De prins en de zegelring - afl. 2
Klaas ten Holt
Proloog (vervolg)
Graaf Guido probeert een paar stappen te doen en merkt dat het wel weer gaat. Hoewel hij duizelig is en misselijk, voelt hij zijn krachten terugkeren. Hij zal met zijn mannen levend het dal uitkomen en veilig terugkeren naar Normandië. En hij zal ze belonen voor hun trouw, ze hadden hem net zo goed hier kunnen laten liggen om hun eigen hachje te redden.
Langs de gladde oever van de beek klimmen ze voorzichtig het ravijn uit. Wanneer ze eenmaal boven staan, kunnen ze het hele dal overzien. Zo ver het oog reikt, liggen dode en gewonde soldaten in het met bloed, modder en platgetrapte planten en struiken bedekte dal. Pijlschachten, speren en de gevesten van zwaarden steken omhoog als stille vingerwijzingen naar de oorzaak van al die liggende figuren. Groepjes Frankische soldaten lopen tussen de gewonden op het slagveld. Eéntje prikt met zijn zwaard om te kijken of iemand nog reageert; als dat zo is snijdt hij hem vakkundig de keel door, terwijl de tweede kettingen, ringen en andere sierraden of waardevolle spullen verzamelt en in een grote zak doet. Hier wordt het loon van de overwinnaars bijeengeroofd.
Guido realiseert zich dat hij en zijn drie metgezellen de enigen van het leger van de koning zijn die nog over zijn. Nu moeten ze van het invallende duister gebruik maken om ongezien weg te komen. Hij maakt zich weinig illusies over wat er met hen zal gebeuren als ze ontdekt worden. Ze gaan dus omzichtig van steen tot steen en van bosje tot bosje. Ze proberen bovenaan de helling te blijven, waar ze iets minder in het zicht lopen dan beneden in het dal. Als ze maar eerst het dal uit komen, weg van het slagveld.
‘Halt! Sta!’ roept iemand achter hen. Zo’n anderhalve meter hoger tekenen zich de silhouetten van vier mannen met getrokken zwaarden af tegen de donkerblauwe hemel. Guido en zijn metgezellen trekken ook hun zwaard.
‘Neer die zwaarden!’ Vanachter een rotsblok komen nog meer soldaten te voorschijn. Een grote rossige vent met een woeste snor en baard, in volle wapenrusting en gezeten op een snuivend en stomend paard komt naderbij. ‘Kijk aan, het leger van de koning,’ zegt hij spottend.
‘Kniel voor Willem de la Roche, overwinnaar van het leger van de koning, onze aanvoerder en de dapperste aller Franken!’
‘Deze slag heb je misschien gewonnen, maar koning Lodewijk is nog lang niet verslagen,’ antwoordt Guido. Meteen wordt hem het zwaard op de keel gezet.
‘Zwijg, hond,’ sist een soldaat hem toe, ‘of het zullen je laatste woorden zijn.’
‘Voor ik je kop van je romp laat scheiden zou ik graag vernemen met wie ik het genoegen heb,’ zegt Willem met een grijns vanaf zijn paard.
‘Ik ben Guido, graaf van Normandië. Spaar het leven van mijn mannen. Laat ze gaan.’
Nu begint Willem luid te lachen. Onwillekeurig voelt Guido aan het zakje met de haarlok van zijn dochter om zijn hals.
‘Wat heb je daar om je nek hangen, graafje?’ zegt Willem nieuwsgierig. ‘Een volle beurs soms?’ Voor Guido het weet trekt een van Willems mannen het zakje los en werpt het zijn heer toe.
‘Bah! Een haarlok,’ zegt hij teleurgesteld. ‘Van je liefje zeker.’
‘Geef terug, schoft!’ roept Guido woedend. ‘Het is het haar van mijn dochter.
‘Van zijn dochtertje,’ schampert Willem. ‘Een plukje haar in een zakje, hahaha!’
‘Volgende maand wordt ze twee,’ mompelt Guido, ‘en nog vóór haar verjaardag zal ze al een wees zijn.’
‘Hahaha,’ klinkt het hoog vanaf het paard, ‘wat een zielig verhaal: een dochtertje, en straks ook nog een weesje. Mijn hart breekt. En wat een loyaliteit naar je vrienden, ik zag meteen al dat je geen gewoon soldaat was met dat belachelijke schild en die speelgoeddegen. Een sierschermer op oorlogspad. Graaf Guido van Normandië, hihihi!’
Zijn mannen lachen schaapachtig met hem mee.
‘Heb je me verder nog wat te bieden, graafje van me?’
‘Een paar goudstukken. Die kun je krijgen. Meer heb ik niet op zak,’ antwoordt Guido koeltjes.
‘Wat jammer nou, Normandiër, ik zou je graag nog wat meer afnemen. Je graafschapje bijvoorbeeld. Zelf heb ik alleen maar een lelijk kasteel met een klein stadje en wat land er omheen.’ Willem verzinkt in gepeins. Als ik graaf van Normandië zou zijn, zou ik meteen ook een stuk sterker tegenover de koning staan. Deze slag heb ik gewonnen, maar of Lodewijk het er nu verder ook bij laat zitten… ‘Eens kijken,’ zegt hij na een tijdje, ‘hoe heet dat dochtertje van je eigenlijk?’
‘Renée. Ze heet gravin Renée, als je het weten wilt.’
‘Renée zeg je, hm.’ Een valse grijns verschijnt op zijn gezicht. ‘Misschien spaar ik je toch wel het leven.’
‘Ik zal je goed betalen,’ zegt Guido, ‘als je mijn mannen...’
‘Ja, ja,’ onderbreekt Willem hem, ‘je makkers hè?’
‘Ik geef je mijn woord van eer. Duizend gouden dukaten kun je krijgen als je hun levens spaart.’ Niet te hoog inzetten, denkt Guido bij zichzelf.
‘Duizend dukaten?’ Willem lacht hardop. ‘Nee, nee graaf Guido van Normandië, ik heb iets heel anders in gedachten.’
‘Noem je prijs dan, Willem de la Roche!’ zegt Guido zelfverzekerd.
‘Het is niet je geld dat ik wil. Ik wil alles. Alles wat van jou is wil ik hebben. En daarom moet je me je dochter geven. Ik wil haar hand; jouw graafschap zal mijn bruidsschat zijn!’
‘Wat zeg je? Dat kan niet! Zij is nog geen twee jaar oud!’ Guido voelt de grond onder zijn voeten wegzinken. Zijn hoofd begint weer te bonken.
‘Ik hoef haar nu ook nog niet. Als ze vijftien is, dan wil ik haar.’
‘Lang leve onze Willem, overwinnaar van het leger van de koning, graaf van Normandië!’ roept één van zijn soldaten, waarop ze allemaal beginnen te joelen.
‘Nooit!’ roept Guido, ‘dat nooit!’ maar niemand hoort hem.
‘Ja, zo wil ik het,’ grijnst Willem. ‘Jij voedt haar voor me op, en op haar vijftiende verjaardag is ze voor mij. Wees streng, leer haar gehoorzaamheid. En leer haar een instrument bespelen. Luit of zo, dat lijkt me wel wat: een mooie vrouw die muziek maakt terwijl ik eet en drink, haha! En denk erom: geen streken, want daar hou ik niet van.’
‘Schoft!’ roept Guido, ‘Ploert! Nooit zul je haar bezitten. Maar laat mijn mannen gaan, die hebben hier niets mee te maken. Dit gaat alleen tussen ons.’
