maar ziet ook wel dat verdere verwijten zinloos zijn. Het is nu helemaal donker geworden en gravin Renée is weer in slaap gevallen. Niemand zegt nog iets. Minuten verstrijken. In de verte roept een uil. Na wat een eeuwigheid lijkt wordt het grote smeedijzeren hek van de poort opgetrokken.
‘Wij zorgen voor de paarden en de koets, heer,’ zegt de koetsier op de bok, ‘morgenvroeg staan wij hier voor u klaar. Maar zullen we toch niet liever gelijk vertrekken? Ik vertrouw die vent voor geen cent.’
‘Ik zou niets liever willen,’ antwoordt graaf Guido, ‘maar dat zal niet gaan.’ De graaf helpt gravin Isabella uit de koets en draagt de slapende Renée de trappen op waar een wachter met een brandende fakkel op hen staat te wachten. ‘Breng ons naar onze kamers,’ zegt hij streng, ‘en dien mij dan aan bij je meester.’
‘Jullie kamers? Natuurlijk heer.’ De wachter grijnst. ‘Als u mij maar wilt volgen?’ Hij gaat hen voor het kasteel in, een deur door, een trap af, weer een deur door, nog een trap af, een lange donkere gang door, weer een trap af...
‘Gaan we wel goed zo?’ vraagt graaf Guido ongerust.
‘Jazeker, we zijn er bijna.’
Een smalle trap komt uit op een donkere gang met een aantal met ijzer beslagen deuren waarvan er één openstaat. Hier laat de wachter graaf Guido en gravin Isabella binnengaan. Wanneer ze beseffen waar ze terecht zijn gekomen, heeft de wachter de deur al achter ze dicht geslagen en vergrendeld. Zo ontvangt Willem zijn gasten dus: in de kerkers van zijn kasteel. Van achter de deur horen ze de stem van de wachter. ‘Achterin ligt vers stro en het ontbijt wordt geserveerd bij het kraaien van de haan.’ Ze horen de voetstappen van de wachter verdwijnen. Op de tast vinden ze een grote berg stro in de hoek van de cel waarop ze zich zo goed en zo kwaad als het gaat installeren.
‘Waar zijn we papa?’ klinkt een slaperig stemmetje. Gravin Renée is wakker geworden.
‘Ga maar gauw weer slapen meisje. Het is maar voor één nachtje, morgen gaan we terug naar huis.’
‘Ik heb zo’n honger.’
‘Ik weet het lieverdje, maar er is niets aan te doen. Probeer nou maar te slapen.’
Zo verstrijken enige minuten. Graaf Guido begint net weg te dommelen wanneer de deur van de kerker open gaat. Een wachter met een brandende toorts wenkt hem te volgen. ‘Maak je geen zorgen, ik ben zo weer terug,’ zegt hij tegen zijn dochter. De zware deur draait weer dicht, maar wordt niet op slot gedaan.
Gravin Renée is klaarwakker en hoort hoe haar vaders voetstappen en die van de wachter zich in de verte verwijderen. Ze ligt naast haar moeder op het vochtige stro in het donker te staren. Al snel hoort ze aan de rustige en regelmatige ademhaling naast zich dat haar moeder in slaap is gevallen. Ze heeft buikpijn van de honger. Er moet in dit kasteel toch ergens iets te eten te vinden zijn? Thuis sluipt ze ’s nachts ook wel eens naar de keuken voor een beker warme melk of een stuk brood; er is altijd nog wel iemand op om dat voor haar klaar te maken.
Ze blijft nog een paar minuten liggen maar besluit dan dat het echt niet langer gaat: ze moet gewoon iets eten! Ze staat op en zoekt op de tast de deur. Met enige moeite lukt het haar die naar buiten te duwen. In de gang is het iets minder donker, een flauw schijnsel uit een klein tralieraampje hoog boven haar wijst haar de weg naar de trap. Ze luistert of ze iemand hoort maar alles lijkt stil, haar hartje bonst in haar keel, ze is als de dood dat ze zal verdwalen maar ze gaat toch verder, de trap op, een gang door, nog een trap op.
Een lange gang komt uit op een grote hal met brandende toortsen in houders aan de muren. Op deze hal komen verschillende gangen en een aantal grote deuren uit. Aan één kant is er een galerij met hoge stenen zuilen. Twee wachters verschijnen plotseling uit een poort en verdwijnen weer in een andere. Ze hebben haar niet gezien.