‘Hahaha,’ Willem heeft het grootste plezier boven op zijn paard. ‘Niks hoor, er wordt niet onderhandeld. Als ik je dochtertje niet krijg, liggen hier straks vier lelijke koppen zonder lichaam in de modder.’ Dreigend heffen zijn mannen het zwaard.
‘Willen de heren nog even overleggen?’ voegt hij er poeslief aan toe, ‘ik heb nog wel een minuutje hoor, en ik vermaak me hier uitstekend. De hele dag al trouwens.’
De oudste van Guido’s mannen doet nu een stap naar voren.
‘Heer Willem,’ zegt hij ernstig, ‘neem onze drie levens, maar laat onze heer gaan. Wij zijn nog ongetrouwd en zonder kinderen. Ons zal niemand missen. Van het leven van graaf Guido zijn velen afhankelijk. Vergeet uw trouwplannen. Als u groter wilt gaan wonen, vecht er dan voor als een man.’
‘Hahaha! Bravo! Bravo! Dapper gesproken, vriendje. Mag ik nog iemand anders het woord geven?’
‘Laat mijn kameraden gaan, neem alleen mijn leven,’ zegt Guido somber.
‘Helaas, helaas, de tijd is om, er moet nu gekozen worden. Dat is toch niet zo moeilijk? Vier levens in ruil voor één, dat niet eens genomen wordt.’
‘Alleen het mijne.’
‘Nee. Vier levens of vier lichamen. Kies!’ Willem en zijn mannen heffen de zwaarden.
‘Goed dan, ik zwicht.’ Guido zakt door zijn knieën in de modder en laat zijn hoofd hangen.
‘Zo heb ik twee keer overwonnen vandaag, en de avond is nog niet voorbij. Ik zou jullie graag uitnodigen voor het feest dat wij straks gaan vieren, maar jullie zullen wel geen tijd hebben?’ Willem maakt zich op om weg te rijden, maar bedenkt zich. ‘In zuigelingen ben ik niet geïnteresseerd; als ze vijf wordt kom je haar laten zien op mijn kasteel, dan mag je met je bloed op een stuk papier schrijven wat wij hier vandaag hebben afgesproken. Mijn mannen zijn getuigen. En wie weet wat de toekomst nog brengen zal? Misschien komt er wel een kroonprins naar haar handje dingen. In dat geval zal ik mij natuurlijk terugtrekken. Dat kost je dan wel duizend gouden dukaten, graaf Guido van Normandië. Een kroonprins, vind er een en je bent van me af.’
De prins en de zegelring - afl. 1
Klaas ten Holt
Proloog
Het is heel vroeg in de ochtend. De zon is nog niet op en er hangt een een dikke nevel die vrijwel het hele dal aan het zicht onttrekt. Het ijzelt een beetje. Een soldaat, die net zijn tent is uitgekomen, blaast in zijn handen om ze te warmen. Er wordt gefluisterd in het legerkamp en op gedempte toon hier en daar een bevel gegeven. Op het vuur dat nog smeult van de vorige avond staat een grote ketel te dampen.
Zodra de zon haar eerste stralen vertoont, zal de aanval worden ingezet op het vijandelijke kamp aan de overkant van het dal. Zesduizend soldaten die vechten voor koning Lodewijk tegen nog geen vijftienhonderd opstandelingen uit La Roche. Dat is geen veldslag, dat is een verzetje, zeggen ze in het legerkamp. Daar vechten soldaten uit heel Frankrijk samen onder één vlag. Lodewijk is niet populair, maar hij is nou eenmaal de koning.
Ook uit Normandië zijn soldaten gestuurd onder aanvoering van graaf Guido. Hij houdt helemaal niet van oorlogvoeren of van vechten, maar zijn vrouw heeft hem overgehaald toch te gaan: ‘Als jullie winnen - en en natuurlijk winnen jullie - zal Lodewijk je goed belonen: geld, misschien wat land erbij, dat kan nooit kwaad. En zo kom je er ook nog eens uit, leer je nieuwe mensen kennen, kun je een beetje netwerken, doe het nou maar gewoon. Al was het maar voor de lichaamsbeweging.’
‘Maar lieverd, ik heb een hekel aan vechten, en ik ben doodsbang voor van die grote getatoeëerde kerels met snorren en oorringen,’ had graaf Guido tegengesputterd.
‘Wat een onzin, je hoeft toch niet vooraan te gaan staan? Als je je gezicht maar laat zien! En ik wil ook wel eens een paar avonden voor mezelf hebben.’
‘En als er toch iets met me gebeurt? Straks zie ik ons lieve kleine meisje nooit meer.’ Zijn vrouw wilde er echter niet van horen. En nu staat hij daar in de mist in een dal ergens in Frankrijk - voor zijn gevoel is het midden in de nacht - met in zijn hand een beker vol hete drab die voor ontbijt moet doorgaan. Hij heeft helemaal geen zin in deze oorlog, en voor het eten hoef je het ook al niet te doen. In een klein zakje aan een veter om zijn hals bewaart hij een haarlok van zijn dochtertje, gravin Renée, hij voelt er even aan.
De sfeer in het kamp is goed. Niemand twijfelt aan de uitkomst van de strijd: ze gaan die opstandelingen een lesje leren. Gisteren is er nog een brief gekomen van koning Lodewijk om ze succes te wensen. Hij kon er vandaag zelf helaas niet bij zijn vanwege dringende verplichtingen, maar wilde toch graag even iets van zich laten horen. Het ziet er niet naar uit dat de mist snel zal optrekken. Graaf Guido denkt aan zijn dochtertje dat nu nog in haar ledikantje ligt, omringd door haar lievelingspoppen en beesten. Hij wilde dat hij thuis was gebleven. Nieuwe vrienden heeft hij niet gemaakt. Hij heeft eerder het gevoel dat ze hem achter zijn rug allemaal een beetje uitlachen hier in het kamp. En die overwinning zullen ze ook zonder hem wel behalen.
Het moest eigenlijk een verrassingsaanval worden, heel vroeg in de ochtend. In stilte zou het leger zich in slagorde opstellen en bij de eerste zonnestralen de vijand bestormen. Daar lijken de soldaten zich echter weinig van aan te trekken. Er wordt gelachen, gevloekt, dan weer met een luid: ‘Sssssst!’ om stilte gevraagd en opnieuw gelachen.
De buit hebben ze in gedachte al verdeeld, de strijd al gestreden. Guido is er niet helemaal gerust op, maar ja, ze zullen wel weten wat ze doen.
En dan is het bijna zo ver. Een luitenant te paard wijst iedereen zijn plaats in de slagorde. Graaf Guido en zijn honderd meegebrachte boeren worden in de linkerflank ondergebracht, een beetje in de achterhoede, dan kunnen ze niemand in de weg lopen.
De luitenant legt uit wat de bedoeling is: ze zullen eerst zo stil mogelijk optrekken, wat verder het dal in, tot ze de vijand op honderd meter zijn genaderd. Dan zullen ze daar wachten op de eerste zonnestralen, om bij het steken van de trompet de vijand te bestormen. Deze zal zich vermoedelijk snel overgeven vanwege de verassing en de overmacht. Die avond zal het feest zijn in het kamp van Lodewijk.
Op zijn teken marcheert het leger zachtjes een stuk het dal in. Daar is de mist nog dichter. De luitenant is weer uit het zicht verdwenen en Guido hoopt maar dat de soldaten naast hem goed opgelet hebben en weten wat de bedoeling is. Hij heeft het koud en krijgt steeds meer spijt dat hij zich door zijn vrouw heeft laten ompraten. Hij is hier ook helemaal niet op gekleed. Aan zijn riem hangt een koperen sierdegen die thuis altijd boven de haard heeft gehangen, en zijn sierschild met familiewapen ziet er ook niet al te stevig uit. Hij voelt zich slecht op zijn gemak tussen al die woeste kerels om hem heen.
Met een gedempt ‘Halt!’ komt het leger tot stilstand. Dan gebeurt er een poosje helemaal niets. Er wordt niet meer gelachen, gepraat of zelfs maar gefluisterd. Iedereen houdt zich doodstil en wacht op het signaal voor de aanval. Guido denkt aan zijn honderd boeren-soldaten en hun gezinnen thuis in Normandië. Hij hoopt maar dat ze allemaal veilig en ongedeerd uit de strijd zullen komen. De eerste vogels beginnen al te kwetteren. Nóg komt de zon niet op. Hij voelt zijn hart in zijn keel bonzen, draait zich om naar zijn mannen achter hem om ze bemoedigend toe te knikken, maar de mist is te dicht. Hij kijkt maar weer voor zich uit, het signaal zal zo wel klinken.
Een onnatuurlijke stilte ligt over het dal, zo’n beetje als bij de jaarlijkse dodenherdenking. Nog heel even is iedereen zijn eigen zelf met zijn eigen gedachten om straks te versmelten tot één joelende oorlogsmachine die zich op de vijand zal storten.
En daar klinkt de trompet! Door de mist heeft Guido de eerste zonnestralen niet eens gezien. ‘Ten aanval!’ hoort hij iemand roepen, en meteen daarna klinkt er gekrijs en gejoel in de voorhoede. Maar heel anders dan hij het zich voorgesteld had. Dit is geen gejuich, dit zijn kreten van pijn en van afschuw. Hij heeft geen idee wat er aan de hand is. Om hem heen dringt iedereen naar voren. Hij moet uitkijken niet onder de voet gelopen te worden en laat zich maar meevoeren door de meute.
Naast hem zakt een soldaat dodelijk door een pijl getroffen in elkaar. Het is onmogelijk te zien waar die vandaan is gekomen. Schilden gaan omhoog als dekking. Meer pijlen volgen. Een dichte massa soldaten golft naar links en naar rechts over het modderige en slecht begaanbare terrein. Wie onderuit gaat, heeft geen schijn van kans om nog overeind te komen en wordt meteen onder de voet gelopen door zijn eigen kameraden.
Guido’s enige zorg is nu zijn evenwicht niet te verliezen, en zo goed mogelijk mee te varen op de algemene koers. Sommigen lijken het leuk te vinden, schateren het uit of brullen drink- of zeemansliederen, anderen kijken verwilderd om zich heen alsof ze totaal in paniek zijn. Hier en daar zakken er spontaan in elkaar alsof hun benen plotseling van rubber zijn geworden.
Kalm blijven, denkt Guido. Niet in paniek raken. Dat is mijn enige kans.
Ergens ver weg klinkt weer een trompetsignaal gevolgd door luid gejoel. Is dat het leger van de koning of zijn het de opstandelingen? Waar Guido zich bevindt, maakt dat eigenlijk niet veel uit. Hij laat zich maar meeslepen in de heen en weer deinende soldatenbrei.
De mist is nog dikker geworden en het miezert nu ook een beetje. De kou voelt hij niet meer. Van tijd tot tijd daalt er een regen van pijlen op hen neer, soms ook brandende, die een jankend geluid maken voor ze inslaan. ‘Dekking!' wordt er dan geroepen en dan gaan de schilden omhoog. Na zo’n aanval is er even wat meer ruimte voor iedereen. Zijn ze aan de winnende hand? Niet te zeggen. Guido vertrouwt er maar op. Het moet ook bijna wel, ze zijn met vier keer zoveel als de vijand. Een overmacht.
Na verloop van tijd begint de meute iets uit te dunnen. Guido merkt dat hij wat meer bewegingsruimte heeft. Hij kijkt om zich heen of hij zijn mannen ziet, maar hij herkent niemand. De dichte mist helpt ook al niet mee. Het gaat nu langzaam heuvelopwaarts, ze hebben waarschijnlijk de overkant van het dal bereikt. Hij is niet bang meer, hij weet het zeker: hij zal overleven, hij zal zijn kleine meisje terugzien! Het is alsof hij van bovenaf op het hele gebeuren neerkijkt. Hij is hier met een reden. Het lot wil iets van hem, maar wát precies is hem niet duidelijk. Ook voelt hij zich verantwoordelijk voor zijn eigen mannen die hij in het gedrang is kwijtgeraakt. Hij zal ze terugvinden, zodra het zicht beter wordt, en samen met hen strijden. Samen overwinnen of samen ten ondergaan. Hij heeft nog geen enkele soldaat van de vijand gezien. Alleen de pijlen die ze afschieten, duiden op hun aanwezigheid in het dal.
En dan verliest hij zijn evenwicht in een modderpoel die dieper is dan hij had gedacht. Hij zakt weg met één voet, duikelt voorover, klapt om en glijdt op zijn rug een stuk heuvelafwaarts. Hij probeert zich een paar keer ergens aan vast te grijpen maar dat lukt niet. Hij glijdt verder door de modder en zal wel zien waar hij uitkomt. Dan schiet hij plotseling over een richel en valt een paar meter naar beneden. Hij komt ongelukkig terecht, met zijn hoofd tegen een grote kei en zijn benen in een riviertje met ijskoud water. Hij verliest het bewustzijn.
Heel in de verte praat iemand tegen hem. Hij hoort duidelijk zijn naam: ‘Heer Guido! Heer!’ Hij reageert niet. Droomt hij? Er wordt over hem gesproken: ‘Is hij dood?’ zegt iemand zachtjes. ‘Nee, volgens mij leeft hij nog. Maar hij heeft zo te zien een flinke klap op zijn hoofd gehad!’
‘Heer! Graaf Guido! Hoort u ons? U moet hier weg. U kunt hier niet blijven liggen.’ Iemand trekt aan zijn arm. Hij voelt dat hij opgetild wordt en een stukje verder weer neergelegd. Zo ligt hij iets prettiger. Hij heeft een stekende pijn aan zijn hoofd. Hij doet zijn ogen open en ziet drie van zijn mannen om hem heen staan. Langzaam weet hij weer waar hij is en hoe hij daar gekomen is.
‘Gaat het, heer?’ vraagt een van hen.
‘Het gaat wel geloof ik,’ zegt Guido. Hij probeert te gaan zitten. Hij ziet dat de mist is opgetrokken en dat het is begonnen te schemeren. Hij moet hier dus al een tijdje hebben gelegen. Hij is tot op het bot verkleumd.
‘Neemt u hier maar een paar slokken van, heer.’ Hij krijgt een flacon aangereikt en drinkt. Het brandt ongelofelijk van binnen, maar het doet hem goed.
‘Denkt u dat u kunt staan?’
‘Ik denk het wel. Geef me nog heel even. Hebben we... gewonnen?’
‘Nee, heer. Het leger van de koning is totaal in de pan gehakt.’
Eigenlijk wist hij het al, heeft hij het de hele dag al geweten.
‘U kunt hier niet blijven, ze vermoorden alle gewonden en overlevenden.’
‘Het is één grote slachtpartij.’
Guido probeert overeind te komen. Hij voelt een bonkende pijn aan zijn hoofd, maar hij staat. ‘Zijn jullie als enigen overgebleven van de onzen?’