Renée sluipt van zuil naar zuil. Ze heeft geen idee welke kant ze nu op moet, besluiteloos kijkt ze de hal rond.
Een deur gaat open en opnieuw verschijnen er wachters. Een draagt een houten vaatje en een ander een schaal waar de damp van afslaat. Die komen vast uit de keuken. Ze wacht tot ze zijn verdwenen en opent dan de deur waar ze uitkwamen. Deze komt uit op een gangetje met aan het eind weer een deur die op een kier staat. Op haar tenen sluipt ze erop af en probeert naar binnen te kijken. Omdat ze niets hoort, duwt ze hem een stukje verder open.
Boven een vuur hangen grote koperen pannen te dampen. In het midden staat een houten tafel waarop tussen wortelen, uien, prei, bossen peterselie appelen, druiven en een paar grote ronde broden een vers geplukte kip ligt. Boven de tafel hangen meer pannen, messen en ander kookgerei in alle soorten en maten. Tegen de muur staan vaten op houten schragen. Ze ziet niemand en besluit dat ze wel iets te eten durft te pakken. Eén zo’n brood en een paar appels zullen ze zeker niet missen.
Even aarzelt ze nog, maar dan loopt ze naar de houten tafel. Die is net iets te hoog voor haar, ze heeft een krukje nodig. Ze kijkt om zich heen en staart recht in het glimmende gezicht van een reusachtige kerel met een vuil schort om en een rode doek om zijn hoofd geknoopt.
‘Nom di Dju! Wat zullen we nou beleven?’ Hij kijkt haar met grote ogen aan. ‘Waar kom jij zomaar opeens vandaan?’
zaterdag 28 maart 2020
De prins en de zegelring - Afl. 10
Klaas ten Holt
Hoofdstuk 4 - Waarin we weer teruggaan in de tijd en meer te horen krijgen over gravin Renée en Willem de la Roche.
Op een verlaten landweg schommelt een rijtuig langzaam voort. Het begint al te schemeren. Op de bok zitten twee koetsiers nors voor zich uit te staren. In de cabine zitten graaf Guido van Normandië, zijn vrouw gravin Isabella en hun dochter gravin Renée. De stemming is bedrukt, verwijten klinken over en weer, afgewisseld met lange sombere stiltes.
‘Je hebt haar verkocht, je eigen dochter. Een vader die zijn eigen kind te koop aanbiedt.’
Stilte.
‘Hoe kon je? Onze schat aan zo’n monster.’ Gravin Isabella barst in snikken uit en richt zich tot haar dochter. ‘Och lieveling, arme kleine lieveling, kom maar bij mama, kom maar hier, alles komt goed!’
Stilte.
‘Zeg dan tenminste dat het je spijt! Zeg iets! Toon berouw, laat zien dat je een hart hebt! Een echte vent had het nooit zo ver laten komen, die had die aapmens recht in de ogen gekeken en hem daar ter plekke eens flink op zijn nummer gezet!’
Lange stilte.
‘Het wordt al donker, papa. Zijn we er bijna?’ klinkt een klein stemmetje.
‘Nee lieverdje,’ antwoordt de graaf zachtjes, ‘je moet nog even volhouden. We hebben een afslag gemist en daarom duurt het nu allemaal wat langer.’
‘Maar ik heb zo’n honger.’
‘Ik weet het meisje. Straks zijn we er en dan krijgen we vast nog wel iets te eten.’
‘Och arm kind. Als ze eens wist,’ snikt de gravin. ‘Hoe kan je daar zo kalm onder blijven?’
‘Lieve gravin,’ zucht graaf Guido, ‘dit gesprek hebben we al honderd keer gevoerd. Het was jouw idee, van jou moest ik meevechten tegen Willem de la Roche. Nu alles anders is gelopen, moet je mij geen verwijten maken.’
‘Lafaard. Je bent een lafaard,’ bijt de gravin hem toe.
‘Ik heb nooit beweerd dat ik een held was,’ zegt graaf Guido, ‘ik wilde ook helemaal niet gaan. Als ik Willem de la Roche zijn zin niet had gegeven, had hij mij en mijn mannen vermoord, en hadden jij en Renée geen kasteel meer gehad om in te wonen. Bovendien zijn ze nog lang niet getrouwd, alles is nog niet verloren.’
‘Maar de vernedering! We hadden toch gewoon níet kunnen gaan? Hij is het vast allang vergeten.’