‘Dat is niet te zeggen. Er zijn er een boel dood, maar er zijn er ook een hoop gevlucht. De strijd was zo chaotisch, we zijn elkaar vrijwel meteen uit het oog verloren.’
‘Het is een wonder dat wij drieën nog bij elkaar zijn. En al helemaal dat we u terug hebben gevonden, heer.’
‘We dachten dat u wel gesneuveld zou zijn,’ vult een van de anderen aan. ‘Tenminste, daar waren we bang voor,’ voegt hij er met een kleur aan toe.
‘De opstandelingen waren veel beter georganiseerd. Ze kenden het terrein op hun duimpje.’
‘De hellingen liggen bezaaid met dode en gewonde soldaten.’
‘We moeten zo snel mogelijk het dal uit zien te komen, dat is onze enige kans.’
Otmars zonen - Peter Buwalda
Waarom zou ik over Otmars zonen willen schrijven? Misschien omdat de literaire vorm mij na aan het hart ligt en volgens mij in gevaar is. Toen ik jong was ging het vaak over literatuur versus lectuur. Literatuur was kunst, lectuur amusement. Sinds de totale democratisering van de kunsten volbracht is, er geen verschil in waardering meer mag zijn tussen hoge en lage kunst, en daarmee in feite hoge kunst verdacht is geworden, want elitair - want wat niet tot onmiddellijke bevrediging leidt, of vragen stelt i.p.v. alles voor te kauwen en uit te leggen is immers elitair - hoor je dat laatste woord niet meer. Althans niet in de toen gangbare betekenis van ‘er staat wel wat, maar het heeft niet zoveel om het lijf.’ Lectuur is nu gewoon alles dat je kunt lezen.
Echte literatuur komt nauwelijks nog aan bod in de door kijkcijfers (de markt) gestuurde media. In programma’s als DWDD zie je presentator Matthijs van Nieuwkerk trots Bonita Avenue, de eerste roman van Peter Buwalda omhooghouden en hoor je hem beweren dat Buwalda hiermee ‘de grote Nederlandse roman’ heeft geschreven, waar hij eigenlijk alleen maar had mogen zeggen dat Buwalda ‘een dik boek’ had geschreven. De grote Nederlandse roman is een foutieve vertaling van the great american novel, een Amerikaans fenomeen, waarbij het gaat om een boek (dik of dun, dat is niet relevant), geschreven door een Amerikaan, dat in essentie het leven van de 'gewone' Amerikaan beschrijft. Bonita Avenue, dat voor een groot gedeelte over de Amerikaanse porno-industrie handelt en verder wordt bevolkt door volstrekt karikaturale types, is nóg het een nóg het ander. Maar het kwaad is al geschied, de media praten elkaar gemakzuchtig na, het boek wordt een bestseller en dus móet het wel literatuur zijn. Wie het tegendeel beweert is een zeur, een kniesoor, en wordt vermoedelijk gedreven door jaloezie vanwege zijn eigen tegenvallende verkoopcijfers en belangstelling van de media. Uitgeluld, in het jargon van Buwalda.
Nu dan Otmars zonen, het eerste deel van een trilogie in wording. Net als in Bonita Avenue krijgen we te maken met buitenissige figuren die toevallig allemaal met elkaar verbonden zijn en het meestal slecht met elkaar voor hebben. Het boek is geschreven in een soort vlotte journalistieke stijl die hip, internationaal en eigentijds wil zijn, maar in feite vooral lachwekkend krampachtig aandoet; een combinatie van kitsch, boeketreeksjargon en quasi americana. Buwalda bedient zich van een overweldigende en intimiderende overdaad aan vergelijkingen en slimme vondsten. Zo steekt iemand een gemicrogolfde taartpunt in zijn mond (teveel informatie), iemands gemoed is een toverbal waar hij al weken emoties afzuigt (krampachtige vergelijking), gouden sneakers vertonen slagrijm met de gouden juwelen die iemand draagt (schrijver wil laten zien dat hij Literaire kunst heeft gelezen).
Het begint al met hoe iedereen heet. Net als in Bonita Avenue krijgen we een potsierlijke combinatie van namen voorgeschoteld als Dolf Appelqvist, Johan Tromp, Radjesh Bissesar, Zack Knox Polk, broer en zus Tosca en Ludwig, Ed Osendarp, Star Busman, Isabelle Orthel, Jill Biggerstaff. En achter deze namen vinden we vervolgens… niets dan bordkartonnen karikaturen en archetypen. Buwalda probeert het wel, maar het lukt hem gewoon niet. Als schrijver lijkt hij net zo impotent als zijn romanpersonage Dolf Appelqvist; het is alsof hij ergens heeft opgezocht (of op een schrijfcursus heeft geleerd) hoe een romanpersonage eruit zou moeten zien, en dat vervolgens allemaal letterlijk heeft toegepast. Ik vrees dan ook dat het Buwalda in het echte leven teveel aan empathie voor ‘de ander’ ontbreekt om zich genoeg in iemand te kunnen verplaatsen om diegene ook op papier tot leven te brengen. (misschien is dit onterecht, ik ken Buwalda niet persoonlijk) Ik had bij het lezen voortdurend het gevoel door Buwalda zelf toegesproken te worden, met daarbij de impliciete aansporing toch vooral op te merken hoe slim hij het allemaal formuleert en hoeveel hij weet.
Vaste ingrediënten bij Buwalda zijn de smoking guns, in Otmars zonen zijn dat de doodenge en agressieve eerste vriend van de vrouw van de eerste hoofdpersoon, (het boek kent nogal wat perspectiefwisselingen) het enge woonwagenkamp jeugdvriendje van diezelfde hoofdpersoon waar we ongetwijfeld nog meer van gaan horen, het verraad van adoptiemeisje Isabelle Orthel dat tot de val en de dood van haar adoptief opa leidt; ze geven Buwalda het gemak van steeds weer nieuwe, quasi slimme plotwendingen, openingen, uitwegen; hij had het immers al aangekondigd, dus dan mag het, en het houdt de spanning er lekker in: de immer aanwezige dreiging en mogelijkheid van plotselinge terugkeer van lijken uit de kast.
Ook is er in Otmars zonen opnieuw sprake van extreme seks, hoewel we extreem met een korreltje zout moeten nemen, het blijft middenstandersproza. Het gaat over bondage, buttplugs en slavenkettingen, er worden stokslagen uitgedeeld op de billen van Isabelle Orthel, maar het moet wel gezellig blijven. Om het geheel literair gewicht te geven, wordt er aan De Sade gerefereerd, lezen we zelfs dat Hermans het al vóór De Beauvoir voor De Sade opnam (een weetje dat overigens gewoon in Het Sadistisch Universum staat, daarvoor hoef je De Beauvoir niet gelezen te hebben), dat we niet denken dat Buwalda zijn klassiekers niet kent. Nergens word je als lezer uitgedaagd je tot het gelezene te verhouden, dwingt het je tot een stellingname, zoals bijvoorbeeld bij Houellebecq (of De Sade) wel het geval is.
Echt stompzinnig wordt het wat mij betreft wanneer het over muziek gaat en er meteen maar Dan Brownachtige kletsverhalen worden opgediend over een verdwenen derde deel van Beethovens sonate opus 111, en er weetjes over Heifetz en de mores in de klassieke muziekpraktijk worden uitgevent. Hier weet Buwalda nergens het niveau en de geloofwaardigheid van Mann in Doctor Faustus te halen, die tenslotte ook een leek was.
De enige opmerkelijke of interessante passage is wat mij betreft die waarin de jonge Johan Tromp door zijn vader op (postzegel) diefstal is betrapt en door hem niet wordt gestraft, maar te horen krijgt: ‘en als je later, wanneer je een volwassen man bent, toch vals wil zijn, en gemeen, en oneerlijk, zorg er dan eerst voor dat je belangrijk bent. Voor belangrijke mensen gelden andere regels. Zorg ervoor dat je het ergens, maakt niet uit waar, voor het zeggen hebt.’ Hier hebben we haast een thema te pakken: dat van de slechte, machtige man.
Het verhaal is al met al (net als Bonita Avenue, dat wel een voorstudie lijkt te zijn geweest), zo breed uitgesponnen en complex in opzet en uitwerking, dat je bijna zou vergeten dat het ondertussen helemaal nergens over gaat. We krijgen een familiesaga voorgeschoteld van mythische proporties, een soort Dallas in boekvorm met Johan Tromp als J.R. Ewing, maar dan zonder de knipoog en de humor. Er is bij Buwalda nadrukkelijk geen ruimte voor enige zelfrelativering, hij meent het allemaal doodserieus. Vraag is alleen: wat is het dan precies dat hij zo doodserieus meent? Waar is hij bang voor? Wat is zijn urgente boodschap? Dat de mens slecht is? Dat de mens goed is? Dat elk menselijk streven zinloos is? Dat het juist zinvol is? Wie het weet mag het zeggen.
Een ding is zeker: Buwalda wil aandacht. Hij doet er alles aan zichzelf te branden als een soort kruising tussen Richard Ashcroft, Hugh Heffner (zie auteursfoto achterflap) en Jan Cremer. Ik denk dan ook dat de enige urgentie van Otmars zonen ligt in de wens van de schrijver een bestseller te produceren, liefst de ultieme bestseller en dat daaraan alles wordt opgeofferd. Het is formuleproza, gruttersliteratuur, reclametekst. Eigenlijk is het vooral de pathetische poging van een lefgozertje om boven zijn stand te leven.
En dat is jammer, want Buwalda kán best wel wat. Als het hem zou lukken alle pretentie van zich af te schudden en hij zou ophouden krampachtig iets te willen zijn dat hij niet is en ook nooit zal worden, blijft er misschien wel genoeg over om iets interessants te kunnen produceren.
Tot slot wil ik ook nog even zeuren over het verschrikkelijk lelijke omslagontwerp; wat zou er toch staan? Ozon Tmars nen? Het is in elk geval geschreven ‘door’ Peter Buwalda, zoals pontificaal boven de auteursnaam staat. De enige andere bestsellers die mij te binnen schieten waarbij op het omslag niet gewoon de titel en de auteursnaam staat, maar ook nog specifiek vermeld wordt dat het ‘door’ Mark, Johan, Matthijs of Paul is, zijn…
Klaas ten Holt

Een poging tot vergelijking van wat de vier evangeliën zeggen over de doop van Jezus
Op (vrijblijvende) uitnodiging van de sympathieke predikante Marije Hage vergeleek ik in de vier evangeliën de doop van Jezus. Ik kan dat alleen maar literair, want gelovig ben ik niet. Los daarvan is Jezus voor mij misschien de meest romantische en ontroerende literaire personage die ik ken.
Het evangelie (de blijde boodschap) van Marcus is het kortst, leest bijna als een uittreksel. Er is sprake van een geest die als een duif (symbool van vrede) neerdaalde, en Jezus wordt al meteen door God ‘zijn zoon’ genoemd.
Je zou dit kunnen zien als het feitelijke begin van het christendom: de drie pijlers worden gedefinieerd: de vader, de zoon en de heilige geest. Het is een expositie van een thema. Opvallend ook binnen het monotheïsme, die splitsing van het goddelijke in drieën.
God noemt Jezus zijn ‘veelgeliefde zoon’ (ο Ιησούς ο πολύ αγαπημένος γιος). Veel, maar niet ‘totaal’ of ‘absoluut’, het lijkt wel of de liefde ook begrenst is. Misschien omdat god zijn zoon straks ook moet offeren?
In het evangelie van Mattheüs weet Johannes van te voren al dat hij zijn meerdere gaat dopen. Hoe kan hij iemand dopen die zonder zonde is, vraagt hij zich af. Maar Jezus zegt dat alles van te voren al zo beschikt is, wat klinkt als een voorbode van de vervelende protestantse predestinatie.
Ook bij Mattheüs is Jezus de veelgeliefde. Vraag is misschien of hier bedoeld wordt dat hij door ‘velen’ werd geliefd, of door god. Dat is moeilijk uit te maken, maar dat kan ook aan de vertaling liggen.
Mattheüs is duidelijk meer literair dan Marcus. Er is perspectiefwisseling en meer dialoog.
Lucas schrijft als een soort historicus met nogal wat tijd en plaatsbepalingen. Maar over de doop van Jezus zegt hij alleen dat die ‘plaatsvond’. Voor hem is wat daarna gebeurde klaarblijkelijk belangrijker: Jezus in gebed (ik vraag me dan af wat zijn gebed zou zijn geweest? Of gaat het er vooral om hem af te beelden als vroom, want in gebed?), de neerdaling van de heilige geest en het aanwijzen van Jezus als de ‘zoon’. Hier: de welbeminde, dat net weer een nuance anders klinkt dan veelbeminde.
Hier vindt, vermoed ik, ook het ‘nieuwe’ verbond plaats. Het eerste verbond was immers dat met Mozes en het joodse (uitverkoren) volk.
Johannes beschrijft de doop als een getuigenis van Johannes de Doper, het vertelt het verhaal ahw na, we horen het uit de tweede hand.
Johannes (De doper) getuigt dat hij van te voren was gewaarschuwd waaraan hij de zoon van god zou herkennen. Johannes wist dus al dat die zou komen, van ‘degene die hem (Johannes) gezonden had om met water te dopen’. Er is nu geen sprake meer van een veel- of welbeminde. Deze versie van het verhaal vind ik de meest raadselachtige, en ook ‘wolliger’ dan de andere evangeliën.
Van versie naar versie krijg je het gevoel dat het perspectief langzaam verschuift van een nieuw en nog weinig geïnstitutionaliseerd geloof (meer een beweging of secte) naar een volwaardig geloof met een eigen ‘verhaal’.

Reinbert de Leeuw
Bijna drie jaar geleden stond ik met een bos bloemen en de partituur van mijn opera Tamerlan bij Reinbert voor de deur van zijn appartement op de begane grond in de Waldeck Pyrmontlaan aan het Vondelpark. Ik kende hem een klein beetje uit de tijd dat ik in het bestuur zat van componistenvakbond C-96, de tijd van Halbe Zijlstra. Ik had hem toen gepolst voor een door mij bedachte ludieke actie tegen de dreigende bezuinigingen, om met zoveel mogelijk componisten op een boot op de Rijn bij Lobith het land uit te varen, leek mij goed voor een hoop publiciteit, en ik dacht dat Reinbert als voormalig Reconstructie componist daar de lol wel van in zou kunnen zien, maar hij vond het niks: kort gesprek.
Ik vond hem een redelijk intimiderende persoonlijkheid, maar zeker ook een uitnemend musicus. Ik kende zijn briljante versies van de vioolsonates van Antheill met Vera Beths (ik hou niet van Satie) en zag hem in het Amsterdamse Concertgebouw (ik was toen zelf nog student) Messiaens La Transfiguration De Notre Seigneur Jésus-Christ dirigeren met de meester zelf in de zaal. Onvergetelijke ervaring!