‘Ik heb mijn woord gegeven. En daarbij, als we niet gaan, staat hij binnen de kortste keren met zijn mannen bij ons voor de poort. En denk maar niet dat koning Lodewijk ons dan komt helpen; die is boos vanwege de verloren oorlog. Ik zal het contract moeten ondertekenen, daar is niets aan te doen,’ zegt de graaf somber. ‘We laten hem in de waan, en dan hebben we nog een jaar of tien om er onderuit te komen. En wie weet dingt er toch nog een koningszoon naar haar hand?’
‘Een koningszoon naar de hand van een gravinnetje uit Normandië met niet meer dan een paar appelbomen als bruidsschat, dat geloof je toch zeker zelf niet?’ sniert de gravin.
‘Ik weet alleen heel zeker dat Willem de la Roche onze Renée nóóit als bruid zal krijgen, maar voorlopig laat ik hem liever in de waan.’
De zon is inmiddels helemaal onder gegaan, maar de volle maan en de heldere sterrenhemel geven nog genoeg licht om verder te kunnen gaan. Gravin Renée is bij haar vader op schoot in slaap gevallen. Gravin Isabella en graaf Guido kijken met strakke gezichten elk een andere kant uit. Wanneer de weg een scherpe bocht maakt zien ze diep onder zich de rivier de Ourthe liggen. Het kasteel van Willem is op een hoge rots in het water gebouwd. Ze zijn er nu bijna.
Na een lange steile afdaling rijden ze langs de oever weer omhoog. De hellingen zijn aan weerskanten dicht begroeid met naald- en eikenbomen. Nadat de weg opnieuw een scherpe bocht heeft gemaakt, doemt de enorme, uit leisteen opgetrokken burcht voor ze op. Hoog op een rots steekt hij scherp af tegen de avondlucht. Aan de voet van het kasteel ligt een klein dorpje, en aan de rand daarvan nog enige boerderijen. Het rijtuig stopt aan de voet van een zeer steile in de rotsen uitgehouwen trap. Een van de koetsiers springt van de bok en beklimt de trap om de komst van de graaf en de gravin aan te kondigen. Vanuit de cabine kunnen ze hem horen roepen: ‘Hé daar! Doe eens open, graaf Guido van Normandië en zijn gezin zijn aangekomen!’
Geen reactie.
‘Is daar iemand? Open de poort voor mijnheer de graaf!’
Minuten gaan voorbij, maar nog altijd komt er geen enkele reactie.
‘Hallo, is daar iemand?’
Na nog weer enkele minuten verschijnt er eindelijk een wachter op de muur hoog boven de poort. ‘Kom eens wat dichterbij,’ roept hij naar beneden.
De koetsier doet een paar stappen naar voren, maar springt meteen opzij om de inhoud van een grote teil water te ontwijken.
‘Dat zal je leren ons te storen bij het dobbelen, idioot. Na zonsondergang blijft de poort sowieso gesloten.’ Er klinkt hoongelach vanaf de muur.
‘Open de poort! Mijnheer de graaf wordt verwacht door je meester!’
‘Na zonsondergang? Ik dacht het niet,’ klinkt het van boven. ‘Kom morgen maar terug, dan zullen we wel eens zien wie er hier verwacht wordt.’ Opnieuw klinkt gelach van boven.
De koetsier probeert nog een paar keer de wachter te bewegen de poort te openen, maar er komt geen antwoord meer. In de koets zijn ze met stomheid geslagen. ‘Klim maar weer op de bok, we gaan terug,’ zegt graaf Guido met een lijkwit gezicht tegen de koetsier wanneer deze beneden is aangekomen.
‘Ik ben bang dat we niet heel ver meer kunnen gaan heer, de paarden zijn moe en moeten uitgespannen. Misschien vinden we bij een van die boerderijen onderdak voor de nacht.’
‘Geen sprake van,’ zegt de gravin woedend, ‘ik ga toch zeker niet bij een boer slapen? We rijden door tot we een fatsoenlijke herberg vinden.’
‘Natuurlijk mevrouw de gravin,’ antwoordt de koetsier berustend. Hij klimt weer op de bok en neemt de teugels in de hand.