Nog weer later speelde hij in hetzelfde Concertgebouw Messiaens Quatuor pour la fin du temps (met Vera Beths en Anner Bijlsma). Bush sr was toen net de eerste golfoorlog begonnen en de oorlogsdreiging zinderde door in de uitklank van het slotakkoord; het was minutenlang stil (zo leek het althans) voor er uitzinnig applaus klonk.
Na zijn directie van Theatre of the world van Louis Andriessen in Carré (ik had kaartjes geregeld voor mijn compositiestudenten uit Groningen, het leek me dat ze dit niet mochten missen, maar bij aanvang bleek er niemand te zijn komen opdagen, de portier van Carré nam de kaarten hoofdschuddend van mij aan en beloofde ze aan voorbijgangers te zullen uitdelen. Dit heb ik tot op heden nog niet aan mijn leidinggevende in Groningen durven vertellen) durfde ik Reinbert eindelijk aan te spreken voor de deur van Carré waar hij na afloop een sjekkie stond te roken. Ik complimenteerde hem met zijn fantastische prestatie en we spraken over Louis opera die hij zelf een van Louis beste werken zei te vinden. Alsof ál Louis kwaliteiten samen waren gekomen in één werk, meende hij.
Ik vond hem veel aardiger en opener dan ik dacht en besloot hem te vragen de partituur van mijn (nog altijd!) niet uitgevoerde opera Tamerlan te bekijken. Hij vond het prima, bel me maar, zei hij, dan maken we een afspraak.
En zo stond ik dan met bloemen en partituur bij hem op de stoep. Hij deed open, schudde mij hartelijk de hand en viel flauw. Ik legde mijn tasje en de bloemen op de grond en knielde naast hem op de grond. Ik had ook wel gezien dat hij er erg fragiel uitzag. ‘Reinbert!’ zei ik. ‘Gaat het wel?’
Hij opende zijn ogen, in elk geval leefde hij nog. ‘Zal ik iemand bellen?’ vroeg ik dus maar. ‘Heb je dit wel vaker?’ Ik hielp hem overeind en zette hem op het bankje dat in de gang stond. ‘Wat zal ik doen?’ vroeg ik. ‘Moet ik écht niet iemand bellen? Zal ik weggaan? Zeg maar wat je wilt.’
‘Nee, nee,’ zei hij. ‘Niets aan de hand. Geef me even een momentje. Komt goed.’
Ik raapte mijn bloemen van de vloer en keek een beetje om me heen terwijl ik me afvroeg wat ik moest doen. Na een tijdje stond hij op en strompelde naar de woonkamer waar hij me welkom heette, vroeg of ik thee wilde en een sjekkie begon te rollen.
‘Zou je dat nou wel doen?’ zei ik nog. Ik bekeek zijn mooie lichte kamer met veel kunst aan de muur en overal partituren. Reinbert stond alweer op om thee te gaan maken. Ik bood aan dat in zijn plaats te doen, maar daar wilde hij niet van weten. Bij de vleugel in de andere kamer viel hij nogmaals op de grond. Iets mompelend over ‘onderzoekjes’ en ‘uitslagen’ stond hij weer op en strompelde naar de keuken.
Hij nam mijn partituur in ontvangst en bladerde er beleefd in. ‘Ziet er interessant uit,’ zei hij. Ik had gezien dat er een partituur van Sjostakovitsj op zijn vleugel lag en vroeg hem daarnaar. Daar was hij anders over gaan denken, zei hij. Milder. Maar verhalende opera vond hij niet meer van deze tijd. Dat was jammer. Maar hij zou mijn partituur desalniettemin aandachtig bekijken. Ik moest hem over een tijdje maar weer eens bellen.
Ik drukte hem bij het afscheid op het hart om vooral rustig aan te doen en een dokter te bellen. ‘Ja, ja,’ zei hij. Morgen kon hij uitslapen. Hij hoefde pas aan het eind van middag een vlucht naar New York te halen.
Charles-Ferdinand Ramuz - De grote angst in de bergen
En plotseling was daar Ramuz, De grote angst in de bergen, vergeten meesterwerk van een vergeten meester. Ik kende Ramuz (1878 - 1947) al als de schrijver van het libretto van Stravinsky’s Verhaal van de soldaat en als iemand waarover gefluisterd werd dat zijn schrijfsels - net als die van Schuberts Willhelm Müller -, alleen nog voortleefden vanwege het gebruik ervan door een veel briljantere componist. Aangezien De grote angst in de bergen met veel bombarie werd aangekondigd als ‘een epos van bijbelse proporties’ (Wineke de Boer, Volkskrant,12 april 2019), leek enig wantrouwen me wel op zijn plek.
Plaats van handeling is een gehucht in de Zwitserse Alpen waar de dorpsraad besluit die zomer de koeien te laten grazen op de hooggelegen sappige weide van Sasseneire, vlak onder de gletsjer, waar twintig jaar eerder vreemde dingen zijn gebeurd die tot de dood van de veestapel en de meeste herders hadden geleid. Niet iedereen is vóór, maar ondanks waarschuwingen van overlevende herder Barthélémy, wordt onder druk van de dorpsvoorzitter positief besloten. Beneden is de grond schraal, en een royale zuivelopbrengst is hard nodig. Een groepje mannen wordt ingehuurd om een paar maanden met de koeien op Sasseneire te verblijven.
Het groepje bestaat uit Barthélémy, die er eigenlijk op tegen is, maar omdat hij zich beschermd weet door een geheimzinnig amulet in de vorm van een stuk papier om zijn hals, tóch mee wil, Clou, een mismaakte vagebond waar niemand blij mee is, De meester, die de herders aanvoert, zijn kleine neefje Ernest en tot slot Joseph, een wat sullige goeierd die vooral meegaat omdat hij dan genoeg geld zal verdienen om eindelijk met zijn geliefde Victorine te kunnen trouwen. De vertelling is zo opgezet dat van meet af aan duidelijk is: dit gaat niet goed aflopen.
Eenmaal op Sasseneire gaat het meteen mis als de herders ’s nachts in hun Alpenhut geheimzinnige voetstappen op het dak horen en er iemand naar binnen lijkt te willen. Verstijfd van angst liggen ze op hun bedbanken. Dat is Hij, dat is De Boze, weet Barthélémy. Alleen Clou lijkt zich weinig zorgen te maken en lacht de bange herders uit. Hij heeft zijn eigen verborgen agenda: goud zoeken en voorgoed wegtrekken uit het dorp.
Afin, de koeien vallen ten prooi aan een geheimzinnige ziekte, ik heb er geen verstand van, maar ik vermoed mond en klauwzeer, en het ene na het andere beest bezwijkt, moet worden afgemaakt en door de radeloze mannen vanwege het besmettingsgevaar in de harde rotsgrond begraven.
Omdat ze beneden in het dorp lucht krijgen van de problemen op Sasseneire, moeten de herders in quarantaine en worden er bij het dorp wachtposten uitgezet. Victorine probeert ’s nachts haar Joseph te bereiken maar verdrinkt in de bergstroom. Joseph weet na een barre tocht door de bergen de wachtpost te omzeilen en het dorp te bereiken om zijn lief dood en opgebaard aan te treffen. Hij keert half waanzinnig van verdriet terug naar Sasseneire.