Op dat moment klinkt plotseling hoefgetrappel en verschijnen er drie ruiters. Naast de koets houden ze in. De voorste van de ruiters is een grote rossige man met een wilde baard en snor. Zijn donkere ogen glinsteren onheilspellend. ‘Wat vervoeren jullie in die koets?’ vraagt hij.
vrijdag 27 maart 2020
De prins en de zegelring - Afl. 9
Klaas ten Holt
Hoofdstuk 3 (slot)
Terwijl Ivar op zijn eten wacht, drinkt hij van zijn hete grog, de kou en de vermoeidheid vallen van hem af. Wanneer de waard het eten brengt, zet hij er een karaf wijn naast. ‘Hier, deze is van het huis!’ zegt hij met een brede grijns. Ivar kijkt hem niet begrijpend aan.
‘Het is ons een eer u hier te mogen verwelkomen, prins. Uw broer, de kroonprins heeft ook al bij ons gelogeerd,’ zegt hij veel te luid naar Ivars zin.
‘In Godsnaam man, demp je stem, je weet niet wie er meeluistert,’ antwoordt Ivar geschrokken. ‘Kom even zitten.’ Hij kijkt de waard streng aan. ‘Weet je dan niet dat de kroonprins is verdwenen? Jij bent waarschijnlijk een van de laatsten die hem gezien heeft.’
‘Jawel heer, maar... ik dacht... je hoort immers zoveel... en wie zou nou...’ sputtert de waard.
‘Niemand weet wat er met de kroonprins is gebeurd, maar ik weet zeker dat hij nog leeft. Ik ben hier incognito. Dat je mij hebt herkend kan ik je niet kwalijk nemen, maar hou het alsjeblieft vóór je.’
‘Natuurlijk heer, natuurlijk,’ zegt de waard op gedempte toon. Hoewel zijn wangen rood zijn, kijkt hij nu heel gewichtig.
‘Ik kan u zeggen dat een zekere gezamenlijke kennis van ons...’ hij geeft hierbij een veelbetekenende knipoog, ‘het hier uitstekend naar zijn zin heeft gehad. Hij reisde met een klein gezelschap en was in een opperbeste stemming. Hij heeft een groot deel van de avond hier beneden bij de haard gezeten, samen met een ridder, die hier kort na hem was aangekomen. Onze vriend - opnieuw een knipoog - leek het goed met hem te kunnen vinden. Zó goed zelfs dat ze besloten de volgende dag samen verder te reizen.’
‘Beschrijf die ridder voor me,’ zegt Ivar streng. ‘Vertel me alles wat je je van hem kunt herinneren.’
‘Niet veel, ben ik bang. Zijn leeftijd vind ik moeilijk te schatten; ergens midden dertig, misschien iets ouder zou ik zeggen. Een stevige vent, met rossig haar, onverzorgde baard en snor en donkere priemende ogen. Ze praatten Frans met elkaar en dat versta ik slecht. Ik had de indruk dat onze eh, kennis...’
‘Ja ja,’ zegt Ivar, ‘vertel nou maar verder.’
‘Dat onze kennis het meeste aan het woord was, en de ander vooral luisterde. Behalve het bier bij de maaltijd hebben ze samen een fles wijn en ook nog een hele fles port gedronken.’
‘Hoe klonk de stem van die ridder?’
‘Tja, moeilijk te zeggen. Onaangenaam. De stem van iemand die gewend is te commanderen. Het leek me een man met wie je maar beter geen ruzie moet krijgen.’
Ivar schenkt zichzelf en de waard een glas wijn in. ‘En je hebt geen idee wie die ridder was of waar hij vandaan kwam?’
‘Nee, heer, ik zou het echt niet weten.’
‘Ik ben je zeer dankbaar voor je hulp. Ik neem aan dat ik er op kan rekenen dat alles wat hier besproken is onder ons blijft?’ De waard knikt ernstig, drinkt zijn glas uit en laat Ivar aan zijn lamsstoofpot.
Het eten smaakt Ivar goed en hij heeft niet de indruk dat de andere gasten enige notitie van hem nemen. Wanneer hij klaar is, wenkt hij de waard. ‘Ik heb heerlijk gegeten. Brengt u mij naar mijn kamer alstublieft.’ Hij volgt hem de steile trap op. De hoge deur geeft toegang tot een lange donkere gang waar een stuk of tien kamers op uitkomen. Die van Ivar is helemaal achteraan en ligt recht boven de stallen. Hij bedankt de waard en vraagt hem de volgende morgen vroeg te wekken en een ontbijt voor hem klaar te zetten. ‘Wekt u mij vóór de andere gasten. Ik vertrek het liefst zo onopvallend mogelijk.’ Hij drukt de waard nogmaals op het hart met niemand over deze zaak te spreken en wenst hem een goede nacht.
‘Welterusten heer, ik hoop dat u uw doel zult bereiken!’
Ivar kleedt zich uit en hangt zijn kleren en zijn mantel over een stoel. Vanuit zijn bed zie hij door het raam een klein, waterig maantje aan de hemel. Hij denkt aan zijn broer en aan alle stomme ruzies die ze vroeger gemaakt hebben. Ze zijn zó anders, en toch is hij dol op Jarik. Hij hoort de waard nog even zachtjes met iemand op de gang praten. Daarna valt hij in slaap.
Het volgende moment schrikt hij wakker uit een nachtmerrie. Hij is bij het schaatsen onder het ijs geraakt. Van onder het ijs ziet hij mensen op hem wijzen, maar niemand wil hem te helpen. Wanhopig houdt hij zijn adem in en zoekt hij naar het wak. Hij wil gillen maar krijgt geen lucht. Dan realiseert hij zich dat er iemand boven op hem zit en zijn keel dichtknijpt. Op dat moment vliegt de deur open en stormt de waard naar binnen. ‘Moord! Moord in mijn herberg!’
De gemaskerde figuur die op Ivar zit laat zijn keel los en kijkt om zich heen om zijn kansen in te schatten. Even is het doodstil in de kamer.
‘Geef je over!’ zegt de waard, ‘je kunt geen kant op.’ intussen zijn er ook andere gasten op het lawaai afgekomen die de deur versperren. De indringer rent naar het raam en springt zonder zich een moment te bedenken door het glas naar buiten.
‘Die komt niet ver,’ roept de waard, en rent de kamer uit, gevolgd door een handjevol opgewonden gasten.
Ivar loopt naar het raam en kijkt naar beneden. Terwijl hij zich afvraagt of hij nog droomt, ziet hij iemand op een paard in volle galop de stallen uit stormen en in de donkere nacht verdwijnen. Hij vermoedt dat het dezelfde persoon is die eerder op de avond in zijn eentje bier zat te drinken, en op een vreemde manier sterkt dit zijn zelfvertrouwen. Ik kom er aan Jarik, denkt hij vastbesloten.
donderdag 26 maart 2020
De prins en de zegelring - afl. 8
Klaas ten Holt
Hoofdstuk 3 - (vervolg)
‘Koest jongens, koest,’ zegt een vriendelijk gezicht in de deuropening. ‘Wat kan ik voor je doen?’
‘Ik zou hier graag de nacht doorbrengen,’ zegt Ivar, ‘en ook wat eten als het kan, ik betaal er natuurlijk voor.’
‘Waarom ben je niet gewoon naar een herberg in Gouda gegaan?’
‘Dat wilde ik ook, maar alles was vol.’
‘Ja, er is veel volk in de stad als er markt is. Kom maar binnen, dan.’
Ivar volgt hem de boerderij in, waar de boer hem een plaats aan de eettafel wijst. De boerin zet een bord en een mok voor hem neer en schept op.
‘En waar gaat de reis naar toe?’
‘Naar het zuiden. Ik ben muzikant en hoop met mijn viool in Frankrijk wat te verdienen aan de hoven en in de kastelen.’
‘Dan kan je vast mooi spelen. Als je vanavond voor mij en mijn vrouw speelt en ons wat van je avonturen vertelt, ben je onze gast. Dan kun je je geld in je zak houden. Alleen als je écht mooi speelt tenminste!’ voegt de boer er met een glimlach aan toe.
Ivar laat zich het eten goed smaken en vertelt aan tafel over zijn reis naar Italië. Daarna pakt hij zijn viool en speelt een paar vrolijke melodieën die er echter steeds net iets minder vrolijk uitkomen dan zijn bedoeling is. Hij is blij dat hij onder dak is en wil eigenlijk het liefste snel gaan slapen.
‘Je kunt mooi spelen,’ zegt de boer, ‘en vertellen kun je ook, maar je hart zit er niet in. Er is iets dat je voor jezelf houdt, een geheim. Je bent geen gewone rondreizende muzikant... Je praat alsof je gewend bent je in de hogere kringen te begeven, maar je kleedt je heel eenvoudig. Ik zal je er niet naar vragen, het gaat me ook niet aan. Als je naar het zuiden wilt, moet je de IJssel over. De rivier loopt langs mijn erf, ik moet morgen zelf ook naar de overkant, ik zet je wel over in mijn boot.’