Op de begrafenis van Victorine breekt in het dorp de pleuris uit, de voorzitter en zijn neef worden gelyncht. Dan stort de gletsjer in en wordt het halve dorp verzwolgen door het gletsjerwater.
Waar gaat De grote angst in de bergen over, is de vraag die ik mij stel, wat wil Ramuz ons vertellen? Aangezien er geen hoofdpersoon is in de traditionele zin, is er ook niemand om je mee te identificeren of tenminste mee mee te leven. Geen van de herders krijgt veel contour, er wordt vooral van alles gesuggereerd. Joseph is de simpele, verliefde, arme sloeber, weet je wel? Je kent het type toch? Ernest is het bange, huilerige, kleine neefje. Iedereen heeft er wel zo een. Clou is de mismaakte boef. Hij is gewetenloos en alleen uit op eigen gewin en heeft een eng lachje: ho, ho, ho! Alleen met de mooie Victorine (dat ze mooi is, verzin ik zelf maar even, wat is immers de zin van een lelijke Victorine?) kunnen we nog enigszins meevoelen. Zij probeert Joseph thuis te houden, heeft angstige voorgevoelens (present fears are less than horrible imaginings weten we al van Mac Beth), toont moed en opofferingsgezindheid die zij helaas met de dood moet bekopen.
Je zou kunnen zeggen dat het hele dorp de hoofdpersoon is, de dorpsgemeenschap in haar strijd met de elementen. Dorpje heeft ambitie, wil die verwezenlijken, komt in conflict met een grotere macht en gaat ten onder. Een bildungsroman over een dorp, waarom ook niet?
Een alternatieve hoofdpersoon is misschien de gletsjer, die dan weer symbool staat voor de natuur, de wereld waarop wij leven en waarvan wij het ook moeten hebben. Ramuz’ (overigens uitstekende!) vertaler Rokus Hofstede wil De grote angst in de bergen in zijn nawoord graag oppimpen tot een ecologische roman avant la lettre. Kijk eens hoe urgent, hoe actueel! En dan toch al zolang geleden geschreven! Ramuz als visionair en zijn vertaler als slimme ondernemer. ja, ja.
Blijft over de taal.
Slecht geschreven is het namelijk niet. In de taal zit de meeste beweging, zou ik zeggen. Er wordt voortdurend en virtuoos van perspectief gewisseld, ingezoomd en uitgefocust, tussen werkwoordstijden gemoduleerd en dat in fraaie, lange en meanderende zinnen. Het mooist en origineelst zijn de beschrijvingen van de gletsjer, de rotsen, de lucht, het water. Ramuz beschrijft die als een levend en alomvattend organisme, wat prachtig, hallucinerend (psychedelisch) proza oplevert. Vooral de eenzame tocht van Joseph over de bergpas is werkelijk magnifiek. Hier is Ramuz ook niet voorspelbaar of clichématig. Je zou willen dat hij méér was dan een knappe landschapsschilder of een begenadigd Bob Ross’er. Die tocht van Joseph door de bergen had het hoogtepunt, of liever nog één van de hoogtepunten moeten zijn van een epische roman van werkelijk bijbelse proporties. Nu blijf ik achter met een vervelend gevoel, een beetje zoals indertijd met Stoner, ook zo’n zogenaamd onterecht vergeten meesterwerk dat ons met veel superlatieven door de strot werd geduwd.
Klaas ten Holt 2019

Willem Jan Otten, Specht en zoon (Libris literatuurprijs 2005)
Specht en zoon wordt verteld vanuit het perspectief van een ‘Zeer Dicht Geweven Vier Maal Universeel Geprepareerd’ schildersdoek op het moment dat het als portret door zijn schilder in het vuur geworpen gaat worden. Eerst hangt het nog bij Van Schendel op een rol in de winkel, totdat het gekocht wordt door Felix Vincent, die portretschilder is, en door het doek zelf Schepper wordt genoemd. Het stuk doek dat Schepper van de rol laat snijden en opspannen is van groter formaat dan waarop hij gewoonlijk zijn portretten schildert, waarmee duidelijk wordt dat hij iets bijzonders van plan is. Hierna volgt een ingewikkeld plot met onverwachte wendingen in de beste B-filmtraditie, dat ik hieronder kort samenvat. (In feite overbodig, immers, wie het boek gelezen heeft kan dit overslaan en wie het niet heeft gelezen ook. Ik vermeld het plot om mijn punt te maken dat dit plot meteen ook het boek behelst; er ís alleen maar plot.)
Schilder weet niet goed wat hij met het doek zal aanvangen, hij vertelt Minke - een kunstjournaliste met wie hij ooit iets heeft gehad en die hem komt interviewen - dat hij van plan is er een Piëta op te schilderen, hij krijgt een portretopdracht van de bekende baggerkoning en kunstverzamelaar Valéry Specht, die hem veel meer betaalt dan zijn gebruikelijke honorarium, hij moet diens overleden zoon Singer schilderen om daarmee - volgens Specht - een leven te redden, Schepper zal dus van videotapes en foto’s moeten werken, er kan niet worden geposeerd, Singer blijkt een zwart jongetje te zijn, een adoptiezoon, Schepper stelt voor Singer naakt af te beelden, Specht eist geheimhouding, niemand mag van de opdracht weten en er mogen ook geen foto’s van het voltooide portret worden gemaakt, Schepper schildert het portret in afwezigheid van zijn vrouw, Lidewij, die een paar weken op wintersport gaat, wanneer zij terugkomt toont hij haar het portret, ze vrijen, waarbij, zoals later blijkt, hun eerste kind wordt verwekt, Lidewij verbaast zich over het portret en vraagt Schepper aan wie hij heeft gedacht bij het schilderen, hij antwoordt geïrriteerd dat je toch ook niet vraagt aan wie iemand dacht bij het verwekken van zijn kind, de volgende dag vertelt hij haar over zijn jeugdvriend Tijn, zijn allerbeste vriend, die tijdens een rustpauze bij een fietstocht plotseling zijn broek liet zakken om te laten zien dat hij bij wijze van geslacht alleen een heel klein knopje had, een soort baby-eikeltje, waarna Schepper meteen de vriendschap had verbroken, er wordt gesuggereerd dat Schepper Singer met hetzelfde minuscule geslacht als dat van Tijn heeft geschilderd, dan wordt er gebeld dat Specht het schilderij niet op de afgesproken dag zal komen halen, Schepper pakt het schilderij in, waardoor het doek - de verteller van het verhaal - enige maanden op zichzelf is aangewezen, als het ware ‘on hold’ staat, verpakt in luchtkussenfolie, aan het eind van de zomer is Lidewij hoogzwanger en moet ze wegens complicaties een tijdje naar het ziekenhuis, maar voor ze vertrekt vraagt ze of ze het portret van Singer nog eenmaal mag zien, waarop het weer wordt uitgepakt en het verhaal weer opgepakt wordt, zodra Schepper Lidewij naar het ziekenhuis heeft gebracht, belt Minke of ze hem nogmaals mag interviewen, Schepper blijkt porno te kijken op dvd’s die hij in anonieme zwarte verpakking koopt, Doek hoort hem in het belendende vertrek masturberen, al begrijpt hij natuurlijk niet wat er daar precies gebeurt, Minke is bezig met een artikel over Specht, Schepper vertelt Minke dat Lidewij er niet is, maar verzuimt te vertellen dat ze in het ziekenhuis is om hun kind te baren, ondanks het verbod van Specht, laat hij haar het portret van Singer zien, daarna vrijt hij in zijn atelier met