Ivar kijkt de boer dankbaar aan. Hij merkt dat hij zijn ogen bijna niet meer open kan houden. De boerin wijst Ivar zijn bed en wenst hem een goede nacht. ‘Ik zal je morgen vroeg wekken, want je hebt nog een lange weg te gaan.’
In zijn bed luistert hij naar de geluiden om hem heen. Het ruisen van de wind in de bomen, het geschuifel van het vee in de stallen en het gestommel van de boer en de boerin die opruimen in de keuken en de tafel vast dekken voor de volgende ochtend. Hij denkt aan zijn broertje, en hij weet zeker dat die nu ook ergens in het donker aan hém ligt te denken. Waar je ook bent, ik zal je vinden! denkt Ivar, en hij hoopt dat die boodschap Jarik op de een of andere manier door de gitzwarte nacht bereikt en hem zal helpen de moed niet op te geven.
De dauw staat nog op het gras wanneer hij de volgende morgen met de boer het erf afloopt naar de rivier. De boerin heeft zijn ransel goed gevuld en hem een voorspoedige en veilige reis toegewenst. Wanneer ze in de roeiboot tegenover elkaar zitten zegt de boer: ‘Nu weet ik het: je lijkt sprekend op de jonge edelman die hier een maand of wat geleden voorbijkwam; die reisde ook naar het zuiden. Hij had alleen geen rood haar zoals jij, eerder blond of koperblond en fonkelende donkere ogen in plaats van blauwe, maar verder zouden jullie tweelingbroers kunnen zijn.’
Ivar zegt niets, maar zijn hart klopt sneller in zijn borst. Hoewel hij voelt dat hij de boer kan vertrouwen, lijkt het hem toch beter niets te zeggen.
Aan de overkant van de rivier nemen ze afscheid. Ivar biedt nogmaals aan voor zijn overnachting te betalen maar de boer wil er niet van horen.
‘Je hebt ons betaald met je gezelschap en je viool. Dat is meer dan genoeg. Ik weet niet wat het doel van je reis is, en of je ooit nog zult terugkeren, maar als je hier dan voorbij komt en een bed voor de nacht nodig hebt, ben je welkom. Maar dan moet je ons wel het hele verhaal vertellen!’
‘Afgesproken,’ zegt Ivar, ‘en ik hoop werkelijk jullie weer te zien. Misschien tot ziens en bedankt voor de gastvrijheid.’ Hij stapt uit de boot en loopt een tijdje over een drassig stuk land tot hij weer bij de grote weg komt. Het is nog vroeg maar het lijkt een minder mooie dag te worden. Er is ook veel minder volk op de been. ’s Middags begint het te waaien en wordt hij door een hagelbui overvallen, de lucht kleurt donker.
Hij eet zijn lunch onder een boom een stukje van de weg af. Zijn wollen mantel beschermt hem tegen de kou, maar niet tegen de regen. Een lift van een boer zit er niet in vandaag, er komt gewoon niemand langs. Het begint harder te waaien en de regen striemt zijn gezicht. Nergens ziet hij een huis of een boerderij om onderdak te vragen. Hij dwingt zichzelf het ene been voor het andere te blijven zetten.
Pas tegen de avond, net voor het helemaal donker is, vindt hij bij Loon op Zand een herberg. Hij ziet al door de kleine ramen dat er een groot vuur brandt in de haard waar de gasten zich omheen hebben geschaard. Hij is moe, verkleumd en hongerig van de barre tocht en voelt zich licht in het hoofd en slap in de benen.
Wanneer hij binnengaat, knikt de waard hem vriendelijk toe en gebaart dat hij er zó aankomt. Ivar neemt plaats aan een lange houten tafel waar verder niemand zit, niet te ver van het vuur, en sluit even zijn ogen.
‘Ik heb nog één kamer vrij, als u wilt is die voor u. Ik neem aan dat u de nacht wilt blijven?’
‘Heel graag,’ zegt Ivar, ‘en brengt u mij iets warms te drinken en wat te eten.’ Hij hoopt dat de waard niet gemerkt heeft dat hij met zijn ogen dicht vrijwel meteen was weggedoezeld in de warme en behagelijke gelagkamer.
‘Ik zal een stevige grog voor u maken,’ zegt de waard, ‘u ziet er uit of u daar wel aan toe bent. Om te eten kunt kiezen uit mergpasteitjes, een lamsstoofpot of gegrilde kapoen. U krijgt er een salade met pastinaak bij.’
‘Doet u mij de lamsstoofpot, dat lijkt me heerlijk.’
De herberg is zo te zien een omgebouwde boerderij. De eetzaal is een ruim rechthoekig vertrek dat aan de keuken grenst. In het midden staat een grote stenen haard met een geblakerde schoorsteen die tot aan de nok reikt. Op de ongelakte houten vloer ligt zand en er staan een aantal lange, rood gebeitste tafels haaks op een blinde bakstenen muur. Aan de muur aan de andere kant staan nog een paar kleinere tafeltjes tegen de ramen. Buiten is het zwart.
Aan de grote houten steunbalken hangen verstofte droogbloemen en oud keukengerei. Op de tafels branden kaarsen die een onregelmatig licht verspreiden waar het stof in danst en die lange grillige schaduwen op de muren werpen. In het hele vertrek hangt een dikke walm van tabaksrook. Langs de blinde muur leidt een smalle steile trap zonder leuning omhoog naar een deur waarachter zich de kamers voor de gasten bevinden.
Ivar bekijkt de gezichten van de andere gasten. De meesten zitten op een van de bankjes rond de haard. Sommigen zijn druk in gesprek, terwijl anderen zwijgend in het vuur staren; één gast zit alleen aan een van de raamtafeltjes met zijn rug naar de zaal achter een groot glas bier.
De waard brengt Ivar zijn grog en vraagt hem of hij al honger heeft. ‘U doet mij aan iemand denken,’ zegt hij peinzend, ‘ik kom er nog wel op.’
Jarik is hier dus ook geweest, heeft hier misschien wel de nacht doorgebracht.
woensdag 25 maart 2020
De prins en de zegelring - afl. 7
Klaas ten Holt
Hoofdstuk 3 - Waarin prins Ivar op zoek gaat naar zijn verdwenen broer Jarik.
‘Ik ga Jarik zoeken,’ zegt Ivar, wanneer hij de volgende ochtend met zijn ouders en zijn zusje aan tafel zit. ‘Ik weet zeker dat hij nog leeft.’
‘Mag de boter even deze kant op?’ zegt de koningin die een toastje wil smeren. ‘Ik vind het niet goed, Ivar. Het is heel nobel van je, maar veel te riskant. Als jij ook verdwijnt, is er niemand meer om straks op de troon te zitten en het land te regeren als papa daar te oud voor is.’
‘Wat een onzin,’ zegt Ivar. ‘Hendrikje kan dat net zo goed als Jarik of ik, en bovendien kom ik gewoon terug, hopelijk met Jarik én Renée.’
‘Natuurlijk zou jij een hele goede koningin zijn schatje,’ zegt de koningin terwijl ze marmelade op haar toastje smeert, ‘mama was gewoon even in de war. Het is ook allemaal zo verschrikkelijk. Ik vind het tóch een slecht idee. Zeg jij nou ook eens wat, lieve?’
De koning kijkt bedachtzaam van de een naar de ander. ‘Ik denk dat wij Ivar niet hoeven te vertellen wat hij wel of niet moet doen. Hij wist zonder dat iemand hem iets gezegd heeft dat er iets met Jarik was, en daarom is hij terug naar huis gekomen. Nu zegt hij dat hij Jarik wil gaan zoeken.’ Hij kijkt ernstig naar zijn vrouw. ‘Niemand weet wat er met Jarik en gravin Renée is gebeurd. Misschien zijn ze tijdens de jacht overvallen en ontvoerd, maar daarvoor is geen enkele aanwijzing. Niemand die het weet.’
‘Ik weet zeker dat er in Rouan sporen of aanwijzingen te vinden zijn,’ zegt Ivar, ‘Er moeten mensen zijn die er meer van weten of iets gezien hebben maar hun mond houden. Misschien omdat ze bang zijn of gewoon omdat niemand ze het gevraagd heeft.’
‘We hebben alles gedaan wat we konden, schat. Onze Jarik zien we nooit meer terug,’ zucht de koningin terwijl ze een lakei wenkt. ‘O wat is het toch allemaal verschrikkelijk.’
‘Laat me tenminste één poging wagen moeder. Ik zou het mezelf nooit vergeven als ik niet alles op alles gezet had om Jarik terug te vinden.’
‘Nou vooruit dan maar,’ zegt de koningin, ‘maar alleen als je vader het ook goedvindt.’ Ze trommelt geïrriteerd met haar vingers op de tafel. ‘Lakei, u kunt nu wel afruimen. Ik zou graag de rest van de middag voor mezelf hebben. Kan iemand een hofdame naar mijn vertrekken sturen? Ik wil mijn benen laten harsen.’