Minke terwijl Doek toekijkt, Minke vertelt Schepper dat Specht dodelijk ziek is, en dat zij heeft ontdekt dat hij het met heel jonge jongetjes deed die hij voor veel geld uit het buitenland importeerde en die hij vermoedelijk door steeds andere portretschilders liet vereeuwigen, ze waarschuwt Schepper dat niemand zal geloven dat Singer al dood was toen hij zijn naaktportret schilderde omdat hij immers altijd naar levende modellen werkt, de volgende dag gooit Minke haar artikel over Specht bij Schepper in de brievenbus, Schepper is ten einde raad en kijkt nogmaals naar de video van Singer die hij projecteert op de achterkant van een grote spiegel in zijn atelier, hij realiseert zich dat Singer op de video niet slaapt maar dood is, Lidewij belt hem vanuit het ziekenhuis dat zij ingeleid gaat worden omdat de weeën zijn begonnen, hij moet zo snel mogelijk komen, vóór hij vertrekt maakt hij een brandstapel in de tuin en verbrandt de videobanden van Singer, de pornobanden en de cheque van € 50.000 die Specht hem heeft gegeven als voorschot op het portret, tenslotte gooit hij ook het portret in het vuur, nu rest alleen de polaroid die Schepper van het portret maakte, Doeks bewustzijn gaat hierna op miraculeuze wijze over op de polaroid van Singers portret, die ook nog eens door Schepper in tweeën is gescheurd, in het ziekenhuis vertelt Schepper aan Lidewij (dit weten wij omdat Doek, die nu Polaroid is in zijn borstzak zit en alles kan horen) dat het portret door de opdrachtgever is opgehaald, Lidewij krijgt hevige weeën waarbij complicaties optreden, zij moet naar de Intensive Care, de bevalling loopt goed af, Schepper wordt vader van een zoon die hij Stijn noemt (Singer plus Tijn = Stijn!), dan komt Specht onverwacht alsnog het portret ophalen, hij zegt dat het verhaal van Minke op leugens is gebaseerd en dat Singer nog leeft, dat hij juist goed voor zijn zoon heeft willen zorgen, maar dat die een junk en een dief was, Singer had zelfmoord willen plegen met een overdosis, maar Specht had hem net op tijd gevonden en kunnen redden, hij had hem het portret willen geven bij wijze van therapie, om Singer te tonen dat er van hem gehouden werd, Schilder toont hem daarop de polaroid, Specht vraagt Schepper tenslotte om het portret nogmaals te schilderen.
Tot zover de plot van Specht en zoon, volgens de tekst op de achterflap ‘een rijke roman over de wens iemand op de wereld te zetten’. Vraag is wat Otten bezield heeft dit verhaal te schrijven en wat hij ons ermee wil vertellen. Is het uiterst opzichtig geconstrueerde plot een vehikel voor een diepzinnig psychologisch drama, of ís er alleen maar plot en wil Otten ons laten zien dat hij hele ingenieuze plots kan verzinnen?
Het is natuurlijk aardig bedacht om het verhaal door een schildersdoek te laten vertellen, alleen komt Otten er technisch zelf ook niet helemaal uit. Doek heeft al een bewustzijn als hij nog onderdeel van een rol is, onderdeel van een groter geheel, maar klaarblijkelijk heeft de rest van de rol dit bewustzijn niet zodra Doek er vanaf is gesneden. Het was misschien geloofwaardiger geweest Doek te introduceren als reeds opgespannen. Ook problematisch is de wijze waarop het bewustzijn van Doek op metafysische wijze op een polaroid wordt geïncarneerd. ‘Kunnen jullie door een sleutelgat? Ja, wij kunnen door een sleutelgat!’
Dan die vermeende wens om iemand op de wereld te zetten, hoe zit het daar eigenlijk mee? Van kinderwens lijkt bij Schepper geen sprake te zijn, daar wordt in elk geval nergens in het boek gewag van gemaakt; Lidewij blijkt in verwachting, en dat is dat. Wordt dan de wens van Specht bedoeld, om zijn dode zoon Singer getransformeerd in Scheppers portret te (laten) herscheppen? Maar Singer is niet dood, leren wij aan het eind. Gaat het dan om Scheppers eigen kunstenaarschap? Dat blijkt nergens uit, Schepper is een portretschilder, met als grootste ambitie zijn huis te kunnen afbetalen, een weinig artistieke of creatieve ambitie. Is het dan allemaal een evangeliserende metafoor voor ‘het door God, de schepper, geschapen leven op aarde’? Specht en zoon zit vol met nogal kitscherige verwijzingen naar het Christusverhaal en het vader en zoon motief, maar de zin of noodzaak daarvan weet Otten nergens duidelijk te maken. Waar die andere Nederlandse bekeerling, Gerard Reve in Zelf schrijver worden parallellen trekt tussen het kunstenaarschap en de religieuze vervoering die volgens hem beide gestileerde emoties zijn en als thema de dood hebben, of waar - wat verder weg - Dostojevski in De Grootinquisiteur uit De Broers Karamazov het thema van de vrijheid en de vraag of de mens daar mee om kan gaan, aansnijdt, blijft Otten hangen in vage toespelingen die willen suggereren dat er méér is aan dit boek dan alleen een onderhoudend plot, maar die het niveau van de knipoog nergens overstijgen.
Ronduit irritant zijn wat mij betreft de namen die Otten zijn personages meegeeft. Valéry Specht, Singer, Lidewij Langebeen, huize Nimmerdor, Fok Duivemelk, Procter Poldermol. Dat klinkt naar kinderboek. Wat is eigenlijk de doelgroep van Specht en zoon? Ik vermoed dat het Ottens ambitie was om middelbare scholieren aan het lezen te krijgen met een grappig plot en in godsnaam geen psychologische diepgang; literatuur, maar tóch leuk. Otten dient ons louter flat characters op, het doek dat het verhaal vertelt is vanzelfsprekend plat en opgespannen, Schepper komt over als een weinig ambitieuze, weinig empathische, ontrouwe echtgenoot, maar verder komen we nauwelijks iets over hem of zijn zielenleven te weten. Lidewij krijgt nog minder (geen enkel) contour, Specht is een enigma en Singer een anekdote. Dit hoeft allemaal geen probleem te zijn als er een masterplan is waarin alles op zijn plek valt, de schepping als de perfecte misdaad, maar helaas geeft Otten geen enkele aanleiding dit te veronderstellen. Het blijft daardoor allemaal zo plat als een dubbeltje. In die zin deed Specht en zoon mij denken aan De passievrucht van de pretentieloze Karel Glastra van Loon, voor de verfilming waarvan ik in een ander leven de muziek componeerde. De plot van Specht en zoon zou niet misstaan in de meesterlijke roman Op de rok van het universum van Tonnus Oosterhoff die vrijwel uitsluitend uit bestaande en zelfverzonnen plots bestaat, en waarin het plot van De passievrucht ook een cameo heeft. Oosterhoff stelt in zijn roman het plot als fenomeen ter discussie, dat kun je helaas van Otten niet zeggen.
Aan de andere kant: "50,000,000 Elvis Fans Can't Be Wrong”. Specht en zoon beleefde tien drukken en kreeg de Libris literatuurprijs 2005. ‘Meesterlijk stilist raakt een zenuw,’ schreef Trouw destijds. En Arjan Peters in de Volkskrant: ‘wie bereidt is Otten te volgen, kómt ook ergens.’ Daar lijkt me geen speld tussen te krijgen.
Klaas ten Holt 2019