‘Je merkt wel dat je moeder erg overstuur is,’ zegt de koning wanneer de koningin vertrokken is, ‘en ze heeft natuurlijk gelijk. Als jou ook iets overkomt, zouden we ons geen raad weten.’ Hij roert in zijn glas. ‘Toch denk ik dat je moet gaan. Je hebt een scherp verstand en je kunt uitstekend op jezelf passen.’ De koning denkt even na.
‘Reis incognito maar ga niet ongewapend,’ zegt hij dan. ‘En wees voorzichtig: als Jarik ontvoerd is, zijn er mensen die daar meer van weten en die zal er alles aan gelegen zijn om jou tegen te houden. Gebruik je intuïtie en je gezonde verstand, je zult ze beide hard nodig hebben.’
‘Ik zal als bedelmuzikant gaan,’ zegt Ivar. ‘Niemand zal het dan raar vinden dat ik alleen reis. Bovendien nemen de mensen een rondreizende muzikant over het algemeen niet zo serieus. Een zwerver komt vaak meer aan de weet dan een gezant of een bode van het hof.’
De Koning knikt instemmend.
‘Wens me succes, papa. Ik vertrek morgen bij zonsopgang.’
De rest van de dag gebruikt Ivar om wat bij te praten met de vrienden en bekenden aan het hof die hij bijna twee jaar niet heeft gezien, maar over zijn reisplannen voor de volgende dag zegt hij niets. Alleen met zijn zusje praat hij uitgebreid over Jarik en Renée. Zo hoort hij dat Renée door haar vader was uitgehuwelijkt aan een Frankische ridder, maar dat deze van het huwelijk had moeten afzien vanwege Jariks aanzoek. Ivar kan zich zijn teleurstelling voorstellen, maar ja, zo gaat dat nou eenmaal in adellijke kringen: je trouwt met de beste partij. Het lijkt Ivar niet erg waarschijnlijk dat die Frankische ridder er iets mee te maken heeft. Wanneer hij eindelijk in zijn eigen bed ligt, dat hij al die maanden heeft moeten missen, valt hij vrijwel meteen in slaap.
Hij wordt gewekt door het kraaien van de haan. Vlug wast hij zich en kleedt zich aan. Over zijn kleren draagt hij een warme grijze wollen mantel waaronder hij een scherpe dolk verborgen heeft en een buidel met goudstukken. In de keuken laat hij zich een stevig ontbijt voorzetten. Zijn ransel heeft hij laten vullen met brood, kaas en fruit, genoeg om de eerste dag mee door te komen. Verder neemt hij alleen zijn viool mee. Tegen de kok zegt hij dat hij een flinke ochtendwandeling gaat maken.
Wanneer hij klaar met eten is, pakt hij zijn ransel en zijn viool, loopt via de deur naast de bijkeuken de paleistuin in en het hek uit. Hij kijkt nog éénmaal achterom naar zijn ouderlijk huis en stapt dan het avontuur tegemoet. Twintig minuten later wandelt hij door de stadspoort de ontwakende stad uit en volgt hij de grote weg naar het zuiden.
Het is een prachtige herfstdag en er is veel verkeer op de weg. Hij krijgt een lift van een boer die met groente en fruit op weg is naar de markt in Gouda. Het is een man van weinig woorden, maar Ivar vindt het wel best. Als hem niets gevraagd wordt, hoeft hij ook niets te verzinnen. Aan het eind van de middag doemen in de verte de stadspoort van Gouda en de St. Janskerk op en neemt hij afscheid van de boer. Hij gaat de stad niet binnen, maar loopt langs de stadsmuur over een smal pad tot hij na enige tijd aan de andere kant weer bij de grote weg uitkomt.
Hij hoopt voor het donker nog een paar kilometer af te leggen, en dan ergens bij een boer de nacht door te brengen. Aangezien er alleen in de stad een brug over de rivier is, moet hij dan wel de volgende dag door iemand de IJssel overgezet worden. Vlak voor het helemaal donker is, ziet hij een stukje van de weg af een boerderij liggen. Hij slaat het karrenspoor in en laat zich niet afschrikken door twee luid blaffende honden die hem tot aan de voordeur begeleiden.
Abonneren op:
Posts (Atom)






